Tom Van Grieken, Bart De Wever en Conner Rousseau Beeld rv
Tom Van Grieken, Bart De Wever en Conner RousseauBeeld rv

partijfinanciering

De grote schatkist van onze politieke partijen: ‘Als we fors gaan besparen, moeten we er wel voor zorgen dat dat niet ten koste gaat van de inhoud’

Alle Belgische politieke partijen samen hebben meer dan 65 miljoen euro aan vastgoed in bezit. Verder staat er 93,5 miljoen op hun rekening en zit er 32 miljoen in beleggingen. Het mag duidelijk zijn: er gaat te veel geld naar de partijen, een hervorming dringt zich op.

Dimitri Thijskens

In 2015 besloot de N-VA om een kantoorgebouw in de Koningsstraat in Brussel aan te kopen. Het legde daarvoor 22,5 miljoen euro op tafel. Drie verdiepingen van dat gebouw gebruikt N-VA zelf als hoofdkwartier, vier andere verdiepingen worden verhuurd. Dat kan de partij zonder enig probleem dankzij de gulle partijfinanciering in ons land. Gevolg is dat de N-VA nu ook de partij is met de meeste inkomsten uit onroerende goederen, in 2021 ging het om 372.000 euro, meer dan alle andere partijen samen.

Met andere woorden, N-VA heeft intussen een mooie vastgoedpoot uitgebouwd. Is dat wel de bedoeling van partijfinanciering? ‘We willen niet dat politieke partijen vastgoedkantoren worden, dat is duidelijk’, zegt FWO-onderzoeker Gunther Vanden Eynde, die aan de KU Leuven uitgebreid onderzoek doet naar partijfinanciering. ‘Maar toch is mijn mening daarover enigszins geëvolueerd. Moeten we investeringen in vastgoed over een andere kam scheren dan andere investeringen? Ik vind van niet. Aan de andere kant, als je dat allemaal kunt doen, dan krijg je te veel geld.’

Er zit ook enige logica in wat N-VA heeft gedaan door dit gebouw aan te kopen. ‘Ze is begonnen als een kleinere partij, die niet veel ruimte nodig had’, gaat Van Den Eynde verder. ‘De verdiepingen die ze niet nodig hadden, hebben ze dan verhuurd aan andere bedrijven. Stel dat ze nog veel groter worden, dan kunnen ze probleemloos uitbreiden zonder dat ze op zoek hoeven naar een ander gebouw. Worden ze kleiner, dan kunnen ze nog meer kantoorruimte verhuren. Voor het eigen gebouw is dat allemaal perfect te begrijpen. Het zou anders zijn als ze een tweede gebouw in bezit hadden dat ze volledig verhuurden, dan zou het om pure speculatie gaan.’

N-VA wilde hierop geen commentaar geven omdat het gaat over de financiële strategie van de partij.

N-VA heeft vermogen van 31,5 miljoen

Maar N-VA is zeker niet de enige die zijn hoofdkwartier in eigen bezit heeft, dat geldt onder andere ook voor Vlaams Belang of cd&v. Het is niet evident om een duidelijk zicht te krijgen op het vastgoedbezit van de verschillende politieke partijen. Uit de jaarrekeningen kunnen we enkel afleiden hoeveel een partij aanvankelijk voor een gebouw betaald heeft, maar niet hoeveel de huidige waarde bedraagt. Aangezien vastgoed in waarde stijgt, is dat een belangrijke kanttekening.

En dan zijn er nog partijen zoals PVDA of Groen, waar het vastgoed in een coöperatieve zit en dus niet af te leiden valt uit de boekhouding van de partijen zelf. ‘We hebben zelf al geprobeerd om wat extra informatie te verzamelen, maar we raken er niet echt wijs uit’, zegt Vanden Eynde. ‘Het geeft een onduidelijk beeld. Over de lokale partijgebouwen hebben we helemaal geen informatie.’

Het grootste deel van het vermogen is bij deze partijen terug te vinden op hun spaarrekening: 14,5 miljoen bij Vlaams Belang, 11,5 miljoen bij cd&v en PS en 9,2 miljoen bij N-VA. Beleggingen zijn ook een grote vermogensbron, met 14,5 miljoen bij N-VA, 5,7 miljoen bij Vooruit en 5,6 miljoen bij CDH. Ecolo, Groen en PTB/PVDA houden hun volledige vermogen, niet verrassend, in cash bij. Maar uit alles blijkt hoe ver N-VA momenteel boven de rest uitsteekt met een eigen vermogen van 31,2 miljoen euro, Vlaams Belang (12,7 miljoen), PS (11,6 miljoen) en PVDA/PTB (11,2 miljoen) zijn zelfs niet meer in de achteruitkijkspiegel te zien. De Vlaamse traditionele partijen blijven allemaal ver onder de 10 miljoen, met Open Vld als trieste uitschieter met slechts 3,8 miljoen euro.

Dat het de N-VA is die nu mee de forcing voert om de partijfinanciering terug te draaien is geen wonder. Het is voor hen een win-winsituatie: zij kunnen nu zeggen dat partijen veel minder geld moeten krijgen en zo scoren bij hun achterban. Als het er niet van komt, kunnen ze het vlotjes in de schoenen schuiven van de andere partijen. Intussen kunnen ze hun vermogen verder aandikken, zodat ze heel wat politieke stormen kunnen trotseren.‘“Ons voorstel is om de indexering van de partijfinanciering stop te zetten. Dat is het eerlijkst. Zo wordt elke partij relatief gezien even veel geraakt en zal de partijfinanciering al snel een stuk lager liggen dan voorhee’”, aldus N-VA-woordvoerder Philippe Kerckaert.

Lees ook:

Delphine Lecompte: ‘Gelukkig kunnen mijn hondjes mijn teksten niet lezen, anders hadden ze al lang hun intrek bij Connie Palmen genomen’

‘Wat had hij dat ik niet had? Die snor, uiteraard’: de mooiste bijdragen uit het huldeboek voor Guy Mortier

‘Arcadia’ had de slechtste start uit de recente tv-geschiedenis, maar er zijn verzachtende omstandigheden

Komt er toch een grondige verandering, met een beknibbeling op de financiering, dan weet N-VA dat het de concurrenten relatief gezien veel meer pijn zal doen dan henzelf. Zij zitten op een berg geld, terwijl de spaarpot van de traditionele partijen stilaan leegloopt. Die zullen harde noten moeten kraken, met onder andere het ontslaan van personeel of het knippen in het advertentiebudget, om op die manier te besparen. De N-VA kan nog wel een aantal jaren voortdoen zoals ze nu bezig is.

Vlaams Belang drukt nog harder door en pleit voor een halvering van de partijfinanciering, net als PVDA/PTB. In dat laatste geval mag dat niet echt voor een verrassing zorgen. PVDA/PTB is een van de weinig partijen waar het overheidsgeld slechts 50 procent van de totale inkomsten bedraagt. Bij de meeste andere partijen loopt dat op tot 70 à 90 procent. Dankzij de afdrachten van mandatarissen, lidgelden en giften halen zij bijna 5 miljoen euro op, geen enkel andere partij komt maar in de buurt. Zij zullen dus nog altijd vlot verder kunnen met veel minder overheidsgeld.

Personeel als grootste kostenpost

Nu weten we dus waar de 94 miljoen euro aan jaarlijkse inkomsten vandaan komen, bijna 80 procent van de overheidsdotaties. Maar wat gebeurt er allemaal met dat geld? De grootste kostenpost is personeel, waar 30 miljoen euro voor wordt uitgetrokken. Dat zijn partijmedewerkers, die op het hoofdkwartier of in de lokale afdelingen werken. Dus niet de parlementaire medewerkers, want die worden ook betaald via belastinggeld. ‘Vaak worden die medewerkers ook opgeëist door de partij en moeten die dus taken doen die niks met parlementair werk te maken hebben’, zegt Vanden Eynde. ‘Dat zorgt voor minder kosten voor de partij en dus onrechtstreeks voor bijkomende financiering. Wat eigenlijk toch niet de bedoeling zou mogen zijn.’ De taak van zulke medewerkers zou officieel moeten bestaan uit bijvoorbeeld het voorbereiden van wetgeving.

Verder werd er in 2021 nog 15 miljoen voorzien voor reclame, waarvan ongeveer de helft voor digitale campagnes. Daarover hadden we het in het eerste deel al uitgebreid. 7 miljoen euro wordt voorzien voor de verkiezingen. Bereid u dus al maar voor op een blitzoffensief begin volgend jaar op sociale media en in de brievenbus. U zult overstelpt worden met politieke boodschappen. Dan wordt er nog 16 miljoen euro uitgegeven voor administratie en 4,3 miljoen euro voor de huisvesting. En zelfs na al deze uitgaven bleef er in 2021 nog 9,1 miljoen euro winst over, dat dus weer kon worden belegd of opgepot.

Het geeft allemaal aan dat er heel veel vet op de soep zit. Vandaar ook dat de stemmen om de partijfinanciering aan te passen steeds luider klinken. Enerzijds vanuit het parlement zelf, waar er de afgelopen jaren tientallen amendementen zijn ingediend om het systeem te veranderen, gaande van het terugschroeven over het halveren tot de vraag om meer transparantie en duidelijkere richtlijnen over waarvoor het geld gebruikt mag worden.

