null Beeld Netflix
Beeld Netflix

Kijktip‘Monsters Inside: The 24 Faces of Billy Milligan’

De 24 persoonlijkheden van Billy Milligan: ‘Soms praten we inwendig, en dan weet niemand dat het gebeurt, en soms hardop’

William Stanley Milligan is een zevenentwintigjarige Amerikaan die jaren geleden terechtstond omdat hij drie vrouwen had ontvoerd, verkracht en beroofd. Door de rechtbank werd hij echter onschuldig bevonden wegens ontoerekenbaarheid. Milligan heeft namelijk wat een multiple personality wordt genoemd, een zeer zeldzame psychische afwijking die erop wijst dat iemand verscheidene autonome persoonlijkheden in zich herbergt. In Milligans geval zijn het er vierentwintig. Dit is de neerslag van talloze op band opgenomen interviews met Milligan zelf, zijn familieleden, vrienden, psychiaters en advocaten.

Op Netflix kunt u kijken naar ‘Monsters Inside: The 24 Faces of Billy Milligan’.

Columbus, Ohio (VS), oktober 1977. De campus van de Ohio State University stond onder strenge bewaking. Gewapende politiemannen reden in patrouillewagens rond, en op de daken stonden scherpschutters klaar. Vrouwen werden door de politie aangemaand niet langer alleen op straat te lopen. Voor de derde keer in nog geen twee weken was hier immers een jonge vrouw ontvoerd, tussen 7 en 8 uur ‘s morgens. Telkens had de ontvoerder zijn slachtoffer gedwongen in haar eigen auto naar een afgelegen plek op het platteland te rijden, waar hij haar verkracht had en van haar geld beroofd. Binnen de universiteitsgemeenschap steeg de spanning, en de politie van Columbus werd onder zware druk gezet om de man te vinden die door de plaatselijke kranten en omroepstations de ‘maniak van de campus’ werd genoemd. Alle feiten wezen in de richting van één en dezelfde dader; een blanke man van vooraan in de twintig met roodbruin haar. De eerste twee keren had hij dezelfde kleren gedragen: een bruin joggingpak en witte gymschoenen.

Carrie Dryer, het eerste slachtoffer, zei dat haar verkrachter handschoenen aan had en haar met een kleine revolver in bedwang had gehouden. Af en toe trilden zijn ogen, zei ze, wat ze als een symptoom herkende van de aandoening nystagmus. Toen hij haar verkracht had, zei hij haar: ‘Als je de politie mijn persoonsbeschrijving geeft, dan stuur ik iemand anders op jou of een lid van je familie af.’ En als om te bewijzen dat het hem ernst was, schreef hij een aantal namen uit haar adresboekje over.

Donna West, verpleegster die een week nadien werd ontvoerd, zei dat haar aanrander een automatisch pistool bij zich had. Aangezien hij een zonnebril droeg, had ze zijn ogen niet kunnen zien, maar er was iets met z’n handen er zaten niet echt vuile, maar toch olieachtige vlekken op. Op een bepaald ogenblik zei de man dat hij ‘Phil’ heette. Hij vloekte vaak. Ook dit keer noteerde hij namen uit het adresboek van zijn slachtoffer en waarschuwde haar dat een ander lid van de ‘broederschap’ waarvan hij deel uitmaakte, haar of een van haar familieleden ‘mores zou leren’ als hij in de kranten zijn persoonsbeschrijving las.

Het derde slachtoffer, Polly Newton, werd ontvoerd vóór haar woning, vlakbij de campus. Nadat ze de blauwe Corvette van haar vriend had geparkeerd, dwong een gewapende man haar terug in te stappen en naar een verlaten bos te rijden, waar hij haar verkrachtte. Toen verplichtte hij haar naar Columbus terug te rijden en twee checks te innen. Het geld stak hij zelf op zak. Nadat ze was gedwongen in een andere bank een derde check te verzilveren, zei hij haar: ‘Hou dit geld maar voor jezelf.’ De man vertelde haar dat hij lid was van een terroristische organisatie.

Een pizza voor Milligan

Donna West zat aan een tafel in het politiehoofdkwartier met voor zich drie laden vol foto’s van verdachten: mensen die vroeger al in aanraking met het gerecht waren gekomen. Halfweg de tweede lade stopte ze plots bij de foto van een knappe jongeman met bakkebaarden en matte, somber starende ogen. Ze sprong recht, zo bruusk dat ze haar stoel haast omver stootte. ‘Dat is-ie! Dat is-ie! Absoluut zeker van!’ riep ze.

De politieman naast haar, Eliot Boxerbaum, zocht de naam op die met het nummer onderaan de foto overeenstemde en noteerde op een speciaal formulier: ‘William S. Milligan’. Milligan was tweeëntwintig. Hij was zes maanden tevoren voorwaardelijk vrijgelaten uit de strafinstelling van Lebanon, Ohio waar hij gevangen zat wegens verboden wapenbezit en overval. Ook Polly Newton nam de stapel foto’s door. Bij Milligans foto gekomen, aarzelde ze: ‘Gossie’, zei ze, ‘daar lijkt hij wel héél erg op, maar of hij het ook werkelijk is? Ik zou het niet durven zweren.’

Een poosje later bracht men Boxerbaum een rapport waaruit bleek dat de vingerafdrukken die in de Corvette van Polly waren gevonden wel degelijk aan Milligan toebehoorden. Dat was voor Boxerbaum voldoende om Milligan te arresteren. Dat Carrie Dryer hem niet onder de foto’s teruggevonden had, was niet belangrijk aangezien haar beschrijving van de dader — het bruine joggingpak e.d. — vrijwel helemaal overeenstemde met het verslag van Donna West.

Diezelfde avond nog vertrok officier Boxerbaum met zes andere politiemannen naar Milligans officiële adres, op tien minuten van de campus vandaan. Er brandde licht in zijn flat. Een van de politiemannen, Craig, had een doos bij zich met een pizza erin. Hij schreef erop: ‘Milligan, 5673 Old Livingston’, het adres waar de pizza zogezegd besteld moest worden. Op die manier zouden ze de gevaarlijke campusmaniak uit zijn tent kunnen lokken en inrekenen. Craig belde aan. Geen antwoord. Hij belde opnieuw en hoorde duidelijk lawaai in de flat. Eén hand hield hij onder de pizzadoos, de andere achteloos op zijn achterzak waar hij zijn revolver wist. Intussen hadden de anderen het huis omsingeld. Boxerbaum zag van waar hij stond een jongeman in Milligans flat in een fauteuil naar de televisie zitten kijken. Hij zag de man opstaan om de deur te openen. Toen Craig voor de derde keer belde, zag hij iemand door het glazen venster in de deur naar buiten kijken.

De deur ging open, een jongeman stond hem aan te staren met een wazige blik. Hier is uw pizza’, zei Craig. ‘Ik heb geen pizza besteld.’ ‘Dit is nochtans het adres dat ze me hebben doorgegeven. Kijk maar: William Milligan. Is dat uw naam?’ ‘Nee.’ ‘Wel, iemand hier in dit huis heeft deze pizza besteld’, zei Craig, ‘wie bent u dan?’ ‘Dit is de flat van mijn vriend.’ ‘En waar is die?’ ‘Nou, niet hier op het ogenblik.’ De jongeman sprak op een matte, weifelende toon. Craig liet zijn pizzadoos vallen, greep naar zijn wapen en hield het tegen het achterhoofd van de verdachte: ‘Niet bewegen! Ik weet dat je Milligan bent!’ Hij deed hem de handboeien om. ‘Waar is dat voor nodig?, zei de jongeman, die er totaal verbijsterd bij stond. ‘Ik heb toch niks misdaan?’

Billy Milligan Beeld Netflix
Billy MilliganBeeld Netflix

Heb ik iemand pijn gedaan?

Terwijl officier Craig hem in bedwang hield, doorzochten Boxerbaum en de andere politiemannen Milligans flat. Ze vonden het bruine joggingpak op het bed. In een ingemaakte kast lagen kredietkaarten op naam van Donna West en Carrie Dryer, naast boodschappenlijstjes en andere paperassen van de vrouwen. Onder de fauteuil waarin de verdachte naar de televisie had zitten kijken, vond iemand een negen millimeter magnum Smith and Wesson. ‘Bekijk dit eens’, riep Boxerbaum toen. Hij wees naar een groot schilderij van een koningin of alleszins een aristocratische dame uit de achttiende eeuw, gekleed in een blauwe jurk met kanten kraag. De schilder had ongetwijfeld een uitstekend oog voor detail. Het doek was ondertekend met ‘Milligan.’

‘Prachtig’, zei Boxerbaum. Hij zag nog een heleboel andere schilderijen tegen de muur staan, samen met verf en penselen. Toen klapte hij met zijn hand tegen z’n voorhoofd. ‘Natuurlijk, de vlekken waar Donna West het over had. Dáár komen ze vandaan, van de verf!’ Toen wendde hij zich tot de verdachte. ‘Heb jij dat doek geschilderd? Het is prachtig.’ ‘Nee’, klonk het suf. ‘Het is toch ondertekend met Milligan.’

De moedervlek in de hals, die op de politiefoto duidelijk zichtbaar was, vormde het bewijs dat deze jongeman wel degelijk Billy Milligan was. Maar van de nystagmus die Carrie Dryer had opgemerkt, was geen spoor te bekennen. ‘Kijk, Bill’, begon Boxerbaum, ‘je wordt beschuldigd van verkrachting. Je weet wel, die drie meisjes op de campus. Wil je daar niet over praten?’ Milligan keek op, geschokt. ‘Wat is er gebeurd? Heb ik iemand pijn gedaan?’ ‘Je hebt hen verteld dat je andere mensen op hen af zou sturen. Welke mensen bedoelde je?’ ‘Oh, ik hoop dat ik niemand pijn heb gedaan. ‘Kende je niemand van de meisjes?’, vroeg Boxerbaum. Milligan antwoordde: ‘Wat vertelt u toch voor rare dingen.’ Dan, na een korte pauze: ‘Mijn zus zal me haten als ze dit hoort.’ ‘Luister, Bill’, zei Boxerbaum, ‘je hebt drie vrouwen verkracht en daar wil ik het met jou over hebben.’ ‘Werkelijk waar?’, vroeg Milligan, ‘heb ik iemand pijn gedaan? Ik hoop dat ik niemand pijn heb gedaan. En indien wel, dan spijt het me.’ Toen gaf Boxerbaum het op. Milligan werd meegenomen naar het politiekantoor.

Misschien ben ik wel gek

Hij zat ineengedoken in een hoek van zijn cel in de gevangenis van Franklin County, hij beefde over heel zijn lichaam. Het was alsof hij ging stikken. Plots vielen zijn ogen dicht en werd hij rustig, maar na een minuut of wat keek hij in verwondering naar de muren, het toilet, de brits. ‘Oh God, nee!’ riep hij uit, ‘niet opnieuw!’ Hij zat nu op de vloer en staarde met een doffe blik in de ruimte. Toen hij echter kakkerlakken zag rondkruipen veranderde hij weer helemaal van houding. De wezenloze uitdrukking maakte plaats voor een kinderlijke glimlach. Hij kruiste zijn benen, boog zich voorover, steunde zijn kin met zijn handen en genoot zichtbaar van het schouwspel.

Gary Schweickart was de raadsman die in Franklin County aan het hoofd stond van de ‘Public Defence’, een kantoor van advocaten die in staatsdienst de verdediging van min-vermogende beschuldigden op zich nemen. De job van public defenders bestaat er ondermeer in, de rechten te beschermen van verdachten die in voorarrest zitten. In de meeste gevallen waarbij het waarschijnlijk was dat de politie de verdachte in zijn cel nog verder zou ondervragen, wees Schweickart een van zijn medewerkers aan om de gearresteerde in de gevangenis bij te staan. Maar dit was geen routineonderzoek. Gezien de ongewone aandacht die de media hadden besteed aan de campusmaniak, verwachtte Schweickart dat het politiedepartement van Columbus Billy Milligan extra onder druk zou zetten om een schuldbekentenis van hem los te krijgen.

Schweickart besloot deze zaak zelf in handen te nemen. Hij reed naar de gevangenis om Milligan gewoon te zeggen dat hij, Schweickart, zijn advocaat wilde zijn, en om hem te waarschuwen tegen niemand iets te zeggen behalve tegen zijn eigen raadsman. ‘Ik weet niks over de dingen die ik zogezegd gedaan zou hebben’, begon Milligan meteen. ‘Ik herinner me niets van dat alles! Ze kwamen binnen bij mij thuis en arresteerden…’ ‘Luister, ik ben alleen hierheen gekomen om mezelf voor te stellen’, viel Schweickart hem in de rede. ‘Dit is niet de plaats noch het ogenblik om over de feiten te beginnen. Morgen of overmorgen houden we een eerste privégesprek.’ ‘Maar ik herinner me niks van de dingen die ik gedaan zou hebben. Ze hebben die spullen in mijn flat gevonden en…’ ‘Rustig maar’, zei Schweickart, ‘de muren hebben oren. Als je een eerlijk proces wilt, zwijg dan nu in alle talen over de feiten.’

Milligan bleef zijn hoofd schudden en in zijn nek wrijven. Uiteindelijk mompelde hij: ‘Pleit me onschuldig. Ik denk dat ik misschien wel gek ben. Is er geen vrouwelijke advocaat die me kan bijstaan?’ ‘We hebben een advocate, ja, ik zal zien wat ik voor je kan doen.’ Het zou een moeilijk karwei worden, dacht Schweickart toen hij de cel verliet, met zo’n paniekerige zenuwknoop als deze kerel. Het vreemde was dat hij de misdaden niet ontkende, hij beweerde alleen maar dat hij ze zich niet herinnerde. Dat was een ongewone houding.

Terug op kantoor liep hij langs het bureau van zijn collega Judy Stevenson. ‘Nou, raad eens wie naar jou gevraagd heeft’, zei hij. Hij gooide de Columbus Dispatch op haar werktafel en wees naar de politiefoto op de voorpagina onder de kop: ‘’Verdachte gearresteerd in verband met campusverkrachtingen’. Toen Judy het antwoord schuldig bleef, zei Schweickart ‘Hier, de campusmaniak is voor jou, Judy. Geluk ermee.’

Niks kan me nog schelen

Op 3 november 1977 werden negen aanklachten tegen Billy Milligan ingediend: ontvoering (driemaal), roof (driemaal) en verkrachting (driemaal). Bernard Yavitch, de openbare aanklager, ging er prat op nog nooit een verkrachtingszaak te hebben verloren voor een jury. ‘Wat zitten jullie de tijd nog te verspillen met die Milligan’, zei hij tegen Gary Schweickart tijdens een voorbereidende bijeenkomst in het gerechtsgebouw. ‘Deze zaak is waterdicht: de vingerafdrukken kloppen, de slachtoffers hebben z’n foto herkend. Jullie kunnen er niet onderuit : Milligan is de dader, en hij zal ervoor boeten.

‘Nounou, zover zijn we nog niet’, zei Gary. ‘s Anderendaags kreeg Gary een telefoontje uit de gevangenis: William Milligan had geprobeerd zelfmoord te plegen door met zijn hoofd tegen de muur van zijn cel te beuken. ‘Als hij zo doorgaat zal hij niet lang genoeg leven om het proces te doorstaan’, zei Gary tegen Judy. ‘Ik denk eerder dat hij er mentaal niet toe in staat is’, zei Judy. ‘Volgens mij moeten we de rechter vertellen dat hij niet toerekenbaar is en dus niet voor de rechtbank kan verschijnen.’ ‘Je wilt hem door een psychiater laten onderzoeken?’

‘Dat moeten we wel, vind ik’, zei Judy. ‘Ik zie de krantenkoppen al voor me’, gromde Gary. ‘Wat heeft dat nou voor belang. Er is echt wel iets mis met die jongen,’ zei Judy. ‘Ik weet niet exact wat er scheelt, maar als hij zegt dat hij zich niks van de verkrachting herinnert, dan geloof ik hem.’ Daarop reed Judy naar de gevangenis om te zien hoe Milligan het maakte na zijn zelfmoordpoging en om hem eventueel aan de tand te voelen over de bewijsstukken die de politie in zijn flat gevonden had. Hij was er fysiek duidelijk niet erg aan toe, maar ze zag de wanhoop in zijn ogen toen hij haar zei:’”U denkt dat ik het gedaan heb, hè?’ ‘Wat ik denk is niet belangrijk’ zei Judy. ‘Maar die stukken zijn nou eenmaal bij jou thuis gevonden. En daar moeten we een verklaring voor kunnen geven.’

Ze zag plots de wazige blik. Het was alsof hij zich volledig in zichzelf terugtrok, alsof hij elk contact met haar verloor. ‘Het geeft niks’, zei hij gelaten. ‘Niks kan me nog schelen.’

De avond van de dag nadien kreeg Gary Schweickart opnieuw telefoon uit de gevangenis. ‘Uw cliënt heeft weer geprobeerd zelfmoord te plegen.’ ‘Verdomme, wat heeft-ie nu gedaan?’ ‘Nou, u zult me niet geloven, maar we zullen klacht tegen hem moeten indienen wegens vernieling van provinciaal eigendom. Hij heeft de toiletpot verbrijzeld en met een porceleinen scherf heeft hij getracht zijn polsen over te snijden.’ ‘Goeie genade.’ ‘En dat is nog niet alles, meester. Er is echt wel iets vreemds aan uw cliënt. Hij verbrijzelde de pot met zijn blote vuist.’

Schweickart en Stevenson kregen het voor mekaar dat rechter Flowers, die de zaak van de campusmaniak onder zijn bevoegdheid had, een psychiatrisch onderzoek toestond. Milligan zou worden onderzocht in het Southwest-instituut voor geesteszieken van Columbus. Gary en Judy beschouwden Flowers’ besluit maar als een halve overwinning, want het was bekend dat de psychiaters van het instituut doorgaans de zijde kozen van het openbaar ministerie, tégen de verdachte dus.

Dwangbuis

Om verdere zelfmoordpogingen te voorkomen besloot de gevangenisdirecteur om Milligan naar een speciale isolatiecel te verhuizen vlakbij de infirmerie. Hij werd bovendien in een dwangbuis gestopt. Enige uren na de verhuizing ging de gevangenisarts kijken hoe het met Milligan gesteld was. Hij kon zijn ogen niet geloven en riep er de bewaker bij. Ook diens mond viel open van verbazing. Milligan lag in slaap. Hij had zijn dwangbuis uitgetrokken en gebruikte hem als hoofdkussen.

David

Dorothy Turner was de psychiater die Milligan zou onderzoeken. Ze wachtte in de speciale conferentiekamer van de gevangenis op de komst van Milligan. Toen de deur openging zag mevrouw Turner een aardige jongeman van ongeveer een meter tachtig groot worden binnengeleid. Hij had een zware snor en lange bakkebaarden, maar uit zijn ogen straalde een kinderlijke angst. Hij leek aanvankelijk verrast toen hij haar zag, maar zodra hij in de stoel over haar zat, glimlachte hij, zijn handen gevouwen op zijn knieën.

‘Meneer Milligan’, zei ze, ‘mijn naam is Dorothy Turner. Ik werk in het Southwest-instituut, en ben hier heen gekomen om u een paar vragen te stellen. Wat is uw nummer van de sociale zekerheid?’ Hij fronste zijn wenkbrauwen en dacht er een poos over na, staarde naar de vloer, dan naar de muren en vervolgens naar het plafond. Hij begon op zijn vingernagels te bijten terwijl hij zijn nagelriemen bestudeerde. ‘Meneer Milligan’, zei Turner uiteindelijk, ‘ik ben hier om u te helpen, maar dan wil ik wel dat u meewerkt, dat u een antwoord geeft op de vragen die ik u stel. Goed, wat is uw nummer van de sociale zekerheid?’ ‘Weet ik niet’, antwoordde hij schouderophalend. Ze keek naar haar notities en las een nummer voor. Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is mijn nummer niet. Het zal dat van Billy zijn.’ Ze keek hem onderzoekend aan. ‘Nou, en bènt u Billy dan niet?’ ‘Nee”, zei hij, ik niet.’ ‘Als u Billy niet bent, wie mag u dan wel wezen?’ ‘Ik ben David.’ ‘Goed, en waar is Billy?’ ‘Billy slaapt.’ ‘Waar?’ Hij wees op zijn borst. ‘Hier. Hij slaapt.’

Dorothy Turner zuchtte eerst en knikte toen. ‘Ik moet met Billy praten.’ ‘Nou, dat zal Arthur u niet toestaan. Billy slaapt en Arthur zal hem vast niet willen wekken, want doet hij dat wèl, dan pleegt Billy zelfmoord.’ Ze bestudeerde het gelaat van de jongeman, ze wist niet wat ze ervan denken moest: zijn stem, zijn gelaatsexpressie waren zo kinderlijk. ‘Wacht eens even’, zei ze, ‘ik vrees dat ik je niet helemaal begrijp.’ ‘Ik kan u niks meer vertellen. Ik heb al de fout begaan u dit allemaal te zeggen. Nu ga ik last krijgen met de anderen.’ Er klonk paniek in zijn stem. ‘En jouw naam is dus David?’ Hij knikte. ‘Wie zijn de ‘anderen’?’ ‘Dat kan ik u niet zeggen.’

Dorothy Turner klopte zachtjes op de tafel. ‘Nou, David, je zult me toch iets meer over die dingen moeten vertellen. Anders kan ik je niet helpen.’ ‘Dat is onmogelijk’, zei hij, ‘ze zullen zo boos op me worden dat ik niet meer op de scène zal mogen verschijnen.’ ‘Toch zal je ‘t me moeten vertellen hoor David, want volgens mij ben je ergens heel bang van, nee?’ ‘Dat is juist’, zei hij, terwijl zijn ogen plots vochtig werden. ‘Het is belangrijk dat je me vertrouwt, David. Je moet me vertellen wat er allemaal aan de hand is, want ik wil je helpen. Hij dacht er lang over na en zei uiteindelijk: ‘Goed, ik zal het u vertellen, op één voorwaarde: u moet me beloven dat u het geheim aan niemand in de hele wereld verklapt. Niemand. Nooit. Nooit. Nooit. Nooit.’ ‘Ja’, zei ze, ‘dat beloof ik je.’ ‘Van uw hele leven niet?’ Ze knikte. ‘Zeg dat u dat belooft!’ ‘Goed, ik beloof het je.’ ‘Okee’, zei hij, ‘ik zal het u vertellen, hoewel ik niet alles weet. Alleen Arthur weet alles. Zoals u zei, ben ik bang, want vaak weet ik niet wat er allemaal om me heen gebeurt.’

‘Hoe oud ben je, David?’ ‘Acht, bijna negen jaar.’ ‘En waarom ben jij naar hier gekomen om met me te praten?’ ‘Ik wist helemaal niet dat ik op de scène zou verschijnen.’” ‘Iemand raakte gewond in de gevangenis en toen ben ik gekomen om de pijn over te nemen.’ ‘Wil je me dat eens uitleggen.’ ‘Arthur zegt dat ik de pijn kan overnemen. Zodra iemand gewond geraakt, moet ik op de scène verschijnen en de pijn van ‘m overnemen.’ ‘Dat moet vreselijk zijn’, zei Turner.

De tranen liepen van zijn wangen toen hij knikte: ‘Het is niet eerlijk.’ ‘Wat is ‘op de scène verschijnen’, David?’ ‘Zo noemt Arthur het. Hij heeft ons uitgelegd hoe het werkt als iemand van ons naar buiten moet treden. Het is een groot wit zoeklicht waar iedereen rondstaat — sommigen kijken, de anderen slapen. Er is maar één van ons die in het licht kan staan, en hij is het die dan in de wereld staat. Arthur zegt: ‘Wie op de scène verschijnt, houdt het bewustzijn’.’ ‘Wie zijn de anderen?’ ‘0, er zijn er veel. Allemaal ken ik ze niet. Sommigen wel, maar niet allemaal.’ Plots keek hij verschrikt op. ‘Wat is er aan de hand, David?’

‘Verdomme, ik heb u Arthurs naam verklapt. Nu zit ik zeker in nesten.’ Hij begon te snikken. ‘Stil maar, David’, troostte Turner hem, ‘ik heb je beloofd dat ik niemand wat zou zeggen.’ Hij plukte aan zijn haar. ‘Ik kan u niks meer vertellen. Ik ben te bang.’ ‘Okee, David, dan laten we ‘t hierbij voor vandaag, maar morgen praten we verder. Tot dan!’ Dr. Dorothy Turner wist niet wat ze van het onderhoud moest denken; ze had gedacht een jonge misdadiger te ontmoeten die waanzin zou veinzen om aan vervolging te ontkomen, maar nooit had ze iets als dit ver-wacht.

Christopher

‘s Anderendaags zag Turner een heel andere Milligan de conferentiekamer binnenkomen. Hij ontweek haar ogen en toen hij in de stoel ging zitten, trok hij zijn knieën op en begon met zijn schoenveters te spelen. Ze vroeg hoe hij zich voelde. Eerst antwoordde hij niet, keek rond en wierp af en toen een blik op haar, zonder van herkenning blijk te geven. Toen schudde hij zijn hoofd en begon te praten met een duidelijk cokney-accent.

‘Alles maakt zo’n lawaai’, zei hij. ‘U. Alles hier in dit gebouw. Ik weet niet wat er gaande is.’ ‘Je stem klinkt zo vreemd, David’, zei Turner. Hij gluurde naar haar en zei toen verontwaardigd: ‘Ik ben David niet. Ik ben Christopher.’ ‘En waar is David dan?’ ‘David is stout geweest. De anderen zijn heel boos op hem omdat hij het geheim verklapt heeft.’ ‘Kun je me dat eens wat beter uitleggen?’ ‘Ik denk er niet aan. Ik heb geen zin om net als David in nesten te geraken.’ ‘Vertel me dan eens wat over jezelf, Christopher. Hoe oud ben je?’ ‘Dertien.’ ‘En wat doe je graag?’ ‘Ik speel een beetje op de drums, maar met de harmonica kan ik beter overweg.’ ‘En waar kom je vandaan?’ ‘Van Engeland.’ ‘Heb je broers en zussen?’ ‘Eén zus, Christine. Zij is drie jaar.’

De expressie van ‘Christopher’ was zo verschillend van die van ‘David’, merkte Turner. Milligan moest een verdraaid goeie acteur zijn.

Tommy

Enkele dagen later, tijdens haar derde bezoek, vond mevrouw Turner dezelfde jongeman, maar met weer een totaal andere gelaatsuitdrukking. Hij zat nonchalant achterover in zijn stoel en bekeek haar met brutale ogen. ‘Hoe gaat het ermee?’ vroeg Turner, haast bang voor wat hij zou antwoorden. ‘Dat gaat’, zei hij. ‘En hoe maken David en Christopher het?’ Hij fronste zijn wenkbrauwen en zijn blik werd zo mogelijk nog brutaler. ‘Wacht eens even, mevrouwtje, ik ken u helemaal niet.’ ‘Wel, ik ben naar hier gekomen om je te helpen, om te praten over wat er allemaal met je aan de hand is.’ ‘Me reet. Ik wist zelf niet dat er ook maar iets met me aan de hand was.’ ‘Weet je dan niet meer dat we elkaar gisteren nog gesproken hebben?’ ‘Hemeltje, nee. Ik heb u van mijn hele leven niet één keer gezien.’

Turner zuchtte. ‘Hoe heet je?’ ‘Tommy.’ ‘Tommy wie?’ ‘Gewoon Tommy.’ ‘En hoe oud ben je?’ ‘Zestien.’ ‘En kun je me wat meer vertellen over jezelf?’ ‘Mevrouwtje, ik hou niet van mensen die ik niet ken. Ik zou het dus zeer op prijs stellen als u me met rust liet.’ Een kwartier lang probeerde Dr. Turner hem opnieuw aan het praten te krijgen, maar ‘Tommy’ bleef koppig zwijgen. Toen ze weer op straat stond dacht Dorothy Turner aan ‘Christopher’ en aan haar belofte aan ‘David’ het geheim niet prijs te geven. Zij, een psychiater van het Southwest-instituut, dat doorgaans de zijde koos van de openbare aanklager, was er van overtuigd geraakt dat Milligan méér was dan een uitstekend comediant.

Arthur

Toen ze Milligan voor de vierde keer ontmoette, zei ze hem dat ze Judy Stevenson en Gary Schweichart wel in het geheim moest betrekken, omdat zij de enigen waren die hem uit de gevangenis konden halen. Ze werd te woord gestaan door het bange jongetje dat ze de eerste dag ontmoet had, David.

Hij maakte haar onmiddellijk duidelijk dat hij niets van haar nieuwe besluit wou weten: ‘U hebt me beloofd dat u het geheim aan niemand zou verklappen. En nu wilt u uw belofte breken. Dat staat gelijk met liegen. U mag het Judy en Gary niet vertellen. Ik heb het er nu al moeilijk mee gehad. Arthur en Ragen zijn woest dat ik het geheim verklapt heb en…’

‘Wie is ‘Ragen’?’ Hij bloosde, maar ontweek de vraag. ‘Een belofte is heilig. U mag ze niet breken.’ ‘Maar begrijp je ‘t dan niet, David? Als ik er Judy en Gary niks over vertel, kunnen ze je niet helpen, en dan blijf je misschien wel heel lang in de nor. ‘Het kan me allemaal niks schelen.’ ‘Maar…’ Ze zag hoe zijn blik verstarde. Zijn mond begon te bewegen alsof hij in zichzelf prevelde. Toen zette hij zich recht, plaatste zijn vingertoppen tegen elkaar en bekeek haar met een arrogante air.

‘Mevrouw, u heeft het recht niet’, zei hij met een Brits upper-class accent, ‘de belofte te breken die u tegenover het jochie gedaan heeft.’ Zijn gelaatsspieren vertrokken nauwelijks en met z’n blik priemde hij in Turners ogen. ‘Euh, ik geloof niet dat we mekaar al eerder ontmoet hebben’, zei Dorothy Turner, terwijl ze wanhopig haar verbijstering trachtte te verbergen. Hij heeft u al over me verteld.’

‘Dan moet u ‘Arthur’ zijn.’ Hij knikte instemmend. Turner haalde diep adem en zei ‘Kijk, Arthur, het is belangrijk dat ik beide advocaten in het geheim betrek.’ ‘Nee’, antwoordde hij, ‘ik zal u dit zeggen, mevrouw Turner: als u iemand meebrengt, dan laat ik de anderen verstommen en dan staat u voor gek.’

Allen

Na een discussie van een minuut of twintig zag ze de glazige blik in Arthurs ogen. Hij leunde achterover in zijn stoel. Zodra er weer leven in de ogen kwam, klonk de stem helemaal verschillend en ook de gelaatsuitdrukking was anders: ontspannen, vriendelijk zelfs. ‘Luistert u nou toch ens’, zei hij. ‘U heeft een belofte gedaan, en een belofte breek je nièt zómaar.’ ‘Met wie spreek ik nu?’ vroeg Turner. ‘Met Allen’, zei hij, ‘degene die meestal met Judy en Gary praat.’

‘Maar zij kennen alleen Billy Milligan.’ ‘Dat klopt: wij antwoorden ongeveer allemaal als we met Billy’s naam worden aangesproken zodat het geheim niet wordt prijsgegeven. Maar Billy slaapt. Al heel lang. A propos, mevrouw Turner: vindt u het erg als ik u Dorothy noem? Billy’s moeder heet namelijk ook zo.’ ‘Ga je gang. Toen je daarnet zei dat Gary en Judy meestal met jou praatten, vroeg ik me af met wie ze nog meer hebben gepraat.’ ‘Met Tommy. Hij is degene die uit het dwangbuis is geraakt. Hij lijkt erg op mij, maar ik doe wel het meeste praatwerk, omdat hij nogal sarcastisch doet en niet zo makkelijk met de mensen omgaat. Maar hij is prima in ontsnappingspogingen.’

‘En wie hebben ze nog meer gesproken?’ ‘De eerste die Gary heeft gezien toen we waren ingerekend, was Danny. Hij is erg bang en verward. Hij snapt weinig van de dingen. Hij is dan ook nog maar veertien.’ ‘En hoe oud ben jij?’ ‘Achttien.’ ‘Okee, Allen, je lijkt me een erg intelligente man. Je begrijpt toch dat ik Judy en Gary in het geheim moet betrekken als je wil dat ze je behoorlijk verdedigen.’ ‘Arthur is contra’, zei hij. ‘Volgens hem zullen de mensen denken dat we gek zijn als we ons geheim verraden.’

‘Mag ik nog eens met Arthur praten?’ vroeg Turner. Allen begon te staren en binnensmonds te fluisteren, waarop Arthur verscheen. ‘U bent van het hardnekkige soort’, zei hij op zijn geaffecteerde toontje. ‘Ik hou er niet van met een dame te discussiëren. Als u absoluut denkt dat het noodzakelijk is, en als de anderen het ermee eens zijn, dan heeft u mijn akkoord. Maar u moet wel eerst de mening van de anderen vragen, één voor één.’

Uren duurde het voor alle personages overtuigd konden worden, maar uiteindelijk was Dorothy Turner in haar opzet geslaagd. Ze reed onmiddellijk naar het advocatenkantoor en bracht Judy en Gary op de hoogte van haar diagnose: personality, een toestand die slechts zeer zelden voorkomt.

En ze vertelde hen over David en Danny, Tommy en de anderen. Beide advocaten keken mekaar aan met een ongelovige blik. Gary had duidelijk moeite om het niet uit te proesten. Hij zei : ‘Als ik niet wist dat u mevrouw Turner was en werkte in het Southwest-instituut, zou ik u voor volslagen krankzinnig aanzien. Let wel, ik geloof dat Milligan iets mankeert, maar zóiets? Goed, ik ga met u mee, maar ik zeg u één ding: ik heb de grootste moeite met uw uitleg.’

Billy slaapt

Een ontspannen, vriendelijk kijkende Milligan werd in de conferentiekamer binnengebracht waar Turner, Stevenson en Schweickart op hem zaten te wachten. Hij ging zitten, kruiste zijn benen en haalde een sigaret uit een pakje te voorschijn dat hij in zijn rechterkous had zitten.

‘Heeft iemand een vuurtje voor me?’ vroeg hij. Judy stak zijn sigaret aan. Hij nam een diepe teug, blies traag een rookwolk uit en vroeg toen: ‘En mensen, wat is er zoal voor nieuws?’ ‘Zou je je misschien eerst niet willen voorstellen aan Judy Stevenson en Gary Schweickart?’ zei Turner. Hij knikte en maakte een mooi rookkringetje.

‘Ik ben Allen. Ik ben hier al vaker geweest toen Gary en Judy met me kwamen praten.’ ‘Is het niet mogelijk om met Billy zelf te praten?’ vroeg Judy in de hoop dat de trilling in haar stem niet merkbaar was. ‘Uitgesloten’, antwoordde Allen. ‘Hij slaapt. Als ze hem op de scène zouden laten verschijnen, zou hij zich van kant maken.’

‘Waarom?’ ‘Omdat hij nog altijd bang is gewond te raken. Hij weet trouwens niks van ons bestaan af. Al wat hij weet is dat hij tijd verliest.’ ‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg Gary. ‘Dat gebeurt met ieder van ons. Soms doe je iets, en ineens ben je ergens anders. Je weet alleen dat er tijd verstreken is, maar wat er precies is gebeurd, weet je niét. Dat is vreselijk vervelend. Je went er eigenlijk nooit aan.’

Plots zagen Judy en Gary hoe Milligans ogen verstarden. Hij begon iets te zeggen, maar zo stil dat ze er niks uit konden opmaken. Toen fronste hij z’n wenkbrauwen, keek hautain naar zijn gesprekspartners, plaatste zijn vingertoppen tegen elkaar en zei, in zeer geaffecteerd Brits: ‘Goed, heeft u nog vragen?’ ‘Dit is Arthur’, stelde Dorothy Turner hem aan Gary en Judy voor. Gary vroeg hem of de wapens die de politie in zijn flat had aangetroffen de zijne waren. Arthur schudde het hoofd. ‘Nee’, zei hij. ‘De enige die met wapens mag omgaan, is Ragen. Hij is de enige onder ons die de woede bewaart. Dat is zijn specialiteit. Ieder van ons heeft zijn eigen domein, dat meteen de reden is van zijn bestaan.’

‘Wat is het jouwe?’ vroeg Gary. ‘0, ik ben maar een amateur. Ik hou me bezig met biologie en geneeskunde. Maar om op Ragen terug te komen : hij mag de wapens alleen maar gebruiken om te overleven, om zichzelf en de anderen te beschermen. Hij bezit ook een enorme lichaamskracht. Hij is namelijk in staat zijn adrenalinetoevloed te beheersen. Vandaar.’

‘Maar hij heeft de wapens gebruikt toen hij die drie vrouwen ontvoerd en verkracht heeft, en dat is iets wat je bezwaarlijk wettige zelfverdediging kunt noemen’, bracht Gary in. Arthurs stem werd nu ijselijk scherp. ‘Ragen heeft niemand verkracht. Ik heb met hem over deze zaak gepraat. Hij heeft inderdaad drie vrouwen van hun geld beroofd, omdat we dringend een aantal rekeningen moesten betalen. Dat geeft hij dus toe, maar hij ontkent de verkrachtingen.’

Gary leunde voorover om Arthurs gelaat beter te kunnen bestuderen. Maar de bewijzen…’, zei hij. ‘Bewijzen, bewijzen, die kunnen me gestolen worden’, antwoordde Arthur. ‘Als Ragen zegt dat hij die vrouwen niet heeft verkracht, dan hééft hij ze niet verkracht. Ragen liegt niet. Hij is een dief, maar geen leugenaar en zeker geen verkrachter.’

‘Je zegt dat je met Ragen gesproken hebt’, zei Judy. ‘Hoe gebeurt dat Praten jullie hardop met elkaar of alleen inwendig?’ ‘Het gebeurt op beide manieren. Soms inwendig, en dan weet niemand dat het gebeurt, en soms hardop. Maar dat doen we als we alleen zijn, want als iemand ons dan bezig zag zou hij denken dat we gek zijn.’

Ragen

Gary schoof heen en weer op zijn stoel, haalde een zakdoek naar boven en wiste er zijn voorhoofd mee af. ‘Wie zal dit geloven?’ zei hij — eerder tegen zichzelf. ‘Volgens mij is het allerbelangrijkst dat u Ragen leert kennen, zei Arthur. En toen hij een angstig trekje op Judy’s gelaat meende waar te wenen, voegde hij eraan toe: ‘U heeft nu de doos van Pandora geopend, dan moet u de consequenties er maar bij nemen. Maar ik wil u wel gerust stellen: Ragen zal u geen kwaad doen.’ Hierop schoof Arthur zijn stoel tot helemaal tegen de muur om de afstand tussen hem en zijn drie bezoekers zo groot mogelijk te maken.

Toen verstarde zijn blik, alsof hij zich helemaal naar binnen keerde. Zijn lippen bewogen. Zijn kaaksbeenderen klemden zich opeen. De stijve hark die Milligan daarnet nog was geweest, veranderde plots in een agressief uitziende kerel die klaar zat om iemand de strot over te bijten. ‘Vaz nied goed’, zei hij. ‘Vaz nied goed geheim te verklappen.’ In opperste verbazing luister-den ze naar die nieuwe Milligan, die sprak op een vijandige, norse toon, en met een duidelijk Slavische tongval. ‘Ik zal u did zeggen: ook nadad David geheim verklapt had, vaz ik tegen deze bijeenkomst.’

Het leek geen imitatie van een Slavisch accent. Zijn stem klonk werkelijk als die van iemand die in Oost-Europa was opgegroeid en zijn accent nooit kwijtgeraakt was. ‘Waarom was je daar dan tegen?’ vroeg Judy moedig. ‘Vie zal geloven?” zei Ragen, zijn vuist ballend. ‘Ze zullen allen zeggen dad vij gek zijn. Zal ons geen goed doen.’

‘Het zou je uit de gevangenis kunnen houden’, zei Gary.’”Hoe kan dad nou?’ snauwde Ragen. ‘Ik ben nied gek, meneer. Politie heeft bevijzen dad ik roofovervallen heb gepleegd. Ik geef drie overvallen toe. Maar die andere dingen die ze zeggen, zijn gelogen. Ik ben geen verkrachter. Ik zal voor rechter verschijnen en overvallen opbiechten. Maar als ve in gevangenis gaan, zal ik kinderen doden, lz euthanasie. Gevangeniz is geen plek voor kleintjes als David of Christene.’

‘Maar als je de... kleintjes... doodt, betekent dat dan niet meteen je eigen dood?’ vroeg Judy. ‘Nied noodzakelijk’, zei Ra-gen. “’ij zijn allen autonoom.’ ‘Akkoord, maar toen Billy of wie dan ook vorige week met zijn hoofd tegen de muur bonkte, toen was toch ook jouw schedel beschadigd, nee?’ zei Gary.

Ragen voelde aan zijn voor-hoofd, waar inderdaad nog een overblijfsel van de kneuzing op te zien was. ‘Klopt’, zei hij. ‘Maar pijn vaz nied voor mij. Pijn vaz voor David. Hij houdt pijn vast.’ ‘En was het David die zijn hoofd probeerde te verbrijzelen?’ ‘Nee, vaz Billy,’ ‘En ik dacht dat Billy heel de tijd in slaap was.’ ‘Klopt. Maar dit vaz zijn ver-jaardag: 14 februari, toevallig ook Valentijnsdag.’ Het leek alsof Ragen een poging deed om te glimlachen.

‘Kleine Christene had kaart voor hem getekend en vou ze hem geven. Arthur stond Billy toe op scène te verschijnen en kaart in ontvangst te nemen. Ik vaz tegen. lz mijn verantvoordelijkheid. In ben beschermer. Misschien is Arthur intelligenter dan ik, maar hij is menselijk soms, en dan begaat hij vergissingen.’ ‘Wat gebeurde er toen Billy wakker werd ‘ vroeg Gary. ‘Hij keek rond. Zag hij vaz in gevangeniscel. Begreep niks. Werd wanhopig. Smakte met hoofd tegen muur.’ ‘Ziet u, ging Ragen door, ‘Billy lijdt aan geheugenverlies. Op een keer vaz hij op school. Problemen. Had tijd verloren. Vist nied vad intussen vaz gebeurd. Maakte hem vanhopig. Klom op dak en vou springen. Ik vervijderde hem van scène om zijn dood te beletten. Sinds die dag — hij vaz toen zestien — slaapt hij. Arthur en ik houden hem in slaap om hem te beschermen.’

‘Hij slaapt al zeven jaar lang?’ vroeg Judy. ‘lz slechts enkele minuten vakker geveest sindsdien.’ ‘Maar wie verschijnt dan meestal op de scène? Wie werkt er, wie praat er met de mensen? Niemand die we hebben ondervraagd, heeft iets gezegd over een Russisch of een Brits accent.’ ‘Niet Russisch, meneer Schweickart. Joegoslavisch.’ ‘Sorry.’ ‘lz allang goed. Vilde slechts puntjes op ‘i’ zetten. Om uw vraag te beantvoorden: meestal verschijnen Allen of Tommy op scène om med mensen te praten.’ ‘En zij komen en gaan zomaar, naar believen?’ ‘Laat ik het zo stelle: scène wordt gedomineerd door Arthur of door mij, al naargelang van omstandigheden. In gevangenis controleer ik scène, want is gevaarlijke plek. Als beschermer heb ik bevel over situatie. In situaties zonder gevaar, waar intelligentie en logica belangrijker zijn, domineert Arthur.’ ‘En wie is nu dominant?’ vroeg Gary. Ragen haalde zijn schouders op en wees om zich heen: ‘Dit iz toch gevangeniz’, zei hij.

Toen de deur van de kamer plots openging, sprong Ragen recht, snel als een roofdier; zijn handen hield hij in karate-houding. Zodra hij zag dat het slechts een andere advocaat was die zich van kamer had vergist, ging hij terug zitten. Gary Schweickart was de gevangenis binnengekomen in de veronderstelling dat hij een kwartiertje met zijn cliënt zou praten, en in de zekerheid dat hij diens bedrog zou kunnen ontmaskeren. Maar toen hij vijf uren later weer buitenliep, zei hij tegen Dr. Turner: ‘Ik moet toegeven dat ik in dat kamertje verscheidene afzonderlijke mensen heb ontmoet. Ik denk dat ik in een soort van emotionele en intellectuele shocktoestand verkeer. Ik geloof wat ik heb gezien. Ik zit maar met één vraag in m’n hoofd: hoe kunnen we de aanklager en de rechter hiervan overtuigen?’

Wil de echte Billy Milligan opstaan

Om het de lezer enigszins makkelijk te maken, drukken we hierbij de 9 Billy Milligans af die in deze aflevering hun intrede doen:

1. William Stanley Milligan, 27 : Billy. Hij is de oorspronkelijke of kernpersoonlijkheid. Heeft zijn middelbaar onderwijs afgebroken. Een meter tachtig groot, 82 kilo zwaar. Blauwe ogen, roodbruin haar.

2. Arthur, 22: De Engelsman. Rationeel, toont geen emoties, spreekt geaffecteerd Brits. Autodidact in biologie en scheikunde, verdiept zich in de geneeskunde, leest en schrijft vloeiend Arabisch. Conservatief. Noemt zichzelf een kapitalist. Gelooft niet in God. Hij is de eerste die het bestaan van de anderen ontdekt heeft. Hij is de leider van de ‘familie’ in veilige situaties en beslist dan wie ‘op de scène verschijnt’ en ‘het bewustzijn vasthoudt’. Draagt een bril.

3. Ragen Vadascovinich, 23: De bewaarder van woede en haat. Is een Joegoslaaf die Engels praat met een duidelijk Slavische tongval. Leest, schrijft en spreekt Servo-croatisch. Is een autoriteit op het gebied van wapens en munitie, en een karate-expert. Geeft blijk van een buitengewone kracht doordat hij zijn adrenalinetoevoer kan beheersen. Is een communist en atheïst. Zijn opdracht is het de familie te beschermen in gevaarlijke omstandigheden. Komt altijd op voor vrouwen en kinderen, en voor de zwakken in de samenleving. Geeft toe dat hij soms misdaden pleegt en zich gewelddadig gedraagt. Drinkt vrij veel wodka en slikt, indien nodig, amfetamines. Weegt 105 kilo, heeft enorm gespierde armen, zwart haar en een lange hangsnor. Tekent in zwart-wit, aangezien hij kleurenblind is.

4. Allen, 18: De manipulator. Hij is de spreekbuis van de familie. Staat het meest in contact met de buitenwereld, omdat hij niet echt opvalt. Speelt drums en schildert portretten. Hij is de enige van alle persoonlijkheden die rookt.

5. Tommy, 16: De goochelaar. Wordt vaak met Allen verward, hoewel hij minder sociaal is. Is specialist elektronica en kan zich, dank zij zijn technische kennis, uit allerlei benarde situaties bevrijden. Schildert landschappen. Licht bruin haar en bruine ogen.

6. Danny, 14: De bangerd. Mensenschuw. Is vooral bang van mannen, nadat hij door zijn stiefvader seksueel werd misbruikt en gefolterd. Schildert stillevens. Slank en klein van was.

7. David, 8: Bewaarder van de pijn. Hij absorbeert al het lijden van de andere persoonlijkheden. Is erg gevoelig en kan zich nooit lang op iets concentreren. Donkerbruin haar, blauwe ogen.

8. Christene, 3: Het hoek-meisje, zo genoemd omdat ze op school altijd in de hoek moest gaan staan. Een verstandig Brits kind dat al kan lezen en schrijven, maar lijdt aan dyslexie. Tekent en schildert graag bloemen en vlinders. Blond haar, blauwe ogen.

9. Christopher, 13: Broer van Christene. Praat met Britse tongval (cockney-accent). Gehoorzaam, maar mentaal gestoord. Speelt harmonica.

(Uit. : -The Minds of Billy Milligan”, Daniel Keyes, uitg. Bantam Books, New York, 1982. Ned. bewerking : Peter Cremers.

Bekijk hier de trailer van de Netflix-serie:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234