'Het cultuurbeleid van Jan Jambon: rot maar op als je geen Bomaworst lust'

, door (jme)

7610
a1
© PHOTONEWS

De overheid schrapt 17 miljoen euro aan cultuursubsidies. De pot projectsubsidies graaien ze tot op de bodem leeg: van 8,5 miljoen naar nauwelijks 3,5 miljoen. De cijfers zeggen niet alles, maar neem gerust aan dat dit voor de kleine, onafhankelijke kunstenaar (en kunstorganisatie) een guillotine is. Het argument dat de markt zo beter haar werk kan doen, is klinkklare bullshit. Klagen aan het adres van de regering is weinig meer dan roepen in een wensput, want deze culturele kaalslag is een symptoom van iets veel breders. Het geld is bijkomstig – de culturele impact is wat dit zo ernstig maakt.

Dit gaat immers niet om besparen, want bij de cultuursector viel al amper iets te rapen. Terwijl bedrijven 400 miljoen mogen opsouperen en parlementariërs duizelingwekkende uittredingsvergoedingen opstrijken, staat bij veel kunstenaars het water aan de lippen. Ze vragen niet veel en krijgen nog minder, terwijl ze desalniettemin véél teruggeven – geen exorbitante winstmarges, maar dingen die van letterlijk onschatbare waarde zijn. Een kleurrijk cultureel leven, bijvoorbeeld. Een maatschappij waar niet alleen de meerderheid zich kan thuisvoelen. Dialogen tussen 'wij' en 'zij', wie dat ook zijn. Levendige culturele centra. Bruisende ontmoetingsplaatsen. Bredere blikvelden. Een internationaal imago om trots op te zijn. In de vuilbak ermee, en een karikatuur van de Vlaamse Leeuw als tafellaken. Hoezee!

De voorbije dagen marcheerde er een klein leger analyses voorbij op zowat alle sociale en traditionele media. Maar toch, alle brandbrieven, petities en fulminerende Facebookposts ten spijt: de regering aanspreken gaat niet helpen. Ze weten wat ze doen. Het is zelfs een gerichte strategie, en hen daarop wijzen is aan de koe de wei uitleggen. Jambon en zijn hooghartige trawanten geven geen zier om wat de concrete gevolgen zijn voor de kunstenaars en voor de diversiteit aan boeken, films en theatervoorstellingen die ons landje produceert. Waar ze wél iets om geven, is dat het culturele landschap indirect hertekend wordt.

Deze nieuwe subsidiepot zaait een meerderheidscultuur, want ze zorgt ervoor dat enkel kunst die de mening van de massa predikt op langdurige basis kan overleven. Logisch, want kunstenaars moeten zich waar mogelijk richten op het breedste bereik om rond te komen, en moeten dus de voorkeur van de grootste en dus politiek sterkst vertegenwoordigde bevolkingsgroepen wegdragen.

De redenering achter de verminderde subsidies komt voort uit een argument dat op het eerste gezicht logisch lijkt vanuit economisch perspectief: de kunsten moeten (meer) zelfbedruipend zijn. Daaruit volgt dat enkel kunst die opbrengt ook mag bestaan en meetelt, en dus dat kunst op zichzelf geen bestaansrecht heeft. Op lange termijn leidt een economisch gericht cultuurbeleid ertoe dat kunst ontaardt in de bevestiging van de identiteit van de dominante bevolkingsgroepen.

Voor iemand die zich thuis voelt in de grote massa, en dus op televisie en andere massamedia zichzelf en zijn meningen de hele dag ziet voorbijkomen, is dat logisch. Als je vrijwillig kijkt naar ‘F.C. De Kampioenen’ (en bijvoorbeeld Balthazar Boma hilárisch vindt), ga je er niet snel bij stilstaan dat er nog andere mensen dan jezelf deel uitmaken van de hutsepot die Vlaanderen heet, mensen die zich hier óók thuis willen voelen, zichzelf vertegenwoordigd zien in ons cultuurlandschap. Dan is het makkelijk om te zeggen dat er geen subsidies mogen zijn, en al even makkelijk om die subsidies te decimeren. Voor mensen die zichzelf identificeren als ‘rasechte Vlamingen’, is het niet nodig dat iemand theater maakt met vluchtelingen of dat iemand een film maakt die specifiek gericht is op niet-heteroperspectieven. Eenheidsworst is maar lekker als je deel uitmaakt van die eenheid.

Rookgordijn

Dat economische argument is natuurlijk een rookgordijn. Jambons beleid verstopt zich achter marktwerking, maar de markt is zo ontworpen dat ze verscheidenheid elimineert. Dit plan promoot doelbewust een eenheidscultuur onder het mom van onpersoonlijke, zogezegd neutrale marktprincipes. Dat werkt niet alleen afvlakkend en exclusionair, het is ook volstrekt antiliberaal, terwijl België zichzelf op wereldschaal toch nog onder de liberale democratieën mag scharen (en daarbij gaat het voor de duidelijkheid niet om het bedrijfsminnende pseudoliberalisme van Open VLD, maar om liberalisme als filosofie).

Liberalisme is gebaseerd op individuele vrijheid, diversiteit, discussie en tolerantie. De mens boven de massa. Een economisch beleid dat bedrijven (de échte subsidieslurpers) zoveel mogelijk geld toestopt en voor de rest een doe-maar-op-filosofie hanteert, is geen liberalisme. Liberalisme is geen laissez-faire extravaganza waar durf en vooruitgang vertrappeld worden door van kunst een massaproduct te maken. Het balanceert marktwerking (die de individuele vrijheid net beknot, tenzij voor de rijksten) met correcties van hogerhand. Individuele vrijheid betekent niet dat de economie volstrekt zijn gang moet gaan, want de markt is geen mens. Integendeel, het knijpt de menselijkheid net uit de mens.

Hoe kunnen we België een liberale democratie noemen als discussie en diversiteit in de publieke ruimte doelbewust worden bemoeilijkt? Als de regering echt wilde besparen, was ze het geld gaan rapen waar het zit. In de plaats daarvan is ze op de al kleine pot met cultuursubsidies afgegaan.

Het ongewone elimineren

Volgens mij is er meer aan de hand: het anticultuurbeleid dat de regering-Jambon naar voren schuift, stinkt verdacht hard naar wat er bijvoorbeeld in Hongarije gebeurt. Daar predikt de quasidictator Viktor Orbán over de illiberale democratie, een staat waarin de blanke, religieuze, heteroseksuele Hongaarse meerderheid het voor het zeggen heeft, en dat ook, in alle arrogantie, beseft. Het Hongaarse cultuurbeleid weerspiegelt dat ook. Het is doortrokken van symboolfetisjisme en eenzijdigheid. Er is geen plaats voor kunst die vertelt over alternatieve interpretaties, stemmen van minderheden, de onrechtvaardigheid van het beleid. Kunst dient er enkel om de massa te behagen en de regering te bezingen. Het is geen reflectie van wat er leeft in de samenleving. Het elimineert alles wat vreemd of ongewoon is. Het canonfetisjisme van de Vlaams-nationalisten past perfect in dat plaatje.

Viktor Orbáns onderliggende strategie is om culturele hegemonie te behalen. Dat is een moeilijk woord voor een simpel concept: de ideeën, normen en waarden die binnen een gemeenschap aanvaard worden als logisch, vanzelfsprekend, en correct. Decennialang is de wereldorde, en dus de culturele hegemonie, liberaal geweest. De ideeën van het liberalisme, zoals vrijheid en tolerantie, werden gezien als normaal en vanzelfsprekend, en internationale organisaties zoals de VN en de NAVO deden samen met landen als de VS hun best om die ideeën kracht bij te zetten. Dat tij is nu in verschillende landen aan het keren door economische crisis, politieke malaise, en teleurstelling in wat de liberale democratie voor de gewone mens bereikt heeft.

De barsten in het harnas van het liberalisme scheppen dan weer ruimte voor een alternatieve, illiberale hegemonie. Daar komen demagogen als Orbán en Trump in beeld: het 'mainstreamen' van extreemrechts gedachtegoed, niet in het minst via cultuur, zorgt ervoor dat we dat als vanzelfsprekend gaan zien. Niet dat Jambons beleid openlijk extreemrechts promoot. Wat het wel doet, is de tegenstand voor zulke visies langzaam wegschaven, via in theorie democratische kanalen en met pseudoliberale excuusjes. Laat de markt het werk maar doen. Laat de breedste smaak zegevieren. Zo maak je tegenspraak onmogelijk. Zo geef je enkel een stem aan de meerderheid. Zo begint het elimineren van diversiteit. En we gaan het nog normaal vinden ook.

Snoeien in kritiek

Met zijn hele discours rond dit cultuurplan zet de échte elite die kleine kunstenaars weg als een wereldvreemde culturele elite. Ze leidt niet alleen af van de echte ongelijkheid in onze samenleving, ze verstérkt die ongelijkheid ook nog eens door kritische stemmen de mond te snoeren, door de banden van onze cultuur (toch al zo'n gammel vehikel) plat te steken. En dan blijven we maar gewoon stilstaan.

Jambon weet goed genoeg dat snoeien in cultuursubsidies hetzelfde is als snoeien in de diversiteit aan standpunten waarmee we in aanraking kunnen komen. Het is snoeien in kritiek. Het is snoeien in alles wat illiberale hegemonie tegengaat. De zaadjes van de meerderheidscultuur die nu geplant zijn, gaan nu nog niet ontkiemen. Het is aan toekomstige regeringen om te zorgen dat ze dat nooit zullen doen.

De kunst die in ons land ontstaat en de biodiversiteit aan blikken die ze al heeft vertegenwoordigd, is niet wereldvreemd. Integendeel. Ze staat er net middenin, en ze is net een gevolg van die veelkantige wereld. Wat dit beleid eigenlijk zegt, is dat je beter kunt oprotten als je geen Bomaworst lust.

Laat er geen twijfel over bestaan: dit is een culturele overwinning voor de intolerantie. 

Jens Meijen is schrijver bij De Bezige Bij en doctoraatsonderzoeker in de politieke wetenschappen aan de KU Leuven.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: