- Ramsey Nasr en Cees Nooteboom schreven beiden een boek over Venetië

, door ()

11
a1

Ramsey Nasr - 'Mijn dood in Venetië' ★★½

Cees Nooteboom - 'Venetië: de leeuw, de stad en het water' ★★★☆☆

Dat hun woorden om hem heen vloeien zoals het water in de kanalen, noteert Nederlands grootste hoop op een Nobelprijs Literatuur. In dat druk door gondels bevaren water drijven de laatste tijd overigens opmerkelijk veel Nederlandse woorden. Na Ilja Leonard Pfeijffers grotendeels aan Venetië gewijde liefdesverhaal ‘Grand Hotel Europa’ en Eric Mins en Gerrit Valckenaers’ ‘De klank van de stad: een cultuurgeschiedenis van Venetië’, publiceert naast Nooteboom nu ook voormalig Antwerps stadsdichter Ramsey Nasr een Venetiaanse vertelling.

Ramsey Nasr deed in 2018 enkele weken de langzaam zinkende stad aan om er in opdracht van theatermaker Ivo van Hove een toneelbewerking van Thomas Manns novelle ‘De dood in Venetië’ te schrijven. In de ontstaansgeschiedenis die aan de theatertekst werd toegevoegd, vraagt de schrijver en acteur zich op de eerste pagina al af of je voor zo’n adaptatie wel naar Venetië hoeft af te reizen. ‘Heb je voor het schrijven van een toneelstuk de werkelijkheid nodig?’ Blijkbaar wel, want in zijn bewerking van Manns verhaal over de oude schrijver Gustav von Aschenbach, die op vakantie in de ban raakt van een bloedmooie jongen, voert Nasr auteur Thomas Mann als personage op. Het door Jan Versweyveld geënsceneerde resultaat schijnt een esthetisch behoorlijk prikkelende toneelervaring te zijn, maar op papier lijkt Nasrs ingreep veeleer banaal. Al zal het ook op scène niet de eerste keer zijn dat een schepper in gesprek gaat met zijn eigen creatie. De onderliggende amateurpsychologie over de schrijver die zijn geheime verlangens projecteert op zijn personages, is even weinig origineel. En in de dagboekfragmenten, die minder expliciet dienen om duidelijk te maken dat Nasr even dweperig kan zijn als Von Aschenbach, betreedt de schrijver de platgetreden paden van de literaire citytrip. Niet dat er bij Nasr geen enkel waardevol inzicht te rapen valt, maar het perspectief van de toerist die geen toerist wil zijn en zich evengoed vergaapt aan de pracht en praal, heb je weleens eerder gelezen.

Wie over Venetië schrijft, kan bijna niet anders dan in herhaling vallen. Daar ontsnapt ook Cees Nooteboom niet aan. Die laat in zijn bundel ‘Venetië: de leeuw, de stad en het water’ zelfs zijn eigen ideeën en metaforen soms twee keer de revue passeren. Maar hoe het ook zij, in La Serenissima werd elke brug, elk kanaal en elke steen van elk gebouw ooit eerder door een ander gezien én beschreven. De kunst zit, uiteraard, in hoe je het doet. Net als Nasr, en velen voor hem, koppelt Nooteboom beschrijvingen van persoonlijke en praktische omstandigheden aan bespiegelingen over de kunst en geschiedenis die hij op zijn omzwervingen tot zich neemt. Alleen doet de winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren het in een taal die zowel uitnodigend als uitdagend is. Nooteboom is erudiet maar nooit belerend. Wanneer hij terugdenkt aan de ‘verrukking en verwarring’ van zijn allereerste blik op de San Marco, vraagt hij zich tegelijkertijd af hoeveel alle ogen zouden wegen die het plein ooit hebben gezien. Meer nog dan de bedenkingen over schilderijen van Tintoretto of een standbeeld van de monnik Paolo Sarpi, zijn het die ongerijmde gedachtesprongen die ervoor zorgen dat het fijn dwalen blijft in Nootebooms soepel vloeiende zinnen. Het is ook nodig, want net als de steegjes van de stad gaan de teksten in deze bundel allengs meer op elkaar lijken, en ook van stijlvol flaneren krijg je uiteindelijk zere voeten. Cees Nooteboom kan prachtig schrijven, maar wie ooit in Venetië is geweest, weet dat zelfs schoonheid in te grote hoeveelheden weleens voor indigestie zorgt.

 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: