Ólafur Arnalds (Bozar)

, door ()

271
vrijbeeld

Arnalds begon met een recente eilandsong vanop - jawel - ‘Island Songs’. ‘Scuse me, maar in mijn hoofd zit een fragment van het tv-programma ‘Op Eén’: Kobe Ilsen vraagt aan een IJslandse kustwachter waarom hij in het veiligste sprookjesland ter wereld woont. ’s Mans antwoord: ‘We hebben het altijd te druk met iets anders: voetbal en handbal spelen, onze brandewijn drinken en genieten van Björk.’

Björk, die op 11 juli even naar ons allen zal komen wuiven in Gent, heeft ooit ‘Hyperballad’ geschreven. De hoofdpersoon woont boven aan een fjörd, en staat elke ochtend vroeg op, om auto-onderdelen, flessen en bestek in de afgrond te gooien, en zelfs te overwegen om het eigen lichaam de diepte in te storten, en te luisteren naar de geluiden die dat lichaam zal maken als het tegen de rotsen stukslaat. Dat doet ze allemaal om zich, als de geliefde opstaat, veiliger te voelen daarboven, samen met hem. Soms denk ik: de generatie-Björk heeft ginds de demonen allemaal uitgedreven. Voor de generatie-Ólafur Arnalds zijn er geen meer over. Arnalds klinkt alleszins alsof hij het te druk heeft met zijn geheel eigen weemoed, één waarin de toets heel licht is. Zijn muziek wordt soms één grote, prachtige nevelsliert.

De structuur van de openingstrack is nogal Ólafur Arnaldsiaans: eerst een piano die een beetje alleen is (maar grààg alleen is), dan een gerustsellend strijkkwartet dat mee aan tafel komt zitten. Aan hun gesprek wordt een climax gebreid. Daarna dooft de song uit tot bij de laatste tik op het klavier (soms is het einde zelfs een lichte streling van de toetsen).

Arnalds schreef de jongste jaren soundtracks, reisde van nachtset naar nachtset met dansproject Kiasmos, bleef met ‘Island Songs’ in Ijsland, en hoorde vanop de producersstoel hoe de engelenvleugels van Alice Sara Ott in zijn plaats over de toetsen gingen op het prachtige ‘The Chopin Project’.

Het concert in Brussel was het aller-allereerste concert van een lange tour, Arnalds liet weten zenuwachtig te zijn omdat hij tweeënhalf jaar niet met zijn piano op een podium had gestaan, en vroeg of we - om hem een beetje minder nerveus te maken - onze mooiste do-noot wilden zingen. Deden we, en de lang aangehouden noot werd opgenomen en verwerkt in wat volgde. Arnalds’ opluchting sloeg op ons allen over, de zaal was er nu volledig klaar voor.

Na een kwartier viel voor het eerst drummer Manu Delago in, eerst kalmpjes, dan in crescendo, de dreunen leken op den duur - samen met de sferische elektronica - uit de plankenvloer zelf te komen. Het mooie einde kwam van een strijker die klonk als een verdwaalde fluit.

Dan het nieuwe ‘re:member’, de enige al vooruitgeschoven song van een lang verwachte plaat. Fris, mooi, subtiel, met naast de strijkers ook drums en belletjes. De song legde zich uiteindelijk te slapen in elektronica, en bevatte ook het instrument waarvoor we waren gekomen: de door Arnalds en zijn team uitgevonden STRATUS-piano.

Hoe die Stratus werkt? Als Arnolds een toets aanraakt, doet software twee buffetpiano’s achteraan een akkoord spelen. Het lijken wel twee pianola’s, maar dan zonder papierrollen met gaatjes. Die zelf spelende automaten van begin vorige eeuw doen vandaag aan de serie ‘Westworld’ denken, en aan de deuntjes van Radiohead en The Cure die er in die serie uit komen.
 Het gaat Arnalds niet om de piano’s die via een MIDI-interface spelen zonder dat iemand ervoor zit (Quote: ‘Dat zou cool zijn voor hooguit 10 minuten’). Veel belangrijker: de software zorgt ervoor dat de piano’s onverwàcht reageren. Arnalds: ’Je speelt een noot, je hoort een ander geluid terugkomen dan hetgeen je verwacht, en daardoor ga je zelf ook iets anders spelen. Soms wordt het een jazzimprovisatie met robots.’

De techniek was het best hoorbaar in de watervalletjes in het nieuwe ‘Unfold’. En goed dat er een track bij was die totaal niet uit de rayons ‘Verstild’ en ‘Weemoedig’ kwam. Maar van de beloofde jazzimprovisatie hebben we niet veel gehoord. Nu, het was de eerste keer dat met de Stratus voor een publiek werd opgetreden, dus tegen de tijd dat Arnalds op 25 oktober in de Koningin Elisabethzaal optreedt (ik denk dat er nog anderhalf kaartje te koop is), zou het allemaal heel anders kunnen klinken.

De variatie kwam vanuit een andere hoek: Arnalds had vleugel en synths ter beschikking. En hij ging tot twee maal toe aan de linkerbuffetpiano zitten, wat leidde tot de twee hoogtepunten: één in een song met een totaal onverwachte vioolsolo - alweer kwamen er windgeluiden uit de snaren - die minuten aansleepte en geen halve seconde verveelde; één  - maar toen waren we aan het einde gekomen - in een liedje voor Arnalds gestorven grootmoeder, die hem altijd had aangemoedigd: het bijzondere was hier dat de strijkers verder bleven spelen achter het podium, en naarmate ze verder de coulissen inliepen steeds minder goed te horen waren, terwijl Arnalds ondertussen de track even langzaam liet uitdoven in de piano. Prachtig!

Toegegeven, er liep af en toe wat mis: Arnalds probeerde het weg te lachen met ‘Het zijn geesten in de machine’. En de man vond pas laat in de set zijn bindtekststem. Eerst herinnerde hij zich dat hij een paar jaar geleden met techno-project Kiasmos in Bozar stond, het was net voor ‘Near Light’ met een dansbeat kwam. ‘3055’, uit zijn debuutplaat, kon hij voor het eerst live spelen, omdat hij nu een drummer heeft, één die in ‘3055’ meer op het metaal van de trommels klopte dan op de vellen. Mooi moment, trouwens, toen de drums wegvielen, en de piano nog een paar repetitief-minimale woordjes sprak.

Hebben we het al over de pretentieloosheid van Arnalds gehad? Die man vindt zich echt niet belangrijker dan die 334.999 andere Ijslanders. Neem de droge aankondiging op zijn Facebook-muur: ’Hi there, I’m glad you found me. My name is Ólafur Arnalds and I like to make music.’ In Bozar liep hij rond in een wit t-shirt en op kousenvoeten. En wat gedacht van deze oude bindtektst: ‘Ik ben eens gevraagd om muziek te componeren bij een reclameclip voor luxe-badproducten. Uiteindelijk vond de firma het niet goed genoeg, maar ik heb de track bewerkt tot ‘Ljósið’. Op youtube schrijven mensen dan: ’Je hoort dat hij geïnspireerd is door het IJslandse landschap. Badproducten, dus.’

Op het grappige verhaal over zijn gestorven grootmoeder moesten we wel lang wachten: ‘I need to work on my stories’, had Arnalds bij het begin van de bissen gezegd, en dat was inderdaad een werkpuntje. De anekdote: ‘Toen ik jong was, wilde ik punkrock spelen, maar mijn grootmoeder verplichtte me naar klassieke muziek van Chopin te luisteren. Ze zat tijdens mijn concerten altijd op de eerste rij. Eén keer kocht ze 50 cd’s tegelijk, ze deelde die daarna uit aan vriendinnen die met haar naar Mallorca vertrokken’.

Prachtige track, trouwens. We hebben lang naar de muziek moeten zoeken, want ‘oma’ blijkt via Google Translate in het Ijslands ‘amma’ te zijn, maar ‘voor oma’ is ‘fyrir Ömmu’. Een heel gepuzzel, uiteindelijk dan toch beland bij het wondermooie ‘Lag fyrir Ömmu’. Hé, hoe zei Bruce Springsteen het weer in ’No Surrender’: ‘We learned more from a 3-minute record, baby / Than we ever learned in school’.

Tweet


Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De Persgroep Publishing heeft haar Privacy– en cookieverklaring aangepast.
Wij gebruiken jouw persoonsgegevens vanaf nu ook om de Diensten van MEDIALAAN Groep/De Persgroep Publishing te optimaliseren en deze waarvoor jij kiest te personaliseren.
Door op “verdergaan” te klikken of door verder te surfen, erken je deze aangepaste Privacy– en cookieverklaring gelezen te hebben.

Verdergaan