Mark Knopfler in het Sportpaleis: half geneuzelde ambtenarenrock

, door ()

71
a1
© Koen Keppens

Wie een kaartje voor een concert van Mark Knopfler koopt, scoort dezer dagen niet hoog op de hipstermeter. ‘Bezadigd’ is zowat het eerste woord dat door je hoofd flitst, wanneer iemand ‘s mans naam laat vallen. Toch kunnen we best een aantal redenen verzinnen waarom de inmiddels 69-jarige Schot nog altijd cool is. Zo ontwikkelde hij (en dat in het punkjaar 1977!) een unieke gitaarsound die je ook vandaag nog vanaf de eerste noot herkent. Bovendien werd hij door niemand minder dan Bob Dylan verzocht een snaartje te plukken op diens platen ‘Slow Train Coming’ en ‘Infidels’ en perste hij met ‘Romeo and Juliet’ een absolute wereldsong uit zijn pen. Petje af dus. Gemakshalve vergeten we dan nog dat zijn groep Dire Straits tegen de vroege nineties één van de populairste combo’s ter wereld was geworden en wereldwijd de kassa’s dermate luid deed rinkelen dat menigeen er een gehoorafwijking aan over hield. Toen het hem allemaal een beetje te groot werd, trok de man doodleuk de stekker uit de machine. Want hey, muziek maken moest ook nog leuk blijven.

De meeste liedjes die Mark Knopfler in Antwerpen uit zijn mouw schudde, had hij makkelijk met een vijfmansband kunnen spelen. Toch sleept de artiest tijdens zijn huidige tournee dubbel zoveel muzikanten achter zich aan, gewoon omdat het kán. Wie een slordige 120 miljoen platen heeft verkocht, hoeft nu eenmaal niet op een stuiver te kijken en kan precies doen wat hem zint. Niemand zou het Knopf dus kwalijk nemen mocht hij de rest van zijn dagen doorbrengen met kleurenwiezen, salondansen, truien breien of potten bakken. ‘Ik heb inderdaad al overwogen met pensioen te gaan’, vertelde hij in het Sportpaleis. ‘Maar ik spéél zo graag. Misschien moet ik dus maar doorgaan tot ik omval, zoals een oude boom’. In Antwerpen stond hij nog rechtop, maar naar het aantal dode takken te oordelen, was er wel al flink wat snoeiwerk aan.

Knopfler treedt tegenwoordig op voor een zittend publiek en oogt veeleer als een apotheker of een boekhandelaar dan als een rockster. Zijn set, wars van visuele snufjes, was een keurige dwarsdoorsnede van zijn solowerk, zijn vele filmsoundtracks en zijn dagen bij Dire Straits. Al bij al hield hij zijn snaaracrobatiek beperkt: het gaat de muzikant meer om de noden van de song dan om het etaleren van zijn technisch kunnen. ‘Zelf heb ik slechts één instrument onder de knie, maar mijn begeleiders beheersen er samen zo’n achtenveertig’, sprak hij bescheiden. Door die uitgebreide line-up, met twee klavierspelers, twee toeters, een drummer, een percussionist en occasionele bijdragen op bouzouki, cavanquinho, fluit, viool, doedelzak en pedalsteel, deed het groepsgeluid vaak orkestraal aan, al wisten Knopfler en zijn gezellen de nummers tegelijk ‘klein’ te houden.

De avond begon met ‘Why Aye Man’ – denk aan J.J. Cale op de Keltische toer – en ‘Corned Beef City’, een stuwende rocker uit een blikje. Knopfler liet voor iedere song een andere gitaar aanrukken en kneep er mooie, ronde tonen uit. Toch klonk hij een beetje vermoeid en bewoog hij zich opvallend houterig over het podium. De man, een gewezen journalist, blijft weliswaar een prima verteller, maar een grote zanger is hij nooit geweest. Wat zich vroeger nog als Sprechgesang liet omschrijven, hield nu vooral het midden tussen brommen en mompelen. In ‘Sailing to Philadelphia’ leek Mark Knopfler op zijn pantoffels voorbij te schuifelen. Sommige songs wogen zelfs zo licht dat het minste briesje ze weg dreigde te blazen.

Zijn vorig jaar verschenen, negende soloplaat ‘Down the Road Wherever’, kwam slechts tweemaal aan bod: in ‘My Bacon Roll’ (of ‘Ene me hesp’, zoals het Leuvense blueswonder Big Bill de plaatselijke snackbaruitbater zou hebben toegeroepen) verwarde Knopfler lethargisch met ontspannen, maar het autobiografische, vrij sober gehouden ‘Matchstick Man’ kwam beter uit de verf. Het werd voorafgegaan door een verhaal waarin Knopf als zestienjarige met een flutband op kerstavond in Penzance, Cornwall moest spelen en hij de volgende ochtend besloot met gitaar en rugzak naar huis in Newcastle te liften, een traject van… 800 kilometer. En natuurlijk kwam hij halverwege vast te zitten in de sneeuw. ‘Op zo’n moment vraag je je af: is dít wat ik wil doen met mijn leven?’

Knopfler verwees afwisselend naar de Britse music hall-traditie (‘Heart Full of Holes’), Ierse pubs (‘Done With Bonaparte’) en Latijns-Amerikaanse swamps en savannes (‘Postcards From Paraguay’), maar het publiek was vooral verguld met songs uit de Dire Straits-periode. ‘Once Upon A Time in the West’, met nadrukkelijke verwijzingen naar Ennio Morricone, was nochtans geen toonbeeld van bevlogenheid. ‘Ambtenarenrock’, noteerden we in ons boekje. Gelukkig diepte Mark Knopfler vervolgens zijn dobro op met het oog op ‘Romeo and Juliet’: iets te traag gespeeld, iets teveel geneuzel, maar als song niet kapot te krijgen en elegant uitgeleide gedaan door de saxofonist. Toch drongen de fans pas echt naar voren tijdens de tussen folk en blues balancerende afsluiter ‘Speedway to Nazareth’.

De bissen waren voorbehouden aan ‘Brothers in Arms’, het populairste werkstuk van Dire Straits, dat door dertig miljoen huishoudens werd geadopteerd. Eerder had het tussen bebop en bossanova zwalkende ‘His Latest Trick’ al de blazers in de schijnwerpers gezet, maar de bij Elmore James betrokken blueslicks van het ironische ‘Money For Nothing’, lokten pas écht euforische kreetjes uit. Ook in het titelnummer van de plaat, de laatste woorden van een stervende soldaat op een slagveld, bewees Knopfler dat hij zijn kunstjes op de snaren nog niet had verleerd. Uiteindelijk trok hij een streep onder de avond met het instrumentale thema uit de film ‘Local Hero’. Of de aanwezigen waar voor hun geld kregen? Bij Testaankoop zijn ze er nog niet uit. Zelf gaan we voor: oerdegelijk, maar soms ook een beetje slaapverwekkend. Dus ja, het had best een tikje –neen, dríe tikjes– dynamischer gemogen.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: