Concertreview: Miles Mosley in de Botanique

, door ()

8
miles mosley 1200

Miles Mosley is één van de steunpilaren van de West Coast Get Down, een collectief muzikanten uit L.A. die nu al enkele jaren goed bezig zijn om het aangezicht van de moderne jazz volledig te vertimmeren. Ook Kamasi Washington is lid: wie diens ‘The Epic’ kent, kent ook ‘Uprising’ al een beetje, want de twee platen zijn ontsproten uit dezelfde sessies, met veel overlappende muzikanten. Toen Kamasi laatst door Europa trok, stond zelfs veel van het volk van vanavond méé op podium – inclusief Miles zelf. Live voel je: elke keer als enkele van die gasten samen in één kamer zitten, knettert er elektriciteit door de lucht, gebéúrt er iets.

Miles had onder meer Ryan Porter op trombone, Tony Austin op drums en Cameron Graves op piano meegebracht. Het leuke aan de Rotonde is dat je bijna letterlijk op de vingers van de muzikanten kan kijken; alsof je even een blik krijgt achter de schermen van Willy Wonka’s fabriek om te zien hoe de chocolade gemaakt wordt. Je kon zien hoe snel Graves’ vingers bewogen, hoe Austins smoel zich soms in vreemde bochten trok en hoe Mosley met moeiteloze cool aan zijn snaren plukte, alsof hij stond mee te tikken met een nummertje op de radio tijdens het koken. De bindteksten waren babbels tussen maten, de sfeer was totaal relaxed. En zó, kunnen wij ons nu voorstellen, kwamen ook ‘The Epic’ en ‘Uprising’ tot stand.

Waar Kamasi nog de erfenis torst van spirituele jazz à la Pharaoh Sanders en Lonnie ‘Liston’ Smith, gaat Miles Mosley het zoeken in funkier terrein: zijn composities neigen soms naar Stone Alliance en Steve Grossman, maar vaker nog naar pure zwarte seventiespop zoals Earth, Wind & Fire en Curtis Mayfield of andere diep snijdende soul. Op plaat houdt hij het bescheiden – drie, vier minuten per track – maar live mocht het allemaal wat breder uitwaaieren. Ode aan de stille Californische bries ‘L.A. Won’t Bring You Down’ werd opengebroken tot een anthem. ‘Give a Roar’ en ‘Abraham’ (met die machtige openingszin ‘You can call me Abraham / Straight from the mountains of Jerusalem’) klonken epischer dan op plaat. Acht à tien minuten per stuk.

Zo nu en dan werd er met een solo gegooid, maar de meeste opwinding viel te rapen in de vlekkeloze manier waarop de vijf muzikanten sámen in hun draaikolk van funk, soul, R&B en onversneden jazz stapten. Dit zijn gasten die elkaar al kennen van in de middelbare school, die elkaar blindelings vertrouwen. Ze zochten alle hoeken van de kamer op, ook al stonden ze dus in de Rotonde, maar zelfs tijdens de mafste freak out-stukken stonden wij nog een idioot zwabberdansje ten beste te geven; de groove werd nooit ofte nimmer uit het oog verloren, de tijd wél.

In de manier waarop Mosley zijn instrument bespeelt – geen gewone basgitaar, maar een immense, rechtopstaande contrabas – lijkt hij nog het meest op The National- en Bon Iver-collaborator annex topsaxofonist Colin Stetson: hij trekt en sleurt aan het ding tot het klanken uitstoot waar het helemaal niet voor bedóéld is. Zo speelde Mosley twee hypnotiserende nieuwe composities waarbij wij hadden gezworen een gitaar, een sitar én een viool te horen, maar toch stond hij op dat moment moederziel alleen met zijn drummer op podium. Nog goed gekeken, maar in de coulissen zat niemand stiekem mee te spelen: Graves, Porter en co stonden gewoon met een brede smile toe te kijken.

Nog te onthouden: de momenten waarop Cameron Graves het even overnam als leider en nummers speelde uit zijn debuut ‘Planetary Prince’ waren geen sikkepit minder goed; was het ons oog, of sprongen er vonken uit de piano? En toen wij na afloop nog even een praatje sloegen met Ryan Porter, bleek die al zijn eerste twéé soloalbums klaar te hebben. Konden wij alleen maar denken: uit dit prachtige collectief – de West Coast Get Down: hou ze goed in de gaten – gaat nog zó veel mooie muziek vloeien…

In ‘Abraham’ zingt Miles: ‘Mediocrities everywhere / But not here.’ Amen! 

Het publiek

Was volledig in tune met de magie die zich in de kamer voltrok. Want is er iets mooier dan muzikanten die elkaar zoeken én vinden op een podium waar ze mogen doen wat ze willen?

Het moment

Niet dat de sobere composities op zuiver drum en bas béter waren dan de rijkelijk geschakeerde soulnummers op ‘Uprising’, maar het was toch een plezier om Miles de meest geschifte klanken uit z’n contrabas te horen halen: een meestertovenaar aan het werk, met een strijkstok als een toverstaf.

Quote

‘Leuke ruimte. Het voelt aan alsof we hier zijn om allemaal voor elkaar liedjes te zingen. Nu is het onze beurt, maar straks mag iemand van jullie overnemen.’

Niemand die durfde.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: