Dimitri Verhulst - De pruimenpluk

, door ()

8
De pruimenpluk

‘De pruimenpluk’ begint als een vintage Verhulst: grappig, zwartgallig en met een duidelijke voorkeur voor de edele wetenschap van de scatologie (de eerste ‘stoelgang’ valt al op pagina 6). Ook hoofdpersonage Mattis past aardig in het aandikkende rijtje van Verhulst-alter ego’s. We leren hem kennen als een misantropische figuur, die teruggetrokken leeft in een huisje aan een meer en zelfs door de gulzige muggen met rust wordt gelaten, ‘wetende wellicht dat zijn bloed schadelijk moest zijn voor de volksgezondheid van hun irritante onderorde’. Het enige gezelschap dat Mattis tolereert, is een fles wijn, of beter: kartonnen dozen met wijn, ‘dat maakte tenminste geen herrie als je die weggooide’.

Kortom, Mattis is een volbloed loser, maar dat hoeft de pret niet te drukken. De wereldliteratuur loopt immers vol met op het eerste gezicht onsympathieke verschoppelingen die de lezer toch weten te verleiden. Ook de vileine houding van Mattis tegenover de rest van de mensheid zorgt aanvankelijk voor grimlachen en, hier en daar, een instemmende hoofdknik. Op zijn lijstje van hatelijkheden prijken onder meer drukbezette reparateurs (‘Ze hebben het gen van vrouwen die niemand krijgen kan’), huizenverkopers, mensen met een stappenteller en weekendbijlagen met recepten voor gerechten met onvindbare ingrediënten.

Al die bitterheid blijft verteerbaar omdat Mattis zijn sombere blik ook geregeld op zichzelf richt. Zijn zorgvuldig gekoesterde eigenhaat krijgt een extra zetje wanneer Verhulst een aantrekkelijke weduwe op zijn pad jaagt. Jawel, ‘De pruimenpluk’ blijkt zowaar een klassiek liefdesverhaaltje, waarin een man zijn zelfgekozen isolement opgeeft voor een vrouw die zijn verkilde hart langzaam ontdooit. Een premisse die al een paar eeuwen meegaat en die door Verhulst, helaas, niet écht verrassend door de mangel wordt gehaald.

Nochtans opent de romance fris: Verhulst draait de rollen voor één keer om en laat Mattis poedelnaakt en kwetsbaar door zijn toekomstige betrappen tijdens een wasbeurt. De vonk die daar overslaat, leidt aanvankelijk tot mooie zinnen als ‘Ik geloof dat ik 16 was op een manier die ik niet beheerste toen ik echt 16 was’ en ‘Ze wuifde, er zat nog heel veel meisje in de vrouw’. Maar de dissonante noten in hun prille liefdeslied hoort de lezer al van ver aankomen. Mattis voelt zich bij zijn teerbeminde weduwe ‘minder dan een troostprijs’, en besluit haar perfecte, aflijvige man op alle mogelijke manieren uit haar gedachten te verdrijven. Niet alleen spint Verhulst die flinterdunne premisse veel te lang uit, ze leidt ook tot scènes (‘Wat als ik zijn trouwring eens aan probeer?’) die naar kolder neigen – onschadelijke kolder dan nog.

De teerbeminde weduwe lijkt geen andere functie te hebben dan de vrouwelijke perfectie te benaderen: onafhankelijk, altijd goedlachs, handig met een schroevendraaier. Helemaal erg wordt het als Dimitri Verhulst een mak freudiaans lijntje van Mattis’ afwezige moeder naar zijn nieuwe geliefde trekt. We zweren zelfs dat we op een bepaald moment het modewoord ‘huidhonger’ tegenkwamen, al kan dat ook een hallucinatie na een slechte portie stoofvlees zijn geweest. Wel zeker is dat de saaie treurigheid die Mattis uiteindelijk in het bed van zijn geliefde doet belanden, de glans mist die Verhulst doorgaans aan zulke droefenis verleent. Hij kan nog steeds stevig klauwen als-ie daar zin in heeft (‘Het is een teken van een verspild leven wanneer je deel kan nemen aan een televisiequiz’), maar vaker kiest hij voor het laaghangende fruit, zoals een makkelijke uithaal naar ‘de triljoenen bucketlisters met hun selfiesticks’.

Zonder al te veel te verraden: Verhulst laat de romance van zijn antiheld op vlak terrein landen. Een Verhulst op automatische piloot: moge hij snel zijn vleugels terugvinden.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: