Beeld Canvas

holocaustJoodse onderduikkinderen

‘De nazi’s hebben mijn jeugd gestolen’

Kleine Lisa is werkelijk om op te eten. Blonde krullen, blauwe pretogen, een volleerde starlet van drie. Kraaiend van plezier rent ze achter de koeien in de wei. Het is haar eerste bezoek aan de boerderij in Alken. Remi, Lea, Leon, Jozef, Fina, de broers en zussen Knepen, genieten van haar zotte kapriolen. ‘Net Shirley Temple’, lachen ze. Emile Schwarz is trots op zijn kleindochter. Modieus hemd, blitse zonnebril, de joodse zakenman is een elegan-te verschijning. Vijfenvijftig Jaar geleden liep hij hier zelf in korte broek te ravotten, samen met de negen kinderen van Jozef en Elisabeth Knaepen, die hem vandaag nog steeds als hun jonge broertje verwelkomen.

(Verschenen in Humo 3026 op 1 september 1998)

Emile Schwarz is een van de 4.000 joodse kinderen die tijdens de oorlog in België waren ondergedoken en van een gewisse dood werden gered. 5.093 minder fortuinlijke kinderen werden door de nazi’s gedeporteerd en in de regel meteen vergast. Het redden van de opgejaagde kinderen is wellicht het mooiste hoofdstuk uit de geschiedenis van het verzet. De operatie kwam op gang nadat de Duitsers in juli 1942 waren begonnen met het systematisch oppakken en deporteren van joden, het eindspel van een uitgekiende strategie. Het sluiten van joodse winkels, het verbod op gebruik van de tram, het beroepsverbod voor joodse dokters en advocaten, de verplichte inschrijving in het jodenregister, het dragen van de Davidster, het waren allemaal voorbereidende maatregelen om een ongewenste minderheid te isoleren en rijp voor deportatie te maken. De Belgen reageerden veelal onverschillig, het was tenslotte voor iedereen oorlog en ze hadden zo al problemen genoeg. Maar de brutale razzia’s deden de stemming omslaan. Vooral het lot van de joodse kinderen ging velen ter harte. Keuterboeren, mijnwerkers en burgers, katholieken, protestanten en vrijzinnigen, in alle lagen van de bevolking deed men mee aan de grote verdwijntruc. Overal zaten ze verstopt, bij families, in sanatoria, weeshuizen, internaten en kloosters, ondanks het risico: het verbergen van joden kon met deportatie, gevangenis-straf en zelfs executie worden be-straft. Sommige ouders hebben hun kinderen zelf geplaatst. Meestal echter werden ze door een koerier van het verzet opgehaald en naar een voor de ouders onbekende bestemming gebracht. Veruit de belangrijkste levenslijn was die van het Joodse Verdedigingscomiteit, beter bekend als het Comité de Défense des Juifs (CDJ). Het ondergrondse CDJ heeft in zijn eentje zo’n drieduizend kinderen een veilig onderkomen verschaft. In uitzonderlijke omstandigheden werden uitzonderlijke allianties gesmeed: het CDJ was ontstaan in de schoot van het communistisch geïnspireerde Onafhankeiijkheidsfront, maar desondanks werkten de leiders intens samen met priesters en kloosterlingen. Vele kinderen hebben de bange oorlogsjaren overleefd met de geur van wierook in de neus en de smaak van hosties op de tong. Ze zijn nu tussen de zestig en zeventig jaar oud. Stilaan mogen zij zich de laatste getuigen van de shoah noemen, want op enkele krasse knarren na is de Auschwitz-generatie verdwenen.

Emile Schwarz: ‘We wisten niet beter of we waren echte Knaepens’

Zaterdagmiddag in Alken. De broers Knaepen kijken gespannen naar de hemel, het kan nu niet lang meer duren. Emile Schwarz luistert met belangstelling naar het wel en wee van de duivenmelkers. Hij heeft ergens tegenaan geleund, er zit een lelijke vlek op de rug van zijn jas. ‘Maar Milleken toch,’ zegt Fina Knaepen verwijtend, ‘gij zijt toch nog altijd dezelfde zwarterik.’ Limburgse betutteling, Emile is het gewoon. Als uk van twee belandde hij met zijn twee jaar oudere zus Edith op de boerderij van Jozef en Elizabeth Knaepen. Hun ouders zaten vlakbij, ondergedoken bij de zus van Jozef Knaepen. ‘Ze konden ons vanuit hun schuilplaats op het erf zien spelen,’ zegt Emile. ‘Maar dat wisten wij niet. Toen de oorlog voorbij was herkenden we hen niet meer; we wisten niet beter of we waren echte Knaepens. Het was een schok toen we plots terug naar Antwerpen moesten. Tante Bertha uit Alken is drie maanden bij mijn ouders komen inwonen om de aanpassing te vergemakkelijken.’ 

Dat de familie Schwarz in Alken aanspoelde is geen toeval. Van december 1940 tot juni 1941 werden alle niet-Belgische joden uit Antwerpen verplicht zich in Limburg te vestigen. Deze administratieve pesterij verklaart waarom destijds in Alken honderdveertig joden verbleven. ‘Zo is het contact ontstaan,’ vertelt Emile Schwarz. ‘Mijn grootouders hadden in 1941 bij de familie Knaepen gelogeerd, Ze waren er bijzonder goed ontvangen. Toen we later moesten onderduiken, gingen we dan ook meteen bij de Knaepens aankloppen. Jammer genoeg was er slechts plaats voor de kinderen en twee volwassenen. Mijn grootouders hebben zich opgeofferd. Ze zijn naar Antwerpen teruggekeerd, ik heb hen nooit meer teruggezien.’

Hij geeft me een rondleiding op de hoeve. Er ligt nu elektriciteit en het toilet bestaat niet langer uit een plank met een gat. Toch kost het Emile weinig moeite de sfeer van zijn prille kindertijd op te roepen. Het regent anekdotes. De houten tafel waar ze met de hele bende spek en eieren smulden, het immense bed dat hij met zijn pleegbroers deelde, de oven waarin mam wel eenentwintig broden tegelijk bakte. ‘Mam en pa waren formidabele mensen,’ zegt hij. ‘Zelf hadden ze negen kinderen ten laste, en toch hun leven riskeren om ons te redden. Op een keer is de Gestapo het huis komen doorzoeken. We zaten met de daver op het lijf. Gelukkig hadden mam en pa het slim gespeeld: Edith en ik waren bij de burgerlijke stand als eigen kinderen ingeschreven.’

Het gevaar kwam niet alleen van de Gestapo. Heel wat onderduikadressen werden door buren verklikt. Soms volstond een banale vete om het leven van redders en kinderen op het spel te zetten. ‘Gelukkig hadden mijn ouders met niemand problemen,’ zegt Remi Knaepen. ‘Emile en Edith vielen trouwens niet op in de bende van de negen kinderen. Er kon altijd een mondje bij, zo redeneerden mijn ouders. Pa was naar school geweest, die wist wat een jood was; mam had geen idee, die deed het omdat ze graag kinderen zag. We zijn allemaal erg trots op hen.’

Remi is de jongste van de Knaepens; tijdens de oorlog vormde hij met Emile een onafscheidelijk duo. Vele jaren later hebben ze samen Auschwitz bezocht. We bekijken de reisfoto’s, het infame perron en de al even beruchte crematoria. ‘Zie je die ovens?’ vraagt Emile. ‘Dat was de bestemming die de nazi’s voor mij hadden gereserveerd.’

Gaby Szyper: ‘Met Pasen viel ik door de mand’

Gaby Szyper werd in 1929 in de buurt van het Poolse Lublin geboren. Toen ze drie was, emigreerden haar ouders naar België, op de vlucht voor de economische crisis en het virulente antisemitisme. Samen met de Szypers arriveerden duizenden Poolse joden. Later, in de loop van de jaren dertig, volgden nog eens hele horden weggepeste joden uit Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. De massale in-wijking verklaart waarom in mei 1940 slechts zes procent van de joden de Belgische nationaliteit bezat.

Gaby Szyper herinnert zich nog de bedrieglijke rust van de eerste oorlogsjaren. ‘Ik ging naar school in Sint-Gillis,’ zegt ze. ‘Er zaten vele joden in mijn klas. Op een dag moesten we de Davidster dragen. De Belgische kinderen in mijn klas waren jaloers; ze dachten dat het een onderscheiding was. Lang kon ik er niet mee pronken: na juli 1942 mochten we niet meer naar school. Een zware slag, want ik ging dolgraag naar school.’

Het schoolverbod was maar een speldenprik, de echte terreur zou spoedig volgen. Eind juli ontving haar achttienjarige zus een Arbeitseinsatzbefehl, een convocatie ‘om in Duitsland te gaan werken’.

GABY «Mijn zus was wantrouwig, en ze besloot met een vriendin naar Zwitserland te vluchten. Twee dagen later stond de Gestapo voor de deur. Mijn zus was niet thuis. De Duitsers waren bijzonder bars. Als mijn zus zich niet binnen de vierentwintig uur in Mechelen meldde, zouden ze de hele familie oppakken, riepen ze. Ik zie ze nog naar mijn broertje wijzen. ‘Et le petit aussi,’ blaften ze. Toen hadden mijn ouders het begrepen: van werken in Duitsland zou geen sprake zijn. Niet als ze kinderen van drie deporteren. (Gaby verbijt haar tranen, ze ziet de hele film weer afdraaien.)

»Mijn zus is desondanks naar Mechelen gegaan. Ze werd met het allereerste konvooi naar Auschwitz gedeporteerd en vergast. Kort daarop werd mijn zeventienjarige broer tijdens een razzia vlak bij huis van de straat geplukt. Een buurman was er getuige van. Mijn broer heeft nog gesmeekt om afscheid van mama en papa te mogen nemen. ‘Nein,’ zeiden de Duitsers.»

Na deze catastrofes viel er geen minuut meer te verliezen. In allerijl zochten de Szypers een schuilplaats voor hun twee overblijvende kinderen. Gaby stapte met haar broertje aan de hand op de trein naar Doornik, waar hun huisbazin hen opwachtte en naar een boerderij in Havinnes bracht.

GABY «Ik betwijfel of die boeren wisten wat er aan de hand was, volgens mij namen ze me voor een seizoenarbeidster. Het was begin september, de aardappelen moesten gerooid worden. Hard labeur, elke dag naar het veld en tegelijkertijd op mijn broertje passen. lk was doodongelukkig. 

»Na een paar weken kwam het bericht dat ook vader was gedeporteerd. Moeder was aan de razzia ontsnapt door zich in de kolenkelder te verstoppen. Ik wilde haar gaan opzoeken in Brussel, maar dat zinde de boeren niet, er was te veel werk op het land. Ik moest vooral niet denken dat ze op mijn broertje zouden passen. Ze toonden niet het minste begrip.»

En dus verhuisde Gaby naar het naburige Gaurain-Ramecroix, bij de zus van haar huisbazin. ‘Doodbrave mensen,’ zegt ze. ‘De man werkte in een steengroeve. Ze woonden in een klein huisje, waar eigenlijk geen plaats voor ons was, ik moest bij hen op de kamer slapen. Je moet het maar doen: het is oorlog, je hebt het zelf niet breed, en toch twee wildvreemde kinderen opnemen.’ 

In Gaurain-Ramecroix beleefde Gaby een rustige tijd, ze kon er zelfs opnieuw naar school. 

GABY «De eerste dag vroeg zuster-overste of ik wel gedoopt was en mijn communie had gedaan. Natuurlijk, loog ik. Ik was primus in alle vakken, behalve in godsdienst, dat kreeg ik maar niet geleerd. Uit pure onwil, denk ik; ik besefte dat die hele catechismus in strijd was met mijn eigen geloof. 

»Met Pasen ben ik dan door de mand gevallen. De hele klas moest naar de biecht, en daar was ik niet op voorbereid. in de biechtstoel ging het nog: ik verzon ter plekke een paar pekelzonden. Vijf wees-gegroetjes, zei de pastoor. Opgelucht liep ik de kerk uit: die wees-gegroetjes bid ik morgen wel, dacht ik. Had je toen de reactie van mijn klasgenoten moeten zien. Wat? De kerk verlaten zonder penitentie te doen? Dat was in het dorp blijkbaar nog nooit vertoond. Meteen werd ik bij zuster-overste geroepen. Of ik toevallig geen joodse was? Maar ze was helemaal niet boos. Integendeel, ik werd vrijgesteld van catechismus en kreeg dactylolessen in de plaats.»

Voor Gaby was de bevrijding geen feest. Na haar zus, broer en vader was ook haar moeder gedeporteerd. Niemand keerde uit het oosten terug, ze bleef alleen achter met haar broertje. ‘In 1948 heeft mijn oom hem naar Israël meegenomen,’ zegt ze met de tranen in haar stem, ‘om hem een joodse opvoeding te geven. Ik heb het mezelf nooit vergeven. Hij is in de Zesdaagse Oorlog gesneuveld. Mensen zegden: zie je wel, je had hem niet mogen laten gaan. Maar wat kon ik doen? Het is mijn lot. Voor mij is de oorlog nooit afgelopen.’

Sophie Rechtman: ‘De nazi’s hebben mijn jeugd gestolen’

Een zwaar beveiligd kantoorgebouw vlak bij de gevangenis van Sint-Gillis. Helemaal ingepalmd door joodse organisaties, vandaar de nervositeit aan de ingang. Op de vijfde verdieping is de vzw Het Ondergedoken Kind gevestigd, een bloeiende vereniging met twaalfhonderd leden die een drievoudig objectief nastreeft: het uitwisselen van onderduikervaringen, eer betonen aan redders van ondergedoken kinderen, en strijd leveren tegen racisme en antisemitisme. Sophie Rechtman is een tevreden voorzitter: de Belgische regering heeft zopas beslist onderduikkinderen het statuut van oorlogsslachtoffers te verlenen, zoals dat al decennia lang het geval is voor burgerlijke weerstanders, weggevoerden en werkweigeraars. Waarom het zo lang heeft geduurd? ‘Omdat we veel te lang hebben gezwegen,’ zegt Sophie Rechtman. 

SOPHIE «Dat deden we uit respect voor onze ouders. Want het werd ons voortdurend onder de neus gewreven: ons leed verzonk in het niets naast de gruwelen die zij in Auschwitz hadden doorstaan. Wij waren de gelukzakken, wij hadden de oorlog zonder deportatie overleefd. 1991 was het jaar van de kentering. Toen vond in New York de allereerste internationale bijeenkomst van onderduikkinderen plaats. Plots kwamen alle opgekropte emoties los. Het leek wel een dijkbreuk.»

Sophie heeft in de oorlog haar moeder verloren; haar vader heeft in de kampen gezeten. Maar dat is niet de enige reden waarom ze zich als een oorlogsslachtoffer beschouwt. ‘De nazi’s hebben mijn jeugd gestolen,’ zegt ze. 

SOPHIE «Op de dag dat ik onderdook ben ik volwassen geworden. In een paar minuten veranderde mijn hele leven. Ik kreeg een valse naam; ik moest voortdurend op mijn hoede zijn om mijn joodse identiteit niet te verraden. En altijd was er de angst voor mijn ouders. Want ook al werd me niks verteld, ik voelde instinctief dat ze in levensgevaar verkeerden. Maar huilen mocht niet, en dus verbeet ik ijs nachts mijn tranen in mijn hoofdkussen. ‘Dat opkroppen van gevoelens heb ik na de oorlog lang meegedragen. Weet je, wij zijn allemaal getraumatiseerd. Eigenlijk kun je er alleen met lotgenoten over praten. Vandaar het succes van onze praatsessies onder begeleiding van psychotherapeuten. Vele kinderen hebben hier voor de allereerste keer hun echte verhaal verteld, vijftig jaar na de oorlog.»

De vzw Het Ondergedoken Kind heeft nog een ander doel: het recupereren van afgedwaalde schapen.

SOPHIE «We krijgen kinderen over de vloer die na de oorlog volledig met het judaïsme hadden gebroken. Ze wilden volbloed Belgen worden, want jood zijn was gevaarlijk, dat hadden ze tijdens de oorlog geleerd. Nu keren ze terug, op zoek naar hun ware identiteit, al zijn sommige onderduikkinderen definitief verloren voor het jodendom.

»Het is gebeurd dat ouders hun baby tijdens een razzia in een kast of zo verstopten, in de hoop het uit de handen van de Gestapo te redden. Soms lukte dat en werd het kind later door de buren meegenomen. Zo komt het dat enkele joden hun identiteit pas bij de dood van hun adoptieouders hebben ontdekt. Ik ken zelfs een jongen die pas tijdens zijn legerdienst de waarheid heeft achterhaald. Toen hij met andere rekruten onder de douche stond, merkte hij het verschil.»

Bracha Altman: ‘De klop op de deur’

Ook Bracha Altman is de dochter van Poolse inwijkelingen. Ze was dertien toen de oorlog uitbrak. Het ontberen van een Belgisch paspoort zou de familie meteen zuur opbreken.

BRACHA «Zoals vele Belgen vluchtten we in mei 1940 naar Frankrijk. Bij de grens werd de trein tegengehouden. Alleen de Belgen mochten blijven zitten, wij moesten overstappen. Drie dagen aan één stuk reden we kriskras door Frankrijk, zonder eten of drinken, tot we in een vluchtelingenkamp in de buurt van Toulouse werden gedropt. We werden slecht onthaald, want in de ogen van de Fransen waren wij vuile Belgen, onderdanen van een land dat lafhartig had gecapituleerd. Na de Franse capitulatie sloeg de stemming om, vanaf dan werden we opnieuw voor vuile joden uitgescholden.

»In september keerden we terug naar Brussel. Vader was eerst op verkenning gegaan, en de berichten waren geruststellend; de Duitsers gedroegen zich correct. Het was een bedrieglijke indruk, de discriminatie werd heel geleidelijk opgevoerd. Het jodenregister, de Davidster, het schoolverbod, stapje voor stapje groeide de terreur. En we durfden geen verzet te bieden, want in onze verbeelding was de Duitse bezetter alomtegenwoordig. Na de oorlog bleek dat ze helemaal niet zo oppermachtig waren. In heel België was maar een tiental Gestapo’s om de jodenvervolging te organiseren.»

In België zijn vierduizend joden in de val van de Arbeitseinsatzbefehlen getrapt: ze trokken ‘spontaan’ naar het deportatiecentrum in de Dossinkazerne. De convocaties kwamen dan ook van een vertrouwenwekkende afzender: de Vereniging van Joden in België (Vin Deze organisatie werd in november 1941 door de Duitsers opgericht als instrument voor hun jodenpolitiek. De leiding bestond hoofdzakelijk uit Belgische joden, met aan het hoofd de Antwerpse rabbijn Ullmann. De VJB speelde niet louter voor postbode. Ze verstuurden de fatale convocaties telkens met een dringende bede tot gehoorzaamheid aan de bezetter, ‘om erger te voorkomen’. 

Bracha Altman is er nog altijd woedend om. ‘In onze straat woonden verscheidene joden van de VJB,’ vertelt ze. ‘Ze kwamen mijn ouders vertellen dat we maar beter naar Mechelen konden vertrekken. Er kan jullie niks gebeuren, zeiden ze, ‘het is maar om in Duitsland te werken’. Mijn ouders begonnen al te twijfelen, maar gelukkig werden we getipt door de leider van een Zionistische beweging: we moesten onmiddellijk onderduiken. Waarom vertelde hij niet, maar wellicht vermoedde hij wat ons in het oosten te wachten stond. Ook bij de VJB moeten ze op de hoogte zijn geweest. Maar sommige VJB-leiders hoopten hun eigen huid te redden door andere joden uit te leveren.’ Een buurvrouw bracht Bracha onder in de Grisardstraat, in het hartje van de joodse wijk vlakbij het Zuidstation. Geen gelukkige keuze, want enkele dagen na de verhuizing was de buurt het toneel van een grootscheepse razzia.

BRACHA «Het duurde de hele nacht. Een afschuwelijk kabaal van brullende Duitsers en huilende joden. Ik lag in mijn bed te luisteren. We hadden een schuilplaats, een hok onder de trap, waar ik bij gevaar moest inkruipen; maar ik was letterlijk verlamd van angst. leder moment verwachtte ik een klop op de deur. Als de hond maar niet gaat blaffen, dacht ik voortdurend, anders ben ik er geweest. Uiteindelijk ben ik toch in slaap gesukkeld. ‘s Morgens werd er op de deur geklopt. Ik schrok me rot. ‘Dit is het dan,’ dacht ik.»

Maar het was de buurvrouw, die poolshoogte kwam nemen. Bracha was door het oog van de naald gekropen. ‘Een mirakel,’ zegt ze nu. De Gestapo controleerde huis per huis. Alleen mijn onderduikadres sloegen ze over. Wellicht heeft de ligging me gered. Zie je, de Duitsers begonnen de Grisardstraat van twee kanten tegelijk uit te kammen; en aangezien ons huis pal in het midden lag, dachten ze wellicht dat die van de andere kant al waren gepasseerd.’ Bracha zou zes maanden in de Grisardstraat blijven. ‘Ik kwam nooit buiten en durfde zelfs amper te bewegen,’ zegt ze. 

BRACHA «We woonden op de eerste verdieping, en de onderburen mochten mij vooral niet horen. Ik heb nu zo mijn bedenkingen bij de ‘nobele bedoelingen’ van mijn gastgezin. Ze profiteerden van de situatie: mijn ouders betaalden drieduizend frank in de maand, voor die tijd was dat een bom geld. De gastvrouw handelde ook minder uit menslievendheid dan uit wraakzucht: haar eerste man was tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers geëxecuteerd. Op de duur werd het echt gevaarlijk, toen die vrouw zo prat ging op haar rol in het verzet, dat ze overal begon rond te strooien dat ze een joods meisje verborgen hield. Ook haar zoon zat in het verzet. Op een keer kwam hij stomdronken binnenvallen met een geweer dat hij van de Duitsers gestolen had. Toen was het tijd om te vertrekken.»

Een zoon als beloning

Alweer verschijnt de buurvrouw die haar eerder had geholpen in beeld. Haar naam staat in geen enkele verzetskroniek, dus geven wij hem bij deze: Augusta Lienaux, een van de talloze anonieme lieden die op eigen houtje joden hebben gered, zonder lid te zijn van een verzetsbeweging. ‘We stapten samen op de trein naar Henegouwen,’ zegt Bracha. 

BRACHA «Met mijn gitzwarte haren zag ik er absoluut niet arisch uit, en ik was doodsbang dat de eerste de beste Duitser mij zou ontmaskeren. Via het Zionistisch verzet werd ik bij een kinderloos gezin in Morlanwelz geplaatst en met valse papieren in het lyceum ingeschreven: ik heette Hélène Lardinois uit Charleroi, ons huis was gebombardeerd, vader was omgekomen en moeder was ziek, daarom verbleef ik permanent in Morlanwelz. Ik vond het griezelig om telkens dat verhaaltje op te dissen, vooral dat van mijn dode vader. Maar het werkte; alles is rustig verlopen. In Morlanwelz hebben ze tijdens de hele oorlog welgeteld drie Duitse soldaten ge-zien. Dat volstond helaas om een meisje uit mijn klas dood te schieten toen ze na spertijd werd betrapt en op de vlucht sloeg. Ondanks het risico ben ik naar haar begrafenis geweest. Ik koesterde een merkwaardig schuldgevoel: dat arme meisje had toch niks misdaan? Ze was niet eens joods. Het was een belachelijke redenering, maar zo voelden vele joden zich tijdens de oorlog.»

Bracha denkt met genegenheid terug aan de familie Collignon in Morlanwelz. ‘Heel lieve mensen,’ zegt ze. 

BRACHA «Ze hadden nog nooit een jood gezien, voor hen was ik een kind als een ander. Veel geld hadden ze niet, ze moesten zelfs bijklussen want de kleine subsidie van het Zionistisch verzet volstond niet om mij te onderhouden. Vergeet niet dat in die tijd alle voedsel op de bon stond; voor illegale gasten kon men alleen op de zwarte markt terecht. Ze waren absoluut niet eerzuchtig, zelfs na de oorlog hebben ze niemand verteld dat ik een joods kind was. Na hun overlijden heb ik hun zoon teruggevonden, en zelfs hij wist het niet. 

»Daar zit trouwens een mooie anekdote aan vast. Het kinderloze koppel had alle hoop op een nageslacht al verloren, maar wat gebeurde er kort na de oorlog? De vrouw werd op hoge leeftijd zwanger. Ze heeft me toen een brief geschreven waarin ze zei dat die zoon zeker een beloning was voor hun goede daad tijdens de oorlog; daar was ze van overtuigd.»

De Rechtvaardigen der Naties

De Collignons werden postuum erkend als ‘Rechtvaardigen der Naties’door het Holocaust-instituut Yad Vashem in Jeruzalem. Deze eretitel wordt pas na een grondig onderzoek toegekend. De voorwaarden zijn streng: titularissen hebben joden in nood geholpen en zetten daarbij hun leven of welzijn op het spel en werden niet door baatzucht gedreven. Bracha heeft het initiatief tot de erkenning genomen. ‘Ik vond het mijn morele plicht,’ zegt ze. ‘Na de bevrijding zaten mijn ouders compleet aan de grond, en we hadden geen geld om onze dankbaarheid te tonen. Het heeft me wel veel moeite gekost, want mijn contact met Morlanwelz was al lang verbroken. Ik heb zelfs het bevolkingsregister moeten raadplegen om mijn redders terug te vinden.’ 

Zoals Bracha zijn tientallen onderduikkinderen nog steeds naarstig op zoek naar redders of nabestaanden van redders. Bij de Israëlische ambassade lopen jaarlijks tientallen aanvragen voor Yad Vashem binnen. ‘België telt nu 1.035 erkenningen,’ zegt Laurent Reichman van de dienst Rechtvaardigen der Naties. ‘Dat is zeer veel. Goed, in Polen werden meer dan vijfduizend Rechtvaardigen erkend, maar daar woonden voor de oorlog zo’n drie miljoen joden tegen zestigduizend in België. Als je daar rekening mee houdt staat België aan de top.’ 

Sophie Rechtman beaamt het volmondig. ‘We mogen trots zijn,’ zegt de voorzitter van de vzw Het Ondergedoken Kind. ‘Dank zij de massale hulp van de bevolking heeft 56 procent van de joden in België de oorlog overleefd. Weet je, vele helden zijn anoniem gebleven. Wie kent er de rol van de Belgische postbodes? Wij, onderduikkinderen, zijn hen veel dank verschuldigd. Want we moeten niet naief zijn, er waren ook Belgen die anonieme brieven naar de Gestapo stuurden om onderduikers te verklikken. Maar dankzij de postbodes werden veel van die brieven onderschept en onschadelijk gemaakt. Ze gingen sluw te werk. De brieven werden niet vernietigd, want dat zou meteen opvallen. Nee, ze bestelden de brieven met een paar dagen vertraging. En tegen de tijd dat de Gestapo binnenviel waren de onderduikers al lang verdwenen.’

Sophie Rechtman wijst er zelf op: de erelijst van Yad Vashem telt opvallend veel namen van katholieke instituten, priesters, paters en zusters. ‘Ik geef vaak voordrachten in katholieke scholen,’ zegt ze. ‘Dan hamer ik erop: de kerk als instituut is medeplichtig aan de shoah. Eeuwenlang hebben ze de joden als afvalligen en Godsmoordnaars voorgesteld. Het zwijgen van het Vaticaan over de Holocaust was ronduit misdadig. En toch kunnen we er niet omheen: talloze priesters en gelovigen hebben voor ons hun leven geriskeerd. Waarom? Omdat zij in tegenstelling tot het Vaticaan als echte christenen handelden.’

Ook pa en ma Knaepen staan sinds 1992 als ‘Rechtvaardigen’ te boek bij Yad Vashem. Het is trouwens niet de enige blijk van dankbaarheid; de boerderij hangt er vol van. Ronduit ontroerend is het Maria-retabel, een geschenk dat de ouders Schwarz kort na de oorlog in Scherpenheuvel voor de Knaepens kochten. ‘Ze zijn een stuk familie geworden,’ zegt Remi Knaepen. ‘Vaak werden Pa en mam op joodse feesten uitgenodigd; dan stuurden ze een taxi om hen op te halen, helemaal uit Antwerpen.’ Emile Schwarz doet inzake dankbetuigingen niet onder voor zijn ouders: ter ere van zijn redders liet hij in Jeruzalem achttien bomen planten. ‘Een joodse traditie,’ zegt hij. ‘Achttien staat symbool voor het leven.’

Maar het mooiste moet nog komen. We slaan het fotoalbum open. De Knaepens drijvend in de Dode Zee, bewonderend voor de Klaagmuur, op de rug van een kameel, het zijn mooie souvenirs van een onvergetelijke reis naar Israël. Voor vele Knaepens was het de eerste vliegreis, ze zijn er drie jaar later nog altijd vol van. ‘En alles op kosten van Emile,’ zegt Remi. ‘Hij is heel genereus, hij staat altijd klaar om ons te helpen. Een echte broer.’ Het hoogtepunt van de reis was het bezoek aan Yad Vashem, waar de namen van pa en mam in het erepark werden bijgeschreven. ‘Als ze het hadden meegemaakt zouden ze verlegen zijn,’ zegt Remi. ‘Ze waren veel te bescheiden voor zoveel lof. Want ze beschouwden zichzelf helemaal niet als helden. Ze hadden gewoon hun plicht gedaan, zo dachten ze erover.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234