Concertreview: Morrissey (Stadsschouwburg Antwerpen)

, door ()

219
morrissey
© Koen Keppens

Je voelt het aan de spanning in de lucht, je merkt het aan de talrijke veiligheidsmensen in een anders comateuze zaal als de Stadsschouwburg, en aan de koortsige meute die zich als hongerige wolven op het bloedrode hemd stortte dat Morrissey aan het eind van het enige bisnummer ‘Everyday Is Like Sunday’ uittrok, kuste en vervolgens met een dramatische zwaai in het publiek gooide. Heilig Zweet van de Heiland.

Vooraf speelde Morrissey een spelletje ‘Herken de obscure referentie’ met ons. Er zijn artiesten op wier concerten vooraf banaalweg het licht uitgaat als ze beginnen. Niet zo bij Morrissey, die zuigt je eerst geraffineerd zijn wereld in. Er waren obscure songs, en beelden van James Cagney (‘Ethics?! I’ll show you who’s got ethics!), voetballer Johnny Morrissey van Everton, Nico van The Velvet Underground en zelfs van Edith Sitwell – die excentrieke Edwardian upperclassdichteres had nooit kunnen denken dat haar beeltenis postuum opgevoerd zou worden tijdens een 21ste-eeuws rockconcert. Ook de extreem rechtse bitch Maggie Thatcher werd ‘herdacht’ (‘Ding Dong the Witch is Dead!’) En tijdens het nogal voorbarige ‘The Queen Is Dead’ liet onze held een gefotoshopt beeld projecteren van koningin Elizabeth II die een fuck you-gebaar maakt met beide handen. Charmant.

Even stilstaan bij Morrissey de mens – de moedige, principiële, assertieve, compromisloze mens. Toen tijdens ‘The Bullfighter Dies’ op het scherm een toreador in slow motion herhaaldelijk werd gespietst door de hoorns van een stier die het, niet onterecht lijkt me, kostbeu was om degens in z’n lijf geplant te krijgen, weerklonk er empatisch gejuich uit de zaal. Toen tijdens een briljant ‘Meat Is Murder’ – en dat is het natuurlijk altijd – gruwelijke beelden werden getoond van sadisten die in slachthuizen lammetjes, varkentjes, kalkoenen en andere onschuldige levende wezens doodsloegen/elektrocuteerden/keelden, keek ik rond en zag ik letterlijk iedereen als bevroren staan staren. De beelden waren zo misselijkmakend dat je bijna vergat hoe goed de muziek was. Wie anders durft zijn publiek – toch 50 procent vleeseters, schat ik – zo’n spiegel voor te houden?

Morrissey is ook zowat de enige Britse artiest die weigert mee te doen aan het geslijm over de Engelse koninklijke familie, die hij openlijk, systematisch en principieel hekelt als de overbetaalde, overschatte parasieten en intellectuele dwergen die ze zijn. Toen iemand uit het publiek riep om ‘Jack the Ripper’ – de song, niet de moordenaar – en iets toevoegde van ‘royal’, riep Morrissey ‘Royal whát?’ ‘Royal murderer!’ ‘Aren’t they all?,’ meende Morrissey.

Morrissey hield ook een speech over de Amerikaan Michael Brown, doodgeschoten door een zopas vrijgesproken agent. ‘Is Obama black?’, wilde Morrissey weten. ‘I don’t think so. Do you wish to comment?’ Niet echt, zo bleek, en uiteindelijk riep iemand: ‘Just play more music!’ Zoals wel vaker is de ware toedracht subtieler en gecompliceerder dan eerst lijkt.

Maar toen tijdens ‘Staircase at the University’ een handvol oververhitte fans vooraan begonnen te vechten, legde Morrissey meteen de song stil, en suste hij op een zeer efficiënte en menselijke manier de gemoederen – hij liet één slachtoffer zelfs spreken (‘There is no need for brutality. Do you wish to speak to the masses?’) En welke andere ster kent de voornamen van fans uit het hoofd? Al is bij Morrissey de grens tussen fan en stalker iets dunner dan elders. Zijn fans zijn te allen tijde ‘wide open to receive’.

De muziek dan, bijna vergeten. Het was niet mijn favoriete setlist – iets te veel nieuwe songs (‘World Peace Is None of Your Business’, ‘Neal Cassady Drops Dead’, Istanbul’, ‘Kiss Me A Lot’, ‘Scandinavia’, ‘Kick The Bride Down The Aisle’), en te weinig klassiekers – zelfs recentere klassiekers zoals ‘Irish Blood, English Heart’ ontbraken. Maar toch een uitstekend concert, met hoogtepunten als ‘Suedehead’, ‘Yes, I Am Blind’, ‘Trouble Loves Me’, een magistraal ‘How Soon Is Now?’, een prachtig ‘Speedway’ en een verpletterend ‘Meat Is Murder’, met gitarist Jesse Tobias geknield voor zijn versterker alsof het een altaar was en een aangepaste tekst (‘KFC – Kentucky Fried Chicken – is murder. Do you care?).

Het concert begon en sloot af met de ook al postume spookstem van de te vroeg aan Aids gestorven contratenor Klaus Nomi, die Purcell zong: ‘Remember me, but forget my fate’ – een gezongen in memoriam. Onlangs liet Morrissey zich ontvallen dat hij kanker heeft. Ik hoop met heel mijn heteroseksuele hart dat hij die kloteziekte overwint, want zoals Oscar Wilde zei dat ‘een wereldkaart zonder Utopia het bekijken niet waard is’, zo is een wereld zonder Morrissey het beluisteren niet waard. Om de grote filosoof Noel Gallagher te citeren: Live Forever!

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: