Godspeed You! Black Emperor op OLT Rivierenhof

, door ()

90
god
© Alex Vanhee

Dankzij De Beren Gieren en Black Flower en zo wisten we al dat het ook goed gaat met de Belgische jazz, maar MDC III bevestigde dat gisterenavond nog eens. In die nieuwe band gaat Nordmann- saxofonist Mattias De Craene een driegevecht aan met- jawel- De Beren Gieren en Black Flower-drummer Simon Segers en The Germans annex Hong Kong Dong- percussionist Lennert Jacobs. Geïnspireerd worden ze vooral door het duel tussen John Coltrane en trommelaar Rashied Ali op Tranes gewéldige plaat ‘Interstellar Space’. En door de impro-jazz van The John Lurie National Orchestra.

Maar op hun eerste- prima- ep en in het Rivierenhof toonde dit trio zich in de eerste plaats toch als een bende jazzrockers die vooral graag als zichzelf klinken, en daarom uitgebreid low- en highfiven met het avontuur. Gevolg: een akelig brommende en piepende drone vervelde in een exotisch krautrock-ritme, en gaf zo de behoorlijk vervormde sax een ferme por in de rug. In het tweede stuk - songtitels kregen we niet mee- klonk dat gerief van De Craene even zelfs als walvisgeloei. Om maar te zeggen: die gast kan er iets van! Ook op fluit, want daarmee maakte hij daarna en dubby, groovy en tribaal aandoend experiment nog beter. ’t Deed ons wat denken aan wat Thurston Moore en co. uitspookten toen ze als Ciccone Youth ‘The Whitey Album’ in elkaar knutselden. Da’s uiteraard een compliment, en hier volgen er nog: MDC III toonde zich soms introvert en fijnzinnig, soms extatisch en rauw, maar altijd klonken de drie broeierig, filmisch, bevreemdend, spiritueel. En als we de ogen sloten zagen we ons zo de Mekong afroeien, op zoek naar kolonel Kurtz uit ‘Apocalyps Now’ die zich in Twin Peaks’ ‘The Red Room’ verstopt. Wie weet wat ons daar stond te wachten.

Geen idee. En voor Godspeed You! Black Emperor de arena betrad schalden ‘Outcast’ van het r&b- duo Eddie& Ernie en ‘Uncle Remus’ van rock-'n-roll- curiosum George Duke door de boxen, maar veel aanwijzingen voor wat komen zou, gaven die deuntjes ook niet. Of toch wel een beetje, want de volgende twee uur kregen we bakken raaaawk, en die werd  gespeeld met tonnen ziel. Maar er was meer: het diepe gebrom waar ‘Hope Drone’ mee begon, week snel voor een streepje minimal music uit de viool van Sophie Trudeau. Ondertussen bogen drie keikoppen zich over hun snaren; Mike Moya bewerkte de zijne zachtjes met een schroevendraaier, Efrim Menuck deed schijnbaar iets heel simpels, en David Bryant manipuleerde een gitaar met een mysterieus machientje. Mooie, Velvet Underground- achtige soundscape!

Wat er tijdens ‘Bosses Hang’ uit Trudeau’s klankkast kwam getrild, herinnerde ons aan het werk van Steve Reich voor violen; bloedmooi én pure avant-garde! Kippenvel-stimulator nummer twee: de repetitieve gejengel van Bryant, dat geregeld overvloeide dat bluesmotiefje. Fantastisch! De rest van dat nummer was weliswaar een kathedraal van kabaal, maar wél één waarvan alle deeltjes perfect in elkaar klikten.

Eén scène uit Mitsuo Yanagimachi’s documentaire ‘Goddo supiido yuu! Burakku emparaa’ bleven we tijdens dit optreden in ons hoofd afspelen; een bende motorrijdende outlaws wordt omsingeld door ordehandhavers, maar één van de jonge rebellen gaat de confrontatie aan met de woorden: “Don’t talk big to me, I’m the leader of the riders!”. Zo’n fierheid en zelfverzekerdheid straalde ook ‘Mladic’ uit: die ritmewisselingen en gekke wah wah-uithalen! Die schkwrrriiiiiiiiiiksss! Ze maakten er een epische, felle, en naar Spacemen 3 saluerende mini-symfonie van. Wel misten we het potten- en pannengerammel vanop het einde een beetje: het geeft het nummer zo een lekker rommelige, anarchistische feel. En we zouden Bryant, Moya en Menuck dat gekletter er wel eens willen horen uitpersen.

Nog een kritisch bemerkinkje: 8mm-films van handleidingen, verkommerde woonblokken, protesten, elektriciteitsmasten en olieraffinaderijen waren mooi, en benadrukten nog eens de maatschappijkritische houding van deze refuseniks. Da’s allemaal goed, maar verrassen deden ze ons niet meer.

“I remember me and Dave, one of the guitarists in Godspeed, sitting at this bar and mapping out this thing. We’ll start a band with everyone we know, a band of orphans. That’s how Godspeed started. That’s why it was like 15 people and a drunken mess at its peak. It was this ridiculous idea-playing these songs that were way too long and didn’t have words, and taking it seriously”, mijmerde Menuck in een interview. Het geschipper tussen chaos en structuur, melancholie en verbetenheid is het DNA van de band. Hiermee vertellen we natuurlijk zelf ook niets nieuw, maar we waren in dat openluchttheater o zo blij dat dit geschipper zich in loepzuivere experimentele rockers verklankte.

Tijdens ‘Undoing a Luciferian Towers’ bijvoorbeeld, dronede het achttal er een tijdje maar wat dromerig op los, tot als een saxofoniste de boel duchtig op stelten zette. Heel even leken de Canadezen een bende freejazzers, totdat die majestueuze melodielijn weer bovendreef. Experimenteren deden ze op het einde trouwens ook weer: Menuck en de anderen maakten ons lekker voor ‘The Sad Mafioso’ met een naar musique concrète verwijzende intro. GYBE kraakte, piepte, jengelde en jangelde, en deed dat uiterst indrukwekkend. De outro- volgens de Godspeed’s zelf “a string loop manufactured during downpour- mocht er ook wezen: de laatste tonen leken op iets van The Falling Spikes, één van Lou Reeds eerste groepjes. En dus niet op iets van Céline Dion. Gelukkig!

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: