The Sisters Brothers

, door ()

1

Sinds die cowboy in ‘The Great Train Robbery’ (1903) zijn revolver recht op het ontzette publiek richtte, is het westerngenre al duizend keer doodverklaard en al duizend keer opnieuw uitgevonden (al dient gezegd dat wij nog steeds zitten te wachten op de eerste opvouwbare western). Van de visuele poëzie van ‘Stagecoach’ tot het esthetische slowmotiongeweld in ‘The Wild Bunch’, van de melodramatische spaghettiwesterns van Sergio Leone tot de zware somberte van Eastwoods ‘Unforgiven’: door de jaren heen zijn

cineasten er steeds weer in geslaagd om de conventies van het genre door elkaar te schudden en om iets verrassends te doen met de mythes van het Wilde Westen. En ook met ‘The Sisters Brothers’ verschijnt er deze week een western in de zalen die niet alleen heerlijk fris en volslagen apart aanvoelt, maar zelfs één van de betere films van het jaar mag worden genoemd. En hij is van een Fransman! Het is immers Jacques Audiard, de maker van ‘Un prophète’ en ‘De rouille et d’os’, die aan de slag is gegaan met de gelijknamige roman van Patrick deWitt en zijn sublieme cinematografische skills op de prairie heeft losgelaten.

Het verhaal: John C. Reilly en Joaquin Phoenix spelen twee huurmoordenaars die anno 1851, toen heel Amerika in de ban was van de goudkoorts, in opdracht van The Commodore (Rutger Hauer) jacht maken op een nogal rare goudzoeker (Riz Ahmed). Tot op zekere hoogte voelt de spirit van ‘The Sisters Brothers’ vertrouwd aan: de paarden briesen, de kampvuren flakkeren, en de neergeschoten booswicht mag, precies zoals dat hoort, met een gemeen lachje een klodder bloed in het zand spuwen. Maar al tijdens de allereerste shoot-out voel je dat je naar iets speciaals zit te kijken: in plaats van een fotogenieke schietpartij, zien we alleen maar enkele vlammetjes in het donker oplichten. En wanneer Audiard de cowboys in een saloon massaal in een dreunende en stampende rondedans laat losbarsten, waarbij de vloer van de bioscoop lijkt mee te trillen, besef je pas écht dat je niet in een alledaagse western zit.

Het unieke aan ‘The Sisters Brothers’ is dat de film een wonderlijk evenwicht vindt tussen bikkelhard realisme, ziekelijke humor (het spinnetje!), bijtende maatschappijkritiek (Amerika: het land van de hebzucht), en onverwachte sentimentaliteit. Zo zijn de broers geen typische gunslingers die vanuit de heup schieten en de revolvers nog eens rond de wijsvinger laten tollen, maar twee oudere mannen die worstelen met hun verleden en stilaan naar een thuis verlangen. Die onverwachte tedere dimensie van ‘The Sisters Brothers’ vloeit voor een groot stuk voort uit de warme wisselwerking tussen de twee hoofdacteurs: Phoenix is geweldig op dreef als de drankzuchtige Charlie, en hoe heerlijk is het om eeuwige bijrolacteur John C. Reilly eindelijk eens te zien schitteren in een hoofdrol. Het enige wat we Audiard kunnen verwijten, is dat de ultieme boodschap nét iets te klef en te nadrukkelijk aanvoelt. Een western die tegelijk op de lachspieren werkt, de pistolen laat knallen én recht naar het hart gaat: zo maakte zelfs John Wayne ze niet.

Humo's tv-tips in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: