Zolang Steely Dan ergens weerklinkt, kan er niet veel fout gaan

, door ()

71
vrijbeeld

Toen alles geboekt was, volgde een eerste koude douche: ik keek enorm uit naar de op de website aangekondigde integrale uitvoering van het meesterwerk ‘Gaucho’, maar dat concert werd zonder reden of excuus afgelast. Een tweede teleurstelling was mijn verzoeknummer. Eén avond werd immers geadverteerd als ‘On popular demand', en bij de boeking kreeg ik zelfs een email met de vraag welke song ik absoluut wilde horen. Ik gaf ‘FM’ op, maar Donald Fagen presteerde het om op die vijf avonden zowat álles te spelen, behalve ‘FM’. Tot daar de teleurstelling. Voor de rest was het smullen.

Wie foto’s van het interieur van het Beacon Theatre googelt, krijgt een orgie van goud, marmer en fluweel te zien, compleet met gigantische luchters, reusachtige Griekse beelden en een enorme art-decopiek die als een bloedrode ijspegel van het plafond dreigt te vallen. Het Beacon is zo chic en dermate roaring twenties dat het zijn eigen signature cocktail serveert: een Beacon Mule (wodka van vijgen, ginger ale en limoen). Wij Belgjes hebben níéts dat aan deze concertzaal kan tippen, en ook de akoestiek is perfect. Dat laatste is natuurlijk een minimumvereiste voor de ultrasmoothe muziek van twee neurotische perfectionisten. Nu helaas nog slechts één perfectionist, vermits de excentriek Walter Becker recent aan een slepende ziekte is bezweken.

Wie dit leest, hoef ik niet te vertellen hoe briljant Steely Dan is. Het kan volstaan te zeggen dat zij, ook al zijn het New Yorkers, de laidbacke West Coast-sound belichamen, en muziek maakten in technicolor en 3D als de concurrentie het wegens gebrek aan talent hield bij ééndimensionaal zwart-wit. En dat zelfs Prince hun platen in huis had. En dat ook jonge producers zoals Mark Ronson en artiesten zoals Bruno Mars toegeven dat voor hen de Steely Dan-sound de hoge lat is.

De ‘On popular demand’-avond wordt door Donald Fagen monter gestart met de melding dat hij ‘a potpourri of stuff we don’t usually do’ zal serveren. En die belofte maakt hij grotendeels waar. ‘King of the World’, ‘Time Out of Mind’, ‘Show Biz Kids’, ‘Any Major Dude Will Tell You’, ‘Kid Charlemagne’ en ‘Dirty Work’, ze worden vaak voor het eerst of voor het eerst sinds veertig jaar live gespeeld, en ze klinken stuk voor stuk succulent. Zelfs Fagens stem, die sinds hij de kaap van de 60 passeerde wel eens wilde haperen, klinkt nu beter dan tien jaar geleden. Slechts een paar keer vullen de backingzangeressen tactvol en onopvallend de hoogste noten aan die Fagen niet meer haalt.

Ook leuk hoe Fagens stadsgenoten teksten meebrullen (‘Yes, there’s gas in the cáááár’, ‘the Cuervo Gold…’) Hier in New York, waar hij zeker is dat iedereen hem én zijn vaak obscure verwijzingen begrijpt, is Fagen ook spraakzamer. Na ‘Brooklyn’ vertelt hij hoe dat nummer werd geïnspireerd door een buurman van hem die ‘een rechtse conservatieve betweter' was, ‘a real life Archie Bunker’ – enkel op dit soort concerten verwijst de ster naar de hoofdpersoon van een briljante, maar buiten de States al lang vergeten sitcom. Fagen vertelt ook over zijn kindertijd in Passaic, New Jersey, ‘before the gentrification’, toe die buurt nog arm en perspectiefloos was, ‘een goedkope locatie in een nooit gemaakte film van Woody Allen op een mindere dag’.

Opvallend, alle avonden, is Fagens lichaamstaal. Hij heeft zijn piano zo ver mogelijk van het publiek laten zetten, ongewoon voor een bandleader. Hij is een motorisch gestoorde autist die piano speelt terwijl hij z’n hoofd wiegt zoals Ray Charles dat deed, compleet met zwarte zonnebril, en hij doet me erg denken aan Woody Allen. Die twee hebben dan ook heel wat gemeen: allebei New Yorkers, allebei jazzfanaten, allebei excentriek, allebei Joods, allebei kluizenaars, allebei zwaar anachronistisch en nostalgisch… Alleen heeft Fagen voor zover ik weet geen adoptiekinderen die hij te graag ziet. Steely Dan heeft een song over een pedofiel die niet van zijn jonge nichtjes kan afblijven, en Fagen kondigde die af als ‘That was ‘Cousin Dupree’… There’s one in every town… Present company excluded, of course’.

New York barst van de echo’s van Steely Dan. Vanochtend nog liep ik door 32nd Street, waar ze ‘Everything Must Go’ hebben opgenomen op de dag dat twee vliegtuigen zich in het World Trade Center boorden. Aan de metro van Times Square bracht een busker ‘Do It Again’ (hier moeten straatzangers een strenge auditie doorkomen voor het stadsbestuur hen op de burgers en de toeristen loslaat). En het is prettig om ‘Brooklyn Owes the Charmer Under Me’ te horen op een steenworp van Brooklyn.

Behalve al die semi-obscure parels krijgen we ook nog ‘Peg’, en zowel ‘Hey Nineteen’ als de titeltrack van ‘Gaucho’, om de bittere pil van dat afgelaste concert wat te vergulden. Na de zin ‘Hey nineteen, that’s Aretha Franklin’ weerklinkt applaus en gejuich. Aretha is dood, en een aantal New Yorkers die ik ooit zag op concerten van Steely Dan, zoals Lou Reed, Ric Ocasek, Heath Ledger, Jim Henson (uitvinder van de Muppets) en saxofonist Cornelius Bumpus, zijn ook al wijlen. Het kan melig of vergezocht klinken, maar ik loop met een ander gevoel door New York nu al die legendarische New Yorkers er niet meer zijn. Zoals Frank Sinatra, die hier vlakbij in The Paramount indertijd elf (11!) concerten per dag zong.

Een dag later spreek ik de mixer van dienst, een man die, vijf avonden op een rij, het gesofisticeerde geluid van Steely Dan zal mixen terwijl hij een T-shirt van Lemmy draagt – go figure. Hij vertelt me dat het ‘Gaucho’-concert last minute werd verplaatst naar New Jersey, en uit wat hij me niet zegt, leid ik af dat het een geldkwestie is. De reden is ‘undisclosed’. Dat klinkt een tikje maffieus, en New Jersey is ook tien jaar na ‘The Sopranos’ een plek waar mobsters nog niet zijn uitgeroeid.

De afsluiters die eerste avond zijn een foutloos ‘Reelin’ in the Years’ en ‘My Old School’ (niet één van hun betere nummers, naar mijn gevoel, maar daarin sta ik alleen, want de hele zaal veert overeind en zingt het dansend mee, vooral de dubbelganger van Randy Newman schuin voor me, die duidelijk een driedubbele midlifecrisis viert). Ook de zin ‘California topples into the sea’ wordt meegebruld en onthaald op gejuich – de oude competitie tussen de East Coast en de West Coast is blijkbaar alive and well.

De laatste gezamenlijke Steely Dan-tournee waaraan Walter Becker deelnam, heette ‘Living Dangerously’, maar had net zo goed ‘Dying Unexpectedly’ kunnen heten, want Becker bezweek in amper vier maanden tijd aan een agressieve slokdarmkanker. Een paar jaar geleden hoorde ik hem hier nog zeggen: ‘Autumn in New York, and you’ve made the best decision of your life to come hear us…’ Een heerlijke man, Walter Becker: na een tegenvallende solo verontschuldigde hij zich bij zijn gitaar. Even lijkt het alsof Fagen bij het voorstellen van de muzikanten zijn overleden maatje vergeet of doodzwijgt. Want Fagen denkt aan de centjes en is nu in een onsmakelijk proces verwikkeld met de erfgenamen van Becker, die dat ongetwijfeld verderfelijk gevonden zou hebben. Is Steely Dan nog Steely Dan zonder Walter Becker? Is het moreel aanvaardbaar dat Fagen zich beroept op een clausule uit 1972, waarbij de laatste overlevende van de groep alle rechten en controle vangt, zodat Beckers kinderen niets erven? Maar op de valreep zegt Fagen toch met gevoel voor understatement en ironie: ‘And let’s hear it for my partner Walter, who can’t be here tonight…’ En nu pas zie ik een extra, onnodige en ongebruikte microfoonstandaard staan, symbolisch, op de plek waar Becker altijd stond, voor het geval hij alsnog zou komen opdagen. Becker kreeg overigens zopas een straat naar hem genoemd in Queens, de wijk waar hij is opgegroeid.

Allerlaatst stelt gitarist Jon Herrington Donald Fagen voor, waarbij hij zeer grappig de apestonede presentator imiteert die omstreeks 1974 lallend Steely Dan aankondigde in Santa Monica – te horen in de liveversie van ‘Bodhisattva’.

De volgende avond speelt Donald Fagen integraal ‘The Nightfly’, zijn beste soloplaat en het enige semimeesterwerk dat er min of meer in slaagt om de melodica bestaansrecht te geven. Op het podium staat een ouderwetse platenspeler en als grappige gimmick laat hij één van de backingzangeressen een elpee op de draaitafel leggen. Gekraak van de naald op het versleten vinyl weerklinkt, en dan zet de groep de opener ‘I.G.Y.’ in. En na het vierde nummer legt Fagen grijnzend het concert even stil terwijl de zangeres de vinylplaat ostentatief omdraait voor kant B. Voor de fans is deze eerste integrale opvoering van ‘The Nightfly’ een feest, en het helpt dat ook nu alles werkelijk kraakhelder en foutloos klinkt.

De conversatie die ik opvang, verraadt de leeftijd van de doorsnee Steely Dan-fan: ‘I get the X-rays back on Friday …'  ‘Yeah, apart from getting up like 67 times a night to take a leak.’ Daarstraks hoorde ik aan de souvenirstand een man tegen zijn vrouw zeggen: ‘No vinyl.’ Een jonge hipster die Steely Dan net heeft ontdekt en hen op vinyl wil horen. Ik draai me om en neen, het blijkt een ouwe hippie die nooit is overgeschakeld op cd. Ook te koop: gesigneerde exemplaren van Fagens boeiende, excentrieke en bijwijlen zeer grappige dagboek ‘Eminent Hipsters’ – alweer een obscure verwijzing, dit keer een allusie naar het 19de-eeuwse boek ‘Eminent Victorians’ van Lytton Strachey. Ik merk op dat Fagens handtekening die van een psychopaat is, een grillige veeg waarin je met moeite de initialen D en F kan onderscheiden. Ik koop enkel een zakje pretzels, ervan uitgaand dat Fagen straks iets uit ‘Pretzel Logic’ zal spelen.

Na ‘The Nightfly’ kondigt Fagen met achteloze superioriteit aan dat hij nog wat ‘random shit’, zomaar wat rommel, zal spelen. Waarop hij het briljante epos ‘Aja’ inzet, gevolgd door ‘Hey Nineteen’ en ‘Peg’. Dan breekt een revolutie uit: bejaarden dansen in het gangpad, alsof ze met één been in het graf nog snel een antiautoritaire daad willen stellen. De security grijpt meedogenloos in.

In de prachtige lounge op weg naar de uitgang hoor ik een New Yorker over de klank zeggen: ‘Tight as a gnat’s ass as usual’ (‘Zoals gewoonlijk klonk het zo strak als de reet van een mug’).

De laatste avond van deze hometown residency start voor sommigen in mineur. Van mij mag Fagen spelen wat hij wil, ’t is allemaal top. Maar deze avond stond geboekt als ‘The Greatest Hits’, en als na ‘Kid Charlemagne’, ‘Black Cow’, ‘Any Major Dude Will Tell You’, ‘Things I Miss the Most’, ‘Time Out of Mind’ en het nog obscuurdere ‘Razor Boy’ de eerste hit nog moet komen, begint een deel van het publiek te morren. En dan komt ene Jenny Lewis ‘Dirty Work’ zingen en daalt het niveau tot dat van een coverband.

‘Play something we know!’ roept een man op de rij voor me. ‘All good things come to those who wait!’ antwoordt Fagen ogenschijnlijk boos, maar hij heeft een pervers kantje, want ook na anderhalf uur is het nog steeds wachten op de grootste hits, en als die komen (‘Reelin’ in the Years’, ‘Ricky Don’t Lose That Number’, ‘Peg’, ‘Josie’) ontbreekt er een dozijn: geen ‘Babylon Sisters’, deze vijf avonden, geen ‘Do It Again’, geen ‘FM’…

De song waarbij iedereen opveert, is ook vanavond ‘My Old School’, waarvan letterlijk iedereen de volledige tekst uit het hoofd blijkt te kennen. Vreemd. Misschien is die song voor verfijnde luitjes uit Manhattan wat ‘School’s Out’ van Alice Cooper is voor simpeler rockers. Opvallend is ook dat Fagen voor het eerst geen zonnebril draagt – een historisch precedent.

Het waren zo goed als perfecte avonden, hun geld waard en dat is maar goed ook, want tickets kosten hier tot 450 dollar – geen wonder dat een Belgische concertpromotor me zei dat Steely Dan wellicht nooit meer naar Europa komt wegens ‘te duur’. Los daarvan is hier in de States een opbod gaande dat wellicht ook naar ons overwaait: voor heel wat acts die in de jaren 70 van de vorige eeuw hun hoogtepunt beleefden, is het nu het uur van de laatste kans, en dat mag wat kosten. Billy Joel rekent tot 2.500 (!) dollar voor zijn shows in Madison Square Garden, ook Peter Frampton nam hier onlangs afscheid (zijn ziekte maakt dat hij binnenkort geen gitaar kan spelen, wat lastig is voor een meesterlijk gitarist met een unieke sound), en de net aangekondigde concerten daar waarop Eagles integraal ‘Hotel California’ zullen spelen, zijn de duurste ooit. Amusant als je bedenkt dat de Nederlanders indertijd heel Manhattan van de indianen kochten voor 60 gulden, omgerekend ongeveer 1.000 dollar.

Niet alleen mijn midlifecrisis (‘She thinks I’m crazy, but I’m just growing old’) was de reden waarom ik deze concerten in het Beacon absoluut wilde zien, ik dacht ook: Walter Becker is al onverwacht weggevallen, als ook Fagen (nu 72) het begeeft, zal ik deze prachtige muziek nooit meer live kunnen horen en er eeuwig spijt van hebben dat ik te lui en te gierig was om deze pelgrimstocht te maken. Goed, er zijn Steely Dan-coverbands bij de vleet (met grappige en inventieve namen als Stanley Dee, The Beacon Dudes, The Dukes of September, Stolen Dan en The Steely Damned), en legendarische Dan-gitarist Skunk Baxter (van de riff van ‘Reelin’ in the Years’) toert met een Steely Dan-coverband, maar dat is niet the real deal.

Er circuleert een foto van een hond die, op een warme zomerdag ergens in Californië, in de auto wacht op zijn baasje dat aan het winkelen is. Aan de binnenkant van de autoruit hangt een briefje waarop staat: ‘Please don’t break the window. He has water, the airco is on, and he is listening to Steely Dan’. Dat vat het mooi samen: zolang Steely Dan ergens weerklinkt, kan er niet veel fout gaan.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: