Concertreview: Jeff Tweedy in OLT Rivierenhof

, door (dirk steenhaut)

103

‘Ik heb nog nooit een hit gehad’, monkelde Tweedy. ‘Ik kan dus lekker spelen wat ik wil. Zullen we afspreken dat iedereen die zijn favoriete song heeft gehoord, het park verlaat? Zodra er niemand meer overblijft, weet ik dan dat ik naar huis mag’. Zo was meteen de toon gezet voor een even informele als intieme avond vol anekdotes en geestigheden, oud en nieuw materiaal, crowdpleasers en songs die enkel bij de doorgewinterde fans een belletje deden rinkelen, maar altijd werden gespeeld met een gezonde ‘less is more’-attitude.

Jeff Tweedy’s huidige tournee ligt in het verlengde van het vorig jaar verschenen ‘Together At Last’, de eerste uit een aangekondigde reeks soloplaten waarop het opperhoofd van Wilco zijn voorliefde voor grillige geluidsexperimenten onderdrukt om zich als melancholische troubadour te vermommen. Door zijn songs van hun instrumentale ornamenten te ontdoen en tot op het bot uit te kleden, stelt hij zich niet alleen kwetsbaar op, tegelijk legt hij de nadruk op zijn meer bespiegelende kant. In zijn eentje legt Tweedy andere accenten, waardoor er onvermoede lagen in zijn werk bloot komen te liggen en je meer aandacht krijgt voor zijn teksten. Door de volumeknop naar links te draaien, dwingt hij je op een andere manier te luisteren en bewijst hij en passant dat een goeie song uiteenlopende behandelingen verdraagt.

In Antwerpen viel de zanger meteen met de deur in huis, of beter, met de boom in het park, met classics als ‘Via Chicago’ en ‘I am Trying To Break Your Heart’, die ook in hun ondergoed waardig overeind bleven. Tweedy beloofde songs uit alle fases van zijn carrière en hield woord. Uit zijn periode met het alt.countrytrio Uncle Tupelo plukte hij ‘New Madrid’ en het tussen countryblues en bluegrass laverende ‘Acuff Rose’. Maar zijn zijstapjes met het rootsrockgezelschap Golden Smog, dat hij tijdens de nineties vormde met leden van The Jayhawks, Soul Asylum, Run Westy Run en Big Star, en het avant-poptrio Loose Fur (met Jim O’Rourke en Glenn Kotche), kwamen net zo goed aan bod. Aan het eerste ontleende hij prijsbeesten als ‘Lost Love’, ‘Radio King’ en het tussen ragtime en gospel grazende ‘Please Tell My Brother’; aan de tweede het geweldige ‘Laminated Cat’, oorspronkelijk een bluesy jam met rammelende percussie, maar inmiddels verveld tot een bezwerend folknummer waarin de geest van Bert Jansch rondwaarde.

Jeff Tweedy, de ogen verstopt onder de rand van zijn honkbalpet, vertelde dat zijn melancholische songs niet thuishoren op plekken waar strandballen rondvliegen en verklaarde zich blij te mogen optreden op een plek waar het donker genoeg was om niet te hoeven zien hoe gelukkig de toeschouwers wel waren. ‘Let’s hear depression!’, riep hij, met enige zelfspot, al klonken zijn miniatuurtjes lang niet zo eendimensionaal als die uitspraak deed vermoeden. ‘Always in Love’ en ‘I’m The Man Who Loves You’ waren opgewekte popsongs en tijdens het veerkrachtige ‘Hummingbird’ zette Tweedy het zelfs op een fluiten. ‘California Stars’, uit het Woody Guthrie-project ‘Mermaid Avenue’ was zo catchy als een vlindernet, ‘Jesus, Etc.’ werd door het publiek onthaald als een hagelbui van goudkorrels en nu van ‘Impossible Germany’ enkel het geraamte overbleef, kwam plots een fraai, hoopvol liefdeslied te voorschijn. De liga der Wilcoveteranen toonde zich dan weer verguld met het zelden opgediepte ‘Passenger Side’.

Tweedy’s stem was een wendbaar instrument dat afwisselend rauw en teder maar altijd trefzeker klonk, ook in falset- of fluistermodus. Bovendien toonde de artiest uit Chicago met zijn rijke, veelzijdige gitaarspel aan dat hij zijn songs zelfs met minimale middelen van maximale dynamiek wist te voorzien. In dat opzicht groeide de huiveringwekkende murder ballad ‘Bull Black Nova’, waarin Jeff Tweedy zowaar de snaren van zijn akoestische metgezel onder hoogspanning zette, uit tot een hoogtepunt. Tijdens ‘Misunderstood’ gaf hij dan weer aan dat hij ook in een unplugged-context vrolijk uit de bocht kon vliegen. Briljant? Eh... de hoofdkaas heeft ons, op straffe van een boete, voortaan verboden superlatieven uit de kast te halen. Maar u begrijpt ongetwijfeld wat we behoorlijk onder de indruk waren.

Tussendoor loste Jeff Tweedy enkele puike nieuwe songs, waaronder ‘Bombs Above’ en een aan Loudon Wainwright III verwante parodie op het oude testament, ‘Noah’s Arc’, waarin hij de toeschouwers massaal aan het meezingen kreeg. Met ‘A Shot in the Arm’ als laatste bis trok Tweedy een sierlijke streep onder een set van anderhalf uur, waarin geen enkele van de 22 songs minder was dan uitstekend (oeps, daar verdwijnt alweer vijf euro in het spaarvarken van de baas!). In de AB stond diezelfde avond Feist op het podium. Verscheurende keuze dus. Maar we zijn toch blij dat we voor nonkel Jeff hebben gekozen. Want die liet ons in Antwerpen een glimp van de hemel zien. We hebben er, voor de zekerheid, maar meteen een foto van gemaakt.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?