null Beeld

Dossier adoptie

Dossier Adoptie Zonder Grenzen (2): de trauma’s van de Belgische adoptieouders. ‘Ik heb vijf kinderen geadopteerd, met geen van hen heb ik nog contact’

Na een blitzstart in 1981 gaat het Imelda De Graef en haar adoptiedienst, de vzw Zonder Grenzen, voor de wind. Jarenlang brengen ze ongestoord ladingen van telkens twintig tot dertig Rwandese kindjes naar België, om ze hier te verdelen onder Vlaamse gezinnen. Begin jaren 90 komen de eerste klachten van wanhopige ouders. Verkeerd gelopen adopties monden uit in echtscheidingen, depressies en veel tranen. ‘Je denkt dat je een kind gaat helpen, en achteraf merk je: hoe hard je ook je best doet, je kunt het niet gelukkig maken.’

Lees ook deel 1 van ‘Dossier Adoptie Zonder Grenzen’

Woensdag 13 juli 2016, een kort bericht in Gazet Van Antwerpen: ‘De drenkeling die vrijdag werd gevonden in de Schelde tijdens de Tall Ships Races is geïdentificeerd. Het gaat om de 29-jarige Tim Kuppens uit Antwerpen. Op Facebook kwamen al talloze rouwberichten binnen. De man wordt omschreven als altijd goedlachs en vrolijk en hij was een graag geziene figuur in de Antwerpse horeca.’

Een week later, een snikhete dag in rouwcentrum De Cock in Aartselaar: jonge mensen staan tot buiten aan te schuiven om een glimp op te vangen van de begrafenisplechtigheid van Tim Habumugisha Kuppens. Geboren in Rwanda in 1986, op 4-jarige leeftijd samen met zijn oudere broer geadopteerd. Zijn favoriete rapliedje wordt gespeeld, vrienden halen herinneringen op aan zijn aanstekelijke lach, zijn optredens als dj en breakdancer. Op de derde rij zit – onopvallend en zonder een woord te zeggen – de adoptievader van Tim, Frank Kuppens.

FRANK KUPPENS «Ik heb me bewust op de achtergrond gehouden. De laatste keer dat ik Tim in levende lijve had gezien, was in 2008, acht jaar voor zijn dood, en weer was het uitgedraaid op ruzie (zucht). Hij was zo boos op mij. Hij verweet me dat ik hem had weggeroofd uit het mooie Rwanda – net als zijn adoptiebroers.

»De dag dat ze Tim vonden: ik had mijn auto net gewassen en zag twee mannen van de zeevaartpolitie voor mijn huis staan. ‘Slecht nieuws, meneer Kuppens.’ Tim lag al een paar dagen in het water. Hij had drugs en alcohol in het bloed, maar de autopsie kon niet uitsluiten of het om kwaad opzet, een ongeluk of een zelfdoding ging. Ik ben er, zoals de meeste van zijn vrienden, vrij zeker van dat het zelfmoord was. Ik weet ook dat bijna iedereen mij daarvan de schuld geeft. Ik ben de boeman, ook voor zijn vier adoptiebroers.

»Ik heb vijf kinderen geadopteerd, allemaal via de vzw Zonder Grenzen. Met geen van hen heb ik nog contact. Ik heb altijd mijn uiterste best gedaan voor hen, maar als ik geweten had hoe het zou lopen, had ik het nooit gedaan. De manier waarop de vzw Zonder Grenzen werkte was onverantwoord. Ik heb klacht tegen hen ingediend bij Kind en Gezin, omdat ik wilde dat ze ermee ophielden. Ze hebben drama’s veroorzaakt, niet alleen bij ons, maar ook in vele andere Vlaamse gezinnen.»

Tim Kuppens had veel vrienden, maar weinigen kenden zijn hele verhaal. Hoe hij op zijn vierde door zijn Rwandese moeder werd afgestaan voor adoptie en daar op zijn 29ste nog altijd onder leed. Dat hij zijn draai niet vond in zijn adoptiegezin, op zijn achtste in de jeugdzorg belandde, daarna een tijdje in de psychiatrie.

‘Tim was een zwerver,’ zegt Nyira Hens, die uitzoekt wat er is geworden van de Rwandese kinderen die, net als zijzelf, via de vzw Zonder Grenzen naar België werden gehaald.

NYIRA HENS «Toen ik Tim leerde kennen, op een nacht in een Antwerps café, stond hij te dansen. Dat was typisch: hij had die nacht geen plek om te slapen en dacht: ‘Beter dansen dan buiten in de kou te zitten kleumen.’ Hij sliep die nacht bij mij op de zetel, en nadien zagen we elkaar geregeld in Antwerpen. Zo kreeg ik, in stukjes en brokjes, zijn verhaal te horen. Hij was een getraumatiseerde jongen, maar daar merkte je doorgaans weinig van. Het was altijd lachen met Tim. Overal waar hij werkte, maakte hij vrienden, zowel in de chiquere dancings voor de fils à papa als in de ruigere café’s. Keihard werken, keihard feesten. Dat hield hij altijd maar een tijdje vol. Dan brak hij plots met iedereen, gaf zijn job op, en begon ergens anders helemaal opnieuw. Als mensen te dicht kwamen, schiep hij weer afstand, uit angst om gekwetst te worden. Hij leefde on the edge en was soms weken dakloos.

»De laatste keer dat ik hem zag, had hij ontslag genomen in de Antwerpse brasserie waar hij werkte. Hij wilde terug naar Limburg, naar de mensen die hij nog kende van de instelling waar hij bijna zijn hele jeugd had gezeten. Hij was vastbesloten om zijn leven op orde te zetten, aan zichzelf te werken. Twee weken later kwam het bericht over zijn dood.»

Fruitveiling

Na de miskraam van hun eerste kindje besluiten Frank Kuppens en zijn vrouw in 1988 om een jongetje uit Rwanda te adopteren via de vzw Zonder Grenzen.

KUPPENS «In het begin waren we heel tevreden over hun snelle werking. Een jaar later was Sven er al. En omdat we er nog een broertje of zusje bij wilden, deden we een aanvraag voor een tweede kindje.

»De voorzitster, Imelda De Graef, contacteerde ons al een paar maanden later. Er waren twee broertjes beschikbaar: Ruben, 8 jaar, en Tim, 5 jaar. Meer informatie kregen we niet, behalve dat ze uit een arm Hutu-gezin kwamen. De adoptieprocedure is voor een groot stuk in Rwanda geregeld. We stuurden de papieren op naar Broeder René, de contactpersoon van de vzw ter plaatse. De kinderen hadden onze familienaam al, en de Vlaamse voornamen die we voor hen hadden gekozen. Ze zouden in december komen.

»In augustus belde Imelda. Slecht nieuws uit Rwanda: de twee broertjes waren verdwenen. Broeder René had hen al weken niet meer gezien. We moesten ervan uitgaan dat ze niet meer zouden komen. ‘We hebben wel een oplossing,’ zei Imelda. Ze bood twee andere broertjes van dezelfde leeftijd aan, uit een Tutsi-gezin ditmaal. In gezondere toestand dan de twee Hutu-broertjes. ‘Willen jullie die?’ We stemden in en doorliepen opnieuw een adoptieprocedure via Broeder René. Zo kregen we de 8-jarige Jordy en de 5-jarige Jens toegewezen.

»Drie weken voor hun overkomst ging de telefoon opnieuw: Imelda. ‘We hebben een probleem: Ruben en Tim zijn terug. Wat gaan we nu doen? Nemen jullie er twee, of alle vier?’ Tja. Dat was een moeilijke keuze voor ons. Ik voelde me net dokter Mengele: ‘Jij mag het wel overleven, jij niet.’ We moesten heel snel beslissen. ‘Jullie krijgen vier kinderen voor de prijs van twee,’ bood de vzw aan. Toen besloten we om het erop te wagen. We woonden in een groot herenhuis, we hadden plaats. Onze familie reageerde minder enthousiast. Mijn vader, een oud-koloniaal, was kwaad: ‘Vijf negers in de familie!’

»In december 1991 zijn we de kinderen op de luchthaven van Zaventem gaan ophalen. Je staat te wachten met de andere ouders, nagelbijtend, en plots zie je die bende van twintig, dertig kleine Afrikaanse kindjes op je afkomen in trainingbroekjes en op plastic sandaaltjes. Je begint te gissen: ‘Wie zou voor ons zijn?’ We hadden de kinderen nooit op foto gezien. Eén voor één worden de kinderen naar voren gebracht en roepen ze de namen van de families af – het deed denken aan een fruitveiling.

»Ruben en Tim waren heel kleine jongens, op graatmagere beentjes. We hebben hen laten onderzoeken in het Tropisch Instituut: Ruben, die 8 jaar was, had een botleeftijd van een kind van drieënhalf, ruis op het hart en sluipende malaria. Tim, die toen 5 was, had een botleeftijd van 3. Ze hadden constante medische zorgen nodig. In mijn keuken hing een groot blad met voor elk kind een dagindeling met alle pillen en zalfjes die ze die dag moesten krijgen. Dat gaf enorm veel stress. De vzw had ons nooit over mogelijke gezondheidsproblemen gesproken. Alleen dat ze ‘een beetje ondervoed’ waren.»

HUMO Was vijf adoptiekinderen niet te veel voor één gezin?

KUPPENS «Bah nee. We zijn naar een meubelzaak gereden om een extra stapelbed. Mijn vrouw nam ontslag op haar werk om voor de kinderen te zorgen. In de badkamer had ik vijf kastjes en vijf kapstokjes gehangen en ’s morgens werd het ene kind na het andere gewassen en aangekleed. Dat ging vlot, hoor.

»Administratief verliep alles veel moeilijker. Voor de stad Antwerpen waren de kinderen illegaal in het land en konden ze niet ingeschreven worden. Dat heeft meer dan een jaar aangesleept, maar toen we hulp vroegen bij de jurist van de vzw, Steff Stevens, wimpelde die ons af. En ook later, toen er problemen kwamen met het gedrag van de kinderen, stuurden ze ons wandelen.

»Mijn eerste vrouw is eronderdoor gegaan. ‘Ze pesten mij de hele dag,’ zei ze ’s avonds als ik thuiskwam van het werk. Het was elke avond familieraad, waarbij ik probeerde te bemiddelen. Die jongens zochten constant de grenzen op, alsof ze onze liefde wilden testen: ‘Wanneer zullen jullie me niet meer graag zien?’ Drie jaar na de aankomst van de vier jongens is het geëscaleerd en zijn er drie in de jeugdzorg geplaatst, waaronder Tim.

'Tim Kuppens, één van de Rwandese adoptiekinderen van de vzw, verdronk in juli 2016 in de Schelde. Adoptievader Frank: 'Ik ben er vrij zeker van dat het zelfmoord was.’ Beeld
'Tim Kuppens, één van de Rwandese adoptiekinderen van de vzw, verdronk in juli 2016 in de Schelde. Adoptievader Frank: 'Ik ben er vrij zeker van dat het zelfmoord was.’

Het erge was dat iedereen geloofde dat wij de kinderen slecht behandelden: de school, de hulpverlening, de familie van mijn vrouw. De kinderen vertelden dat ik hen sloeg met een stok. Bewijs maar eens dat dat niet waar is. Met Ruben heb ik op zijn achttiende wel gevochten, omdat hij me aanviel.

»Op school gingen Tim en Ruben vertellen dat ze thuis geen eten kregen. We gaven ze elke ochtend boterhammen mee, maar ’s middags bleken die altijd verdwenen. Elke middag werd er een omhaling gedaan in de refter ‘voor die arme kindjes die thuis geen eten kregen.’ Het heeft drie maanden geduurd eer de school ons daarvan op de hoogte heeft gebracht. Wij waren ‘de slechte ouders’.

»Tim is op zijn achtste naar een behandelingscentrum gegaan voor kinderen met gedrags- en emotionele problemen, en heeft daar een groot deel van zijn jeugd doorgebracht. Op zijn vijftiende heeft hij, toen hij bij ons thuis was, een zware crisis gekregen. Hij viel zijn broer aan, verminkte zichzelf… We hebben er toen de politie bij moeten roepen.

‘Ik had heel veel last van woedeaanvallen,’ vertelde Tim Kuppens zelf als twintiger in een ‘Koppen’-reportage over kinderen die trauma’s opliepen in hun vroege kinderjaren. ‘Ik heb een paar keer mijn broer in een wurggreep gehad, en ik wou die gewoon niet loslaten. Van die dingen. Vechten, veel vechten, gewoon agressief. Op latere leeftijd heeft zich dat geuit in mezelf pijn doen. Krassen en zo. De agressie moest er gewoon uit, snap je? Later heb ik nog lang in het ziekenhuis gelegen, in een isoleercel en alles.’

Kuppens «Pas nadien heb ik beseft dat die kinderen serieus ontwricht waren. Ze hadden littekens op hun ziel. Wat hadden ze in Rwanda allemaal meegemaakt? Daar wisten we niks van. In 2000 zijn mijn vrouw en ik gescheiden, onze relatie kon de spanningen rond de kinderen niet aan. We hebben verschillende keren hulp gevraagd aan de vzw Zonder Grenzen. Ze lieten ons gewoon stikken. Als de kinderen zich misdroegen, zei Imelda De Graef, was dat onze schuld en ons probleem.»

De witte weldoenster

Ook andere adoptieouders komen bij Imelda aankloppen met verhalen over kinderen die wild om zich heen schoppen en alles stukmaken, manipuleren, stelen, liegen. ‘Uit angst voor affectie en nestwarmte maken onze kindjes het leven van hun huisgenoten tot een hel,’ schrijft een ouder in een wanhopige brief aan Imelda. De jongste uit een gezin met zeven kinderen (vier eigen kinderen, drie geadopteerden) kruipt achter het stuur van een bulldozer en ramt de muur van een gebouw.

‘We bevinden ons in een lange, donkere straat zonder einde,’ schrijft de familie A. aan Imelda in 1993, amper twee jaar nadat ze vier kinderen hebben geadopteerd via de vzw. ‘Eén zo’n kind is moeilijk (of niet) haalbaar. Wij hebben er vier. Die grote familie waar jij zo mooi over praat, dat bereiken wij hier niet. Wij krijgen alleen afwijzing.’

Imelda blijft doof voor de klachten. ‘Ze begon altijd over haar zes eigen adoptiekinderen, en dat zij daar geen enkel probleem mee had,’ vertelt de moeder van drie adoptiekinderen. ‘Of ze wuifde de verhalen weg: ‘Die lieve zwarte krullenbollen zijn nu eenmaal zo.’’

ADOPTIEMOEDER 1 «Je kon Zonder Grenzen vergelijken met een sekte en Imelda met een goeroe. Een witte weldoenster. Ze was erg opgezet met de lof die haar werd toegezwaaid en op adoptiedagen was ze het stralende middelpunt. Je werd meegezogen in een euforie: wij gaan iets doen voor de wereld! Maar één woord van kritiek, en je werd buitengesloten. Ouders die toch met hun problemen naar buiten kwamen, kregen zelf de schuld en werden geïsoleerd. Maar hulp of raad kwam er niet. Onze ogen zijn toen opengegaan. We namen het de organisatie heel kwalijk dat ze eerst zoveel mogelijk kinderen plaatsten, en er daarna niet meer naar omkeken.»

‘Imelda De Graef wuifde de verhalen van de ouders weg: 'Die lieve zwarte krullenbollen zijn nu eenmaal zo.’ Beeld
‘Imelda De Graef wuifde de verhalen van de ouders weg: 'Die lieve zwarte krullenbollen zijn nu eenmaal zo.’

Verscheidene families, waaronder het gezin Kuppens, dienen een klacht in bij Kind en Gezin. Ze zijn boos over het gebrek aan nazorg, vinden dat ze onvoldoende zijn voorbereid op het adoptieouderschap en véél te weinig informatie hebben gekregen over de medische, sociale en emotionele achtergrond van de kinderen.

‘Ons J. kon niet praten toen ze hier aankwam. Het meisje was zeer agressief. Later bleek dat dit kind in Rwanda haar klein zusje van 1 jaar tegen een boom heeft geworpen, waarbij het overleden is. Imelda zou dit navragen bij de broeder in Rwanda. Dit kon weleens gebeurd zijn, was haar antwoord. Ook ik denk dat het waar kan zijn, dit kind kennende. Ik ben zelf bang van haar.’ (klacht van de familie A. bij Kind en Gezin, 1993)

ADOPTIEMOEDER 2 (zeven kinderen, waarvan drie geadopteerd) «Een dokter die onze adoptiekinderen had geobserveerd, zei: ‘Mevrouw, u hebt drie getraumatiseerde kinderen die thuishoren in een therapeutisch pleeggezin. De combinatie met eigen kinderen is haast onmogelijk.’ Onze jongste had zware hersenbeschadiging opgelopen door malaria en had zijn impulsen niet onder controle. Hij was heel agressief en destructief. Het zorgde voor een hoop frustratie en ruzie in huis. We zijn ook met onze eigen kinderen in therapie moeten gaan. Ik ben ziek geworden door de situatie. De de buitenwereld roddelde: ‘Eerst kinderen aannemen voor het kindergeld en ze dan laten opnemen in de psychiatrie!’ Ik heb véél geweend. Er zijn periodes geweest dat ik zelfmoord wilde plegen.

»We voelden ons bedrogen. Je doet iets met de beste bedoelingen, je hebt het idee dat je een kind gaat helpen. En achteraf merk je: hoe hard je ook je best doet, je kunt ze niet gelukkig maken. Dat was het ergste. Ik kan vandaag nog altijd niet tegen geluid. We zijn gevlucht naar de Ardennen, weg van de miserie, de roddel, het onverdraaglijke lawaai.»

‘Een erg getraumatiseerd kind in huis hebben kan voor de ouders en de omgeving traumatiserend zijn,’ zegt Nicole Vliegen, hoofddocent klinische psychologie aan de KU Leuven. Ze leidt een onderzoek naar de ontwikkeling van adoptiekinderen in Vlaanderen en publiceert in het najaar een boek over hulpverlening aan kinderen met een complex trauma.

NICOLE VLIEGEN «Hoe meer kinderen in hun vroegste jaren blootgesteld zijn aan verwaarlozing, mishandeling of misbruik, hoe groter het risico op een moeilijke ontwikkeling – en een moeilijk leven. Sommige kinderen zijn zo diep gekwetst dat ze door het leven gaan met een binnenwereld die te vergelijken is met die van een getraumatiseerde oorlogssoldaat. Daarom hebben ze ouders nodig die extra stevig in hun schoenen staan. Een warm nest is cruciaal, maar vaak niet genoeg. Je moet het gezin omkaderen met intensieve hulpverlening om met het bijzondere gedrag van deze kinderen om te gaan. Anders is het risico op wederzijdse traumatisering reëel: goedmenende ouders voelen zich afgewezen door hun kind en reageren niet altijd gepast, en kinderen gaan zich vervolgens nóg onveiliger voelen.

»Uit onderzoek blijkt ook: hoe meer kinderen met een rugzakje in een gezin, hoe groter de kans op nieuwe trauma’s. De kans bestaat namelijk dat je in zo’n groot gezin alle kinderen ‘gelijk voor de wet’ gaat behandelen. Je scheert ze over dezelfde kam. Maar precies dat werkt niet voor kinderen met een trauma, daarvoor zijn hun noden te verschillend. Ze hebben elk hun eigen pakket met ervaringen meegebracht, en dat heeft hen gevormd. Je kunt hen niet, bij wijze van spreken, dwingen om ‘lever te eten, zoals iedereen’. Dat heeft een verkillend effect. Het creëert de sfeer van een weeshuis.

»Tegenwoordig zal men nooit meer dan twee of drie kinderen in één gezin plaatsen, en dan nog één voor één, tenzij het om broers en zussen gaat. Vijf adoptiekinderen in één gezin, dat gaat het verstand te boven.»

Frank Kuppens praat met spijt en genegenheid in zijn stem over zijn vijf zoons, die hij al jaren niet meer ziet.

KUPPENS «Ik mis die jongens. Het blijven mijn kinderen. Ze zijn hun eigen weg gegaan, en met de ene gaat het beter dan met de andere. Ik ben geen voorstander meer van adoptie. Misschien loopt het soms ook goed af, maar bij ons heeft het alleen voor trauma’s gezorgd. Ik lijd er nog elke dag onder, ook omdat ik besef dat ik in hun ogen de bron van hun ellende ben, terwijl ik ook maar mijn best gedaan heb. Maar voor de kinderen vind ik het nog veel erger. Zij hebben eigenlijk geen eerlijke kans gekregen.»

Café wordt winkel

De klachten van de ouders maken weinig indruk op de vzw Zonder Grenzen, zo blijkt uit een inspectieverslag uit juni 1993 van Kind en Gezin: ‘Onze gesprekspartners zijn zich bewust dat hun toewijzingen door velen worden bekritiseerd. Zij vinden ze echter steeds verantwoord. Ze zouden tot nu toe weinig of geen problemen ondervonden hebben met de geplaatste kinderen en dat is voor hen het bewijs van hun ‘deskundig handelen’.’

In 1990 worden adoptiediensten in Vlaanderen door de strengere adoptiewetgeving verplicht om een professioneel team rond zich te scharen om te peilen naar de geschiktheid van kandidaat-ouders. Ook Zonder Grenzen moet zich laten bijstaan door een pedagoog, een sociaal assistent en een psycholoog. De eerste inspectieverslagen van Kind en Gezin in 1990 zijn nog afwachtend: er schort veel aan de werking van de vzw, maar de verantwoordelijke Imelda De Graef toont een groot engagement. Vanaf 1991 komen de eerste barsten in het blazoen, en van dan af wordt het jaar na jaar erger. Verslagen van het professionele team zijn slordig opgesteld, onvolledig, niet gedateerd en bevatten tegenstrijdige en foute informatie.

‘In het verslag van de pedagoge is de echtgenote een uitbaatster van een volkscafé. In het verslag van de maatschappelijk assistent heeft de vrouw een kruidenierszaak!’ – ‘Er is geen informatie over de financiële mogelijkheden van de kandidaat-adoptanten.’ – ‘In het ene verslag luidt het advies voor dit gezin om twee oudere adoptiekinderen te plaatsen, een ander verslag adviseert één baby.’ – ‘De pedagoge heeft geen selectiegesprek gehad met de kandidaat-adoptanten. Volgens de verantwoordelijke (Imelda De Graef, red.) was dat niet nodig omdat de man een rechter is.’ – ‘Uit het dossier blijkt dat mevrouw ernstige psychische problemen heeft. In het verslag van de pedagoge vinden we hierover niets terug.’

Verlaten en verstoten kinderen met zware groeiachterstand worden zonder uitleg aan ouders toegewezen. ‘Zij krijgen maar enkele dagen bedenktijd,’ aldus een inspectieverslag uit 1993. ‘Onze gesprekspartners zeggen dat dit noodzakelijk is om praktische redenen: ‘Er moet zo snel mogelijk iets voor die kinderen worden gedaan, het gaat soms over leven en dood. Wij zoeken zo snel mogelijk ouders voor de kinderen.’ Dergelijke handelswijze is onverantwoord en leidt tot aberrante situaties.’

Binnen de vzw komt het geregeld tot conflicten tussen de dominante Imelda en haar medewerkers, die vaak met ruzie hun ontslag geven.

EX-MEDEWERKER «Ik moest samen met Imelda huisbezoeken bij de kandidaat-adoptieouders afleggen. Dikwijls kwamen we pas om tien of elf uur ’s avonds bij de mensen aan. Imelda besliste op het zicht of de mensen deugden of niet. Ik moest advies geven over het aantal kinderen en de leeftijd. Maar Imelda luisterde niet, ze deed gewoon haar zin. Zij en Steff (Stevens, red.) bedisselden alles onder elkaar. Sommige ouders vroegen hoe ze zich konden voorbereiden. Dat was niet nodig, vond Imelda. ‘Veel liefde en boterhammekes geven,’ was haar motto.»

Ook bij Kind en Gezin laat de vzw lichtjes verbijsterde inspecteurs achter. In nota’s aan de administrateur-generaal geven ze blijk van hun verbazing over het functioneren van de dienst. Zo vinden de inspectiebezoeken telkens plaats in de keuken van Imelda De Graef ‘omdat er zogezegd werken bezig waren in de ontvangstruimte.’

‘De inspecteurs werden gestoord door de geadopteerde kinderen van het echtpaar die via de keuken binnenkwamen, door de melkboer en door de bakker. Op vrijdagnamiddag was de verantwoordelijke iets (vermoedelijk soep) aan het koken. Het eten brandde aan en verspreidde een enorme reukhinder. De kinderen zaten in de aanpalende ruimte tv te kijken. (…) Hier is absoluut geen sprake van een adoptiedienst, wel van een gezin waarvan de moeder aan adoptiebemiddeling doet.’ (nota aan administrateur-generaal Vandenberghe, 7 juni 1993)

Een inspectrice meldt op 8 april 1993 aan haar overste dat ze al een tijdje geen inspectiebezoeken meer in haar eentje wil afleggen ‘aangezien ik de mensen uit deze adoptiedienst niet meer vertrouw en ik mezelf veilig wil stellen’. Meermaals schrijven de inspecteurs dat de vzw zaken voor hen verborgen houdt en een loopje neemt met de waarheid. ‘We zijn tot de vaststelling gekomen dat de verantwoordelijke een zeer hypocriete en oneerlijke vrouw is.’

Toch zal het nog tot 1994 duren eer de Raad van Beheer van Kind en Gezin, in die jaren met een duidelijke CVP-stempel, de noodkreten van haar inspecteurs volgt en beslist om de erkenning in te trekken.

Imelda’s oudste dochter Suzy stapt in 1993 naar de ombudsdienst van de Vlaamse Gemeenschap om haar beklag te doen over het adoptiewerk van haar moeder, dat het gezinsleven – met vijf eigen kinderen en zes geadopteerde – volledig domineert. Er is nauwelijks aandacht voor de behoeften van de eigen kinderen, er zijn veelvuldige conflicten met de familie, alles draait om adoptie. Fotoalbums en dagboeken worden afgenomen en foto’s verscheurd.

Suzy bevestigt in de klacht wat de inspecteurs van Kind en Gezin al lang vermoeden: haar moeder ontvangt de adoptieouders thuis in de woonkamer, niet in de aparte ontvangstruimte die zogezegd ‘in verbouwing’ is. Volgens Suzy wordt net voor het inspectiebezoek een kruiwagen voor de ingang geplaatst en worden er geen verbouwingen uitgevoerd.

Vandaag staat Suzy niet meer achter deze klacht, zegt haar moeder.

IMELDE DE GRAEF «Vorige week zei ons Suzy nog: ‘Ma, ik ben stom geweest.’ Ik heb haar gezegd: ‘Suzy, in je jeugdjaren doe je soms stomme dingen.’ In elk huishouden stormt het weleens.»

Broer en zus

Adoptieouders krijgen vage, verkeerde of misleidende informatie over de kinderen die ze adopteren. Er wordt ook ronduit gelogen. Dat ondervindt Bernardine Huvaere, die in 1991 via Zonder Grenzen twee Rwandese kinderen adopteert.

BERNARDINE HUVAERE «Wij hadden maar één kindje gevraagd, maar Imelda zei dat het om broer en zus ging, Mia en Dirk: ze wilden hen niet scheiden. Op een avond stond ze bij ons thuis voor de deur. Een blitzbezoek. ‘Volgende week komen de twee kinderen. Het moet snel nu. In Rwanda zijn de mazelen uitgebroken.’ We kregen geen informatie over de kinderen, alleen dat het om een meisje van 8 en een jongen van 2 ging. Een week voor de kinderen kwamen, vertelde Imelda ons dat de mama in een beerput was gevallen toen ze zwanger was van Dirk. Door de val was ze verlamd geraakt. Ze kon niet meer voor haar kinderen zorgen.

»Op 12 december 1991 zijn we onze kinderen gaan halen in Zaventem. Ze zijn met een toeristenpaspoort aangekomen, waarmee ze drie maanden in het land mochten blijven. ‘Het moest allemaal op een rapke,’ zei Imelda. ‘De kinderen sterven van de mazelen.’

'Het was Broeder René (midden op de foto) die ons de kinderen aanbood en de kindstudies maakte. Wij hebben hem altijd vertrouwd.’ Beeld
'Het was Broeder René (midden op de foto) die ons de kinderen aanbood en de kindstudies maakte. Wij hebben hem altijd vertrouwd.’

»Kort na de aankomst van de kinderen in België was het Adoptiedag van de vzw Zonder Grenzen. Er lagen allerlei foto’s uit Rwanda uitgestald. Ik vraag aan Mia: ‘Zie jij mama ergens?’ En ze wijst naar een foto van een vrouw die rechtop tegen een auto staat. Ik schrik me een ongeluk: dit is toch geen lamme vrouw? ‘Ze staat rechtop!’ zei ik tegen Imelda. ‘Dat was een uitzonderlijke pose voor de foto,’ antwoordt die.»

Het duurt nog zestien jaar voor de leugen ontmaskerd wordt, als Bernardine met haar zoon Dirk op rootsreis naar Rwanda gaat.

HUVAERE «Dirk was 18 en worstelde erg met zijn identiteit. In Rwanda heeft hij ontdekt dat hij nog een broer heeft. En van die broer kwam het ontstellende nieuws dat hij en Mia geen broer en zus zijn, maar neef en nicht: hun moeders waren zussen.»

Mia’s Rwandese moeder is ook niet verlamd, zo blijkt. Dirk en Mia zijn met een vervalst paspoort en een door broeder René verzonnen kindstudie (met info over de sociale, medische en psychologische achtergrond van het kind, red.) naar België gestuurd. Broeder René heeft de kleine Mia in Rwanda bezworen: ‘Als je ooit vertelt dat jij en Dirk geen broer en zus zijn, zetten we je terug op het vliegtuig.’

‘Die bedreiging had zijn effect: ik heb bijna twintig jaar gezwegen,’ vertelt Mia.

MIA «Het hele verhaal was nep. Volgens het dossier van Broeder René was mijn moeder een landbouwster die niet kon lezen of schrijven. In werkelijkheid was ze verpleegkundige, een fiere Tutsi-vrouw die een verhouding had met een dokter. Mijn biologische moeder heeft meegewerkt aan het bedrog, en broeder René ook. In mijn kindstudie verwijst hij onomwonden naar de ‘ziekte’ van mijn moeder, en in mijn adoptiedossier zit ook een vals paspoort van mijn biologische moeder, waarop ze twee kinderen heeft: ik en Dirk. Broeder René kwam vaak op bezoek in Rwanda en knoopte het in mijn oren: ‘Je mag hier nooit iets van zeggen.’ Ik heb het zelfs niet tegen Dirk durven te zeggen. Toen hij op rootsreis vertrok, was ik heel zenuwachtig: ik wist dat het zou uitkomen. Ik heb het, nadat we mijn moeder en Dirk hadden uitgewuifd op de luchthaven, aan mijn vader verteld. Ik was helemaal van slag.»

HUVAERE «Het is Mia zwaar gevallen zo’n geheim te bewaren. Op een dag kregen we een jonge zwarte kerel aan de deur die boekjes verkocht om zijn studie te betalen. Mia had zonder nadenken de deur opengedaan. In wilde paniek rende ze weg, helemaal van streek: ‘Ik heb toch niks gezegd!’ Ze dacht dat ze haar kwamen halen, hè.

»Dirk is op die rootsreis zwaar gecrasht. Hij was in alle staten. Boos. Hij dacht dat ik dat allemaal voor hem verzwegen had. Toen hij vernam dat Mia ervan wist, is hij helemaal buiten zinnen geraakt. Hij snapte het niet. ‘Waarom heeft ze me niks verteld?’ Gelukkig is hij langzaam gekalmeerd.

»Ik ben nadien nog een paar keer alleen teruggekeerd naar de familie van Dirk en Mia in Rwanda. De brieven die we in het verleden voor hen aan Imelda hadden meegegeven als ze naar Rwanda ging, hebben ze nooit gekregen. Imelda spelde de familie van alles op de mouw. Ze zei dat Mia en Dirk door heel rijke mensen waren geadopteerd. Dat mijn man een piloot was – hij werkt bij het spoor. En dat hij een jacht had – Imelda toonde hen een foto van een man met een baard die bij een schip staat. De familie wist alleen dat de kinderen in Europa waren terechtgekomen. Ze wisten niet dat het België was. De familie heeft niets gekregen voor de adoptie van de twee kinderen, zelfs geen melk.»

Imelda De Graef en Steff Stevens hebben naar eigen zeggen geen weet van schriftvervalsing in de adoptiedossiers. ‘Wij hebben ons gebaseerd op de documenten die we van ginds kregen aangeleverd.’ Als er iets niet klopt, dan is dat de fout van Broeder René, hun contactpersoon ter plaatse. Die deed ‘alles in Rwanda’. En Broeder René is dood, sinds 2015.

STEFF STEVENS «U had hier vijfentwintig jaar geleden moeten komen reclameren, toen de persoon die ons de documenten bezorgde nog leefde.»

HUMO Waar kwamen de kinderen vandaan die door jullie in Vlaamse gezinnen werden geplaatst? Wat werd er tegen de families in Rwanda gezegd?

DE GRAEF «Wij kenden die kinderen niet. Het was Broeder René die ons de kinderen aanbood en de kindstudies maakte. Wij stelden ons daar verder geen vragen bij. Wij hebben hem altijd vertrouwd.»

* Ruben, Jordy, Jens, Sven, Mia en Dirk zijn schuilnamen.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234