Concertreview: Nick Cave & The Bad Seeds op Ejekt Festival Athene

, door (jm)

146

Zondagavond verscheen op het officiële Instagramaccount van Nick Cave & The Bad Seeds een lieflijk snapshot, gemaakt door Warren Ellis. Je ziet Nick Cave aan een tafeltje op het terras van een Atheense taverna, gebogen over - ja, over wat? De menukaart? Zijn tablet? Een notitieboekje dat het embryo zal blijken van wéér een prachtplaat? Het is niet duidelijk te zien. Links van hem ligt de Egeïsche Zee er lankmoedig bij, in één van de vijftig tinten blue die ze in stock heeft. Het is het Griekenland waar ik nu al enkele jaren een buitenechtelijke verhouding mee heb: glorieus, gastvrij, een warme schoot om je benevelde hoofd in te begraven. Maar zaterdagavond, net op het moment dat het Ejekt-festival - met onder meer ook Editors op de affiche - het voorspel achter de rug had, verschoot dat Griekenland plots van kleur. Een macaber onweer was vanuit de haven van Piraeus naar de festivalsite komen waaien. De hemel boven Athene, een catalogus van twintig tinten blue, kreeg een paniekaanval en werd zwart, collaboratiezwart - ik sluit niet uit dat Cave’s trouwe haarverf er een identiteitscrisis aan overhield, en zich sinds afgelopen weekend bimboblond voelt. Donder leverde angstaanjagende industrial, bliksem een enge lichtshow. En het regende, het hóósde: vijf minuten eerder had je huid nog gegild onder de zoutige hitte van het zuiden, nu kreeg ze koude koorts. God had een leeuwin laten ontsnappen.

Warren snaps Nick in Athens #badseedsontour

A post shared by Nick Cave (@nickcaveofficial) on

De perfecte intro voor een concert van Nick Cave, quoi. Want het festival werd wel tijdelijk on hold gezet, maar toen de wolken hun burgeroorlog bijgelegd hadden, verscheen Cave toch op het podium - ‘You are wet. I’m not. Not yet.’ - en liet hij The Bad Seeds ‘Jesus Alone’ inzetten. Wie ooit verloren heeft, fundamentéél verloren, en zichzelf schreiend op de grond terugvond, roepend om God, heeft een vriend aan dit liedje waarin alles schrijnt. Dat nummer mogen horen, rillend van de kou en nat als een noordenwind: een voorrecht, een privilege, een VIP-ticket voor je stukgetreurde ziel.

En o, hoe vouwde vervolgens ‘Magneto’ - ook vanop ’Skeleton Tree’, de rouwbrief die nooit gedrukt had mogen worden - zich open als een geduldige, naar de juiste zon zoekende bloemkelk. Het mantra ‘I love, you love, I laugh, you laugh’ kneep het publiek tot een stilte waarin littekens aan het jeuken gingen, one more time with feeling. Boeiend trouwens om ook eens een niet-Belgisch Nick Cave-publiek te zien: in Griekenland stonden dezelfde melancholisch geboren klaproosjes timide mee te zingen als afgelopen oktober in het Sportpaleis, waar Nick Cave & The Bad Seeds zieltjes, levens en relaties herschikten. Mannen met zuchtende ogen, meisjes met een zinkgat in het hart.

Allemaal balden ze de vuist tijdens ‘Do You Love Me’, dat tegenwoordig een walsje is, maar dan wel één waar The Bad Seeds een tapijt van dreiging en niet-halal sentiment onder schuiven. Die vijftien seconden waarin Nick Cave zich naast Warren Ellis aan de piano zette, en hun vingers samen over de toetsen liepen alsof ze een vrouwenlichaam olieden: bloedsbroeders. Net als vorig jaar in Antwerpen viel trouwens op hoe The Bad Seeds stuk voor stuk briljant en onmisbaar zijn, zelfs als er eentje aan de sambaballen moet. Maar de onmiskenbare hopman is Warren Ellis. Of hij nu de piano bespeelt, de ukelele, de gitaar, de viool dan wel de eigen fluit: nooit klinkt het als een selfie. Wel als iets dat moet, hoogst noodzakelijk is zelfs, een brief aan een meisje die pas jaren na de liefde geschreven kan worden. En hij grijnst ook echt goed vuil.

‘Do You Love Me’ was de aftrap van een rondje klassiekers, en in een aantal gevallen ging dat goed. ’This desire to possess her is a wound / And it’s naggin’ at me like a shrew’: ‘From Her to Eternity’ bleek ook in 2018 nog het lijflied van al wie zich ooit in de liefde gedragen heeft als een hooligan en pas te laat tot tederheid is gekomen, en ‘Into My Arms’ klonk nog altijd als de Brabançonne van een land waar de inwoners elke dag wakker worden in een nevel van alcohol en onmogelijke liefde. In ’Stagger Lee’ hoorde ik de asielaanvraag van een baslijn die zich door geen pushback terugdrijven laat, en ‘Tupelo’ en ‘The Ship Song’ bleken in Athene nog steeds erg geschikt voor het uitdrijven van duivels, het verjagen van spoken en het ontmannen van demonen.

’Nou breekt m’n schoen,’ sprak Cave verbaasd in de finale van ‘Jubilee Street’, dat toen al memorabel was. Nee, niet z’n klomp - z’n schóén, stukgemaakt tijdens één van z’n duiken in het publiek. In het daaropvolgende ‘The Weeping Song’ kwam de meest Wouter Torfse van Cave’s roadies gedienstig een nieuw paar brengen. Maar dat ‘The Weeping Song’, mja, het klinkt tegenwoordig toch als een mes waar je je niet meer aan kunt snijden. In de setlist van Nick Cave is het het passje breed van Axel Witsel: secuur, veilig, en je zou het missen als het er plots niet meer is. Maar toch, nieuwsgierig kan je er niet meer naar kijken. Ook ‘Red Right Hand’ en ‘The Mercy Seat’ - het eerste bisnummer - klonken wat obligaat, als BV’s die een sterke anekdote hebben, maar die in élk interview vertellen.

Dus ja, hier toch een mespuntje teleurstelling: de setlist zou vers dons kunnen gebruiken. Begin deze maand organiseerde Nick Cave in het Abbey Theatre in Dublin een bijzondere avond. Het publiek moest vragen stellen, hij antwoordde. Dat leverde ernstige, luchtige, scabreuze, intellectuele en persoonlijke vragen op, en ernstige, luchtige, scabreuze, intellectuele en persoonlijke antwoorden - en de adembenemende bekentenis dat hij niet meer in en met Brighton kan leven sinds één van de kliffen daar de dood van zijn zoon Arthur beraamde. Tussendoor speelde Cave, eenzaam aan de piano, de liedjes die de avond hem opdrongen. ‘West Country Girl’ bijvoorbeeld, en ‘Now More Shall We Part’, en ‘Love Letter’, en ‘Papa Won’t Leave You Henry’. Natuurlijk weet ik wel dat zoiets niet kan op een festival: er staan wetten, praktische bezwaren en drie dronken Editors-fans in de weg. Maar dat beetje meer avontuur, die iets grotere appreciatie voor het verborgen edelmetaal in de eigen backcatalogue, het zou Nick Cave staan als een vers gesteven wit hemd. ‘Loverman’, vanop ‘Let Love In’, bewijst dat het kan: tijdens deze tour haalt het voor het eerst sinds vijftien jaar weer de setlist, in een verwarrend mooie versie bovendien.

Nu goed: dat is slechts een potloodaantekening in de marge. Want Nick Cave beklijfde, die zaterdag in Athene, en hij deed bovendien niet schutterig over ‘Skeleton Tree’: vier songs kwamen uit dat album van mest en misère. Over ‘Jesus Alone’ en ‘Magneto’ had ik het al, en verderop in de set had Cave ‘Girl in Amber’ verstopt, een liedje als een poreus mineraal. En toen moest ‘Rings of Saturn’, de laatste encore, nog komen: Nick Cave en zijn Bad Seeds werden één man - een kwetsbare, naar schoonheid en troost tastende, wankelende man. ‘And some people say it’s just rock-’n-roll / Oh but it gets you down right to your soul’ zong Nick Cave in ‘Push the Sky Away’, de afsluiter van de reguliere set in Athene. Laat ons bidden voor een Grieks onweer op Rock Werchter, als het even kan een kwartier voor Nick Cave & The Bad Seeds beginnen aan die set van honderd tinten blue.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?