John Zorn in Bozar

, door ()

134
a1
© Bozar

'What you are about to see, is something that you may not have seen on television before - and the man responsible for it, is composer and instrumentalist John Zorn. Well, maybe we shouldn’t say anything about it.'

-'Oh, it’s definitely best not to say anything about it'.

(Presentator en saxofonist David Sanborn kondigt John Zorn aan in Night Music, 1988)

Slik. Het is niet dat we niet dùrven, maar misschien moeten we eerst beschrijven wat John Zorn nìet is, voor we overgaan tot een recensie van wat hij gisterenavond in Bozar dan wel incarneerde.

Enerzijds helpt dat misschien enkele mensen over hun zinsverbijstering heen, met name diegenen die teleurgesteld de zaal temidden het concert uitliepen om enkel nog voor de jaargetijden van Vivaldi terug te keren.

Anderzijds zou het andere onverlaten kunnen behoeden om in de toekomst nog een keer te denken dat John Zorn te vangen valt voor één gat.

Het enige waar John Zorn aan vasthoudt, is namelijk zijn cargo-broek.

Wat John Zorn nìet is:

Zorn is alvast niet louter een jazzmuzikant, zoals de Nederlandstalige Wikipedia-pagina hem verkeerdelijk omschrijft.

Experimentalist John Zorn brak ooit door met ‘The Big Gundown’, een olijke, vrije bewerking van de nummers van filmcomponist Ennio Morricone. Je zou dat misschien jazz kunnen noemen, omdat het album een variatie is op nummers die in de filmwereld zo goed als standards zijn geworden - en dat is toevallig wel waar enorm veel jazz om draait. Maar ver zou je met zo’n beschrijving niet lopen, want eigenlijk klìnkt het niet als jazz - eerder is het een deconstruerend werk, of zelfs een respectvolle pastiche op het werk van Morricone. Zorn speelt overigens zelfs nauwelijks een instrument op het album.

En voor wie dan oppert: ‘jazz is toch improvisatie, en improvisatie is toch John Zorn?’ Wel, jazz is improvisatie op een thema of op een vooraf bepaalde afspraak- althans, alweer, de meeste jazz is dat toch. Het is niet het uittesten van de grenzen van een orgel in een negentig jaar oude art deco-zaal. Waar jazzmuzikanten improviseren op een stuk melodie of een harmonische wending, improviseert Zorn op een hele muzikale stijl.

Zorn is trouwens ook niet zomaar muzikant - hij is in de eerste plaats componist en producer. Wanneer hij een instrument bestiert, dan is dat vaak uit verwondering - en niet om zijn virtuositeit tentoon te spreiden. Zo vraagt hij zich af: welke geluiden kan het instrument voortbrengen? En welke stijl zou hier normaal op worden gespeeld, hoe verhoud ik mij daartegen? Als ik deze kous gevuld met zand tussen deze twee pedalen steek, hoe zou dat dan klinken?

Het is wat het is

Zorn is niet zelden hermetisch voor leken - de naam van het optreden was niet voor niks ‘The hermetic organ’ - maar heck, bent u nieuwsgierig, of wilt u vooral bevestigd worden in uw muzikale voorgeprogrammeerde patronen? Right. 

Voorkennis van kerktoonladders of de systematiek van Karlheinz Stockhausen was aldus ook niet per sé wat Zorn van ons wenst - zijn concert was geen lesje in de notenleer, noch één in de muziekgeschiedenis. Hij vraagt eigenlijk ook niet eens dat u komt luisteren, maar als u het dan toch doet, dan is wél uw volledige aandacht gewenst. 

Het moet plezant blijven

 De muziek van Zorn heeft volgens ons twee essentiële doeleinden: het eerste is de grenzen van de muzikant zelf verleggen, en de vastgelegde spelregels in vraag stellen. U mag natuurlijk steeds een interpretatie geven van wat er op het podium wordt verteld - ga uw gang, als u dat zelf plezierig vindt. Maar beweer niet dat het nuttig is.

Het tweede doel is uiteraard steeds om John Zorn zélf te amuseren.

Als een doodgewoon exemplaar van de menselijke soort, wordt ook John Zorn simpelweg geïnspireerd door klanken, culturen en betekenissen. Zo was hij begin jaren negentig uitermate gefascineerd door zijn eigen Joodse roots, waarna hij vervolgens een Klezmer-album of tien uitbracht. Soms waant Zorn zich een jazzmuzikant die door de schaduwrijke straten van down-town New York sluipt, en maakt hij iets als zijn ‘Naked City’-plaat. Soms is hij de maestro die zijn muzikanten iets bijleert over samen musiceren. Maar meestal is hij zelf het kind: onmetelijk nieuwsgierig naar de uitkomst van zijn experiment. De muziek zelf en bij uitbreiding alles daarrond, is voor relativering vatbaar.

Op die wijze testte John Zorn gisteren dus de rekbaarheid van het orgel in Bozar. Dat hij dat zou doen op bijzonder onorthodoxe wijze, stond al te lezen in de brochure van het Klara-festival. Dat hij dat blootvoets zou doen, werd er niet bij vermeld, maar tenzij hij zware voetschimmel heeft en ook de volgende organist zijn sokken thuis zou laten, valt dat te verwaarlozen.

Patroonloze chaos

Te pas en te onpas liet Zorn het orgel klinken alsof het aan prikkelbare darmen te lijden had. Vervolgens klonk het voor de volle twintig seconden alsof we gezamenlijk in volbloed seventies acid psychedelica waren beland en Zorn tekeer ging op een klassiek Hammond-orgel. Verder gingen we soms even de minimal-kant uit met gebroken akkoorden en repetitieve melodieën en patronen. Maar nooit lang, en telkens wanneer hij pauzeerde, deed hij dat abrupt. Er was chaos - dat zeker. En dat was de bedoeling.

In deel één gingen dissonante, dystopische bastonen gepaard met enkele van de hoogste noten, die ijl samenklonken alsof een nest jonge, metalen spreeuwen zich had genesteld in de door Victor Horta ontworpen nok.

Af en toe werden knoppen aangeraakt met chirurgische precisie, andere keren plengde Zorn twee volle handen over het klavier. Soms dacht je een verwijzing naar een pop- of folksong te horen, en het moment erna was je er zeker van dat je had geijld.

Na een korte pauze kwam Grammy-winnende zangeres en dirigente Barbara Hannigan het podium opgestoven in een halflederen outfit, gooide vervolgens haar wilde blonde haren in de nek en zette haar keelgat open.

Zorn werd herleid tot een grillige basso (in)continuo onder de vergulden hysterie van Hannigan. Een woordenloze improvisatie in geprevel en gehuil doorkliefde de zaal. Hannigan siste, ze klikte, ze stampte, ze smeekte om begrepen te worden in jabbertalk. De vloeiendheid van haar stem was onmenselijk flexibel - ze kende geen begin, noch een einde. Haar aanzetten waren onhoorbaar, alsof een beboterde volumeknop openging - en weer dicht, bij een diminuendo verdween haar bangelijke stem in de klanken van het orgel.

Wat volgde was een beestachtig applaus, noodzakelijkerwijs uit fase, waar indianenkreten bovenuit stegen.

Laat Zorn zelf maar beslissen over hoe veel sterren hij waard was - wij geven er vijf, want volgens ons kregen we precies wat ons werd beloofd. En als u volgende keer wil horen wat u verwacht had te horen, leg dan thuis een cd’tje op. Leve de verwondering - en voor wie tot hier gelezen heeft: ga morgen ook zeker kijken naar Barbara Hannigans dirigeerkunsten bij ‘The Rake’s Progress’. 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: