null Beeld Herman Selleslags
Beeld Herman Selleslags

De Humo-jaren

‘Het plezante van Herman op de redactie te hebben, was dat hij alles kon’

In de ochtend van 22 mei 1997 stortte Herman de Coninck in Lissabon neer op de stoep. Onderstaande tekst is een herinnering aan de Journalist Herman de Coninck.

Mark Schaevers

De vroegst bewaarde omschrijving van de journalistentandem De Coninck & Piryns - ‘twee hippies met hun hemd door een scheur van hun broek’ - is van de socialistische politicus Jos Van Eynde, alias Kop Van Eynde, de Polderbizon. De aanleiding was een interview in november 1970. Als ik goed tel was het nog maar de tweede keer dat Herman de Coninck en Piet Piryns samen uitrukten. Herman was die herfst door Piet vanuit het onderwijs de journalistiek binnengeloodst. Op school had hij toch maar last van de inspectie: gezeur over het leerplan en te laat komen. In de Brusselse Livornostraat was hij nog op tijd om één van de uitvinders van Humo te worden. Jos Van Eynde, de bullebak die een dementerend socialisme vertegenwoordigde, versus twee twintigers (Herman was 26, Piet 22) die stevig aan de sixties hadden gesnoven. Hoe liep zo’n interview in de kantoren van de Antwerpse Volksgazet? Hier is Kop Van Eynde: ‘Dat is nu al de tweede vraag die mij niet aanstaat. Denkt gij werkelijk dat ik hier zit om u een soort van ‘geleid interview’ toe te staan? Denkt gij dat ik mijn tijd niet beter kan besteden? Ik ben te oud geworden om mij te laten bedotten, verstaat gij?’

Bij de zoveelste vraag die hem niet aanstond, dit keer over zijn oorlogsverleden, vlogen de jonge reporters gewoon aan de deur. Tien minuten later kon het interview alsnog worden voortgezet. Misschien duurt het nog altijd voort: Jos Van Eynde en Herman de Coninck, zo heeft het lot gewild, rusten in hetzelfde ereperk van het Antwerpse Schoonselhof. Joseph Luns, Jan Piers, Marc Sleen: er volgden nogal wat ‘geleide interviews’ die vrolijk uit de hand liepen. Even wreven twee generaties tegen elkaar aan, twee generaties die te weinig van elkaar wisten en wilden weten om compromissen te sluiten. Ter rechterzijde was er nog een franc-parler. Joseph Luns bezwoer onze twintigers dat democratie in de Kerk voor hem niet hoefde. Tekenaar Marc Sleen legde hen uit waarom de vrouw ondergeschikt moest blijven aan de man. “t Is toch geen toeval dat Einstein een man was, ‘t is toch niet voor niets dat luchtvaartpiloten nooit vrouwen zijn?’

De asem van de haat

De interviewers De Coninck en Piryns bewogen zich volgens hun hoofdredacteur Guy Mortier in die dagen ‘constant in de hete asem van de haat’, zo wraaklustig stelde hij zich hun slachtoffers voor, onder andere omdat ‘het interview hen tegen een spiegel aandrukt die een doorgezakte, in plooien zwemmende oude zak laat zien - zelfs aan henzelf. Mortiers inleiding op het interviewboek van De Coninck & Piryns ‘Woe is woe in de Nedderlens’, verschenen in 1972, begint dan ook met een voor zijn doen erg programmatische regel: ‘Het heerlijkste aan interviewen is dat je zelf je vijanden kunt kiezen.’ Het gebeurt wel meer dat een hoofdredacteur op een andere golflengte zit dan zijn redacteuren. Wat Herman interessanter vond aan interviews, was dat hij zelf zijn vrienden kon kiezen. Hij zocht zoveel mogelijk verwante geesten op, of in zijn ogen interessante mensen.

Als er al een asem opstijgt uit dit prille journalistieke oeuvre, laat het dan die van de drank zijn. Hermans lievelingsdrank in die dagen staat ook in Mortiers inleiding vermeld: Cognac Napoleon. Op de foto’s van getuige Herman Selleslags staan meestal gewone pinten. Marnix Gijsen serveerde Bols. De dichter Rutger Kopland heeft eens opgeschreven hoe hij bij zijn eerste ontmoeting met Herman en Piet in het voorjaar van ‘73, nog tijdens het interview met hen bevriend raakte. ‘Eigenlijk zou ik moeten zeggen,’ schreef Kopland, ‘dat we tijdens het gesprek vrienden bleken te zijn. Het was zo’n ontmoeting met mensen van wie je het gevoel hebt dat je hen al jaren kent... een soort weerzien van mensen die je nog nooit hebt gezien.’

Zo verwant bleken soms geïnterviewde en interviewer, dat hun woorden door elkaar begonnen te lopen. Herman liet sportjournalist Jan Wauters in de Humo van 3 december 1970 zeggen: ‘Ik maak schijnbewegingen met woorden die het voetballen me ingeeft; ik laat me verleiden door de gratie van combinaties.’ Poëzie als bewegingsvoetbal, de onverwachte combinaties met een beperkt aantal spelers die je in een gedicht nastreeft, met dat soort frasen zou Herman zich nog meermaals behelpen als hij zichzelf moest verklaren. In de volgende jaren gingen De Coninck & Wauters dan ook geregeld samen vragen stellen: een sportduo was tijdens dat eerste interview geboren. (Herman was een beperkte, trage rechtsback die je toch niet makkelijk voorbijkwam. Een behaarde beer, zegt één bron vanop het veld, een nijdige pitbullterriër zegt een andere. Piet Piryns was een spits die de bal het werk liet doen.) Maar waar het hier om ging: het confrontatie-interview was, ook in die vroege jaren zeventig, veeleer de uitzondering dan de regel. Die twistgesprekken met Mortiers doorgezakte zakken zijn wel de eerste die men zich uit Humo’s seventies herinnert. Omdat ze nieuw waren, stelde Herman later zelf. Tot dan was het in onze pers merkwaardig genoeg ongebruikelijk iemand tegen te spreken. Voor zover het al gebruikelijk was iemand te laten spreken - uitgebreide interviews met politici bijvoorbeeld waren zeldzaam. In datzelfde tijdsgewricht noteerde Frans Verleyen dat journalisten, wilden ze met een nieuw soort krantenwerk voor de dag komen, de politici eerst moesten ‘leren spreken’.

De jonge Verleyen vormde in die dagen met Hugo De Ridder een concurrerende journalisten-tandem die ook met die nieuwigheid - een bandrecorder! - door Vlaanderen reisde. Het was trouwens aan hen dat Jos Van Eynde in de winter van ‘70 zijn beklag maakte over de hippies van Humo die waren langsgeweest. Zelf gedroegen de Standaard-journalisten nieuwe lichting zich nog altijd als heren. Zij dronken, bijvoorbeeld, bij Van Eynde thuis een paar flessen Gevrey-Chambertin, een kostbare wijn die, aldus Verleyen, weende ‘aan de wand van het fijngeslepen glas’. Verleyen en De Ridder schreven in die dagen de interviewbundel ‘Waar is nu mijn mooie boomgaard?’ bijeen, en ze leggen in dat boek uit dat ze de geïnterviewde politici tegen zichzelf in bescherming namen, dat ze ‘de dikste brandnetels’ zo behoedzaam mogelijk uit de gesprekken weghaalden, omdat die anders onpubliceerbaar waren. De wijze kunst van het bloemschikken noemden ze dat. Ze leerden de politici dus wel praten, maar waren nog niet klaar om ook op te schrijven wat die, eens volleerd, werkelijk zegden.

Vorig jaar schreef Hugo De Ridder zijn memoires als journalist en daar zat een vreemde passus in. Bleek dat De Ridder dertig jaar na de interviewfeiten de bandjes van toen opnieuw, of voor het eerst, had zitten uittikken, ervan geschrokken was hoe interessant ze waren, zodat hij er alsnog enkele pagina’s van afdrukte. Eén van hun gesprekspartners, Maurits Coppieters, had het hen destijds al vlakaf gezegd: ‘Die lange gesprekken in uw krant zijn boeiend, maar u maakt het de ondervraagden niet erg lastig. Ze mogen rustig de geschiedenis vervalsen... Ze praten over het parlement als over een partijtje petanque in de tuin.’ Een rustig partijtje petanque, daar was het De Coninck & Piryns niet om te doen. Onrust typeert hun interviews, nee, geen existentiële onrust, een vrolijke onrust, een jong gewiebel. In een boeket vonden zij de brandnetels het interessantst.

In hun interviews, merkte Herman eens op, was de vraag ‘Waar is hier de wc?’ even publicerenswaard als de vraag: ‘Wat vind je van de groeiende polarisatie in ons politiek bestel?’ Provocaties waren in deze post-provojaren aan De Coninck & Piryns welbesteed - sommigen spraken liever over agressiviteit. Herman zelf had het over ‘ironische belazerij’, en hij schreef die vooral op rekening van Piet Piryns. Zoals die keer dat ze Eddy Wally erin lieten lopen zonder dat die zelf wat in de gaten had. ‘Een plaatje van Eddy Wally,’ zo ging dat, ‘klinkt helemaal anders dan bijvoorbeeld een plaatje van The Beatles. Hoe komt u aan die eigen sound? ‘Meestal,’ zegt Herman, ‘zat ik toen op het toilet te lachen.’ Geintjes, die mochten er inderdaad ook in.

De jonge interviewers mochten veel van zichzelf: het gesprek met Marc Sleen ondertekenden ze met Piet Fluwijn en Herman Ceunioek. ‘Waar is nu mijn mooie boomgaard?’ versus ‘Woe is woe in de Nedderlens’. De titels van de interviewbundels die ik vermeldde zeggen genoeg: hier waren andere stilisten en andere stijlen aan het werk. Verleyen en De Ridder brachten in hun boek ‘de onlust-bewegingen uit de jaren zestig’ ter sprake, in ‘Woe is Woe’ wordt duidelijk dat De Coninck & Piryns die jaren zelf als een lustbeweging hadden meegemaakt.

Open tuitmondjes

Zo ziet een nieuwe lente eruit. De tuin is die van Piet Theys, tv-journalist. De lente is die van 1971. In één opzicht zou je het een etymologische foto kunnen noemen: je ziet waar het woord tuinmeubelen vandaan komt. Het zijn meubelen die zo uit het huis de tuin zijn ingedragen. Het getrappel op de hometrainer dient tot weinig: Piet Theys is drie jaar later dood. Er is rijkelijk veel bier aangedragen. De mensen en de dingen gedragen zich slordig, kijk eens hoe die extra camera’s van fotograaf Herman Selleslags erbij liggen. Met name Herman de Coninck lijkt erg comfortabel in zijn nieuwe beroep te zitten. ‘Theys’ kerselaar,’ zo zegt de inleiding bij het interview, ‘staat in onverklaarbare, eerstecommunie-achtige bloei, de viooltjes roepen ‘lente’ met open tuitmondjes, de madeliefjes staan te gibberen in het gras.’ De interviewers, ze zeggen het er veiligheidshalve bij, plagiëren hier Frans Verleyen.

Het lijstje van Hermans gesprekspartners in zijn eerste seizoen als interviewer is indrukwekkend talrijk en bont: zo sprak hij met Jan Wolkers, Julien Schoenaerts, maar ook met Jan Theys, Jo Leemans, Marc Dex en Juul Kabas. Herman was met plezier een allrounder - en daarmee de natte droom van een Humo-hoofdredacteur. Je kon hem overal naartoe sturen, zegt Guy Mortier, nog altijd zichtbaar enthousiast, behalve naar een popmuzikant. Hermans uitgangspunt: wie gretig naar alles rondom zich kijkt, ziet meer. Hij vergeleek graag dingen met elkaar, en wie veel gezien heeft, kan veel vergelijken. De brandstof voor zijn journalistiek was eenvoudige nieuwsgierigheid. Herman wist dat vragen stellen hem beter lag dan antwoorden geven. Hij ging - zo zei hij dat - op de tast door het leven.

Een citaat van later in dat leven: ‘Soms vraagt mijn vrouw mij naar wat ik denk. Tja, zeg ik dan. Dat maakt haar heel boos. Maar mij lijkt het een goede samenvatting.’ Een ouder citaat, uit 1972: ‘Journalistiek is voor mij de beste manier om de dingen voor mezelf duidelijk te maken.’

Aan biljarter Raymond Ceulemans vroeg Herman: ‘Wat kost een stel ballen?’ Aan voetballer Nico Dewalque vroeg hij: ‘Als je een verre kruispas geeft, kijk je dan ook?’ En van globetrotter Bernard Henry wou hij weten welk land de knapste vrouwen had. Een interviewer, vertelde Herman eens aan een interviewer, moet het dikwijls van de domme vragen hebben. Herman was een man van vele theorietjes, dit is er één: oninteressante onderwerpen bestaan niet. Zijn uitleg: ‘Hemingway zei ooit dat elk verhaal, als je het maar lang genoeg laat duren, eindigt met de dood. Zo leidt in de journalistiek elk onderwerp, als je er maar genoeg in doordringt, tot maatschappelijke relevantie.’ ‘Het plezante van Herman op de redactie te hebben, was dat hij alles kon,’ zegt collega Ingrid De Bie, ‘tot en met een serie over duivenmelken. Viel er tegen de deadline aan nog een gat, dan kon hij dat in geen tijd dichtrijden.’ ‘Dagenlang lummelde hij zo maar wat rond, sigaretje rollen, mopje tappen,’ zegt collega Daan Delannoy, ‘en pas oog in oog met de deadline rolde hij een vel in zijn machine. In twee uur tijd had hij een prachtig stuk klaar.’

‘De zinnen rolden eruit en stonden er metéén goed,’ vult collega Leo De Haes aan. ‘Volgens mij laadde hij zich in die voorafgaande dagen op. Je zag het niet, maar hij was aan het werk. Misschien kon hij zo snel werken omdat hij niet zoveel dingen moest checken, hij had tenslotte zelf overal z’n theorieën over. Feiten vond hij maar niks, geloof ik, ook uit stilistische overwegingen. Als je veel feiten moet verwerken, worden je zinnen daar niet mooier van.’ Herman was de enige Humo-redacteur die moppen tapte, zegt collega Guido Van Meir. Hij zat daarbij het liefst op een omgekeerde papiermand. ‘Zijn snelheid. De losse pols, de losse pen,’ is het eerste waar collega Wilfried Hendrickx aan terugdenkt, ‘het schijnbare gemak waarmee hij zijn artikelen maakte. Hij kon zo snel werken omdat hij die stukken helemaal naar zijn hand zette: 5 procent journalistiek materiaal, 95 procent literatuur, is mijn schatting.’

‘Herman kon luisteren als geen ander. Dat zegden zijn vrouwen ook altijd.’ Zegt collega Herman Selleslags. ‘Herman kon sturend luisteren,’ preciseert collega Jan Wauters. ‘Hij leidde in stilte mee het gesprek. Ik was de aanvaller, maar hij stuurde mijn aanvallen, met een kuchje, een lach. Hij spaarde zijn woorden tijdens het interview, denk ik, voor het uitschrijven achteraf, en zijn weergave was dan ook weergaloos gaaf. Ik deed het frontwerk tijdens het interview, hij erna; ik was de spreker, hij de schrijver. Hij duwde me vooruit, terwijl hij zelf mompelend, met een sigaretje tussen de lippen, op de achtergrond bleef. Hij wist best dat hij spraakmakende dingen deed, dat hij mee het vliegwiel van Humo aandreef, als hij zelf al niet het wiel was, maar hij deed dat allemaal monkelend. Zoals hij zijn poëzie schreef: poehaloze poëzie.’

‘Ik bediende alleen maar de bandrecorder,’ zo vatte Herman zijn praktijk als co-interviewer weleens samen. ‘Dat gaat wat ver,’ zegt Piet Piryns vandaag, ‘maar het kwam dicht in de buurt, hoor, zeker als we politici interviewden, want dat interesseerde hem eigenlijk niet. Herman was geen heftig baasje, ik wel. Hij schreef nu eenmaal gemakkelijker dan hij sprak.’

De mooiste tijd

Herman de Coninck is van ‘44. Hij is dus 33 in ‘77, als hij terugblikt op zijn eerste zeven Humo-jaren. Herman hing aan elkaar van de terugblikken. Die nacht in ‘77 (het kan niet anders dan ‘s nachts gebeurd zijn) stelt hij de vraag: wat blijft er van die Humo-jaren over? Wat overblijft, schrijft hij, en hij heeft goed nagedacht, is een houding, ‘een attitude van jongensachtig ironisch antigezag’. Ministers interviewen met kauwgum in de mond, van de hak op de tak springen, superieur niks au sérieux nemen, deskundigheid nonchalant etaleren. Weg met alles! Hier zijn wij! Veel poeha en veel boutades, een weetje hier, een sterke uitspraak daar, en tussendoor een alles weg-ironiserende vraag. Humo in de seventies? Een stijl, zegt Herman, die heel de inhoud is. Een stijl, en ik citeer hem, ‘meer niet, maar ook niet minder’, een stijl van een generatie die gewoon het lef heeft ongegeneerd een eigen generatie te zijn.

Ik las eens een sociologisch boek over de jaren zestig in Nederland en daarin ging het over ‘het blakende en overrompelende zelfvertrouwen van een generatie die ervan overtuigd was de wereld opnieuw te kunnen laten beginnen, zonder geschiedenis en zonder schuld’. Die generatie bestond bij ons in de jaren zeventig.

Het was een gepolitiseerde generatie. En in de Livornostraat floreerden vele varianten van links: Lenin, Bakunin, Captain Beefheart, ze vonden er allemaal wel ergens gehoor. Ook die politieke keuze zag Herman als een kwestie van stijl. In zijn studentenjaren had hij een huisgenoot die zei: ‘De revolutie moet plezant zijn of ik doe niet meer mee.’ In zo’n uitspraak proefde Herman ‘iets van de juiste stijl’.

Het was de tijd van Hadimao, abnormaal veel mensen hadden vertrouwen in de Chinese revolutie. Dokter Kris Merckx bracht in Humo verslag uit van de Chinese mirakels, Mao die de lammen deed lopen en de doofstommen deed spreken, Mao die de arbeiders naar de opera stuurde. Wat Herman dacht van Hadimao? Hij merkte daarover op dat de stijl van de zes Chinese opera’s van mevrouw Tsjang Tsjing voor hem volstond om heel China af te wijzen - ‘niet voor de Chinezen, maar voor mij’.

Let weer op die laatste formulering: Herman had zo weinig zin voor dogma, dat zelfs zijn afwijzing van dogma’s niet dogmatisch was. Hij leefde zoals hij schreef: badinerend, flanerend. Zijn eigen omschrijving voor beide, leef- én schrijfstijl, was: ik blijf staan kijken voor de vele etalages van het leven, zonder ooit iets te kopen. En als hij zelf zijn politieke overtuiging probeerde te omschrijven, verzeilde hij in dezelfde metafoor: ‘Ik hou van ideologisch winkelen,’ zei hij, ‘me elke dag afvragen wat ik me nou als ideologie zou laten aanpassen.’ Hij noemde - in een interview uit hetzelfde terugblik-jaar als daarnet, 1977 - vier pakken die hij toen in zijn kleerkast had hangen: anarchisme, trotskisme, linkervleugel-BSP-socialisme en het vreemdste pak, dat hij nog het langst zou dragen: ‘gewoon maatschappelijk pessimisme’.

Wraak

Zes jaar later, in 1983, kondigde Herman op Humo zijn vertrek aan, hij zou het Nieuw Wereldtijdschrift gaan leiden. Spontane reactie op de redactie: ‘En wij dan?’ ‘Beschuldigend bijna,’ zei Herman daarover later, ‘je laat ons in de steek. En zo voelde ik het ook wel een beetje.’

Herman, nog eens in een terugblik op zijn loopbaan: ‘Dertien jaar lang ben ik een progressief journalist geweest bij het weekblad Humo. Ik wil daar geen negatief woord over kwijt: het was de mooiste tijd van mijn leven. We waren met z’n allen progressief en politiek correct, en daar kregen we een groot wij-gevoel van, denk ik. We wisten eigenlijk ook wel, op onze bescheiden manier, dat we bezig waren met het beste blad uit Vlaanderen. Nou, het beste: het lekkerste. Het best geschreven blad. Het minst gezagsgetrouwe blad, het meest huppelepupse blad. We keken naar elkaar en dat waren wij: deze mensen, dit blad.’

Dat waren wij. Journalistiek tegenover poëzie, schrijven in de wij-vorm tegenover schrijven in de ik-vorm, schrijven bij daglicht tegenover schrijven in de donkere nacht, het uitschrijven van je woede tegenover het zoeken naar vrede en aanvaarding, Herman is er in zijn geschriften geregeld op teruggekomen. Zijn pogingen om de journalist en de ‘journalist van zijn ziel’, de Humo-man en de dichter, met elkaar te verzoenen, hun bestaan als aangenaam complementair voor te stellen, hebben iets aandoenlijks.

Als journalist nog haalde hij graag de voordelen van zijn stiel voor zijn poëzie aan: hem moest niet meer worden uitgelegd dat begrijpelijkheid een evidentie is voor elk geschrift - ‘het primaat van de begrijpelijkheid’ noemde hij het zelf. ‘Verstaanbaar schrijven behoort gewoon tot de opdracht, vind ik. Iedereen kan de beste dichter ter wereld worden in een taal die hij zelf uitvindt, en levenslang voor niemand schrijven dus.’ Wie verstaanbaar schrijft, wordt in sommige kringen al gauw oppervlakkig genoemd. Dat verwijt nam Herman er dan maar bij. Hij wist zelf dat hij genoeg diepte aan de oppervlakte verborg.

Herman bedacht graag een gemeenschappelijke noemer voor zijn twee manieren van schrijven. Hij had leren hopen, schreef hij eens, dat journalistiek en poëzie allebei protestvormen waren. Journalistiek is er voor concreet protest - een toestand die moet veranderen, een wereld die moet verbeteren. Poëzie is er voor een diepgaander soort protest, tegen het voorbijgaan van mensen en dingen. Herman: ‘Veronderstel dat ik mijn hoofdredacteur suggereer: zouden we niet eens een stuk schrijven over Allende? Dan zou hij zeggen: jamaar, die is al zes jaar dood. Dat is journalistiek. En dan zou ik zeggen: jamaar, het blijft een feit. Dat is poëzie.’

Een andere keer bedacht hij dat het in beide gevallen, poëzie en journalistiek, gaat om het streven naar een kwaliteit die troostend is. Van die perfectie van de vorm, zo betoogde de poëziebeschouwer De Coninck, kan troost uitgaan, ‘troost voor al wat onvolmaakt, klein, hersenloos, benepen is’. In de wij-vorm, in de schoot van het Humo-collectief, werd dat nog verhevigd: daar werd kwaliteit ook wraak, wraak op wat onvolmaakt, klein, hersenloos en benepen was.

Maar zijn interviews en zijn gedichten zo netjes laten sporen bleef niet lukken: bij verschillende gelegenheden liet Herman het idee dat die twee soorten van schrijven complementair waren schieten voor het besef dat hun samenhokken in zijn persoon tot schizofrenie leidde. In feite is poëzie, gaf hij maar toe, ‘over de hele lijn anti-journalistiek’. En van de journalistiek begon hij veeleer de nadelen te vermelden: de futiliteit van veel zogenaamd nieuws, het opkloppen van niks. Een brief uit 1987: ‘Man is gelukkig te B. is geen krantenkop. Nieuws is altijd spectaculair, is altijd de jacht op die ene scoop. Nieuws moet wel proberen feiten hard te maken, literatuur moet ze zacht maken, twijfelachtig, interpreteerbaar, onzeker. Ik ben geleidelijk meer van dat laatste gaan houden, denk ik. Nieuws wordt genoteerd, literatuur wordt bemediteerd. Van het ene néémt men kennis, van het andere krijgt men kennis, als een cadeau.’

Hij was het ook gewoon beu de wereld te willen veranderen. Hij was vooral de onvermijdelijke dienstbaarheid aan een blad met een massapubliek beu. De regel bij Humo, legde hij me eens uit in een brief, ‘was dat alles kon, maar sommige dingen moesten.’ Rutger Kopland kon, Eddy Wally moest. En wat kon, was hij gaandeweg wel véél leuker gaan vinden dan wat moest. Herman kreeg van zijn talent de kans om zonder zijn interviewstiel te leven. Hij greep ze. In zijn NWT-periode wilde hij in zijn schrijverij het accent verleggen. Niet langer vooruitblikken op hoe de dingen zouden moeten zijn, maar terugblikken op wat ze geworden waren.

Of zoals het heette in een gelegenheidsvers van Herman voor de 2500ste Humo in augustus 1988: schrijven deed hij ‘Eerst voor iedereen, hoe het zou, later alleen voor zichzelf, hoe het was geworden’. In datzelfde gedicht liet hij het blad dat hij vijf jaar eerder verlaten had een prachtige programmaverklaring na, bondig, poëtisch en toch precies:

Ik ben van Humo dus, van wat toen kon.

Dromen, protest en humor, die hetzelfde waren:

onvermogen om saai te zijn. Ik ben on.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234