Al acht keer op de vingers getikt

Ook door het GRECO, de Group of States against Corruption, is België al acht keer op de vingers getikt in verband met zijn financiering van politieke partijen. Die instelling van de Raad van Europa deed in 2009 elf verschillende aanbevelingen over wat er verbeterd zou moeten worden. Zo werd er gewezen op de ingewikkelde regels, het gebrek aan controle op lokaal niveau, dat alle financiering via de partij passeerde en dat er geen onafhankelijke controle bestond. Vijf jaar geleden waren nog maar drie aanbevelingen volledig ingewilligd, zeven slechts gedeeltelijk en één helemaal niet.

Het geeft aan dat er de afgelopen jaren herhaaldelijk gewezen is op de problemen, maar dat er met slepende voeten beslissingen worden genomen. Nog maar in januari kwam er een rapport van een expertengroep, die na een vergelijking met de systemen in een aantal andere Europese landen vijf aanbevelingen deed bij het volledig herschrijven van de wet op de partij- en campagnefinanciering. In de eerste plaats ging het daarbij over het jaarlijks vastleggen van de totale publieke dotatie die over alle partijen wordt verdeeld. Een deel van dat bedrag zou forfaitair zijn en een deel op basis van het electoraal resultaat.

‘We moeten in de eerste plaats gaan kijken wat we verwachten van politieke partijen en van daaruit vertrekken’, zegt Vanden Eynde, die deel uitmaakte van de expertengroep. ‘Ongeacht hun sterkte moeten ze kunnen nadenken en antwoorden formuleren op sommige maatschappelijke problemen vanuit hun eigen ideologie. En ze moeten campagne kunnen voeren om zo alle kiezers uit hun landsdeel te bereiken. Vandaar dat het misschien beter is om het vaste deel wat hoger te maken en het variabele deel wat lager, zodat het voortbestaan van een partij niet in het gedrang komt bij één slecht verkiezingsresultaat. Dat kan door op het variabele gedeelte een degressieve functie te zetten: hoe hoger het aantal stemmen, hoe minder zwaar het variabele gedeelte nog zal worden opgetrokken.’

Daarnaast pleiten de experts onder andere voor een strikte scheiding tussen de parlementaire fracties en de politieke partijen, zodat middelen die door het parlement ter beschikking worden gesteld niet meer gebruikt kunnen worden voor partijactiviteiten. En voor het reserveren van een deel van het totale budget voor de financiering van de partijstudiedienst.

Dat is een idee dat Kristof Calvo ook wel genegen is. ‘Als we fors gaan besparen, moeten we er wel voor zorgen dat dat niet ten koste gaat van de inhoud’, zegt Calvo. ‘Kijk bijvoorbeeld naar Nederland. Daar is er minder publieke financiering, maar de middelen zijn wel meer geoormerkt en bestemd voor de bureaus, de internationale werking en de jongerenorganisaties. Zo blijven de belangrijke opdrachten van een politieke partij gewaarborgd. Wat ik verder nog belangrijk vind bij een eventuele hervorming is transparantie, zodat alles onderling goed vergeleken kan worden. En we moeten de middelen en de controle ook wat weghalen van de partij. Want nu wordt de particratie enkel maar versterkt.’

Niet op de schop

Waar iedereen het wel over eens lijkt, is dat de publieke financiering zeker niet op de schop moet – zoals in Italië nu gebeurd is – en dat het Belgische systeem ook heel wat sterktes heeft. ‘We moeten zeker niet terug naar de tijden waarin grote bedrijven invloed konden uitoefenen met grote giften’, zegt Vanden Eynde. ‘Maar er moet toch wel een en ander gebeuren.’

De commissie Grondwet in de Kamer boog zich al eens over de partijfinanciering, maar heeft beslist om nog maar eens een rondje adviezen te bestellen, volgens Groen-Kamerlid Kristof Calvo op aangeven van PS en MR, twee partijen die niet bepaald voorstander zijn van een herziening van het systeem. Het lijkt erg op een vertragingsmanoeuvre, ook al staat het voornemen om de partijfinanciering te hervormen in het federale regeerakkoord.

Een reeks denktanks mengt zich nu in de discussie, in de hoop de impasse te doorbreken. Het initiatief ‘We need to talk’, georganiseerd door Itinera, de Vrijdaggroep, het Egmont Instituut, Levl, Aula Magna en de G1000, organiseerde een debat, waarbij alle burgers vanaf 2 februari online hun mening hebben gegeven. Vanaf volgend weekend zullen zestig burgers drie weekends lang over het thema overleggen. Half juni moet het eindrapport aan de politieke wereld worden overhandigd. Het thema zal dus niet meer van de politieke agenda verdwijnen.

(DM)

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234