Pom, de geestelijke vader van Piet Pienter en Bert Bibber is overleden

, door (ab)

111
Pom
© Nicol'Andrea

Verschenen in Humo 3670

‘Tot dinsdagavond dan. Maar ik kan u niet garanderen dat ik dan nog leef,’ had hij aan de telefoon gezegd. De plaats van afspraak op die koude, natte dinsdagavond lijkt het gedroomde decor voor een stripverhaal: een oude bungalow in een bos, een door het struikgewas overwoekerde brievenbus, een deurbel die minutenlang een elektronisch melodietje schelt. Het duurt lang voor we beweging zien in de donkere gang.

'Elke dag heb ik getekend, elke dag tegen mijn goesting'

Een magere figuur – warrige haardos, dikke bril, glimmende oogjes, witte stofjas – verschijnt in het deurgat. ‘Ik leef nog, maar verwacht er toch maar niet te veel van,’ deelt hij ons droogjes mee. ‘Op mijn leeftijd ontvang ik normaal geen dames meer.’ We zijn op bezoek bij Jozef Van Hove (91), beter bekend onder zijn pseudoniem Pom: de oudste striptekenaar van Vlaanderen, die 45 jaar lang de succesreeks ‘Piet Pienter en Bert Bibber’ tekende.

Op 5 januari 2011 is het precies zestig jaar geleden dat Piet Pienter en Bert Bibber in de kleine Antwerpse krant Het Handelsblad aan hun eerste avontuur begonnen, ‘Het vredeswapen’. Pom was een generatiegenoot van Willy Vandersteen, Jef Nys en Marc Sleen, tekenaars die het Vlaamse publiek in de naoorlogse jaren via de krant lieten kennismaken met strips van eigen bodem. De humoristische avonturenstrip over het Antwerpse duo werd pas een succes toen Pom in 1955 na acht afleveringen overstapte naar de Gazet van Antwerpen en zijn verhalen ook werden uitgebracht in albums.

De strips draaiden rond de impulsieve, beetje snullige angsthaas Bert Bibber en zijn vreedzame, filosoferende en pijprokende compagnon Piet Pienter – afsplitsingen van de persoonlijkheid van de auteur zelf. Zij maken al in het eerste album kennis met de kokette Amerikaanse miljonairsdochter Susan (die drie petroleumbronnen, een tv-station, twee kauwgumfabrieken en ’n snoepwinkeltje bezit), met wie ze de wereld afreizen en van het ene avontuur in het andere duikelen.

Pom wordt door zijn fans tot de groten gerekend, al haalde Piet Pienter en Bert Bibber nooit de gigantische verkoopcijfers van Suske en Wiske of Jommeke: van de strip werden in totaal zo’n 3,5 miljoen exemplaren verkocht. Maar Pom maalde niet om public relations: hij verscheen bijna nooit in het openbaar, had lak aan interviews, bleef weg van feestjes en signeerde nooit op stripbeurzen. Hij woont als een kluizenaar in de bossen van Nijlen. Af en toe komt er een trouwe fan op bezoek – zoals vanavond Peter Busschots (45), fan sinds zijn dertiende, die ons voor één keer wil meenemen op zijn wekelijkse bezoek aan het heiligdom.

Busschots, die maar een paar straten verder woont, vertelt ons dat de gemeente Nijlen ter gelegenheid van deze zestigste verjaardag een standbeeld van Piet, Bert en Susan wilde zetten voor de bibliotheek. Pom weigerde het eerbetoon resoluut (‘Een standbeeld? Dat kom ik persoonlijk afbreken!’). Ook Antwerpen, dat een stripmuur met Pienter en Bibber wilde, ving bot (‘Daar komt niks van!’). We zijn dus blij dat de man ons wil ontvangen en te woord wil staan, ook al zijn we al een halfuur met hem aan de praat als hij ons plots onderbreekt: ‘Wat komt gijlie hier feitelijk doen?’

De bloemen die we hebben meegebracht, heeft hij voorlopig in een bodempje water in een sauspannetje op het aanrecht gezet. Morgen zullen ze een plaatsje krijgen bij het altaartje in de hal: een liefdevolle herinnering aan Mieke, zijn levensgezellin die bijna zeven jaar geleden stierf, en om wie hij nog altijd treurt. Aan de muren in de kleine huiskamer hangt één vergeelde prent van Piet en Bert; de rest zijn foto’s van Mieke. ‘Het was nu niet direct een schoonheid of een Miss Universum, maar een man heeft geen Miss Universum nodig, een man heeft een vrouw nodig.’ De tafel is nog altijd gedekt voor twee. Pom excuseert zich voor zijn onbeholpenheid: ‘Mensen ontvangen, dat deed Mieke vroeger altijd.

Als Peter op bezoek komt, haal ik normaal worstjes met mosterd boven, maar voor vrouwen past dat niet, vind ik.’ En dus worden het koekjes met thee.

Pompa vertelt

HUMO Hoe gaat het met u?

?Pom «Zoals met iemand van 19 jaar, maar dan omgekeerd. Maske, iedereen wil oud worden, maar als ge het zijt, vindt ge het niet meer goed. Ik had het nooit gedacht, maar sinds mijn Mieke weg is, leef ik tegen mijn goesting. Als ge ouder wordt, hebt ge mekaar meer nodig dan als ge jong zijt. Gij kunt dat nu misschien wel aannemen, maar nog niet aanvoelen. Een mens is niet gemaakt om alleen te zijn – daarom zijn er ook twee soorten.»

HUMO Uw striphelden worden zestig jaar. Waarom wilde u eigenlijk geen standbeeld van Piet, Bert en Susan??

Pom (springt bijna tegen het plafond) «Omdat ze het niet groot genoeg wilden maken!

»(Bromt) Och nee, omdat mij dat allemaal niks zegt. Als ik in de schijnwerpers had willen staan, dan was ik wel toneelspeler geworden. Ik hou niet van te veel aandacht. Ik hou niet van interviews. Ik héb al meer dan veertig jaar in de gazet gestaan.»?

HUMO U bent pas op uw dertigste beginnen te tekenen. Waarom zo laat??

Pom «Omdat mijn vader niet wilde dat ik tekenaar werd. Hij had het idee dat dat toch maar rare mannen waren, die kunstenaars. Nee, ik moest ingenieur worden, zoals mijn broer.

»Mijn vader was schoolmeester, een hele strenge, zo één met een Kaiser Wilhelm-snor. Ik kreeg thuis meer slaag dan eten. En ik kreeg véél eten, zenne. Maar als klein manneke zat ik al altijd te tekenen. Ik dweepte met Hergé. In 1929 verscheen de eerste Tintin in Le Petit Vingtième: ‘Kuifje in het land van de Sovjets’. In 1930 kwam het uit als album. Het kostte 20 frank, een fortuin toen. Ik heb het toch gekregen, en ik heb het kapotgelezen.

»Ik bén ingenieur geworden – naar de academie mocht ik niet – maar ik heb de kost verdiend met tekenen. Ik heb het mezelf geleerd, maar het is altijd traag en moeilijk blijven gaan. Ik wilde altijd beter doen. Over mijn eerste tekeningen ben ik hard verlegen. Over mijn latere mag ik tevreden zijn.»

HUMO Vanwaar het pseudoniem Pom?

Pom «Zo noemde iedereen mij als kind al, ik weet ook niet waarom. Ik was een nakomertje, mijn broer was zeventien jaar ouder en mijn jongste zus elf jaar ouder. Toen ik begon te tekenen, vond ik die naam zo slecht nog niet. Nu noemt iedereen mij nog altijd Pom, en dat vind ik goed. Behalve als ze Pommeke zeggen. En de kleinkinderen zeggen Pompa.»

HUMO Hoe maakt een mens de sprong van ingenieur naar tekenaar??

Pom «Och, ik had dat diploma van ingenieur gehaald in Duitsland, tijdens de oorlog. Toen ik in België terugkwam, was het niks meer waard. En dan ben ik maar beginnen te tekenen, uit verbittering.

»Mijn neef Bruno De Winter, de stichter van ’t Pallieterke, was een zuipkompaan van Willy Vandersteen. Van hem hoorde ik dat die goed zijn kost verdiende met zijn tekeningskes. Dat wilde ik ook proberen.

»Met mijn eerste tekeningen heb ik alle Vlaamse dagbladen afgedweild, maar ’t was overal niks. Dan kwam ik bij de directeur van Het Handelsblad, De Kimpe, een hele brave man. De eerste keer dat hij mijn tekeningen zag, zei hij: ‘Oh, nen amateur.’ Dat was mijn eerste verhaal van Piet Pienter en Bert Bibber. ik heb het dan helemaal opnieuw getekend en hij heeft het toch genomen. De eerste keer dat Piet en Bert in het dagblad stonden, was op 5 januari 1951. Op dezelfde dag is mijn dochter geboren: ik geloof dat ik fierder was op mijn figuren in de gazet.»

Humo sprak met Jozef Van Hove, alias Pom

Zes maanden koppijn

HUMO U had het wel moeilijk met de snelheid waarmee zo’n dagelijkse strip getekend moest worden.

Pom «Zwijg! Twee stroken per dag, daar zat ik heel de dag en een groot stuk van de nacht aan. Dan zat ik boven op mijn kamertje te tekenen in de rook – ik rook al pijp sinds mijn zeventiende. als mijn vrouw dan bovenkwam, riep ze altijd: ‘Zijt gij hier?’ Ze zag mij niet meer zitten!

»De mensen denken dat dat niet werken is, tekenen. Maar echt, dat was corvee. ik ging soms in mijn witte stofjas naar het dorp. ‘Zijt gij niet die tekenaar?’ vroegen ze dan. ‘ja.’ – ‘Wat doet gij eigenlijk voor de kost?’ – ‘ik ga ’s zondags papiertjes prikken in het park.’ (Verontwaardigd) Ze weten niet wat dat is, tekenen! ik werd daar echt moe van, na twee stroken was ik kapot! En ’t was dik tegen mijn goesting. Toen ik klein was tekende ik graag, maar zodra het voor de kost was, werd het corvee.

»Ik kon ook niet zo rap tekenen als Marc Sleen bijvoorbeeld. Maar ja, die zijn tekeningen...»

HUMO Marc Sleen kan toch tekenen?

Pom «Vindt gij dat?»

HUMO Waar haalde u uw ideeën?

Pom «ik ben geen gewone.»

Peter Busschots «Een genie hè.»

Pom «ik had gehoopt dat hij dat ging zeggen (lacht).

»Nee, die ideeën kwamen niet gemakkelijk. jullie moeten zo’n album gewoon maar lezen, maar ik moet daar eerst zes maanden koppijn voor hebben. Eerst zat ik zes weken aan mijn schrijfmachien, om de grote lijnen van het verhaal uit te zetten. als ik dan begon te tekenen, viel er wel nog van alles tussen. Maar ’t bleef afzien.»

HUMO Eén keer, in 1958, bent u in het midden van een verhaal in de krant gestopt omdat de inspiratie op was.

Pom «Och, dat weet ge ook al. -Dat was voor uw tijd nochtans, in ‘De stralende meteoor’. ik kon niet meer, ik kon niet meer. De strip is toen een paar dagen niet verschenen, en na die paar dagen heb ik een tekening gemaakt waarop mijn vrouw en ik naar mijn draad aan het zoeken waren, de draad die ik kwijt was. Die tekening is niet in het album verschenen.»

Busschots «Pom is een perfectionist. Het moest allemaal juist zijn, ook technisch. als hij een auto tekende, dan moest zelfs de beweging van de voorwielaandrijving te zien zijn in zijn tekening.»

Pom «De uitvindingen van professor Kumulus en Hilarius Warwinkel, dat waren ook geen onnozelheden, dat waren dingen die nog werkelijkheid konden worden!»

HUMO De antizwaartekrachtgenerator, het polarisatie-eluent, de leugendetector, de elektronische gedachteoverbrenger...

Busschots (tot Pom) «Ge hebt uw kennis als technisch ingenieur dikwijls gebruikt, hè.»
Pom «als het over iets technisch ging, dan tekende ik het juist, zoals het was. ik heb eens een strip van Yoko Tsuno gezien: sciencefiction zogezegd, maar niks klopte! Dat vond ik ook zo stom bij Vandersteen: die teletijdmachine van professor Barabas, die ziet er nog altijd uit als iets van het jaar 1800, met hefbomen. Tegenwoordig is alles toch met drukknoppen!

»De moeilijkheid is om uzelf niet te herhalen, om altijd iets nieuws te vinden. Vandersteen maakte zich daar gemakkelijk van af. Sinds hij jerom had uitgevonden, loste die alles altijd op. ik heb Susan een keer karate laten leren. Ik had dat nog een tweede keer in een album gebruikt, en ik kreeg direct een brief van een verontwaardigde lezer. ik was wel content. Dat betekende dat ik het toch beter deed dan Vandersteen. Dat ik veeleisende lezers had.»

HUMO Kreeg u veel fanmail?

Pom «Ja. ik legde die brieven allemaal op de kast, voor als ik eens de tijd zou hebben om ze te beantwoorden, maar die vielen er allemaal achterin. als ik dan verhuisde, viste ik daar een hele berg brieven uit.»

Humo sprak met Jozef Van Hove, alias Pom (3)

Heilige bimbam!

HUMO Piet en Bert hadden allebei een stukje van uw persoonlijkheid.

Pom «Daarméé dat ik zoveel kwijt ben!

»Op het moment zelf heb ik dat nooit beseft, maar het zal wel kloppen. Piet en Bert zijn de twee kanten van mijn karakter. Opvliegend, dat is Bert. Een beetje bezadigder,
dat is Piet. En hoe ouder ge wordt, hoe bezadigder-der. Piet en Bert reden ook altijd in de auto waar ik op dat moment mee reed. altijd Ford Taunussen. En Piet rookt ook pijp, gelijk ik. (Steekt nog een pijp op) Ik rook nu nog, ik zal nooit oud worden. Elke pijp verkort uw leven met drie minuten, zeggen ze. als dat klopte, was ik al driehonderd jaar dood.»

HUMO Riep u ook altijd ‘Heilige Bimbam!’ in plaats van eens goed te vloeken?

Pom «Och, dat stoorde mij zo bij Kuifje, al die zware scheldwoorden van kapitein Haddock. Dat heb ik nooit willen doen. Dat past niet in een kinderstrip. Ik had zelf vier kinderen en ik voedde die goed op, hoor.»

HUMO Theo Flitser, de journalist in uw albums, schijnt helemaal het evenbeeld van de jonge Pom te zijn.

Pom «Toen ik nog veel haar had, ja.»

HUMO Waarom was dat altijd de sukkelaar die pech had?

Pom «Waarschijnlijk omdat ik ook altijd pech had in mijn leven.»

HUMO Theo Flitser was net als Bert Bibber smoorverliefd op Susan.

Pom «Susan was zo’n beetje mijn ideale vrouw. ik zie graag meisjes, hè. En Susan was echt een knappe.»

HUMO Hoe komt het eigenlijk dat Piet en Bert nooit zo zijn doorgebroken als Suske en Wiske?

Pom «Dat lag aan de uitgeverij. De Vlijt was dat, de uitgeverij van de Gazet van antwerpen. Die deden daar niks voor. Ze maakten geen reclame of niks, en de albums werden heel slecht gedrukt. Zeker die eerste: die vielen direct uit elkaar, en de inkt liep uit. Daar werd ik nijdig van.

»Ze werden wel altijd herdrukt, dat moet ik wel zeggen. alle titels waren constant verkrijgbaar. nummer 3 (‘Het raadsel van de schimmenburcht’, red.) was zelfs al uitverkocht op de dag dat hij gedrukt werd. Toen was ik wel fier. amai! ik weet niet op hoeveel exemplaren ze toen gedrukt hadden, maar op het eind was dat op 50.000 stuks. En veertien dagen later een herdruk!»

Busschots «Pom, ge hebt toch een verkoopspiek gehad van 250.000 exemplaren? Dat is ook niet min hè. En alleen in Vlaanderen, want in nederland zijn ze nooit uitgebracht.»

HUMO Dat was omdat uw figuren typisch Antwerpse uitdrukkingen gebruikten (‘Stanske is van hare sus gevallen’), en omdat u erop stond dat ze met ge en gij spraken en niet met je en jij?

Pom «Van dat verdomde Ollands ga ik tegen het plafond! Suske en Wiske en zelfs jommeke zijn overstag gegaan om meer te kunnen verkopen. Dat ge-je en ge-jij... Zo spreekt ge toch niet? Dat is toch niet natuurlijk? Het succes van mijn boeken, denk ik, is dat ik altijd volks ben blijven schrijven. Het schoonste compliment dat iemand mij ooit gegeven heeft, is dat ge mijn stripfiguren zo op straat zoudt kunnen tegenkomen. Ze reageren altijd als echte mensen. Wiske, die is precies van plastiek. Dan is mijn Susan toch échter.»

HUMO Piet Pienter en Bert Bibber is ooit wel bijna vertaald in het Duits...

Pom «Och ja! Vandersteen heeft daar toen een stokje voor gestoken. ik had een voorstel gekregen van Bastei-Verlag, in 1965 of ’66 was dat. alles was in kannen en kruiken, ik zou de albums zelf naar het Duits vertalen. Maar Vandersteen zat bij diezelfde uitgeverij in Duitsland, en hij heeft toen gezegd: ‘als jullie Pom uitgeven, ben ik weg.’ Dat was voor hen natuurlijk een groot verlies geweest. Hij had een aparte studio voor Duitsland, dat was een
echte fabriek! Van ‘Bessy’ zijn in Duitsland bijna duizend afleveringen gemaakt. Dat was een smeerlap, hoor.»

HUMO Wie, Vandersteen?

Pom (lurkt aan zijn pijp) «Mmmm.»

HUMO Waarom? Bang voor concurrentie?

Pom «Wat weet ik daarvan? Die wilde niemand naast zich.

»Och maske lief, het is allemaal zo lang geleden, het interesseert me niet meer. Piet Pienter en Bert Bibber verschijnt al vijftien jaar niet meer.»

HUMO Waarom bent u er in 1995 mee gestopt?

Pom «Omdat mijn papier op was. Echt! ik tekende op fotopapier, maar dan zonder die gevoelige fotolaag. Ik kon dat gratis krijgen van mijn nonkel – die was directeur bij Gevaert. Ge kondt daar met uw pen zwierige kronkels op zetten – op gewoon tekenpapier spatte dat. En als ik een foutje had gemaakt, kon ik het er met een mesje weer afschuren.

»Maar op een bepaald moment begon de fabriek met ander papier te drukken en kon ik dat papier niet meer krijgen. Dus toen mijn laatste rol op was, was het tekenen ook gedaan. En daarbij, ik had er genoeg getekend. 45 albums! Ge kunt niet bezig blijven. Kijk naar Suske en Wiske, dat is toch niet meer te lezen?

»Ik heb gewerkt tot mijn 76ste, daar moet ge al zot voor zijn. Elke dag heb ik getekend, en elke dag tegen mijn goesting. ik tekende altijd ’s nachts, daardoor ben ik een verkeerde geworden: overdag slaap ik en ’s nachts ben ik wakker. Maar eh, om misverstanden te vermijden, ik heb altijd graag meisjes gezien (lacht)

HUMO Bent u rijk geworden van uw strips?

Pom «Ik heb er goed van kunnen leven. Mijn albums werden dikwijls herdrukt, zodat ik er jaren later nog altijd iets aan verdiende. Dat is met elke schrijver of tekenaar zo. Maar ja, dat lukt niet iedereen natuurlijk. Ik heb er veel zien komen en gaan in die stripwereld.

»’t is altijd klein beginnen hè. Ik heb Jef Nys nog gekend toen hij voor ’t Pallieterke tekende. Het Handelsblad zat een verdieping hoger. Toen ik naar de Gazet van antwerpen ging, is hij mij bij Het Handelsblad opgevolgd: hij is er de avonturen van Seppeke beginnen te tekenen, de voorloper van Jommeke. Ze namen Jef Nys aan omdat hij het bijna gratis deed.»

HUMO Ik heb gelezen dat u eens één van uw albums met de originele tekeningen hebt weggeschonken aan een vriend die in financiële moeilijkheden zat.

Pom «15.000 euro kreeg hij, voor het hele album. Maar later is dat blad per blad verkocht, voor bijna 1.000 euro per stuk. De kaft ligt nu apart te koop, en daar vragen ze 3.500 euro voor. En dan moet ge weten dat ik ooit eens mijn tekeningen wilde laten verzekeren, maar dat de verzekeringsagent zei: ‘Dat kan ik alleen doen voor de waarde van het papier.’ ik zou hem die prijzen van nu toch eens graag onder de neus willen wrijven.

»ik heb nooit geld gevraagd voor mijn tekeningen. Ik had voor een fan eens een grote tekening gemaakt met al mijn figuren erop. Oh, hij was er toch zo blij mee, hij ging ze bewaren onder zijn hoofdkussen. Stond toch wel op eBay te koop zeker! Er is veel geld met mijn tekeningen verdiend, maar ik heb het minste gehad. Maar ja, ik mag niet klagen. (Wijst naar Peter) Zolang ik zijn worstjes en mosterd nog maar kan kopen.»

HUMO Wat vindt u van een tekenaar als Merho, die Kiekeboe tot een succesreeks maakte?

Pom «Die is vroeger vaak bij mij op bezoek geweest, van toen hij zestien, zeventien jaar was. Manneke, ik werd er zot van. Die liep mijn deur plat, élke week stond hij daar, ik ging er speciaal voor weg! Vervelend mannetje. Hij had toen al dezelfde pretentie als nu. Hij nodigde zichzelf uit, en dan zat hij hier tot twee uur ’s nachts. En op het eind vroeg hij: ‘ik ben toch niet te lang gebleven?’

»Hij had eens ideeën voor een strip gepikt van een vriend van mij, Danny. Een smerige streek, ik was om dood te vallen. De volgende keer dat hij hier op bezoek was, zeg ik hem: ‘Ge hebt een prijs gewonnen, Merho.’ En hij, met een gezicht van ‘dat is dan al de tienduizendste’: ‘ja?’ En ik weer: ‘Ja, het Gouden Calqueerpapier.’ Hij is daarna nooit meer op bezoek gekomen.»

HUMO Maar Kiekeboe is toch een succes? Groter dan Piet Pienter in Bert Bibber?

Pom «Och ja, ’t is niet moeilijk. Fanny loopt meer bloot dan gekleed tegenwoordig. ik heb nooit bloot getekend – niet dat ik er iets tegen heb, vooral onder vier ogen niet – maar een tekenverhaal moet iets plezants zijn. Bloot in een stripverhaal is als een sardientje in een crèmekoek: dat past niet bijeen.»
 

Humo sprak met Jozef Van Hove, alias Pom (4)

Vogeltjes en hakenkruisen

HUMO Hoe lang – en waarom – draagt u eigenlijk die witte stofjas, die u zo doet lijken op een verstrooide professor uit een stripverhaal?

Pom «Uit protest.?

»Daar hangt een heel verhaal aan vast. Mijn eerste witte stofjas heb ik gekregen op 18 januari 1944, de dag dat ik in Duitsland mijn diploma kreeg, technisch ingenieur met specialisatie hoogfrequentie en radiotechniek. En ik fier! alle ingenieurs daar kregen zo’n witte stofjas. Maar toen ik later terug in België was, zeiden ze dat mijn diploma niet geldig was omdat er van die vogeltjes en hakenkruisen op stonden. ik ben er zelfs een jaar voor in de bak gevlogen. Terwijl ik niks had gedaan: ik had niemand verraden, ik was niet tegen de joden, ik ben zelfs antimilitaristisch. Maar dat was toen de trend: de mannen die van Duitsland kwamen, die waren allemaal verdacht. Ze hadden maar in België moeten blijven en honger moeten lijden! ’t is lang geleden en het heeft me niet geknakt, maar het was wel onterecht. Daarom ben ik altijd datzelfde model witte stofjas blijven dragen: als teken van protest.»

HUMO Wat deed u in Duitsland tijdens de oorlog?

Pom «Ik was eerst een jaar in het Belgisch leger geweest, en op 15 mei 1940 was ik afgezwaaid. juist toen de Duitsers bij ons binnenvielen. En dan ben ik naar Duitsland vertrokken, zoals iedereen in die tijd, om te gaan werken. Dat weet gij niet meer, dat is alsof ze tegen mij zouden beginnen over de tijd van Napoleon. Maske lief, iedereen verging hier van de honger. in België was geen eten, en in Duitsland wel. En als ge twintig jaar zijt, dan kunt ge eten! als wij in Duitsland onder mannen klapten, dan hadden wij het niet over de vrouwen, maar altijd over de kilo’s frieten die wij na de oorlog gingen eten (lacht). Daar denk ik nog dikwijls aan. En nu kan ik alles kopen wat ik wil, maar ik moet niks meer hebben. Ge kunt tegenwoordig xylofoon spelen op mijn ribbenkast!

»Ik heb bijna heel de oorlog gewerkt bij Blaupunkt, de radiofabriek. Vijf jaar lang. ’s avonds volgde ik cursussen in de fabriek, en zo heb ik dat diploma gehaald.»

HUMO Hoe was het in Duitsland?

Pom «Heel goed. Hitler liep daar ergens rond, maar ik ging daar nooit op de koffie hoor. De gewone mensen in Duitsland haatten Hitler allemaal als de pest, maar in het openbaar durfde niemand kritiek op hem te geven. Hitler wilde oorlog, en hij was de baas. De Duitsers zelf, dat waren mensen zoals wij. Die wisten niks van dat schandaal van die concentratiekampen. En denkt ge dat al die Duitse soldaten zo graag oorlog wilden en zich lieten doodschieten? Duitsers van mijn leeftijd, hoeveel zouden er daar nog van over zijn? Die zijn allemaal gesneuveld. Dat wordt hier altijd verkeerd voorgesteld. Ik kijk graag naar oorlogsfilms, maar dan de Duitse, die zijn heel realistisch. De amerikaanse gaan altijd over hun eigen ‘heldenmoed’ en wehebben-de-slechte-lelijke-Duitsersklein-gekregen... neenee.

»Ik heb daar ook goed Duits leren spreken, want in het begin sprak ik van dat haben-sie-stekskensDuits. ik ben het ook altijd blijven lezen, ik heb hier een duizendtal boeken staan, praktisch allemaal in het Duits. ik lees zelfs het enige Duitse gazetje van België, de GrenzEcho. Niet dat er iets in staat dat mij interesseert.

»Onze fabriek lag een beetje buiten Berlijn, maar ik ben maar twee keer in die stad geweest. ’s avonds ging ik naar huis, of ik bleef in de fabriek. Ik zat daar in een lab, ik heb zelfs nog gewerkt aan Duits militair materieel. als ze dat hier na de oorlog geweten hadden, ik had vijf jaar vastgezeten in plaats van één jaar! (lacht)

»De laatste oorlogswinter kwam ik alleen op zaterdag nog buiten de fabriek. ik draaide mee in de Luftschutz (die de burgerbevolking en de belangrijkste gebouwen moest beschermen tegen de geallieerde bommenwerpers, red.). alle fabrieken in Duitsland werden gebombardeerd, de onze ook. Wij moesten in het oog houden wat er boven ons hoofd hing en pompier spelen als de brandbommen vielen. We hadden een beurtrol, maar ik nam het vaak over van Duitsers die liever naar huis gingen. Dan kon ik een uur langer slapen en kreeg ik ook nog een bonnetje om ’s middags te gaan eten in de kantine. Dubbel profijt dus. Op eten kwam alles aan.»

Kaproen

Pom «Na de oorlog, bij de zogenaamde bevrijding, zat de ene helft van de Vlamingen vast: dat waren de zwarten. De andere helft had persoonlijk in het verzet gezeten. ik kwam terug met het vliegmachien, ik dacht dat ik bijna thuis was, maar op Melsbroek pikten ze mij uit de rij. Terwijl ik alleen een diploma met de verkeerde stempels had.»

HUMO Hoe hebt u dat jaar in de gevangenis doorgemaakt?

Pom «Och, dat was minder erg dan mijn jaar in de troep. uiteindelijk was ik er nog rap vanaf. De meeste andere gevangenen kregen vijf jaar, sommige zelfs levenslang of de doodstraf. al degenen die aan het Oostfront waren geweest, bijvoorbeeld. Voor mij waren dat zotten hoor, maar bon. Die tijd, dat kunt ge nooit begrijpen. Toestanden! Smeerlapperij! Weet ge wie er ook in de bak heeft gezeten? Hugo Schiltz. En die is daarna minister geworden.

»In de gevangenis hebben we veel plezier gemaakt. We zaten met vijven in een cel.»?

HUMO Allemaal...

Pom (onderbreekt) «Allemaal zwarten, ja! En weet ge dat we daar fier op waren, in de eerste jaren toen we weer vrij waren? (Fluistert) ‘Hebt gij ook vastgezeten? Ja. Ah, dan zijt ge ne goeie.’»

HUMO Onlangs is gebleken dat Willy Vandersteen in de oorlog onder het pseudoniem Kaproen erg foute tekeningen maakte.

Pom «Jaja, dat wist ik al lang, dat Kaproen Vandersteen was. alleen al aan zijn tekenstijl was dat te zien. Dat dat nooit eerder is uitgekomen... Hij is wel nooit veroordeeld. Och ja. nu komt dat uit, nu is het ongevaarlijk om erover te spreken.»

HUMO U hebt bijna een eeuw geleefd, en veel zien veranderen.

Pom «Zien? Wéten veranderen, ja. ik kwam nooit buiten! ik ben bijvoorbeeld nog nooit van mijn leven in een café geweest. uitgaan interesseerde me niet. Bier of wijn
lust ik niet. Dansen vond ik tijdverlies, ik ging liever direct met de meisjes wandelen in het donker (lacht).

»Toen ik klein was, kwamen de bakker en de melkboer nog met paard en kar. Hier en daar zaagt ge eens een auto, zo van die grote vierkante bakken. Maar zoals het nu verandert, is het niet meer bij te houden. iets dat vandaag nieuw is, is volgende week al oud! Ik versta niks meer van tv en radio, en ik ben dan nog oud-ingenieur. Ik heb een computer, maar ik begrijp er geen botten van. Onlangs wilde ik eens iets opzoeken over Pom, en ik kom op porno terecht... ik ben geen farizeeër, maar dát! Ekes! Met die dingen worden de kinderen tegenwoordig dus groot. ik vind het onnatuurlijk, onfatsoenlijk. ik heb véél maskes onder hun rok gepakt, maar ik heb ze nooit lastiggevallen. (Guitig) Ik deed altijd een beetje bedeesd, dat was een goeie truc.»

Er hangt een vage tristesse in de huiskamer waar we nu al enkele uren zitten te praten, in de witte rookwalm onder de laaghangende lamp. in de hoek staat een oude sterrenkijker, maar ook die is al lang niet meer gebruikt. Pom zit boven zijn thee gebogen, zucht, en kijkt verstoord in de richting van onze fotografe die maar blijft klikken. ‘Zeg kinneke lief, stopt er eens mee. Hebt ge nog niet genoeg foto’s? ik ben toch geen filmster?’

HUMO Wat zou u nog willen in uw leven?

Pom «Niks meer. ik ben eerlijk gezegd een triestigaard. Sinds ik alleen ben, zonder mijn Mieke, heb ik voor niks nog interesse. En dat wil maar niet overgaan. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik schrei. ik vind dat erg om te zeggen. ik ben wie ik ben, ik heb mezelf niet gemaakt. Bijna zeven jaar is ze weg. Soms krijg ik bezoek, maar 99 procent van de tijd zit ik hier alleen.

»Vroeger kon ik niet stilzitten. ik had een klein werkhuisje – ‘mijn frietkot’, achter in de tuin. Daar zat ik altijd te knutselen aan radio’s en zenders. als ik daar nu binnen moet, neem ik een lat mee om de spinnenwebben weg te slaan.

»Ik kijk geen tv en luister niet naar de radio: dan gaat de tijd traag, hoor. Vroeger keek ik met Mieke naar die shows op Duitsland. Onlangs wilde ik eens een dvd opzetten, maar ik wist niet meer hoe het werkte! En dan moet ge weten dat ik tv’s heb gerepareerd. Mijn eerste tv heb ik zelf gemaakt, in de jaren vijftig. Nu heb ik er nog wel een, maar hij is niet meer aangesloten. naar muziek luisteren doe ik ook niet meer, sinds ik slecht hoor. Eerst gaan de hoge tonen weg, en juist die maken de muziek mooi. anders blijft er alleen bom-bombom over.»

HUMO Leest u uw eigen strips nog??

Pom «Nooit! Wie leest er nu zijn eigen strips? Ik weet er ook niks meer van. Als ik iets moet weten, vraag ik het aan hem (wijst naar Peter Busschots). Toen de herdruk van ‘Marie Huana’ verscheen heb ik die nog eens gelezen, maar ik heb tegen hem gezegd: ‘Wat ge daar nu allemaal zo geweldig aan vindt, versta ik toch niet. ik vind er niks aan.’»

HUMO Tekent u nu nog?

Pom «Ik val nog liever dood.»

Humo 3670 03/01/2011

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 4 januari 2011

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: