De acht hoogtepunten van het Deense Tønder festival

, door (ds)

20

1. Daniel Norgren

De beste Americana komt dezer dagen uit de Zweedse bossen en staat op naam van Daniel Norgren. Dat hebben ze intussen zelfs in de VS en Canada begrepen, waar de man eerstdaags aan een lange tournee begint. Samen met zijn band speelde hij op Tønder twee broeierige sets, waarin hij nummers uit zijn jongste plaat ‘Dooh Dang’ afwisselde met ouder spul dat voornamelijk uit ‘Buck’ werd gelicht. Norgren, die zijn concert begon en eindigde aan de piano, was weinig spraakzaam, maar zijn emotioneel geladen songs, in de geest van The Band en Van Morrison, spraken boekdelen. De zanger meende ieder woord dat hij op de tong nam en zijn begeleiders legden instinctief de juiste accenten. 

Rusteloosheid en onbehagen stonden centraal in het bluesy ‘Moonshine Got Me’, waarin Norgren zijn gitaar liet huilen als een vondeling in een verlaten steegje. In het gelaagde ‘Black Vultures’ verwees zijn snarenspel naar Daniel Lanois, terwijl het uitgesponnen ‘Music Tape’ van ambient noise en psychedelische kleuren was voorzien. ‘Let Love Run the Game’ en ‘Rolling Rolling Rolling’ waren iets lichter verteerbaar, maar Daniel Norgren vertikte het nadrukkelijk de massa op te vrijen. Zijn muziek was te nemen of te laten, inclusief de scherpe uitsteeksels en roestige weerhaakjes. Het publiek, dat duidelijk het noorden niet kwijt wilde raken, gaf zich met plezier gewonnen. Wereldklasse.

2. Patty Griffin

Tot in 2014 was ze de levensgezellin van Robert Plant en had ze een lidkaart van diens Band of Joy op zak. Toch dankt Patty Griffin haar reputatie vooral aan haar soloplaten, waarop ze folkrock, country, gospel en blues op een hoogst eigen manier aan elkaar klinkt. De 55-jarige zangeres kan door één deur met Lucinda Williams en Rosanne Cash en schrijft pakkende songs waar ook Linda Ronstadt, Emmylou Harris, Bette Midler en de Dixie Chicks hun voordeel mee doen. Na een lange strijd tegen borstkanker, kwam ze dit voorjaar eindelijk met een nieuwe langspeler op de proppen. 

Hoewel Griffin autobiografische details niet schuwt, schrijft ze vooral over personages die te maken krijgen met migratie, moreel verval, opportunisme en politiebrutaliteit. Live bracht de Amerikaanse, met de hulp van gitarist David Pulkingham en manusje-van-alles Conrad Choucroun, oud en nieuw werk (het bitterzoete ‘River’, het in r&b gedrenkte ‘The Wheel’), waarmee ze haar stilistische veelzijdigheid dik in de verf zette. Ze vertelde honderduit over haar inspiratiebronnen (MLK, schrijfster Toni Morrison) en met haar gekartelde stem herinnerde ze afwisselend aan Billie Holiday en Bessie Smith. Maar la Griffin was zeker niet gespeend van humor. ‘Heavenly Day’ kondigde ze aan als ‘mijn enige lovesong’, geschreven voor… mijn hond’.  Een dame naar ons hart, kortom. U moest haar eens één van uw oren lenen.

3. Chris Smither

‘Eigenlijk kwam ik om Groenland te kopen, maar toen zag ik dat jullie ook een festival hadden’, grijnsde Chris Smither, een 74-jarige kwajongen die opgroeide in New Orleans, waar hij zich gulzig laafde aan de Zuiderse folk- en countrybluestradities. Zijn discografie omvat zeventien langspelers, waarvan de recentste, Call Me Lucky, van vorig jaar dateert. Smither is een levende legende die dames als Bonnie Raitt, Emmylou Harris en Diana Krall in het verleden al van songmateriaal voorzag.

Met zijn gegroefde stembanden klonk hij als iemand die een turbulent leven achter de rug had, maar gelukkig zelf om zijn misstappen kon lachen. Zijn teksten waren dus geestig en gevat en met zijn akoestische gitaarspel, dat dreef op een soepele fingerpickingtechniek, deed hij je regelmatig sterretjes zien. In ‘Don’t Call Me Stranger’ of ‘No Love Today’ wisselde Chris Smither zelfspot af met filosofische one-liners, maar daarnaast toonde hij zich een bevlogen vertolker van andermans werk. Zo wist hij te verrassen met een mineurversie van Chuck Berry’s ‘Maybelline’ en liet hij Blind Willie McTell’s ‘Statesboro Blues’ knallen als een handvol voetzoekers dat in het haardvuur werd geflikkerd. Ook als zeventiger kun je dus nog vitaal uit de hoek komen.

4. Delgres

‘Fight / Struggle /Combattre / Survivre’, luidde het refrein van één van de nummers van Delgres. Daarmee was de toon gezet. Het trio uit Nantes speelde combat rock, volgens het recept van The Clash: in het Creools gezongen protestmuziek met echo’s uit de deltablues. Frontman Pascal Danaë, afkomstig uit Guadaloupe, noemde zijn band naar een vrijheidsstrijder die zich in 1802 verzette tegen de troepen van Napoleon en zijn strijd tegen de koloniale onderdrukker met zijn leven bekocht. 

‘Het geheugen is als een drum’, stelde de zanger. ‘Het kan geen kwaad er nu en dan een flinke mep op te geven’. Het lijflied van Delgres heette ‘Respecté Nou’, waarin strijdbaarheid en Caraibische good vibes zich onder één hoedje verscholen. Soms klonk Delgres als een mediterrane versie van Led Zep, wiens ‘Whole Lotta Love’ in hun handen een opmerkelijke facelift kreeg. Maar via hun souzafoonspeler, die instond voor de basnoten, laafden de Fransozen zich ook aan de muzikale bron die New Orleans heet. Hun missie: feesten met een boodschap. Het oververhitte publiek stribbelde alvast niet tegen. 

5. A Tribute to John Pirne

Voor zijn 45steeditie had Tønder met John Prine een mooie afsluiter gestrikt. En toen sloeg het noodlot toe: de voormalige postbode diende, door zijn wankele gezondheid, zijn Europese tournee ter elfder ure af te zeggen. Uiteindelijk maakten de organisatoren van de nood een deugd en trommelden ze alle aanwezige artiesten op om een hommageconcert op poten te zetten. Zo werd meteen duidelijk hoezeer de inmiddels 72-jarige Prine diverse songwritergeneraties heeft geïnspireerd. 

Uiteraard waren niet alle vertolkingen even spannend, maar op het materiaal viel alvast weinig af te dingen. De artiest uit Illinois heeft immers een schatkist vol liedjes afgeleverd waarin het heerlijk graaien is. Bovendien bewezen new-countryzangeres Caitlin Canty (‘One Red Rose’), folkrocker Max Gomez (‘Fish & Whistle’), bluesman Luke Winslow-King (‘Summer’s End’) en de spirituele Australiër William Crighton (‘Illegal Smile’) dat ze zowel doordrongen waren van John Prines laconieke humor als van diens observatievermogen. Of hoe een pleister op een houten been toch nog voor enige soelaas zorgde.

6. Gregory Alan Isakov

Hij werd geboren in Zuid-Afrika, maar als tiener verkaste hij met zijn ouders naar de VS om verlost te zijn van het apartheidsregime. Vandaag opereert Gregory Alan Isakov vanuit Colorado, waar hij een succesvol landbouwbedrijf runt. Geen wonder dus dat zijn vorig jaar verschenen zevende lp een eeuwigheid op zich liet wachten. 'Evening Machines' is een nachtplaat vol tijdloze, intimistische nummers: het ene moment zachtjes smeulend, het andere licht ontvlambaar als een hooischuur. Isakov en band kozen afwisselend voor een akoestische en elektrische inkleuring. Ze hanteerden een gevarieerd palet waarin viool, banjo, aangestreken contrabas en etherische harmony vocals zich om beurten op de voorgrond wurmden. 

De songs, met ‘Chemicals’ en ‘Dark Dark Dark’ als uitschieters, waren steevast van een kwaliteitsstempel voorzien. Isakov, die Kelly Joe Phelps, Bruce Springsteen en Leonard Cohen tot zijn grootste invloeden rekent, speelde slim met klankkleur en dynamiek en bracht ook enkele nummers solo of met zijn muzikanten in een kring rond één microfoon geschaard. Aanwezige genetici hoorden gewis een verwantschap met Josh Ritter, Jackson Browne en Bob Dylan, ten tijde van Desire. Ruim voldoende om Isakov met een goed rapport naar huis te sturen.

7. Dan Sultan 

In zijn thuisland Australië mocht hij al het podium delen met The Boss en zodra Dan Sultan in Tønder het verhoogje besteeg, begreep je waarom. De zanger had een stem als een klok en zijn setlist bestond uit een pittige cocktail van rock-’n-roll, soul, country en powerpop. Sultan, die het publiek in zijn eentje trotseerde, speelde afwisselend grofkorrelige elektrische gitaar en piano. Niets mis mee, maar af en toe miste je toch een band. Dat was het geval in ‘Kimberley Calling’, een pakkende song over Sultans moeder, die, omwille van haar aboriginal-afkomst, als kind uit haar gezin werd weggeplukt om, op last van de Australische autoriteiten, een ‘blanke’ opvoeding te krijgen. 

Dan Sultan stelde zich wel vaker kritisch op tegenover de wijze waarop de inheemse bevolking ‘down under’ politiek onder de duim wordt gehouden. In ‘Rover’ had hij het bijvoorbeeld over geschonden landrechten. Maar ook de love songs uit zijn jongste lp ‘Aviary Takes’ klonken behoorlijk intens. Eén minpuntje slechts: soms dreigde de man iets teveel pathos in zijn liedjes te stoppen. Nergens voor nodig: het publiek at vanzelf al uit zijn hand.

8. Trio Svin

Wie folk nog altijd met doedelzakken en klompendansen associeerde, kreeg lik op stuk van het Deense Trio Svin. De ambitie van ‘de drie zwijnen’ was de wereld een beetje lelijker achter te laten dan ze hem hadden aangetroffen en die ambitie maakten ze helemaal waar. Tijdens het programma-onderdeel ‘Folk Spot DK’ speelden ze schrapende punk- en metalriffs op akoestische gitaar, fiddle en percussie. Dat deden ze sneller dan hun schaduw en een gulle dosis subversieve humor. Qua energie hoefde hun set niet onder te doen voor AC/DC of de Ramones, zodat Trio Svin de tent in een oogwenk op haar kop zette en het publiek vervaarlijk aan het pogoën kreeg. De Denen schrokken er overigens niet voor terug de aanwezigen tegen de haren in te strijken. ‘Het was leuk te spelen voor u, u, u en u’, meldden ze tot afscheid. ‘Maar al de rest kan wat ons betreft glorieus de boom in!’ Hooligans, meneer. Je komt ze tegenwoordig echt overàl tegen.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?