Tom Lanoye sprak met zijn vader: 'De klanten waren vroeger meer een grote familie. Ze hadden tijd, ze vertrouwden je, ze vroegen om raad...'

, door (tom lanoye)

3

(Verschenen in Humo 2564 op 26 oktober 1989)

Volgend jaar wordt mijn vader 70. Hem interviewen is onmogelijk. Ik bedoel : alleen hèm interviewen. Je kan evengoed de linkerhelft van een Siamese tweeling vragen stellen en verwachten dat de rechtse helft niet meeluistert en zijn mond houdt. Zeker wanneer die helft mijn moeder is. Voor het eerste deel van het interview was ik erin geslaagd mijn vader alleen op het rooster te leggen, maar mijn moeder vroeg daarna de volledig uitgeschreven tekst, ‘om na te lezen’. Omdat ik de waterval van haar aanvullingen voorzag, schreef ik niets uit en interviewde ik hen voor het tweede deel samen.

Mijn ouders zijn nu vijf jaar met pensioen en vastbesloten niet weerloos oud te worden. 's Morgens doen ze bewegingsoefeningen om fit te blijven, na het ontbijt vullen ze kruiswoordraadsels in om de geest te scherpen, naar de Duitse en de Franse televisie wordt gekeken met een verklarend woordenboek binnen handbereik, ze maken verse soep en confituur voor familie en kennissen, en ze zijn bedrijviger en reislustiger dan u en ik samen. Het zijn ook twee van mijn allerbeste vrienden. Als ik een feestje geef, zijn zij mijn eerste invités.

Tom Oorlogen spelen een belangrijke rol in onze familie.

Pa «Het is door de Eerste Wereldoorlog dat ik in Sint-Niklaas ben geboren. Mijn vader had een afspanning, voor postkoetsen met herberg en slachterij eraan, in Ichtegem, West-Vlaanderen. Niet ver van de IJzer, vlakbij de tranchées, de loopgraven. Nu zijn de Duitsers in de Eerste Oorlog echt als beesten tegen de burgerbevolking tekeergegaan, maar mijn ouders zijn daar betrekkelijk goed doorgesparteld, omdat de Duitsers mijn vader konden gebruiken. Als slachter. Het was de laatste oorlog waar massaal paarden werden gebruikt, voor het transport. De gewonde beesten moest mijn vader afmaken en versnijden, en dat werd aan de troepen te eten gegeven. Bij het laatste grote gasoffensief is mijn vader dan toch moeten vluchten, met zijn vrouw en twee kinderen. Later is hij nog eens terug gaan kijken. Van zijn hele uitspanning stond geen steen meer op de andere. Het was zijn bedoeling geweest naar Antwerpen te vluchten, of misschien wel naar Amerika, maar hij is onderweg blijven plakken. In Sint-Niklaas.»

Tom Hoe kwam dat ?

Pa «Door omstandigheden konden ze niet verder, en ze werden opgenomen bij een familie, de Vermeulens. Dat had je toen veel, families die vluchtelingen opnamen. Ongeveer wat je nu in West-Duitsland ziet gebeuren, met die Oost-Duitsers. En mijn pa, hij voelde hij zich hier wel goed. En toen hij ook nog een geschikt huis vond voor een zaak, is hij hier maar beginnen beenhouweren.»

Tom Was dat niet moeilijk, in den vreemde helemaal opnieuw beginnen?

Pa «Eerder andersom. In Sint-Niklaas verkochten de meeste beenhouwers alleen maar vlees van vaarzen, jonge koeien zijn dat, en van jonge stieren. Zo was dat vroeger. Het vlees verschilde van streek tot streek. Koeien werden in Sint-Niklaas nauwelijks verkocht. Zwaar vlees is dat, koeien. Mijn vader legde zich daar op toe. Zijn grote specialiteit was gekookte uier, hij was bijna de enige  die dat verkocht. Goed voor in de winter, krachtig voedsel, lekker, in dunne plakken met boter gebakken in de pan. Daar is zijn zaak bekend mee geworden. ‘Waar ga jij om je vlees?’ vroegen de mensen. ‘Bij de vluchteling’, zeiden ze. Later noemden ze hem de Westvlaming. En nog later ‘den dikken beenhouwer’, want hij is heel dik geworden. Hij woog bij de 120 kilo.»

Ma «Roger, hij woog er 135.»

Pa «Josée toch. Hij was maar zo groot als Tom en ik. Dan is 120 voldoende, mij dunkt.»

Ma «Hij woog er 135.»

Tom Je eerste zaak had je onrechtstreeks te danken aan de Tweede Wereldoorlog.

Pa «lk was zes weken in het leger, niet gemobiliseerd, gewoon mijn wettelijke term, toen de oorlog uitbrak. Ik zat bij de intendance. Allemaal bakkers, beenhouwers, koks... In Wilrijk, Fortje Zes. We hadden daar eigenlijk een wreed goed leven. Om acht uur beginnen. De piotten, de gewone soldaten, die lagen recht tegenover ons, die waren dikwijls al op het plein aan het exerceren als wij op ons gemak uit ons bed rolden.

»We sliepen in kamers beneden, de ramen open, het was schoon weer, en opeens hoorden we in de verte gedonder en doffe kloppen. We zegden: wat is dat? En iemand zei, dat zal de oorlog zijn, die uitgebroken is. En ja, het was de oorlog die uitgebroken was. We moesten direct op wacht gaan staan, boven. Er was maar één geweer. Een geweer uit acht-tienhonderd en zoveel, dat in de kantine hing. Wij dus met een man of vijf op wacht, elk om beurt met dat geweer over onze schouder. En maar heen en weer marcheren! 

»Later werden we ingedeeld in divisies, om georganiseerd op de vlucht te slaan, met veldkeukens en slachtmateriaal en koks en bak-kers en beenhouwers. Richting Frankrijk. Vanuit Antwerpen ver-trokken wij, op open camions. 's Nachts om twaalf uur reden we door Sint-Niklaas, voorbij he huis van mijn ouders in de Vermorgenstraat. De camions reden te hard, anders was ik er misschien afgesprongen. 

»In Oostende zat het verkeer helemaal in de knoop. Wij werden dan maar de andere kant opgestuurd. Niet naar Frankrijk, maar naar Bredene, aan zee, waar we gelegerd werden in de stallen van de paardenkoersen. We lagen daar in het stro, met een hele divisie. Wij moesten voor het eten zorgen, onder leiding van een gemobiliseerde chef-kok van een duur restaurant. Diè kon koken. Ik heb nog meegemaakt, dat we op onze gamel entrecote kregen met gekookte patatten en bloemkool met een witte saus en alles.» 

Tom Was er geen paniekstemming, geen angst voor de Duitsers? 

Pa «Welnee. Wij waren daar te jong voor, denk ik. Eén keer toen we om ravitaillement gingen, viel er een bom vlak bij ons. Maar we hadden niets, en het werd weggelachen. Per slot van rekening, het was oorlog, dus was het normaal dat we er toch iets van zagen. 

»Ik herinner mij plezante dingen uit die dagen. Dat we gingen dansen en zwemmen in Bredene, De schrik is pas later gekomen.» 

Tom Maar nu heb je nog altijd niet verteld hoe je met je eerste winkel begonnen bent. 

Pa «Wel, toen we gedemobiliseerd waren was alle eten gerantsoeneerd, met bonnen. Ook het vlees. Een heel systeem, en om dat uit te voeren moest één van de beenhouwers met zijn zaak stoppen. Die gast is nog Schepen van Bevoorrading geworden. Onder de beenhouwers werd dan gezocht naar iemand om die vrijgekomen zaak over te nemen. Ik had een opleiding, ik kende de stiel van huis uit, en mijn vader was commissionair op de veemarkt...» 

Tom Wat was dat, een commissionair? 

Pa «Je had een commissie van drie personen een beenhouwer, een vleesgrossier en een kweker, en die moesten alle aangevoerde beesten taxeren en in categorieën verdelen. Elke categorie had zijn prijs per kilo. Als het vlees getaxeerd was, gingen de gegevens naar de marktleiding, die de beesten woog. Let wel, die beesten stonden dan al een dag en een nacht op de markt te wachten.» 

Tom Waarom was dat? 

Pa «Om het juiste gewicht vast te stellen. Want vooral de boeren staken er van alles in. Het Opperbevel had exact vastgesteld hoeveel de boeren moesten leveren van welke categorie. Dus hoe meer hun koeien wogen, hoe minder ze moesten leveren. Er zat zand in die koeien, stro, water, van alles. Daarom ordonneerden de Duitsers dat de beesten een dag en een nacht op de markt moesten staan voor ze gewogen werden, dan was de meeste vuiligheid er vanzelf al weer uitgekomen. Na de slacht werden de kwartieren ook volgens bepaalde regels over de beenhouwers verdeeld. Iedere 

beenhouwer kreeg x aantal kilo's vlees, volgens de ingeschreven klanten die hij had. Die hadden dan elk recht op bij voorbeeld vijfenzeventig grammen vlees. Meer niet. Die laatste stap hebben de Duitsers trouwens na een paar jaar moeten laten vallen. Er waren beenhouwers genoeg die altijd wel achterpoortjes vonden om meer vlees te krijgen, voor de zwarte markt. Op het laatst kon niemand er nog aan uit, ook de Duitsers niet: ingeschreven, niet ingeschreven... Een soep van jewelste.» 

Tom Maar hoe zat het nu met die winkel? 

Pa «Wel, mijn vader wist dat die Schepen van Bevoorrading op zoek was naar iemand om zijn zaak over te nemen, en hij ging naar hem toe. ‘Onze jongste’, zei hij, dat was ik dus, ‘die zou dat wel kunnen’. En dan ben ik meerderjarig verklaard. Ik was er 20. Direct zelfstandig. Een zaak in de Plezantstraat.» 

Tom Je bent ook getrouwd tijdens de oorlog. Hoe heb je mijn moeder voor het eerst ontmoet?

Pa «Voor het eerst... Wie weet dat nog... We kenden elkaar al van voor de oorlog, natuurlijk. We zagen elkaar al eens, op Vlaamse kermissen, op atletiekwedstrijden, zwemwedstrijden van de waterpoloploeg waar ik in meespeelde...» 

Ma «Je pa bracht ook met de fiets bestellingen rond voor de zaak van zijn vader, en dan zorgde hij ervoor dat hij aan onze school passeerde zogezegd juist toevallig op het moment dat die uitliep. En de eerste keer dat hij mij aansprak, dat was in de Prins Albertstraat.» 

Pa «Ja, ze was maar vijftien en ze zei tegen mij dat ze zeventien was. Ze heeft nooit gelogen tegen mij, zegt ze, is het waar of niet, maar tegen mij zei ze dat ze...» 

Ma « Dat ga je toch niet in de Humo schrijven? Dat vind ik nu echt privacy.» 

Tom Ik zal erbij schrijven dat je gezegd hebt dat ik het niet mag schrijven. 

Ma «Dat vind ik nog erger. Mij belachelijk maken in de Humo.» 

Tom Allez, je was toen toch jong? Wat is daar nu belachelijk aan?

Pa «Ja, wat is daar nu aan gelegen?»

 

Ma «Goed. Maar dan zal ik vertellen hoe het zat. Hij stopt met zijn fiets en hij vraagt of ik niet mee ga naar de cinema. Ik zeg: snotneus, hoe durf je mij dat vragen? Waarom, zegt hij, ik ben zeventien jaar. En hoe oud ben jij ? Ik zeg: zeventien.»

Pa  « En tegen mij heeft ze altijd gezegd : je mag niet liegen.»

Ma «Maar dat was niet liegen! Dat was... »

Tom ..een leugentje om bestwil?

Ma «Voilà. En ik weet maar één ding: we zijn toen niét naar de cinema geweest.»

Tom Gingen jullie veel naar de cinema?

Pa «Ik wel, ja. Voor de oorlog was dat. Zoveel ik de kans had, met mijn broer en mijn zuster. Dat waren nog stomme films. Hele feuilletons, elke week een aflevering. Er was eens een film, ‘De Zoon van de Nacht’, dat was een vervolg van zes weken. En ‘uoffalo Bill and Artacor", dat duurde 52 weken! Zoiets gelijk nu op de tv ‘Sons & Daughters. Maar met dat verschil dat het een western was. Ah ja, de naam zegt het al Buffalo Bill. ‘Rond den hof’ noemden wij dat, een western. Omdat de kleine gasten dat naspeelden thuis. Rond de hof galopperen en met hun wijsvinger naar elkaar schieten.

»In het begin had je bij die stomme films alleen pianobegeleiding, maar op het einde was dat al een heel orkest. Een paar trompetten, violen, een gitaar, van alles. Als nu Ben Hur, of hoe heet hij, Zorro ook niet, allez, zijn ogen worden uitgebrand, hij komt als slaaf op de galeien terecht en hij moet roeien tot hij. erbij neervalt, allez hoe heet hij nu weer... Enfin, in die boten zat er zo een dikke neger die op een trom slaat om het roeiritme aan te geven. Wel, op dat moment sloeg de batterist van het orkest aak op een grote trom. Exact in de maat. Precies echt.

»Het plezantste van die films was natuurlijk dat die om de vijf voet afknapten. Dan werd er in het donker geroepen en gelachen en met de stoelen rondgereden, want dat waren toen nog geen vaste zeteltjes zoals nu. Dàt was een cirque! Zo'n filmvoorstelling, dat duurde gemakkelijk vier uur. Zonder reclame, dat had je toen nog niet. Er was altijd een voorfilm, een documentaire of een ‘komiekske’; later had je ook nieuws, Belgavox of hoe heette dat, en dan kwam de hoofdfilm. Alles bij elkaar van half vijf tot kwart voor acht. Toen de sprekende film begon, kwamen er ineens veel cinema's bij. De Palace, de Select, de Scala, de Odeon, de Hippodroom, de Casino, het Gildenhuis, de Victorie, later de Rex... Die hadden allemaal heel goed te doen. Maar zodra de Waaslandtunnel naar Antwerpen in gebruik werd genomen, is het beginnen te verwateren. De late jaren vijftig was dat zeker? De mensen begonnen allemaal een auto te hebben, en ze reden naar de cinema's in Antwerpen. En toen de tv kwam, en was het helemaal gedaan. Van al de cinema's die ik noemde, is er maar één meer over, voor heel Sint-Niklaas. »

Tom Trouwen tijdens de oorlog, was dat niet moeilijk?

Pa «Natuurlijk was dat zwaar. In '43... Het waren moeilijke jaren.»

Ma «Onze uitzet werd met stukken en brokken bijeengezocht uit wat de winkels nog in voorraad hadden na zoveel jaar oorlog. En veel was alleen te vinden op de zwarte markt. Heel duur. »

 

Pa «Hetzelfde geldt voor de trouwkleren en het feest. We vierden dat bij de familie van je moeder thuis. En we hadden dan nog geluk dat ik een beenhouwerij had, en mijn vader ook. Met heel wat moeite konden we aan van alles  geraken voor het menu. Maar we konden eraan geraken, dat was al iets. Naar de normen van vandaag was dat geen viersterrenmenu. Als hoofdgerecht rundstongen, met salade en kroketjes, en daarvóór soep van bouillon die we getrokken hadden van diezelfde tongen.»

Ma «En als tussengerecht hesperolletjes met prei en kaassaus. Witlof, dat was niet te vinden.»

Pa «Maar toentertijd, en voor zoveel volk... Dat was een festijn. Om je een gedacht te geven: tijdens de oorlog kochten de meeste mensen meel, of ze maalden zelf wat tarwe, en dat droegen ze naar een bakker die ze kenden. Ze vroegen hem daar een brood van te bakken, in ruil voor een beetje van dat meel. Want gewoon brood, dat was niet te eten. Daar zat stro in, bij wijze van spreken. Nu was er een bakker in ons gebuurte, die kreeg altijd het bezoek van een vrouw met zelfgemalen meel én een eitje. Om in het deeg te mengen, dat was voedzaam. Bij het afhalen van haar brood vroeg die vrouw telkens: je hebt er mijn eitje toch in gedaan, hé bakker? »

Ma «Bang natuurlijk dat die bakker dat ei had scheefgeslagen.»

Pa «Die bakker werd daar nijdig om. En op een keer zei hij : wacht, ze zal het nu niet meer vragen of ik haar el erin heb gedaan. En hij duwde dat ei zonder het te breken in het midden van de deegbal en hij schoof het zo in de oven.»

Ma «Hij heeft dat mens nooit niet meer teruggezien, natuurlijk.»

Tom Huisgerief had je dus. En hoe zat het met de meubelen?

Ma «Daar hebben we veel geluk mee gehad. Mijn oudste broer was architect. Die had onze meubelen getekend, en we hadden een houthandelaar kunnen vinden die tegen een schappelijke prijs een deel van zijn voorraad hout van de hand wilde doen. Nog goed hout van vóór de oorlog.»

Pa «Die meubelen hebben we nu nog. Daar zijn vijf kinderen in grootgebracht en ze zijn nog altijd verre van versleten. Kijk eens naar de tafel hier, dat is een stevig stuk. Een massief dubbel blad. Probeer dat maar eens op te heffen. Je heft je een breuk. In ’45, direct na de bevrijding, kwamen de vliegende bommen over, die naar Engeland vlogen. Enfin, dat was toch de bedoeling. De helft viel onderweg neer hier in België. Wel, heel die periode van de vliegende bommen heeft je moeder onder die tafel gewoond. Ze was toen in verwachting van onze tweede, en onze oudste was toen al geboren, die lag met wieg en al ook onder die tafel. Voor als er een bom op ons huis viel. Daar zat ze veilig, dacht ze. Maar we woonden wel op de tweede verdieping.»

Ma «Ik dacht: we donderden misschien twee verdiepingen naar beneden, maar we hebben toch iets stevigs boven ons hoofd. Beter iets dan niets.»

Tom En de huwelijksreis?

Ma «Met de zwemclub van je vader een weekend mee naar Doornik, dat voor de helft platgebombardeerd was.»

Pa «Wij pakten dat op als huwelijksreis. Want je mocht nergens naartoe, zeker niet naar de zee, dat was gemilitariseerde zone. Zaterdagmiddag vertrokken wij, en zondagavond kwamen we terug. De zondagmiddag om drie uur speelde onze ploeg waterpolo tegen Doornik, en de nacht voordien mochten we er al overnachten. Je ma en ik hadden natuurlijk een kamer voor ons alleen.» 

Ma «Maar ze hadden wel ons bed losgevezen. We gingen er op liggen en we poeften erdoor, recht op de grond. Konden we eerst nog dat bed terug in elkaar staan vijzen. En we zijn ook nog eens naar het bos van mijn oudste broer gaan picknicken. Hij moest ons dan wel een papier meegeven waarop stond dat we dat van hem mochten, voor als er controle van de Duitsers kwam. Een weekend Doornik en een middagje picknicken, dat was alles. Maar dat was genoeg. We waren content met wat we hadden.» 

Tom Heeft mijn vader lang waterpolo gespeeld ? 

Ma «Eerst was het: elk zijn hobby. Ik speelde amateurtoneel, en je vader waterpolo. En elk ging zoveel mogelijk mee naar de hobby van de ander.» 

Pa «Dat toneel hebben we kunnen blijven doen, maar het waterpolo... Dat was niet mogelijk. Het werd moeilijker en moeilijker om dat met de zaak te combineren. Het is nog geweest dat ik de winkel nog maar net had gesloten of ze stonden al te wachten om mij mee te voeren naar Antwerpen, voor wedstrijden. Met een taxi reden we dan, met negen man erin. Zeven spelers, de délégué, en de chauffeur zelf. Rond '49 ben ik ermee gestopt. » 

Tom Ging het er hard aan toe of was het meer plezier? 

Pa «Het was nationale competitie. Niet de eerste afdeling, maar toch, we speelden wij niet slecht.» 

Ma «Een lastig spelertje, je pa. Mensen onderduwen, en knepen geven onder water, en tegenhouden aan de rand van hun zwembroek.» 

Pa «Niet overdrijven. Er is maar één keer gevochten. Eén van de laatste keren dat ik speelde. Een liefdadigheidswedstrijd, nota bene. We hadden net veel nieuwe, onervaren jongens in de ploeg. Maar bij de andere ploeg was er een speler, die speelde een klasse hoger dan wij. En dat wou hij ook de hele tijd laten zien. Dat doe je toch niet bij een vriendenmatch. Hij gooide van heel ver telkens recht bij ons in doel. Onze keeper, die jongen, tja, dat was een reservekeeper. Heel jong, totaal onervaren. Niemand kreeg een kans om te spelen, behalve die ene gast. Zelfs in zijn eigen ploeg waren er die hem scheef bekeken. En we zegden tijdens de rust onder elkaar: allez, het is toch erg, zoals die met ons voeten speelt. En ik zei: wacht, ik zal er wel naartoe-gaan. Dus we zwemmen op, ik recht naar die gast. Ik lig naast hem en ik blijf daar liggen. En ik begin hem uit te dagen. Ik zeg: jong, nu ga je er geen meer maken. Pro-beer maar, het zal toch niet lukken. En gelijk als hij de bal kreeg, duwde ik hem telkens onder. Dat mocht, ik bedoel, als iemand de bal heeft mag je hem hinderen, dus dat deed ik. En die gast werd zodanig kwaad, dat als hij al eens kon gooien, dan gooide hij meters naast. Maar na afloop van de match staan we ons af te drogen, hij komt op mij af en zonder iets te zeggen klopt hij mij recht op mijn gezicht. Petààt! Mijn lip lag open, dat is nog genaaid geworden. maar hem hebben ze geschorst. Eerst zes maanden, en later, want hij was in beroep gegaan, kreeg hij een jaar

Tom Maar waar je nu van spreekt, dat gebeurde nadat jullie getrouwd waren en een nieuwe zaak hadden hier op de hoek van de Antwerpse Steenweg. 

Pa «Ja, die eerste zaak in de Plezantstraat, dat hield kort na de oorlog op. De vroegere Schepen van Bevoorrading kwam daar terug in, en ik moest gaan. Toen hoorde ik dat de zaak hier op de hoek zou worden overgegeven. Ik daar direct naartoe, contract getekend, en klaar. Het had een goede ligging, dus dat interesseerde mij. Een hoek is altijd goed. De zaterdag daarna ga ik de ex-eigenaars helpen, kwestie van mij al in te leven in de zaak, de klanten te leren kennen en zo... Ik ben al schreiend naar huis gekomen. ik zeg: Josée, we zijn gefopt. Op heel die zaterdag, normaal toch de topdag, waren er hoop en al tien klanten geweest. En we stonden met vier man achter de toog. Mijnheer, madame, de knecht en ik. Het was een goede zaak geweest, maar ze was op sterven na dood. Dat koppel had namelijk een fabriek in plastics opgericht, en die liep zo goed dat ze voor hun beenhouwerij geen tijd meer hadden. De ene dag waren ze open, de andere dicht, en ze hadden nauwelijks marchandise in huis. Zo Mg je je klanten weg. 

Tom Wat heb je dan gedaan? 

Pa «Wat moesten wij doen? We zeiden van: we staan ervoor,  we moeten erdoor. We zijn er op een maandag in getrokken.» 

Ma «De wastafel in de kamer boven de winkel was kapot. We kwamen binnen in de winkel en die stond onder water. Het dreef van de muren. In het putje van de winter. » Pa «We hadden een paar da-gen om het wat op te knappen en om hier en daar te veranderen. Maar tegen de donderdag, toen het eerste slachtvlees moest bin-nenkomen, bleek dat ook de frigokamer kapot was. Een echte ramp, dat begin.» 

Tom Is het dan in orde geraakt tegen de opening? 

Pa «Ja. Als het moet, dan moet het. Het was op zaterdag zes december, in '46. Klaaszaterdag, daar hebben we nog reclame mee gemaakt. Een schone annonce in het Reklaamblad.» 

Ma «Voor de rest hebben we nooit veel geadverteerd. Kwaliteit geven, dat was onze beste reclame.» 

Tom En de opening zelf? 

Pa «Goed. Heel goed. Veel vrienden en kennissen natuurlijk. En allemaal klanten die terugkwamen, en nieuwe klanten. De mensen stonden tot buiten. 's Avonds waren we bekaf, maar gelukkig. We geloofden er weer in. En zo hebben we die zaak langzaam opnieuw kunnen opbouwen. Je ma hielp toen al volop in de winkel. Voordien was ze kassierster geweest in één van de fabrieken hier in de omtrek. De eerste vrouwelijke bediende van die fabriek... Maar toen ze in verwachting van onze oudste was, is ze daar mee gestopt. Ze kwam dan af en toe in de winkel helpen. Daar kwam ze trouwens al helpen toen we nog niet getrouwd waren.» 

Tom Dus ze wist goed waaraan ze begon toen ze met je trouwde, én toen ze haar job liet staan? 

Pa  «Dat wel. Maar ja, in die tijd... Liefde ging boven alles (lacht).» 

Ma « iefde was blind, zul je bedoelen (glimlacht).» 

Tom Hoe ging dat die eerste jaren? Beschrijf je dagindeling eens. 

Pa «We waren open zeven da-gen op de zeven. Ik stond op om kwart over zes. Om zeven uur draaide ik de grote rolluiken van de winkel naar boven. 's Avonds om acht uur, half negen sloot ik de winkel. Alleen op zondag sloot ik vroeger, al om één uur 's middags. Na het sluiten moest ik dan wel nog opruimen. De kas maken, het vlees naar de frigokamer dragen, de schaaltjes en de messen afwassen, het hakblok schoonraspen met de stalen borstel, en schrobben en dweilen.» 

Tom Je had wei een bijzondere band met je klanten. 

Pa « Het was, zoals bij meer winkels vroeger, meer een grote familie. We leefden met onze klanten. Op zaterdagmorgen, de eerste klanten, dat waren altijd dezelfde. Vijf, zes, soms tien man. Die stonden daar te vertellen en te zwanzen, soms een half uur. Ze waren al bediend en dan bleven ze nog staan. Je kènde de mensen daarom niet bij hun familienaam, maar bij hun voornaam, of hun bijnaam. En je wist : die mankeert iets aan zijn been, en die haar vader ligt ziek te bed, en die haar man werkt bij de ijzeren weg.» 

Ma «De mensen winkelden anders dan nu. Je hadden tijd, ze vertrouwden je, en jij wist wat ze moesten hebben. Ze had ze ooit eens raad gegeven, van probeer dit eens of dat eens, en dat hadden ze onthouden en dan vroegen ze later hetzelfde. Als ze volk hadden, gaven we hen tips voor het menu.» 

Pa « Of ook, er waren er soms bij, die hadden problemen. Op hun werk, of thuis. Dat zag ik dan al aankomen. Ze kwamen op een moment dat er niemand anders in de winkel stond, of ze bleven wachten tot ze alleen overbleven. En dan bolde ik het af, dat ze hun hart eens konden uitstorten tegen je moeder. Er waren er ook, mannen dan meestal, die tegen mij over hun problemen begonnen.

»Veel van onze vroegere klanten zien we nog alle dagen. We wonen vlak naast onze vroegere zaak. Wel, die mensen spreken ons nog altijd aan. Terwijl nu? In winkels wordt er niet meer gesproken. Grootwarenhuizen zijn nog erger. Die mensen komen binnen, die kennen elkaar niet, die kijken niet naar elkaar. Dat wordt bediend en dat gaat weg.» 

Tom Zijn er nog andere dingen veranderd tegenover vroeger? Bijvoorbeeld hoe de mensen vlees kochten, en welke soorten? 

Pa «Dat is veel veranderd. Vroeger werd er meer orgaanvlees gegeten dan nu. Lever, hersentjes, niertjes, zwezeriken, tripes.. En de mensen kwamen vooral op zaterdag kopen. Dart kon het eraf, een goed stuk vlees. Ze kochten voor een dag of twee drie, al hadden ze geen ijskast. Ze bereidden gewoon alles de eerste dag, zodat het beter bewaarde.» 

Ma «Met de komst van de frigo's is dat veel veranderd, en later met de diepvriezers nog meer. Nu kopen ze soms voor een hele week ineens, of voor een maand of nog langer.» 

Pa «En tegenwoordig is een beenhouwer meer een traiteur. Vleessalade, dat kende men vroeger niet. Américain préparé, dat is maar iets van in de jaren vijftig. Vroeger vroegen de mensen een bifteck haché. Dan hakte je een biefstuk fijn met het scherp van je mes. Het werd niet gemaakt met de machine en het lag zeker niet op een schaaltje klaar in de frigotoog, zoals nu.» 

Ma «Wat we wèl meer zelf deden, dat waren de traditionele bereidingen.» 

Pa «Beulingen, soms twee keer per week. Paté. Preskop, zure groost. Dat maakten wij met emmers tegelijk. Terwijl nu, zure groost, ik geloof nooit, dat alle beenhouwers dat nog hebben. Nee, nu moet het parmahesp zijn, en ‘honingham’, en champignons á ia Grecque. Tien soorten salami en twintig salades. Maar het komt bijna allemaal rechtstreeks van de fabriek, de meesten maken niets meer zelf. Geef ze eens ongelijk. Dat is een werk, dat kun je niet alleen aan.» 

Tom En de kwaliteit van het vlees, is daar veel aan veranderd? 

Pa «Zeker. Veel zelfs. De beesten worden meer opgefokt nu. Vroeger waren beesten vét. Rond een biefstuk zat een schone boord vet. Nu zit er praktisch geen vet meer aan, en het gebeurt dat er water uit loopt. Het voedsel da de beesten krijgen is erop gericht ouzo snel mogelijk zoveel mogelijk gewicht te maken. Maar de smaak is niet meer hetzelfde. Precies omdat er geen vet meer aan is. En omdat ze op een paar jaar al klaar moeten zijnvoor de slacht. Terwijl vroeger… Dat waren ‘rijpe’ beesten. Die hadden nog echt geleefd. Jaren in de wei gestaan.» 

Tom Beenhouwers gingen ook hun eigen vlees kopen bij de kweker. 

Pa « Zelf heb ik dat zo niet meer meegemaakt. Maar mijn vader ging nog geregeld de boer op om beesten te kopen, samen met een vriend of drie. In de namiddag was dat. Heel vroeger ging dat zo, een beenhouwer werkte in de voormiddag. In de namiddag ging hij óf beesten kopen óf kaarten in zijn stamcafé. In de tijd van mijn vader is dat beginnen te veranderen. Hijzelf verkocht al uiers, lever, hij maakte beulingen en paté, en daar werkte hij 's middags aan. De meeste beenhouwers wilden dat niet, die vonden dat te vuil werk.

»Met de schoonste beesten die mijn vader gekocht had, trok hij naar jaarmarkten, in de hoop prijzen te winnen. Die oorkondes kon je dan in je winkel uithangen, dat was goed voor de naam van je zaak. Pas op, de kwartieren van dat beest zelf hingen ook in de winkel. Nu mag dat niet meer, kwestie van hygiëne. Op zich is dat goed, maar als klant zag je vroeger beter wat je kocht. Trouwens, bij de meeste beenhouwers komt het vlees niet meer binnen in kwartieren, maar al uitgebeend op voorhand. Vacuum verpakt in van die plastic zakken. Dat is een goede zaak voor de beenhouwers, veel van hun werk is op die manier al gedaan. Ze doen die zak open en ze beginnen biefstukken te snijden. Of het beter is ? Ik weet het niet. Wij lieten ons vlees altijd ‘rij-pen’. Dat wil zeggen, als een kwartier op laten we zeggen donderdag in de frigokamer ging, dan begonnen we daar ten vroegste de week daarna op donderdag aan te werken. Het vlees werd er malser op, en rijker van smaak. Nu is dat misschien niet meer nodig, omdat het allemaal heel jonge beesten zijn. Dat vlees is vanzelf veel mal-ser. Maar je mag er mee doen wat je wil : de echt goede smaak van vroeger, die krijg je nooit. 

»Een beenhouwer zelf kan daar weinig aan doen. Hij heeft niet te kiezen. Dat vlees is er gewoon niet meer.» 

Tom Waarom hebben jullie nooit over de middag gesloten? 

Pa «We hebben al zijn leven tussen de fabrieken gewoond. Er was een kartonkapperij in de buurt, een tapijtenfabriek, een twijnderij, een ververij, er waren bonneteriefabrieken, je had de NIKO, waar ze elektrische interrupteurs maken... De werkmensen kwamen tijdens hun schafttijd om kleinigheden, of ze gaven een briefje af waarop hun bestelling stond die ze diezelfde avond zouden komen afhalen. We kónden wij niet sluiten over de middag! We aten tussendoor een boterham, desnoods rechtstaand, en 's avonds pas aten wij warm.» 

Tom Jullie hadden vijf kinderen, maar geen tuin als speelruimte. Viel dat te combineren met zo'n drukke winkel, waar jullie allebei van vroeg tot laat in werkten? 

Pa «De oudste twee, dat was het lastigste. Die zijn alletwee in '45 geboren, één in januari, één in december. De andere kinderen hadden een oudere broer of zus die al eens op hen kon letten, maar die oudste twee... Op een bepaald moment stonden we in de winkel, en de mensen kwamen zeggen...» 

Ma « ...dat de kleine gasten langs de achterdeur onze meubelen naar buiten aan het sleuren waren. We gingen kijken, en inderdaad. We zeggen: wel, wat scheelt er? We gaan verhuizen, zeggen ze. We gaan naar een huis mèt een hof en zonder een bel. Dat was de winkelbel die ze bedoelden. Daar ben jij ook nog kwaad op geweest, Tom, op die bel. Die hing in de living, vlak onder het plafond, en jouw slaapkamer was daar vlak boven. 's Morgens om zeven uur ging de winkeldeur de eerste keer open, rrring!Tot 's avonds zeven, acht uur... Geen moment rust.» 

Pa «Op een keer komen wij uit de winkel terug de living in, en die pagadders zeggen alle twee de hele tijd: wij zien graag frieningen, wij zien héél graag frieningen. Dat is Sintniklaas' voor franjes. We zeggen tegen elkaar: wat zouden ze daar toch mee bedoelen. 's Avonds trekken wij onze gordijnen dicht en toen zagen we wat ze bedoeld hadden: ze hadden die gordijnen vanonder met een schaar aan repen geknipt, tot op een hoogte van zeker twintig centimeter. Splinternieuwe gordijnen! We woonden er nog maar pas.»

Ma «Maar bijna alle kinderen speelden toen op straat. Dat was veilig genoeg, want toen was er bijlange niet zoveel verkeer. Volwassenen leefden ook meer op straat. Als het mooi weer was, zaten onze geburen op een stoel voor hun deur met elkaar te babbelen, soms van de ene kant van de straat naar de andere kant. Onze kleine gasten, die hadden een emmer of drie rijnzand, dat werd 's morgens uitgekieperd op het plankier. Dat was hun zandbak. Kameraadjes kwamen meespelen, die brachten hun eigen schepje en emmertje mee. En 's avonds werd dat zand terug in die emmers gedaan.»

Pa «Zelfs Tom heeft nog veel op straat gespeeld. Ik weet nog goed, je was toen nog heel klein, dat je weggegooide sjieken, kauwgom dus, van de straat opraapte. Je spoelde ze af onder de kraan en je stak ze in je mond. We konden je dat maar niet afleren. Ten langen leste vroegen we raad bij onze huisarts, die tegelijk een soort raadsman en biechtvader was, echt een hele goeie huisdokter. En hij zei : geef dat manneke vijf frank en zeg dat hij sjieken moet gaan kopen. Dus we gaven je vijf frank, en je kwam naar huis met likstokken. Wij zeiden: wel, je zou toch sjieken kopen? En jij zei: sjieken, die vind ik op straat, likstokken niet.»

Tom En later, toen de kinderen ouder werden ?

Ma «Toen was het gemakkelijker, natuurlijk. De oudere hielden de jongere in de gaten, en verder had iedereen zijn taak in het huishouden. Ook in de winkel hielp iedereen een beetje. Afwassen, kroketten maken, gehakt draaien, worsten vullen, op drukke momenten in de winkel wisselgeld teruggeven...»

Pa «En voor het naar school gaan, een paar kleine bestellingen gaan afgeven bij klanten, of gaan horen of een zieke klant niets te bestellen had.»

Ma «De zondag, dat was de mooiste dag. Toen hadden wij eindelijk ongestoord de tijd voor onze kinderen. Dat was telkens een groot ontbijt, en daar werd gelachen en gediscussieerd, gebekvecht bijna, soms tot een stuk in de middag. Dat praten met jullie hebben we altijd heel belangrijk gevonden. Dát was ons gezin.»

Pa «Daar werd gediscuteerd, dat was effenaf op zijn Italiaans.»

Tom Zo herinner ik mij vooral de familiefeesten.

Ma «Ah ja, Pasen, Kerstdag, Nieuwjaar,... Dat was eerst zwaar werken in de winkel, want dat waren de drukste dagen van het jaar, en dan gelijk de keuken induiken en koken voor twaalf, dertien man.»

Pa «Er kwamen altijd wel een paar nonkels en tantes bij, en vrienden die niet wisten waar naartoe.»

Tom Had je dan wel nog tijd voor elkaar, en voor jezelf?

Ma «Je moet die tijd maken. Anders raak je geïsoleerd in zo'n winkel. Want vergeet niet : je leeft en je werkt in hetzelfde huis. Altijd dezelfde muren, daar word je zot van op den duur.»

Pa «We gingen geregeld naar een bal. Er waren veel bals. Bal van de burgemeester, bal van de middenstand, het kerstbal. »

Ma «En als we dan weggingen, dan gingen we goed weg.»

Pa «Tot de laatste dans. Het nachtje door. Het moest al licht worden voor we naar huis wilden gaan. Bij de bakker rechtover ons gingen we aan de achterdeur vragen om boterkoeken die juist uit de oven kwamen, we verfristen ons, trokken andere kleren aan en draaiden de winkel open. De rest van de dag dronken we dan wei zwarte koffie, de één tas na de andere. Maar een kermis is een geseling waard, zeg ik altijd.»

Ma «En ik had natuurlijk ook nog mijn toneel. Dat was mijn ontspanning. Maar voor je pa ook. Na zijn werk kwam hij naar het slot van de repetities, en daarna nog een beetje napraten in het café.»

Pa «Ze heeft in al de schoonste stukken gespeeld. Twee keer de prijs gewonnen van Beste Vertolkster van Oost-Vlaanderen. Niet voor grote rollen, type-rollen. Ze heeft nog met Nélly Maes gespeeld, in ‘Sloep zonder visser’, voor de katholieke gilde. En in regie van Luc Philips, in, ‘De knecht van twee meesters’. Het schoonste vond ik haar jubileumstuk, veertig jaar amateurtoneel. ‘De appels van Eva’. Ze speelde daar zéven rollen in. Iedereen sprak ervan.»

Tom Jullie rijden nog allebei met de wagen. Van wanneer dateerde jullie eerste eigen wagen?

Pa «We hebben onze eerste wagen gekocht in de tweede helft van de jaren vijftig, zoals nogal wat mensen. Dat kwam niet lang na het instellen van de zondagsrust. Al die mensen hadden opeens een vrije dag, en die wilden uitstapjes gaan doen. Waar denk je dat het woord zondagsrijder vandaan komt?»

Ma «In '56, twee jaar vc5c5r de Expo, en dus twee jaar voor jij geboren werd, kochten wij onze eerste auto. Een Vauxhall Chresta. Twee kleuren, zwart en wit, dat was toen de mode.»

Pa «Een goeie wagen. Onverslijtelijk. En ruim. Wij reden bijna elke zondag weg, en dat was dan ik en je ma, mijn zuster en haar man, mijn moeder, de oudste zuster van je moeder, dat is al zes, en dan nog de vier kinderen. Dat is tien. Allemaal in die Vauxhall. Dat eerste jaar was er geen zondag dat we niet wegreden. Naar het Zilvermeer, naar Brussel, naar het Hollandse, met de overzetboot...»

Tom Maar je bent er nooit mee op vakantie geweest.

Pa «Vakantie? Vroeger sloten de winkels niet. Dat dééd je gewoon niet. Tijdens de kermisweek durfde ik al eens een dag of drie sluiten. Maar in het weekend ging de zaak dan weer open. Of we sloten halve dagen, en in de namiddag gingen we winkelen, eens naar Antwerpen, eens naar Brussel, naar Hulst. De eerste keer dat we tien dagen aan een stuk door durfden te sluiten, dat was pas in het begin van de jaren zeventig. We hebben toen onze eerste grote reis gemaakt. Naar Lourdes, met de bus, een week. Juist toen stierf mijn moeder. Je zult het altijd zien.»

Tom Het ergste wat het gezin is overkomen, is de dood van mijn broer Guy, in december '80. Een auto-ongeval in Turnhout.

Ma «Dat is het ergste wat je als ouder kan gebeuren, een kind verliezen.»

Pa «En zo plotseling. Temeer omdat we met Guy op dat moment een hele hechte band hadden. Hij woonde wel in Turnhout, maar hij belde ons veel.»

Ma «Guy zorgde altijd voor verrassingen. Altijd attenties, practical jokes, complimentjes. Een charmeur. Ik had van hem een antieke letterschuif gekregen, en daarna bracht hij telkens als hij kwam iets kleins mee om in de vakjes te zetten. Niets bijzonders, kleinigheden. Maar altijd iéts. Die schuif geraakte goed gevuld.»

Pa «De laatste keer dat ik onze Guy gezien heb, was om half zeven 's morgens. Hij was naar Sint-Niklaas gekomen de vorige dag, toen hadden we hèm ook nog even gezien. 's Nachts was hij, voor de eerste keer sinds lang, met zijn oudste broer uitgegaan. Het nachtje door. Ik word wakker, het werd al licht buiten, ik ga door het raam van onze slaapkamer kijken. En wie zie ik buitenkomen bij de, bakker aan de overkant? Guy, met een zak verse boterkoeken in zijn hand. Juist zoals wij indertijd. Kijk, zei hij tegen onze oudste die achter het stuur was blijven zitten, mijn pa komt al kijken. Ze lachten eens naar mij. Toen reden ze weg.»

Tom Hoe hebben jullie zijn dood verwerkt?

Pa «Slecht. Het weegt zwaar. Je bent dan gelukkig dat je ook nog anderen kinderen hebt, dat helpt je er al wat bovenop. Je moeder was echt ontroostbaar. Ze wou niet mee naar de eigenlijke begrafenis, en zelfs de kerkdienst heeft ze niet meegemaakt. Ze kon dat niet aan. We hebben die dienst wel volledig op geluidscassette opgenomen. Het schoonste deel daarvan was de homilie. Daar zat veel waarheid in. En knap geformuleerd. De directeur van Guy heeft die uitgesproken. Dat was een Hollander. Guy werkte in Holland, in een audiologisch centrum. Hij was daar heel geliefd. Ik luister nog veel naar die homilie.»

Ma «Ik heb ze nog nooit gehoord. Zelfs nu durf ik daar nog altijd niet naar luisteren.»

Pa «Het jaar na Guy zijn dood, dat was een zwart jaar. Je ma zat in een depressie. Ze kwam niet meer in de winkel, ze liet zich hangen, ze ging niet meer weg. Vrienden van ons merkten dat niets of niemand ons kon helpen. En één van hen zei : als je wilt, kun je eens meegaan met ons. Wij zijn in een spiritistische vereniging. Ik zeg tegen je ma: ga mee. Ik bleef thuis. Niet voor de kinderen, jij studeerde al in Gent, en de anderen waren al lang het huis uit. Maar die séance begon redelijk vroeg en ik kon de winkel nog niet sluiten. Je moeder ging dus alleen. En nadat ik de winkel had gesloten en opgeruimd, luisterde ik naar de homilie op het  bandje, en ik ontspande Mij daarmee. Een paar uur later kwam je moeder thuis. Een totaal andere vrouw. Vijftig procent beter.»

Ma «Vijfenzeventig procent beter. De keer daarna is je pa meegegaan, en hij heeft er ook veel steun en troost gevonden.»

Tom Jullie doen die séances nu al negen jaar. Zul je ze blijven doen?

Ma «Absoluut. Pas op, dat is niet elke week. Een keer per maand. Soms slaan we al eens een maand over. En je krijgt niet altijd een boodschap, je hebt dat niet te kiezen. Wat komt, dat komt. Vorige maand hebben we nog eens iets doorgekregen, maar dáárvoor was het zeker een jaar geleden. Maar als we gaan, is dat niet meer alleen maar omwille van Guy. Het doet ook goed te zien hoeveel andere mensen daar troost vinden. Dat kan echt deugd doen.»

Tom Wat voor boodschappen krijg je door?

Pa «Heel soms zijn er dingen bij die we niet kunnen plaatsen... En soms waarschuwingen. Maar meestal zijn het boodschappen van troost. Dat hij het goed heeft. Dat we ons niet zoveel zorgen moeten maken.»

Ma «Soms is hij zelfs kwaad dat we weer hebben zitten treuren en rouwen. Dat wil hij niet.»

Tom Reageren de mensen in je omgeving niet raar als je erover vertelt?

Pa «De meeste toch niet. Onze vrienden zeker niet.»

Ma «En eens dat ze het medium, Lidy T., een keer ontmoet hebben, zeker niet meer. Dat is een geweldige vrouw. Haar doel is te bewijzen dat er leven na de dood is. Het spiritisme uit het taboe halen, dat is haar taak, zegt ze. En ze is hard. Ze zegt de dingen zoals ze zijn, ook als dat sommige mensen tegen de haren instrijkt. Ik heb al veel mensen weten wegblijven omdat ze een boodschap kregen die hen niet welgevallig was. Of als ze merkt dat er mensen komen die haar voor een banale waarzegster verslijten, daar is ze altijd cru tegen. Ze kán de toekomst niet voorspellen. Ze kan niets zeggen op commando. Ze kan alleen doorgeven wat ze zelf doorkrijgt van entiteiten. Geesten.»

Pa «Ik zal een voorbeeld geven van hoe streng ze is voor zichzelf. Op een bepaald moment had een entiteit een boodschap gegeven aan je moeder, met zaken daarin die alleen wij en Guy konden weten. Dus wij wisten zeker dat het Guy was. Na afloop praten we wat na, en Lidy vraagt: als die entiteit je zoon is, mag ik dan eens een foto van hem zien? Want ze had Guy nooit gezien, ook niet op foto. Je moeder laat een foto zien, en Lidy verbleekt. Ze zegt: het spijt mij mevrouw, maar lk moet eerlijk zijn. De entiteit die ik gezien heb, heeft een baard, en uw zoon heeft alleen een snor. En je ma zegt: dat kan kloppen, Lidy. Hij is gestorven met een baard.»

Ma «Zo hard was ze, dat ze de waarheid zei op het risico af dat ik zou beginnen twijfelen aan de boodschappen die ze doorgaf.»

Pa «Nee, we voelen ons daar echt goed mee. Af en toe hebben we natuurlijk nog eens een moeilijke dag. Maar zonder de troost van die séances zou Ik toch niet weten hoe we verder hadden gemoeten.»

Tom Je bent 45 jaar beenhouwer geweest. Mis je dat nu niet?

Pa «Nee. Van de eerste dag al niet meer. ik droom er wel nog van. Geen nachtmerries. Gewoon, dat ik in mijn winkel sta en aan het beenhouweren ben, en dat er klanten voor de toog staan.»

Tom Als je opnieuw kon beginnen, zou je dan weer een beenhouwerij beginnen?

Pa «Dat wel. Ik heb dat graag gedaan. Je moeder zou niet herbeginnen, denk ik. Die zou liever haar job behouden hebben op het kantoor, en dat ik dan een knecht in dienst had genomen.»

Ma «En na mijn uren zou ik nog altijd een handje hebben kunnen toesteken.»

Tom Spijt dat geen van de kinderen de zaak heeft overgenomen?

Pa «Nee. We zeiden altijd: die hebben gelijk, het is veel te hard werken.»

Tom En kinderen? Zou je er opnieuw vijf willen?

Pa «Ik weet niet..»

Ma «Vijf kinderen zijn mij nooit te veel geweest, ze zijn elk met veel liefde aanvaard. Maar precies daarom: er één moeten afgeven, dat is zwaar. Als ik op voorhand zou weten dat ik er één ging verliezen, dan koos ik nu voor geen.»

Pa «Ik ook. De pijn is te groot.» 

Tom En als je opnieuw zou trouwen, zou je dan opnieuw met elkaar trouwen?

Ma «Bah ja.»

Pa «We hebben wij dat toch niet slecht gedaan. We hebben elkaar nog nooit geslagen, dat scheelt veel. (lacht) En gevochten ook niet. Ze heeft mij wel al eens belogen. Toen ze vijftien was. (lacht)»

Ma (moppert) «Ik heb je al veel belogen, jongen. Maar nog nooit bedrogen.»

Pa (lacht nog meer) «Ah, je weet het.»

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: