Flying Horseman (****), Julia Holter (****) en Ariel Pink (***1/2) (OLT Rivierenhof)

, door ()

4
ariel pink 1200

Het loopt ook goed af voor Flying Horseman (****), en daar zal zanger- gitarist Bert Dockx blij om zijn, want hij uit welingelichte bron weten wij dat hij een beetje opzag tegen dit optreden. De gedachte om als voorprogramma te moeten spelen voor karige en half geïnteresseerde toeschouwers, maakten hem meer lauw dan warm. Het openluchttheater is voor één vijfde gevuld als de vijf eraan beginnen. Ze doen dat ook op klaarlichte dag, en da’s natuurlijk niet ideaal voor mannen en vrouwen die the nighttime the right time vinden. Ze voelen zich dus wellicht beter op hun gemak in een donkere zweetkeet. Maar toch lijkt wat volgt een beetje op het omgekeerde van wat er- denken we- in het nummer ‘Rake’ van de briljante lowlife en countryzanger Townes Van Zandt gebeurt: beslommeringen van de ochtendstond en noen sijpelen niet de nacht binnen, maar het ongeremde, lunatieke gedrag van na de twaalfde klokslag doet zich nu ook in het zonlicht voor.

De kunstrockers klinken donker, spannend. En onvoorspelbaar: in ‘Deep Earth’ lijken de keelgeluiden van Dockx en toetsen van Loesje Maieu eerst nog voor de voeten te lopen, maar na die fantatstische Portishead- synthriff zit het wel helemaal goed. Tijdens ‘Bright Light’ is dat ook met alles zo: de band bouwt op, roffelt en pingelt zich erdoor, en die repetitieve huh huhs van Loesje en Martha Maieu schijnen dat witte, stroboscopische podiumlicht te triggeren. En witheet, zo klinkt ondertussen dat instrument van de frontman. Fel! ‘Private Isle’ wordt mooi gezongen, en als Dockx dat niet met stembanden doet, laat hij dat over aan die zes snaren. En als hij neerhurkt en zich vooroverbuigt om die ook nog eens te manipuleren horen wij allerlei rare whooshs en beeps. Drummer Alfredo Bravo schijnt zich daar allemaal niks van aan te trekken, want die jakkert maar voort. Schijnt, want die pawpaw’s die hij tijdens de ambient blues van ‘Night Is Long’ uit een elektronische drumpad klopt, klinken best neurotisch. En tsjirpt die gitaar daar nu, of loopt er een tape vol Indische panfluiten mee? In elk geval: we zijn bijna zeker dat het een koebel is die het rime aangeeft waarop de paardenmannen- en vrouwen weg galopperen en daarbij alles vertrappelen.

‘t Zijn daarom geen olifanten in een porseleinkast, verre van, en dat zullen Julia Holter(****) en haar gevolg ook nooit zijn. Dat spreekwoord popt nu bij ons op, want 2018 is het jaar van de barok. Barok, da’s pompeus, theatraal, klein, fijn, intiem, en die vijf adjectieven zeggen eigenlijk alles over de concerten van deze avantgarde- popprinses. Lang geleden hoorden we haar- bestraald door het rode licht van de in het IJ verdwijnende zon- in het Amsterdamse Muziekgebouw vooral klein en intiem zijn. Enkele jaren geleden was ze in de Botanique misschien wat meer gekunsteld en afstandelijker, maar altijd voelden we de grond onder onze voeten wegzakken omdat het zo mooi was.

In dit halve- en ondertussen goed volgelopen- amfitheater is ze dat weer, en klinkt ze zowel innig als pronkziek. Het eerste nummer is nieuw, klinkt weids en groots en grabbelt zo gretig in de ton met het etiket ‘vrije vorm’ dat het op ‘The Animal Spirits’ van James Holden & The Animal Spirits had gekund. De stem van de frontvrouw zet daarna een feeëndans in rond een sierlijk opkrullende viool en clavecimbel, en daardoor is ‘Feel You’ een eerste shot gelukzaligheid. De nieuwe plaat ‘Aviary’ werd maar net voor we naar het Rivierenhof gingen in onze mailbox gedropt, we kregen dus nog niet de kans die al te beluisteren, maar vanavond lijken enkele van die verse nummers opnieuw abstracter dan die vanop ‘Have You in My Wilderness’. Als een drumcomputer het ritme dicteert, is het alsof Corey Fogel maar wat lukraak op die drumvellen klopt, een harmonium dronet een flink eind mee, een trompet komt van heel ver, en op de synth van de avant- popster staan er blijkbaar rewind- en fast forward knopjes.

Wat volgt is wel conventioneler, maar in Holters wereld- het is trouwens zij die het had over het woud Rivierenhof- is dat uiteraard een relatief begrip: de hemel is vanavond sterrenloos, maar die mix van klassiek, jazz en ambient doet wel wegdromen naar onbestemde manen die met z’n velen bij ons zwaartekrachtsschommelingen veroorzaken. Moet je kunnen! En omdat dit toch het barokjaar is: het hele concert lang fantaseren we onze eigen versie van ‘Dans van dorpelingen en mythische figuren’ van Peter Paul Rubens bij mekaar. Op een onbestemde plek is het weer mooi maar hangt er ook mysterie. Toeschouwers dansen er in het rond, maar wel traag en alleen in hun hoofd. De acteurs amuseren zich met allerlei tierlantijntjes, en in er zit ergens een doedelzakspeler in een boom zijn best te doen. Iedereen lijkt wel een klein beetje vrolijk, maar na zonneschijn komt er natuurlijk regen.

 ‘Silhouette’ is nu trouwens ook straf, en begint teder met die heerlijke baslick van Andrew Jones. De backing vocals van violiste Dina Maccabee zijn zacht en ook bescheiden, maar met haar strijkstok tovert ze: ergens onder het podium moet wel een bak met een heel orkest verstopt zijn! ‘Betsy On The Roof’ begint verstild- Holter zingt het ook o zo mooi en smachtend- maar ook daar kruipt wat drama in en het eindigt in grandeur. Zeiden we eerder iets van pronkziek? Stoefen met zo veel schoonheid mag gewoon; het zou ons zelfs niet verbazen dat Brian Wilson graag eens wil meedoen tijdens ‘Sea Calls Home’.

Holter noemt Ariel Marcus Rosenberg oftewel  Ariel Pink (***1/2) een vriend maar ‘houden van’ stond vroeger niet in het woordenboek van die man. “Liefde, da’s een verschrikkelijke fanatasie. Ik wens het mijn grootste vijand zelfs niet toe. Als ik verliefd ben, zal ik dat nooit aan iemand toegeven; het doet pijn en maakt je kwetsbaar. Het maakt je helemaal bezeten en je wordt een slaaf van je gevoelens. En als het niet wederzijds is, gedraag je je als één of andere aap en flip je. Er zit zo wel iets in mijn muziek, maar dat is kinderlijk, ‘t is eigenlijk een herinnering aan soort liefde dat nooit echt bestond”, zei hij daar ooit over. Ach: zullen we dat maar met een soeplepel zout nemen? Ariel Pink is een outsider, en volgens ons cultiveert hij dat imago graag. Maar: een muzikant die kakt in de muts van Miley Cyrus, durft te schijten op Madonna, voor het optreden ‘Mongoloid’ van Devo laat draaien én zelf heerlijke mafkezenpop maakt, ja, daar houden wij dus wél van.

Met zijn groep start hij met een ereslauut aan een andere outsider, namelijk Bobby Jameson. Sinds een jaar of drie is die niet meer, maar was een gevallen popengel uit de sixties die als Chris Lucey ook de LoveLink Wray-gitaar aanstekelijk en zonnig. En geflipt. ‘Another Weekend’ is wazig, pompeus, en lijkt op iets vanop een cassettebandje dat al sinds de seventies ergens in de zon ligt. We overwegen even om dit chill wave, of hypnagogic pop te noemen, maar dan zouden we Pink tekortdoen. ‘Bubblegum Dreams’ is springerige fm-punk vol gekkernij, en in ‘White Freckles’ horen we een noise-symfonietje.

‘Time To Meet Your God’; de frontmans reputatie kennende, twijfelen we of we hier nu moeten mee lachen of niet. Hoe dan ook: ‘t is kitscherig, ‘t is geinig, er glitcht iets elektronisch door, en synths plus gitaren waaieren uit. We horen nog Black Flag op flanellen benen, jaren ’70 classic rock op z’n allerwufts, en een scheef disco ding. Ook passeert er iets The Cure-achtig, en maken Butthole Surfers en Duran Duran een wel heel vreemde baby. Een anti-liefesbaby, dat spreekt. Uiteraard is er dan ‘Baby’ van het blauwogige soul-curiosum Joe and Donnie Emerson, Minutemen en Firehose superheld Mike Watt doet denken. En dus: Pink is punk!

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: