The Colorist Orchestra met Howe Gelb in deSingel

, door ()

552
howe
© Alex Vanhee

Ook met instrumenten zoals een piano, een vibrafoon of een viool kun je grooven en swingen. Dat is tenminste de overtuiging van de drummers-percusionisten Aarich Jespers, een man met een lange staat van dienst bij Zita Swoon, en Kobe Proesmans, die jarenlang op de vellen roffelde ten behoeve van Gabriel Rios en El Tattoo del Tigre. Beide muzikanten, tegelijk beslagen arrangeurs, liggen aan de oorsprong van The Colorist, een achtkoppig orkest dat het niet zo nauw neemt met de academische geplogenheden. Het spiegelt zich liever aan de speelse avant-folk van Penguin Café Orchestra of de soundtracks van Ennio Morricone en Nino Rota.

Met hun weinig orthodoxe ensemble specialiseren de heren zich in akoestische live-remixen van bestaande composities. Ze smeden bij voorkeur allianties met artiesten die het niet erg vinden dat hun songs tot op het bot worden uitgekleed en vervolgens een verrassende nieuwe inkleuring te krijgen. Zo paste The Colorist in het verleden al plastische chirurgie toe op het repertoire van de Braziliaanse Cibelle, de Zweeds-Japanse Sumie, de IJslandse Emiliana Torrini en de Ierse Lisa Hannigan.

Dezer dagen gaan Jespers en Proesmans in zee met Howe Gelb, een cultfiguur uit Tucson, Arizona die al ruim veertig jaar carrière en een zestigtal langspelers op de teller heeft staan. Gelb is vooral bekend van Giant Sand, een losvast vriendenclubje waarmee hij drie decennia lang de grenzen van alt.country en Americana verkende, maar net zo goed uitstapjes maakte naar folk, blues, jazz, ragtime, noise, psychedelia en stoffige woestijnrock. In zijn onwaarschijnlijke productiviteit hield de man er ook nog een hoop nevenprojecten op na, waaronder The Band of Blacky Ranchette, OP8 en Arizona Amp & Alternator.

Het vorige maand verschenen ‘Gathered’ is inmiddels al zijn 24ste soloplaat. Wie alles van Howe Gelb in huis wil halen, dient er in zijn platenkast dus minstens een volledig rek voor vrij te maken. En geloof ons: het loont de moeite, ook al zullen de rare bokkensprongen van de 62-jarige artiest niet voor iedereen even makkelijk te volgen zijn. Gelb is namelijk net zo impulsief, grillig en wispelturig als Neil Young. Dat geeft zijn tussen akoestisch en elektrisch zwalkende muziek altijd een zekere rafeligheid: ze berust vaak op improvisatie, is per definitie rauw en onaf en zit vol auditieve splinters. Howe Gelb is niet het type dat poetsdoekjes met Mr. Proper gebruikt. Noem hem maar een eccentrieke beatnik die, wars van merkantiele overwegingen, zijn eigen route uitstippelt.

Na ‘Feveralla’, een instrumentale introductie van The Colorist, verscheen Gelb, keurig in het pak en met een cowboyhoed, op het podium. In Antwerpen oogde hij een beetje als een notabele uit het Wilde Westen die zich van eeuw had vergist. En ook al bevond de zanger zich in een voor hem vreemde biotoop, hij toonde zich bijzonder in zijn schik met het orkest dat hem rugdekking gaf en zijn songs van onverwachte laagjes voorzag. Tijdens ‘Flyin’ Off the Rails’, uit zijn nieuwe lp, manifesteerde hij zich meteen als een gruizige crooner en verwees hij, met zijn niet altijd even toonvaste stem, afwisselend naar Johnny Cash en de bejaarde Leonard Cohen.

In ‘VorTexas’ (uit ‘The Coincidentalist’) domineerde het ritme, al zorgden de violen tegelijk voor emotie en drama. Ook in het behoedzaam ingeleide maar vingerknippende ‘Presumptuous’ hoorden we twitterende strijkers en bij ‘The Park at Dark’ sloeg Howe Gelb zijn grote sprookjesboek open, wat resulteerde in een donker verhaaltje voor het slapengaan. The Colorist bracht voortdurend onverwachte maar subtiele details aan en na enkele nummers kwam het allemaal zo logisch en vanzelfsprekend over dat je de oorspronkelijke versies ter plekke vergat. Met het oog op het solo gebrachte ‘Gathered’, bedacht voor de huwelijksceremonie van een vriend greep Gelb voor het eerst naar zijn gitaar, om het publiek vervolgens in bluesy sferen onder te dompelen.

Het afwisselend gefluisterde en gemompelde ‘Counting On’, gestut door een potige drumbeat en qua vibe geïnspireerd door Nick Caves ‘Red Right Hand’, en ‘Dr. Goldman’ waren nieuwe nummers die moeiteloos tot de verbeelding spraken, al bleven ze zo goed als ongrijpbaar: lieten ze zich moeilijk omschrijven. Het was geen pop, geen jazz, geen klassiek, maar wurmde zich in gaatjes waar genre-omschrijvingen irrelevant werden. Covers waren er óok, zie de van Glen Campbell bekende countrystandard ‘Gentle on My Mind’ of het stuwende ‘Inner Flame’, geschreven door Gelbs boezemvriend Rainer Ptacek, die in 1997 ten prooi viel aan kanker, en waarin zigeunerviolen oosterse tonaliteiten suggereerden.

Af en toe werd er stevig gerockt, zoals in het van Giant Sand geleende ‘Stranded Pearl’: opzwepende beats, twangy gitaarsolo. De avond werd afgesloten met het even statige als elegische ‘Ruin Everything’, waarin de piano van Wim De Busser een hoofdrol kreeg. De laatst genoemde was trouwens, alleen al om zijn lichaamstaal, een plezier om naar te kijken: zijn enthousiasme was zeker niet geveinsd. Bij Howe Gelb en The Colorist Orchestra was anderhalf uur de verbeelding aan de macht. Een boeiende confrontatie tussen twee werelden die veel dichter bij elkaar bleken te liggen dan we vooraf hadden kunnen vermoeden.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: