Bryan Ferry in Bozar: de King of Cool laat steken vallen

, door ()

83
vrijbeeld

Zijn carrière houdt al bijna een halve eeuw stand en in die tijd wist hij zich op te werken van Noord-Engelse working class kid tot een prominent lid van de rockaristocratie. Bryan Ferry draagt niet voor niets bijnamen als The King of Cool en The Sultan of Suave: hij heeft talloze stijloorlogen overleefd en de nalatenschap van zijn tussen glam- en prog laverende artrockband Roxy Music omvat acht klassieke langspelers, terwijl zijn parallel lopende solodiscografie voorlopig afklokt op zestien titels.

Wereldwijd heeft Ferry ruim dertig miljoen platen verkocht. Hij zit dus goed in de slappe was en hoeft alvast niet meer te toeren om zijn banksaldo op te krikken. Toch is zijn blazoen niet geheel ongeschonden gebleven. Zoals wel méér welgestelde, conservatieve country gentlemen is hij een voorstander van de vossenjacht en hij doet al eens een controversiële uitspraak die krassen trekt over zijn imago. Toen hij zich in een interview lyrisch uitliet over de nazi-architectuur van Albert Speer of de propagandafilms van Leni Riefenstahl en hij zijn eigen studio als ‘der Führerbunker’omschreef, moest hij publiekelijk diep door het stof.

Ferry’s muziek staat echter nog wél pal overeind, al bleek in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten dat de hoogtepunten van de artiest inmiddels ver achter de horizon liggen. De recentste song op zijn setlist was al vijfentwintig jaar oud en meer dan de helft van de gespeelde nummers dateerden uit zijn periode bij Roxy Music, tussen 1972 en ’82. Bryan Ferry liet zich bijstaan door een voortreffelijke negenkoppige band, waarin gitaarlegende Chris Spedding de voetsporen van Phil Manzanera mocht drukken en saxofoniste Jorja Chalmers het meesterlijke getoeter van Andy Mackay moest doen vergeten. Andere blikvangers in de groep waren violiste Marina Moore en het Belgische snarenwonder Tom Vanstipthout dat nu ook de kans krijgt zich op internationale podia te manifesteren. Het decor bestond uit enkele hangende geometrische figuren die aan origami deden denken en, door de uitgekiende belichting, grillige schaduwen afwierpen.

De toeschouwers, hoofdzakelijk van middelbare leeftijd, gaven Bryan Ferry een warme ontvangst en aten vanaf de eerste noot uit zijn hand. De avond begon prompt met enkele vroege Roxy-classics. De spookachtige ballad ‘In Every Dreamhome a Heartache’, over een man die de leegte in zijn leven tracht te vullen met een via postorder bestelde opblaaspop (‘I blew up your body / But you blew my mind’), klonk even repetitief als onbehaaglijk. Ook ‘Out of the Blue’, ‘If There Is Something’ en ‘Editions of You’, waarin de bejaarde zanger zijn 26-jarige alter ego ontmoette, hadden nog niets van hun oorspronkelijke spankracht verloren. Idem dito voor ‘Virginia Plain’ (sleutelzin: ‘Got to search for something new’), dat nog precies zo uniek en opwindend klonk als in de vroege seventies.

Toch reageerde het publiek veel geestdriftiger op het materiaal uit de tweede, ietwat gladdere periode van Roxy Music, toen de groep hits scoorde met radiovriendelijke maar afgeborstelde popnummers als ‘Oh Yeah’, ‘Dance Away’ (de ronddraaiende discobal boven het podium brak hier het licht in duizenden kleine vlekjes), ‘Take A Chance With Me’ en ‘More Than This’. In ‘Avalon’ mompelde Ferry meer dan hij zong, maar zijn fans toonden zich opvallend vergevingsgezind. En wanneer de ster vocaal steken liet vallen, wat meer dan eens gebeurde, was er altijd nog de zwarte soulzangeres Bobbie Gordon om de gaatjes te stoppen.

Het geluid in Bozar deed overgens nogal modderig aan, wat vaak ten koste ging van het reliëf in de muziek. Vooral de drumklank liet te wensen over. Dat lieten de toeschouwers echter niet aan hun hart komen: tijdens overgepolijste solohits als ‘Slave to Love’, ‘Don’t Stop the Dance’ of het van Bob Dylan geleende ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’, met Ferry op smoelschuiver, veerden ze regelmatig op uit hun pluchen zitjes om de Meester van de Goede Smaak met een staande ovatie te vereren.

Zelf waren we meer te spreken over minder bekende maar tintelende liedjes als ‘The 39 Steps’ en het donkere maar vingerknippende ‘Boys & Girls’, dat als een rat aan je gemoed knaagde en waarin zelfs een vage dubcomponent verstopt zat. Toen de band uiteindelijk het funky ‘Love is the Drug ‘ aansneed, was het in de voorname Bozar party time geblazen. Zelfs de geest van wijlen Henry Le Boeuf zette het ongeremd op een swingen.

De finale, met John Lennons ‘Jealous Guy’ –ook het fluiten ging de Cassanova van de popmuziek niet zo best meer af– en Wilbert Harrisons ‘Let’s Stick Together’ was ons iets te voorspelbaar. Vooral in het laatste was de slijtage op Ferry’s stembanden zo manifest dat het hem bij de automobielkeuring gewis enkele strafpunten zou hebben opgeleverd. Was het de leeftijd? De vermoeidheid van het toeren? In ieder geval werd de set in Brussel met twee nummers ingekort. Goed, de songs en de band waren top en Bryan Ferry heeft in het verleden al alles bewezen wat er te bewijzen valt. Misschien is het voor zijn reputatie dus wel beter dat hij nu voorgoed op zijn lauweren gaat rusten.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: