Robert Galbraith - Witte dood

, door ()

14
1200

Of zeg maar stationsroman, want met 734 pagina’s heb je, zelfs met de vertragingen bij de NMBS, aan een treinreis niet genoeg om de vierde Cormoran Strike-thriller te doorworstelen. Dat hoeft niet te verbazen als je weet dat J.K. Rowling achter het pseudoniem Robert Galbraith schuilt: de geestelijke moeder van Harry Potter spendeerde aan haar tovenaarsleerling uit Zweinstein ruim vierduizend pagina’s. Geef er zevenhonderd aan de als een literair machinepistool ratelende James Ellroy en hij schrijft een kleine genocide bijeen. Bij Rowling duurt het driehonderd bladzijden voor de eerste dode valt.

De literaire kwaliteit van een thriller is niet noodzakelijk recht evenredig aan de body count, en Rowling pretendeert niet dat ze hard-boiled fictie schrijft, maar haar verhaal over chantage in politieke kringen is zo zachtgekookt dat je het onder de deur kunt schuiven. Met de forsgebouwde ex-militair Cormoran Strike, die wel een Brits biertje lust en een been heeft verloren in Afghanistan, heeft de rijkste schrijfster ter wereld nochtans een even atypische als klassieke privédetective te pakken. Eén die door zijn armoedige afkomst perfect geplaatst lijkt om enige kritiek te uiten op het upper class-milieu waarin hij terechtkomt wanneer hij door de minister van Cultuur wordt gevraagd om enkele afpersers na te trekken. Maar waar J.K. Rowling op Twitter uitgesproken links uit de hoek durft te komen en ze Donald Trump en andere trollen stevig van repliek dient, blijkt Robert Galbraith meer en meer de Kris Peeters van de thrillerschrijverij te worden: kleurloos in het centrum. In ‘Witte dood’ zijn linkse activisten stuk voor stuk stinkende hippies en bestaat de rechtse politieke klasse uit een bende corrupte graaiers die graag naar klassieke muziek luisteren. Iedereen heeft een beetje ongelijk.

In een welhaast wanhopige poging om het etiket ‘literaire thriller’ te verdienen, strooit Rowling met zouteloze politieke theses en verwijst ze bij elk hoofdstuk naar de Noorse theaterauteur Henrik Ibsen. Ze weeft een onduidelijke symboliek rond paarden door haar moordmysterie en lardeert het met oppervlakkig sociaal commentaar over ‘de media’ en de tol van de roem. Tegelijkertijd solliciteert de schrijfster openlijk naar een plek in de Bouquetreeks door overdreven veel aandacht te besteden aan het liefdesleven van Strike en zijn partner Robin Ellacott. In plaats van te onderzoeken wie een dodelijke dosis antidepressiva in het sinaasappelsap van het slachtoffer heeft gemengd, peilen beide detectives vooral naar hun gevoelens voor elkaar. Dat leidt tot uiterst gênante passages die de geloofwaardigheid van de speurders finaal onderuithalen: midden in een onderzoek vragen ze zich plots af of de hevigheid van andermans ‘brandende behoefte’ misschien ‘seksueel van aard’ zou kunnen zijn. Veel gewaagder wordt het overigens niet, dus ouders van Harry Potter-fans kunnen Galbraith zonder zorgen in hetzelfde hoekje van de boekenkast duwen. Dat Rowling nogal snel de grenzen van haar preutsheid bereikt, is tot daar aan toe. Het grootste euvel van ‘Witte dood’ is dat ze haar lezers honderden bladzijden lang bezighoudt met de vraag of Strike en Ellacott verder zullen raken dan die onhandige knuffel op pagina 35, waarbij de speurneus opmerkt dat Robin rook naar ‘rozen en het lichte parfum dat hij had gemist’.

Voor volwassenen die zich niet met jeugdboeken over tovenarij in het openbaar durven te vertonen, wordt de Harry Potter-reeks ook met serieuzere covers gedrukt. Iets soortgelijks moet met ‘Witte dood’ gebeurd zijn, want op het voorplat van deze als thriller vermomde romance hoorde eigenlijk een innig verstrengeld koppel en een paard met wapperende manen te staan.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: