© Alex Vanhee

Dranouter: muzikaal meesterschap overgoten met biersaus, krijsende kinderen, zwengelende tepels

, door (lilith geeraerts)

Deel

'I guess all songs are folk songs – I never heard no horse sing’em.'

Aan de ingang van het cultureel centrum van Dranouter prijkt deze quote van Big Bill Broonzy op de muur. Meer dan ooit is hij van toepassing op het West-Vlaamse festival, dat zichzelf in de afgelopen jaren stelselmatig opnieuw wist uit te vinden.

Dranouter is wat men mag noemen een oerfestival, waar liefde voor muziek van eigen bodem hand in hand gaat met schaamteloze moppentapperij én een paar internationale muzikale grootheden. De Vlaamse culturele roots worden ongegeneerd gevierd, zonder daar al te veel politieke poespas bij te betrekken – al blijft de ecologische identiteit van Dranouter duidelijk behouden, maar enige drammerigheid is volledig van de lucht. Blauwe boeren, dorpse tjeven en groene belijders van het bakfietsgeloof kijken elkaar zwijmelend van de Belgische bieren diep in de ogen onder de klokkentoren van Dranouter city.

Álle gitaren

Vanuit de nok van de grote tent rond het hoofdpodium hangen flanellen dekentjes als vers gewassen vaatdoeken naar beneden.  Het publiek wacht geduldig op de komst van burgervader Jan De Wilde. De phallus impudicus komt, zoals hij voorspelt in ‘Daar is de lente’, langzaam tot wasdom op de wei bij het zien van alle glanzende gezichten tijdens zijn set. De spelende kinderen hebben er geen oren naar – hier worden sprookjes voor volwassenen gebracht. 

“Dit is Erik - hij bespeelt alle gitaren. En een applausje voor onze altvioliste ook, graag”, vraagt Jan De Wilde beleefd aan zijn publiek.

De artiestengage wordt hier verdeeld onder hoboïsten, frontzangers, bugelspelers, slagwerkers, violisten en, ja,  zelfs de triangelspeler krijgt de hele dag betaald. Door het keelgat van de zanger galmen woorden als ‘tabbaard’, en het is niet het enige archaïsme waar we ons taalminnend hart aan ophalen. De Wilde speelt, natuurlijk, ‘De eerste sneeuw’, en onze armen gaan de lucht in bij ‘De fanfare van honger en dorst’ – twee nummers van de hand van de Gentse Lieven Tavernier, die hier nog geen halfuur later het publiek oorstrelend bemint.

Even later druipen enkele tranen van diezelfde Tavernier tot in zijn puntige snor van ontroering. De sympathiekste bard wandelt in spijkerbroek en bergbottines over het podium, en gluurt goedkeurend en geëmotioneerd over de partituren van zijn muzikanten. “Alle West-Vlaamse bootvluchtelingen zijn vanaf heden welkom in Gent”, verklaart de Gentse minnezanger. De nadruk ligt voortdurend op kleine, menselijke verhalen: van Limburgse deurenkomedies, langs liederen over terminale hondjes, tot regelrechte trouwerijen op het middenplein. 

Tegen de avond krijgen ook popprinsessen en synthesizers hun plaats tussen de strijkers, fluiten en minnezangers. SX, Tom Odell en Joan As A Police Woman treden op zaterdag aan als top-popacts, en op zondag schitteren verrukkelijke stemmen van Ibeyi naast de Brusselse bad-ass sound van Zwangere Guy of de Britse charme van The Kooks. Ook kleinere ontdekkingen zijn er bij de vleet: Jan Verstraeten, Wende of Black Flower zijn maar enkele van de iets minder bekende acts die weinig uitstaans hebben met zogenaamde folkmuziek.

Voor de liefhebbers

Veel inwoners uit de omstreken genieten van de sfeer die Dranouter ook buiten de betalende tenten kenmerkt. In de omringende garages en brasseries weerklinken dubstepremixes van Adèle en The Rolling Stones, en ’t Hof van Commerce wordt te pas en te onpas meticuleus meegerapt. Ook ons Brussels bloed werd week van de West-Vlaamse ongedwongenheid rondom het epicentrum van café De Zon – een bruine kroeg onder de kerktoren.

“Wo goaje doen mit de prijs van de bierkaarting, jongen?” Een kok, een wielrenner en een plaatselijke ondernemer op het terras van De Zon kijken een andere jongeman vragend aan, wiens gezichtsuitdrukking schippert tussen gelukzalige verbazing en het sterven van vele doden. “Vele poepen”, antwoordt de bleke snaak – al won hij natuurlijk geen jongedame, maar een bak bier met het wedstrijdje manillen eerder op de dag. Luistervinkend worden we ook aangeklampt door de plaatselijke burgemeester in spe, gehuld in een vrolijk shirt met fluo palmboompjes. De couleur locale is nergens zo vrolijk, al is het soms moeilijk om niet in clichés over de streek te vervallen: élke dorpeling herkent hier de geneugten van het plattelandsleven, of het nu een West-Vlaming, Kempenaar, Waal of Nederlander betreft. 

Er komen plaatselijke legendes voorbij, en plaatselijke legendes worden geschreven. Voor de liefhebbers vliegen ook de spreekwoorden in het rond – het taalspel wordt te allen tijde met liefde en verve gespeeld. Dranouter lijkt volledig opgebouwd uit ambachtelijk, muzikaal meesterschap en cultuur met een klein hartje, overgoten met een biersaus van de beste brouwers te lande. Alle cynisme daaromtrent mag u steken woada de zonne ni skint, maar een gevoel voor zelfrelativering is hier altijd welkom.

Dag 2: krijsende kinderen, zwengelende tepels 

Krijsende kinderen, kniezwengelende tepelhoven en sprookjes voor volwassenen: Dranouter dag twee was slaan en zalven, maar wij lieten ons op West-Vlaamse wijze met overgave ringeloren. 

De blinkende kuiten in zinnenprikkelende sandalen staan nog hard van de eerste dag feesten tussen de mazen van de Ploegsteert. De nasmaak van de laatste zaterdagse pint, wordt doorgespoeld met een Westvleteren - of, iets eerlijker, een koffie en een Dafalgan 1000 - onder de kerktoren van Dranouter, alwaar Wannes Cappelle gisteren staande ovatie na staande ovatie mocht ontvangen. 

Dranouter draagt dit jaar de klinkende ondertitel ‘Festival of New Traditions’ -  daarmee slim inspelend op de tijdsgeest, die vergeten groenten verteert, lokaal produceert en timmermannen en andere ambachtslieden stilaan herwaardeert. 

Hier lijkt de iets rodere kant van het politieke spectrum haar Vlaamse roots te mogen vieren - bijvoorbeeld door Willem Vermanderes ‘Ik plantte ne keer patatten’ ten berde te brengen voor de serveuse bij het bestellen van een friet met stoofvleessaus. Maar ook blauwe boeren, dorpse tsjeven en groene belijders van het bakfietsgeloof, vallen elkaar verliefd in de armen onder de klokkentoren van Dranouter city

En hier worden West-Vlamingen gemaakt - redelijk letterlijk soms, zo dachten we toch te horen in de twee Dixies voor de Sint-Jan-De-Doperkerk. Zelfs ons Brussels bloed werd week van de West-Vlaamse ongedwongenheid rondom het epicentrum van café ‘De Zon’. 

Zoete spekken

Mama’s en papa’s brachten hun eigen kweek mee naar de weide: met steeds minder dof wordende oogopslag (de iPad mocht niet mee) flaneren de West-Vlaamse kinderen over hun eerste festivalsite. In de Sint-Bernardustent wordt ‘Oh, Champs Elysées’ gezongen als ‘Oh, nonkel Roger’, en de verkiezingen voor een voorzitter van de vereniging van de Dikke Busstraat - een plaatselijk theatercollectief - is meer gank dan een Aalsterse prinsenwedstrijd. Héél erg gank, dus, met de nodige vetzakkerij van dienst. 

In de speeltent kan je wedden op je eigen kinderen - of die van anderen, als ze dat meer hebben verdiend. Ze strijden om de eer van het luidste stemgeluid, en krijsen loeihard ieders trommelvliezen aan flarden.

Vanuit de nok van de grote tent hangen flanellen dekentjes als vers gewassen vaatdoeken naar beneden, eronder wordt geduldig gewacht op de komst van burgervader Jan De Wilde. De PhalliusImpudicus komt, zoals voorspeld, langzaam tot wasdom op de wei bij het zien van alle glanzende gezichten tijdens ‘Daar is De Lente’. En de kinderen  hebben er geen oren naar - ze zouden onze sprookjes toch niet begrijpen.

Leentjebuur

“Dit is Erik - hij bespeelt alle gitaren. En een applausje voor onze altvioliste, ook, graag”, vraagt Jan De Wilde beleefd aan zijn publiek.

De artiestengage wordt hier verdeeld onder hoboïsten, frontzangers, bugelspelers, slagwerkers, violisten en milledju, zelfs de triangelspeler krijgt de hele dag betaald - al die sprankelende klanken! Door het keelgat van de zanger galmen woorden als ‘tabbaard’, en het is niet het enige archaïsme waar we ons taalminnende hart als aan ophalen. De Wilde speelt, natuurlijk, ‘De Eerste Sneeuw’, en onze armen gaan de lucht in bij ‘De Fanfare van Honger en Dorst’ - twee nummers van de Gentse Lieven Tavernier, die hier nog geen halfuur later het publiek oorstrelend bemint. 

  

Even later druipen enkele tranen van diezelfde Tavernier tot in zijn puntige snor van ontroering. De sympathiekste bard wandelt in spijkerbroek en bergbottines over het podium, en gluurt goedkeurend en gepakt over de partituren van zijn muzikanten. “Alle West-Vlaamse bootvluchtelingen zijn vanaf heden welkom in Gent”, verklaart de man.

Tegen de avond krijgen ook popprinsessen en synthesizers hun plaats tussen de strijkers en bards. Ter hoogte van Stefanie Callebouts knieën zwiert een paar gigantisch naakte borsten heen en weer, maar hier wordt niemand scheef bekeken om zijn stilistische voorkeuren. Misschien had ze haar bijzondere kleed wel in de Kringloopwinkel op de weide gehaald, waar nogal wat grapjurken en travestieten-voor-één-nacht overigens een ietwat frivoler tenue hadden bij elkaar gezocht.

Voor de liefhebbers

Veel inwoners uit de omstreken genieten van de sfeer die Dranouter ook buiten de betalende tenten kenmerkt. In de omringende garages en brasseries weerklinken dubstep-remixes van Adèle en The Rolling Stones, en ‘t Hof van Commerce wordt te pas en te onpas meticuleus meegerapt. 

 “Wo goaje doen mit de prijs van de bierkaarting, jongen?” Een kok, een wielrenner en een boer in café De Zon kijken een andere jongeman vragend aan, wiens gezichtsuitdrukking schippert tussen gelukzalige verbazing en het sterven van vele doden. 

“VELE POEPEN”, antwoordt de bleke snaak - al won hij geen vrouw, maar een bak bier met het wedstrijdje manillen eerder op de dag. Luistervinkend worden we aangeklampt door de plaatselijke burgemeester in spé, gehuld in een vrolijk shirt met fluo palmboompjes, die ons probeert te overhalen om zijn fruitbedrijf te vermelden in dit artikel (bij deze). 

 Er komen plaatselijke legendes voorbij, en plaatselijke legendes worden geschreven.  Voor de liefhebbers vlogen ook de spreekwoorden in het rond. “No Gilette- No Minette!”, “'t Es plezant in het scheuvelland”,  “Kijk daar, iemand met de ziekte van Edel - Hij heeft meer haar op zijne zak, dan op zijne schedel!” - wij verwijzen graag door naar Google of het West-Vlaams spreekwoordenboek ter vertaling. Zeker is dat het taalspel met liefde en verve werd gespeeld.

't E tit dat ut is, beslisten we, na de laatste traktatie van een groep wielrenners die ons het belang van een goede minnares op het hart drukten, te aanvaarden. Merci, schoon Heuvelland. Dranouter is cultuur met een klein hartje. Alle cynisme daaromtrent mag u voor één keer steken woada de zonne ni skint.   

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?