Arcade Fire (Sportpaleis)

, door ()

1030
ar1200
© Wouter Van Vooren

Alle debiele vragen op een stokje: het machtige collectief dat Win Butler gemakshalve zijn bandje noemt, had zich vanavond wat op de hals gehaald. Géén klassiek optreden met een podium aan de ene en een publiek aan de andere kant. Nee, Arcade Fire doet sinds ‘Everything Now’ niet meer aan evidenties. En dus werd knal in het midden van Blok Grijs een heuse boksring opgetrokken – inclusief flitsende reclamepanelen – en was de filosofie van het concert navenant. Niet stoppen tot iedereen K.O. ligt.

Nadat ze waren opgekomen als echte Floyd Mayweathers – springend, puffend en hijgend, begeleid door een epische ‘Let’s get ready to rumble’-stem – zetten ze alle emotionele knoppen meteen op maximum. Ze lieten een disco-cover van Beethovens Vijfde met uitgestreken gezicht overvloeien in hun eigen ‘Everything Now’. Bescheidenheid heeft Butler nooit in de weg gezeten: ‘Als ‘Everything Now’, zoals de pers beweert, onze grote stinker is,’ zei hij onlangs, ‘dan moeten wij wel de beste band aller tijden zijn.’ Twee minuten ver in de opener en ik was geneigd om ‘m nog te geloven ook.

De energie spatte van het podium als stonden er honderd teslatransformators te flitsen in plaats van een negental betrekkelijk normale muzikanten. Alhoewel, normaal… Tijdens het machtige ‘Rebellion (Lies)’ waagden William Butler en Richard Reed Parry zich aan een potje Grieks worstelen, terwijl violiste Sarah Neufeld haar viool zo ongeveer in tweeën zaagde. ‘No Cars Go’ bewees nog ‘ns dat Arcade Fire áltijd wegkomt met schaamteloze bombast en ‘Here Comes the Night Time’ was pure chaos. Het nummer zou uit de bocht zijn gevlogen als het niet heel de tijd knal rechtdoor had gevlamd. Bij elk deuntje kon je mee joelen: la-la-la-lá-la-la-l áá! Zoals het een stadionband betaamt.

Tussen het kwelen door toch twee kanttekeningetjes genoteerd. Ten eerste werden er soms extra lichtboxen naar beneden gehaald, waardoor een groot deel van het podium voor mensen met zitplaatsen opeens aan het zicht onttrokken werd – lastig, want op dat podium zat er altijd wel iemand met z’n instrument in het gat van iemand anders. Ten tweede zorgde de centrale plek van het podium er ook voor dat het geluid niet in één rechte lijn richting publiek ging, maar zomaar wat overal tegelijk heen fladderde – het zal wel aan de geluidsmix hebben gelegen, die klonk als modder.

Gelukkig kozen die van Arcade Fire ervoor om hun instrumenten te gebruiken als groot uitgevallen adrenalinespuiten. Ze speelden, met andere woorden, vlotjes door die beperkingen heen. ‘Neon Bible’ was groots. Dat ‘Peter Pan’ (een niemendalletje) en ‘Electric Blue’ (Grimes meets Scissor Sisters) mindere nummers zijn, had een mens die ze hier voor het eerst hoorde, nooit kunnen raden. ‘Rococo’ had ik al in tijden niet meer gehoord en was – met een toefje ‘Smells Like Teen Spirit’ in de staart – prachtig. Maar niet zo prachtig als ‘Suburban War’, het enige rustige moment in twee uur en meteen verstillend mooi. De stemmen van Régine Chassagne en Sarah Neufeld samen: engelachtig!

Maar dan! Dan moest het échte concert nog beginnen! Want de technische mankementen leken song na song minder erg te worden. Ofwel was Arcade Fire zo goed dat het steeds minder begon op te vallen – ofwél begon die in het zonnetje genuttigde Tripel Karmeliet eindelijk zijn effect te hebben. Alleszins zette de band een crescendo in dat een slordige tien nummers lang naar een wilde finale zou toewerken.

' Het werd nu écht luid! Alsof de scheurtjes in Doel 3 en Tihange 2 tegelijkertijd barstten en het hele Sportpaleis een nucleaire lading over zich heen kreeg'

Eerst was er ‘Neighborhood #1 (Tunnels)’. Dát was het punt dat je ’t optreden tot in je botten begon te voelen. Het is, toegegeven, mijn eeuwige Arcade Fire-lieveling, met die nog altijd adervernauwend mooie tekstregel: ‘And if the snow buries my neighborhood / And if my parents are crying / Then I'll dig a tunnel from my window to yours.’ Even wilde ik, Timtation-gewijs, voor de rest van mijn leven alleen nog maar naar dát nummerluisteren – tot ‘The Suburbs’ twee seconden later eens wulps naar me lonkte.

De boel ontplofte met een hels – nee, hemels! – lawaai tijdens ‘Ready to Start’. Het werd nu écht luid. Alsof de scheurtjes in Doel 3 en Tihange 2 tegelijkertijd barstten en het hele Sportpaleis een nucleaire lading over zich heen kreeg. Wat dus echt een aanrader blijkt te zijn – weg met die jodiumpillen!

En dat was nog altijd niet het hoogtepunt. Want dát was, totaal onverwachts, ‘Reflektor’. Hier werd dat, onder meer, een opwindend, ontroerend knap gespeeld, lang uitgesponnen, psychedelisch meesterwerk – mét een cameo voor wijlen David Bowie. Een masterclass, ook, in het live samensmelten van elektronische elementen en klassieke instrumenten; een toonbeeld van opbouw en muzikaal meesterschap; een gift that kept on giving.

Reflektor’ werd ongemerkt ‘Afterlife’ (met een stukje New Order erbij), zonder aan niveau in te boeten. En de decibelmeter ging tijdens afsluiter ‘Neighborhood #3 (Power Out)’ nog zo in het rood dat iedereen wel een stukje van zijn gehoor zal hebben verloren – maar als je dít in ruil hebt gekregen, dan was dat een faire deal.

En dan was het gedaan, kwam de trip brutaal ten einde. Nog even een bis (‘Wake Up’!) en daarna alleen maar droeve stilte na een twee uur durende draaikolk. Buitenkomen was desoriënterend – zoals je benen na enkele dagen op zee even moeten wennen aan vast land.

Zolang Arcade Fire speelde, was de groep een universum op zichzelf: niet alleen Alles Nu, maar ook Alles Vroeger en Alles Dat Nog Moest Komen. En na afloop: iedereen K.O.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: