Steve Gunn op het BRDCST-festival in de AB

, door ()

40
vrijbeeld

Vóór de Amerikaanse zanger-gitarist het verhoogje beklom, werd het publiek vakkundig warm gewreven door Papercuts, een trio uit San Francisco waarin zanger, gitarist en songschrijver Jason Robert Quever de enige constante is. De man bestiert een studio in L.A. waar hij, als producer, eerder al hand-en-spandiensten verrichtte voor Beach House, Dean Wareham en Cass McCombs. Sinds 2004 stuurde hij een zestal langspelers de wereld in, waarvan het uitstekende, in oktober verschenen ‘Parallel Universe Blues’ de recentste is.

Revolutionair of vernieuwend kon je Papercuts niet noemen: het driespan serveerde melodieuze indiepopdeunen met een duidelijke hang naar de sixties, versierd met meerstemmige samenzang en een rinkelend gitaartje. Wie de oren spitste, hoorde echo’s uit het oeuvre van de jonge Beatles, The Zombies, Phil Spector en The Byrds, maar Papercuts presenteerden zich doorgaans wél als een lofi-variant van hun idolen. Jammer dat het klankbeeld zo vaak werd vertroebeld door laaghangende wolken, want Quever beschikt over liedjes met een kop en een staart. Alleen: je moest er soms (iets te) lang naar zoeken.

Passons, want het publiek kwam natuurlijk voor Steve Gunn, een gitaarwonder dat opgroeide in de buurt van Philadelphia en tegenwoordig vanuit Brooklyn opereert. Jarenlang verhuurde hij zijn talent aan collega’s: hij was bijvoorbeeld lid van Kurt Viles band The Violators, maakte platen met Mike Cooper en Hiss Golden Messenger en producete het jongste werkstuk van folksinger en gitaarlegende Michael Chapman. Sinds 2007 hijst hij echter zijn eigen vlag, wat onlangs resulteerde in ‘The Unseen In Between’, zijn achtste en verreweg toegankelijkste langspeler, die tijdens zijn concert in de ABClub integraal uit de luidsprekers knalde.

Gunn liet zich op het podium assisteren door een hechte groep. De man mag dan bekend staan als een fenomeen op de snaren, elke vorm van snoeverigheid is hem vreemd. Alles wat hij doet staat ten dienste van zijn songs en daarbij toont hij zich grootmoedig genoeg om niet alle solo’s zélf op te eisen. Zo bleek de tweede gitarist, ene Will, qua behendigheid en uitdrukkingsvermogen, zelfs aan hem gewaagd en herinnerde de dynamische manier waarop beide muzikanten met elkaar dialogeerden meer dan eens aan de knetterende duels tussen Tom Verlaine en Richard Lloyd bij Television.

Steve Gunn en de zijnen speelden folkrock, zij het dan met de houding van een jamband. De nummers, nu eens potig, dan weer meditatief en bedachtzaam, werden lang uitgesponnen en vertoonden een duidelijke verwantschap met die van Ryley Walker of de John Martyn van na 1980. Opmerkelijk: Gunn was er intussen ook als zanger en tekstschrijver flink op vooruit gegaan. De man manifesteert zich nog altijd vaker als observator dan als deelnemer, maar op ‘The Unseen In Between’ voert hij vooral personages ten tonele die door de samenleving in de steek zijn gelaten en wanhopig op zoek gaan naar een vangnet.

De set in Brussel begon met ‘Wildwood’ en eindigde met ‘Way Out Weather’, meteen de enige oudere songs die de selectie hadden gehaald. Méér hadden we niet nodig om te beseffen dat Steve Gunns Americana en Southern rock gedeeltelijk ook in Britse grond wortelde. ‘Vagabond’, geïnspireerd door de gelijknamige film van Agnes Varda, ontpopte zich als een gesofisticeerde garagerocker. Maar ook in ‘Lightning Fields’, dat verwees naar een installatie die beeldend kunstenaar Walter De Maria neerpootte in de woestijn van New Mexico, hoorden we een gezelschap aan het werk dat behoorlijk op dreef was.

Tijdens ‘New Moon’ vermomde Steve Gunn zich als troubadour en diepte hij zelfs een smoelschuiver op. Wie de indruk had dat de artiest nogal nors oogde, zou die dra bevestigd zien. Toen enkele toeschouwers zich halverwege ‘Luciano’, over een bodega-uitbater en zijn kat, zich iets te luidruchtig gedroegen, legde hij de song halverwege stil: ‘This isn’t a party band’, brieste hij. ‘Please don’t talk over the music’.

In het psychedelische ‘New Familiar’, dat was gelardeerd met oriëntaalse motiefjes, toonde Gunn zich bezorgd over het veranderende politieke klimaat en de onvoorspelbaarheid van de huidige machthebbers. Trumpieboy werd niet bij naam genoemd, maar je hoefde over niet al te veel verbeeldingskracht te beschikken om te snappen wie hij bedoelde. ‘Paranoid’, niet te verwarren met de classic van Black Sabbath, klonk aanvankelijk zeer laid-back, maar zou ontaarden in een noisy freak-out waarbij de drummer uitdagend buiten de lijntjes kleurde en de gitaren op rituele wijze werden mishandeld.

Het meest onder de indruk waren we echter van sobere, (semi-) akoestische nummers zoals ‘Stonehurst Cowboy’, over Steve Gunns overleden vader en het effect van de Vietnamoorlog op diens generatie, of het in open tuning gespeelde ‘Morning is Mended’. In beide gevallen etaleerde de artiest een verbluffende speeltechniek die menige aspirant-gitarist klamme handjes bezorgde. ‘Ik besef dat ik een nogal serieus imago heb, maar op tal van vlakken ben ik allesbehalve een droogkloot’, wilde Steve Gunn nog kwijt. ‘Dus, mocht u het zich afvragen: ik voel me absoluut oké’. That makes two of us, Steve.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: