Concertreview: Herbie Hancock op Gent Jazz

, door (gvn)

133

Christian Scott aTunde Adjuah heeft gewerkt met Prince, Marcus Miller, Mos Def en Solange. Hij heeft een song van Thom Yorke gecovered (‘The Eraser’). Op Youtube treedt hij in een mouwloos Joy Division-t-shirt op in een platenwinkel (anderhalf miljoen keer bekeken, dat filmpje). In de Humo van deze week staat dat hij in hometown New Orleans een keer aan de kant is gezet door de politie, prompt een geweerloop tegen zijn hoofd kreeg gezet, én er de song ‘Ku Klux Police Department’ over schreef. Scott heeft een eigen trompetlijn, de meeste van zijn blaasinstrumenten hebben omhoogwijzende bekers.

Hij heeft ook nieuw werk voor te stellen. Naar aanleiding van 100 jaar jazz heeft hij een ‘Centennial Trilogy’ gemaakt, en daar heeft hij twee platen van afgewerkt (‘Ruler Rebel’ en ‘Diaspora’). De derde - ‘The Emancipation Procrastination’ - verschijnt in het najaar.

Opener ‘The Coronation of X aTunde Adjuah’ is een twijfelende Miles Davis-trompet boven een hiphopbeat. ‘We nemen iets dat van hiphop of trap komt, of koppelen Delta blues aan Indiase raga’s, en we hopen dat jullie het horen’, zal Scott straks zeggen. 't Is alvast altijd een mooie melting pot van 1001 ritmes die niet louter uit New Orleans komen.    

Scott steekt veel te veel tijd in het voorstellen van de muzikanten. Hij omschrijftt pianist Lawrence Fields als iemand die alles geweldig kan synthetiseren: ‘Als hij jazz speelt, spreekt hij Mandarijn, Swahili en Spaans tegelijk, en toch kunnen we ‘m verstaan.’ De heer Fields lijkt de complimenten over zich heen te laten gaan. Ook de geweldige dwarsfluitiste Elena Pinderhughes staat er wat bedeesd bij als Scott zegt: ‘Als zij volledig haar zin mocht doen, zouden mensen snel vergeten hoe een fluit klonk in de jaren voor zij erop speelde’. De anderen krijgen een gewonere introductie: bassist en jeugdvriend Max Moran, djembe- en congaspeler Weedie Braimah (binnen zijn familie de zoveelste percussionist) en Mike Mitchell, die met het meeste swag,

Straf concert, hoor. ’Diaspora’ ibevat een lekker beatje, een dragende piano, een bas zo sloom als een hangjongere, een succulente dwarsfluitsolo en Scott die eerst fluistert en dan fors uithaalt. Afsluiter ‘Big Chieftain’ komt met een Bruce Springsteen-lange speech over Scotts grootvader die in New-Orleans een chief Indian was van vier verschillende clans. Scott herinnert zich de eerste keer dat hij met opa mee mocht om voedsel uit te delen aan de armen. De trompettist, die iedereen meestal een solospotje gunt, eist hier het indrukwekkende slotakkoord voor zichzelf op. Christian Scott werd dit jaar overigens zelf tot chief gekroond: bij de volgende Mardi Gras loopt hij dus rond in zo’n indrukwekkend verenpak.

Voorwaarts naar vijf uur later. De tent zit stampvol voor Herbie Hancock, ooit - lang geleden - een beetje bekend geworden in de schaduw van Donald Byrd. Hij maakte daarna de soundtrack van ‘Blow Up’, werkte mee aan de fusionplaten van Miles Davis (en dus ook aan ‘Bitches Brew’), en de funkateer in hem had met zijn groep The Headhunters een paar grote hits… Gesteld dat iemand ‘m ooit vraagt: ’Mijnheer Hancock, wat was nu hét rare moment waarvan u denkt, toen was ik mijn tijd echt tien jaar vooruit?’, de man kan met twee lettergrepen antwoorden: ‘Rockit’.

Hancock zet anno 2017 het basiskamp van de set neer in zijn seventiesplaten, maar van opener ‘Watermelon Man’ (ja toch?) lijken we in de lange inleiding met cymbalen, vocoders, sax en gerommel in de gitaren een heuse wedergeboorte mee te maken. Het duurt daarna niet lang of (een voor zijn 77 jaren zeer kwieke) Hancock en zijn briljante groep beklimmen deze zesduizender van een track langs een kant van de berg waar ze zelf nooit eerder geweest zijn.

Zelden zo’n combinatie meegemaakt van solide grooves en de drang om zo hard te improviseren dat je ter plekke iets nieuws componeert. Goeie show off-momenten ook: Lionel Loueke soleert ergens op zijn gitaar met de vlakke handen terwijl hij Afrikaans praat, de hele groep valt daarna indrukwekkend in. Hancock is ook niet te beroerd om achter de vleugelpiano en de synth vandaan te komen, en zijn keytar te omgorden om met iemand een duel uit te vechten.

We vallen in herhaling, maar wat een groep was me dit! Vinnie Colaiuita (Hancock: ‘Ons geheim wapen’) drumt op een stel zo groot als dat van een grote Graspop-groep. Wie het tegen bassist James Genus opneemt, moet van een serieus robbertje vechten houden. En Terrace Martin staat achter aanvullende keyboards, is verrassend veel én straf aan zet via de sax, en voert ook gesprekken met Hancock via vocoders. Hij wordt voorgesteld als iemand van de jonge generatie, carving out new territory... he’s at the heart and soul of it’. Het respectapplaus is luid als Hancock hem roemt als de producer van Kendrick Lamars ‘To Pimp a Butterfly’. Bij de track die volgt, Hancock-favoriet ‘Actual Proof’, hoorden wij overigens twee van onze favoriete eilandplaten (‘Bitches Brew’ én ‘To Pimp a Butterfly’) zomaar in mekaar overgaan.
 
Naar het einde toe wordt ook de kernmelodie van ‘Cantaloupe Island’ niet lang aangehouden. Wij volgen iemand van de mensen die recht is gaan staan, en die op al dit heerlijke gekronkel probeert te dansen, tot falen is gedoemd en toch volhardt. Sluwe vos, die Hancock: eerst in z’n bekendste song wegglippen richting volstrekt ondansbare improvisatie, daarna de bis ‘Chameleon’ wél in een funky gareel houden. Waardoor zowat iedereen blij lijkt achter te blijven. Knap concert!

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?