J.M. Coetzee - De oude vrouw en de katten

, door ()

Deel
De oude vrouw en de katten

De tot Australiër genaturaliseerde Zuid-Afrikaan komt thuis planken tekort om zijn prijzen op uit te stallen en kan doorgaans rekenen op uitgebreide lof van literaire critici. Al hebben ook zij het soms lastig met ’s mans spaarzame proza. Met name de essayistisch-filosofische inslag van de werken waarin hij zijn vrouwelijke alter ego Elizabeth Costello opvoert, worden vaak te moeilijk bevonden. En laat in de nieuwe verzameling verhalen ‘De oude vrouw en de katten’ nu net die fictieve oudere Australische schrijfster opduiken, die in het verleden al haar opwachting heeft gemaakt in ‘Dierenleven’, ‘Elizabeth Costello’, ‘Langzame man’ en ‘Als een vrouw ouder wordt’.

Eigenaars van dat dunne laatste boekje uit 2008 zullen zich overigens een beetje bekocht voelen. Dat bestond voor de helft uit de laatste pagina’s van ‘Elizabeth Costello’, en het titelverhaal dat er de andere helft van uitmaakt, staat ook in deze bundel, die in het Engels onder de titel ‘Moral Tales’ is verschenen. Die dekt wellicht iets beter de lading, want hoewel Elizabeth Costello gerust een oude vrouw genoemd mag worden en er ook heel wat poezen door de pagina’s dwalen, zijn de verhalen vooral morele lessen.

Sinds zijn meest bejubelde boek ‘In ongenade’ ruilt Coetzee strikt verhalende fictie steeds vaker in voor een in een fictief raamwerk gegoten mengvorm van essayistiek, filosofie en autobiografie. De overtuigde vegetariër zwakt de didactische boodschap wat af door zijn ideeën over Heidegger, Aristoteles, ouder worden en dierenrechten in de mond te leggen van een zachtjes tegen de dood aanschurkende schrijfster die zich afvraagt wat de zin van haar werk en leven is geweest, maar helemaal afwezig is het vermanende vingertje nooit.

Soms lijkt het wel alsof de man die door het Nobelcomité geroemd werd voor zijn uitstekende gevoel voor compositie en dialogen, het vertrouwen in vertellen volledig heeft verloren. Jammer, want het zijn de puurste verhalen in ‘De oude vrouw en de katten’ waarmee Coetzee andermaal zijn ongenadige blik op de onvermijdelijke onvolkomenheden van de mens richt. Zo worden ‘De hond’, ‘Verhaal’ en ‘IJdelheid’ fijn bijgeschaafde en tot nadenken stemmende stukjes over angst, haat, begeerte en pronkzucht, en de verteller van ‘Leugens’ vat Coetzees visie op wat ons allen te wachten staat nog eens handig samen: ‘Het zal er niet beter op worden, het zal er slechter op worden, en het zal er slechter op blijven worden tot het niet slechter kan, tot het op zijn allerslechtst is.’

Coetzee is nog steeds op zijn best wanneer hij zijn inktzwarte wereldbeeld in vlijmscherpe vertellingen giet, maar misschien illustreren zijn andere, meer essayistische verhalen met hun boodschappen over dierenleed en hun onnatuurlijk aandoende dialogen over Heideggers ‘maalstroom van het bestaan’ helemaal geen verloren geloof in fictie, en zijn ze juist een onderzoek naar de mogelijkheden ervan. Misschien rekt Coetzee de grenzen van de vertelkunst alleen maar op om met zijn weinig realistische gesprekken net te bewijzen dat de ware kracht van fictie schrijven niet in het vertellen, maar in het verzinnen ligt. Toegegeven, de kans dat u het aan de keukentafel weleens over de aristotelische esthetiek hebt met uw oude moedertje, is veeleer klein, maar er is geen reden waarom Coetzee geen personages zou mogen bedenken die dat wel doen.

Hoeveel feiten, cijfers, wetenschap en filosofie Coetzee ook in zijn vertellingen stopt, er blijft een wezenlijk verschil bestaan tussen een essay over de kwalijke gevolgen van industriële dierenslachting en een verhaal over een vrouw die niet met die gevolgen kan leven. In die literaire schemerzone opereert de schrijver, en wie hem een beetje kent, weet dat hij zich het meest thuis voelt op een plek waar het licht stilaan dooft.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: