Colson Whitehead - De jongens van Nickel

, door ()

Deel
a1
© Michael Lionstar

Dat Oprah Winfrey en Barack Obama zich destijds hebben geout als enthousiaste lezers van zijn verhaal over het geheime netwerk van burgers die ontsnapte slaven uit de zuidelijke staten smokkelden, heeft wellicht meer gedaan voor de verkoop van ‘De ondergrondse spoorweg’ dan alle literaire prijzen samen. Toch moeten ook die officiële bekroningen Colson Whitehead deugd gedaan hebben. De New Yorkse schrijver mocht dan wel iets minder experimenteel of opzichtig taalvirtuoos aan de slag zijn gegaan dan in zijn vorige romans, de grandioze literaire geste die hij maakte door de metafoor van de Underground Railroad uit te werken alsof het letterlijk een ondergronds spoorwegennet betrof, was niet onopgemerkt gebleven. Net als Toni Morrison in haar klassiek geworden slavenverhaal ‘Beminde’, zette Whitehead magisch realisme in om de horror van de slavernij tastbaar te maken.

Van dat magisch realisme is geen spoor meer te bekennen in zijn zevende roman, ‘De jongens van Nickel’, een tuchtschooldrama uit het gesegregeerde Florida van de jaren 60 waarin de auteur zijn proza verder uitbeent. Je zou het een knieval voor de commercie kunnen noemen, maar je kunt het net zo goed zien als de volwassenwording van een auteur die niet langer de nood voelt om uit te pakken met talige tierelantijntjes.

Het verhaal is andermaal een inktzwarte bladzijde uit de geschiedenis van de Verenigde Staten, en een op verschrikkelijke feiten gebaseerd relaas. De stem van Martin Luther King weerklinkt uit de luidsprekers van de platendraaier van Elwood Curtis, een arme, maar pientere jongeman die aanvankelijk nog geloof hecht aan de woorden van de dominee als die predikt dat zwarte jongens en meisjes, ondanks de strikte rassenscheiding in het diepe Zuiden, evenveel waard zijn als anderen. Dat idealistische geloof wordt de inzet van de roman, en het wordt danig op de proef gesteld wanneer Elwood onterecht veroordeeld wordt tot een tuchtschool waar racistische opzichters, ‘die van hun vaders geleerd hadden hoe ze een slaaf in het gareel moesten houden’, hem en de andere leerlingen gruwelijk mishandelen.

Wie ‘De ondergrondse spoorweg’ heeft gelezen, weet dat Whitehead zowel fysieke als mentale ontbering zo zintuiglijk en onverbloemd verbeeldt dat je denkt zelf de zweep in je vel te kunnen voelen. Aan staalharde beschrijvingen van jongens die het bloed in hun gympen voelen soppen, koppelt de schrijver bredere inzichten over structureel racisme. Hij laat ook niet na er fijntjes op te wijzen dat zwarte tieners nog steeds vaker worden opgesloten en meer politiegeweld moeten verdragen dan hun blanke leeftijdsgenoten. Op het einde van ‘De jongens van Nickel’ spreekt opnieuw dominee King: ‘Wees ervan verzekerd dat wij jullie zullen uitputten met ons vermogen om te lijden.’ 248 pagina’s diep in het boek is dat lijden geen abstract begrip meer, en heeft Whitehead duidelijk gemaakt dat de uitputting waar King over sprak, nog lang niet nabij is.

Whiteheads boodschap blinkt niet bepaald uit in subtiliteit en zijn goede bedoelingen liggen er soms iets te dik op, maar dat heeft ook alles met het genre te maken. Meer nog dan een historische roman is ‘De jongens van Nickel’ een klassiek melodrama, inclusief enkele schetsmatige personages en een onverwachte coup de théâtre. Bij momenten gaat hij iets te ver in de manier waarop hij appelleert aan de emoties van de lezer, maar hij houdt zich dankzij zijn steeds verfijndere taalgevoel, zijn narratieve beheersing en zijn soms bijtende humor gracieus staande op het slappe koord tussen plat sentiment en oprechte ontroering.Sam De Wilde

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: