null Beeld Herman Selleslags
Beeld Herman Selleslags

de wonderjaren

Herman de Coninck: ‘Het is een idee-fixe dat je in je jeugd veel kansen op seks hebt laten liggen en dat je als volwassen man je schade moet inhalen’

Ik tref dichter-journalist Herman de Coninck (49) op een slecht moment: zijn veertienjarige dochter Laura kan ieder ogenblik van school thuiskomen met de resultaten van haar eindejaarsexamens. ‘Ik heb er geen goede hoop in,’ vertrouwt de bezorgde vader me toe. ‘Ze had al een uur geleden thuis moeten zijn. Ik denk dat ze slecht nieuws heeft en niet naar huis durft te komen.’ Vijf minuten later - de wederzijdse introducties en plichtplegingen zijn amper voorbij - sluipt het voorwerp van zijn zorgen het ouderlijke huis binnen en blijkt na een korte interpellatie drie buizen: wiskunde, informatica en geschiedenis te hebben. De Coninck wordt er stil van. Ik zeg hem - niet uit beleefdheid of menslievendheid, maar louter uit eigen ervaring - dat het allemaal niet zo erg is en dat de toekomst hen tegemoet lacht. Als ik merk dat mijn woorden niet de minste indruk maken, verander ik van tactiek en vraag of hij tijdens zijn Wonderjaren dan misschien zo’n goede student was.

Diederik Van den Abeele

Dossier 25 jaar zonder Herman de Coninck: lees hier de beste artikels van, met en over hem

HERMAN DE CONINCK «Ik heb in ieder geval nooit een jaar hoeven over te doen. Over het algemeen was ik een behoorlijke student. Ik herinner me dat ik in de zesde Latijnse 81 procent had en het laatste trimester van de retorica 75 procent. Mijn dieptepunt was 59 procent, in de derde Latijnse. Op mijn rapport stond toen: ‘Herman is een liefhebber, geen echt student’. En dat is eigenlijk zo gebleven. Maar het had natuurlijk ook te maken met een hardnekkige vorm van dromerigheid als gevolg van verliefdheid (lachje).

»Ik ging naar school in het Sint-Romboutscollege in Mechelen, en hoewel Sint-Rombouts in de wijde omtrek bekend stond als een zeer streng college houd ik er toch heel goede herinneringen aan over. Het leuke was immers dat er zoveel regels en reglementen waren die je kon overtreden. Ik heb ooit een paar jaar les gegeven in het Sint-Lucasinstituut, een school waar alles kon en alles mocht, en ik weet nog goed dat ik geregeld dacht: ‘Ik zou me hier als kind nooit hebben kunnen amuseren. Geef mij maar Sint-Rombouts.’ Het enige wat je in Sint-Lucas kon uitspoken, was brossen - en dat werd dan ook massaal gedaan.

»In het laatste jaar van Sint-Rombouts zat ik samen met Paul Goossens, Etienne Van den Bergh en Joris Gerits in de klas. Met zijn vieren stelden wij vijf keer per jaar een schoolkrantje samen. Dat krantje heette ‘Loep’ en bevatte zelfgemaakte gedichten en parodieën op leraars. ‘Loep’ werd eigenhandig gestencild en nadien verkocht voor twintig frank. Ik weet nog dat we een oplage van verschillende honderden exemplaren hadden. In dat schoolkrantje heb ik leren schrijven, en later in Leuven in het studentenweekblad Universitas. Daar heb ik meer geleerd dan aan de universiteit. Ook de drie andere medewerkers van ‘Loep’ zijn later in de journalistiek terechtgekomen: dat kan geen toeval zijn.

»Een jaar eerder had Frans Verleyen zich ermee beziggehouden. Ergens, tussen al mijn rommel, moet ik nog een paar gedichten van hem hebben liggen - over herfstige weemoed, met veel mist erin, toen al. Onze afspraak is dat ik zijn gedichten aan niemand laat lezen en hij die van mij aan niemand (lacht)

Basketballet

HERMAN DE CONINCK «De leraars van Sint-Rombouts waren doorgaans heel streng, maar ieder jaar zat er wel iemand tussen die de leerlingen niet de baas kon en de hele klas op zijn nek kreeg. In de zesde Latijnsen was dat onze muziekleraar Pampam. Die man had de gewoonte om tijdens zijn muzikale dictees de muzieknoten te vervangen door pam-pam-pam-geluiden, vandaar zijn bijnaam. Wij, daarentegen, hadden de gewoonte om tijdens zijn lessen fopdozen met koeiengeluiden de klas binnen te smokkelen en die vanop vijf of zes verschillende plaatsen - tijdens de muzikale dictees - te laten loeien. Bweeuuuuhhh, deden die dozen, en dan lag de hele klas natuurlijk plat. We lieten ook wel eens een levende paling onder de banken ontsnappen. En tijdens de dictieles, bij Mandus de Vos was dat, van ‘De collega’s’, smeten we onze turnpantoffels naar het bord.

»Vanaf een bepaalde leeftijd ben ik heel vaak naar de zondagretenue moeten komen. Die retenues veroorzaakten een averechtse competitie onder de leerlingen - het waren een soort eretekens: hoe meer retenues je kreeg, hoe hoger je aanzien was. In die tijd had je woensdagretenues én zondagretenues - de zondagretenues hadden meer prestige. Ik had de gewoonte om de handtekening van mijn vader op die retenuebriefjes na te bootsen en ‘s zondags met een smoesje naar het college te trekken.

»Aan het hoofd van het Sint-Romboutscollege stond een Feldwebel van een prefect. Die man regeerde over het college met een ijzeren hand en kende absoluut geen genade. Hoe absurder en zinlozer zijn gezag werd, hoe meer ik en mijn klasgenoten ertegen in opstand kwamen. De enige manier waarop we tegen zijn machtsvertoon konden reageren, was via plagerijen. Ik herinner me nog heel goed dat er op onze speelplaats een basketterrein was aangelegd en dat heel onze klas daar op een bepaald moment, met een pingpongballetje, is beginnen te basketten. Zo’n kleine onnozelheid was voldoende om de toorn van de prefect op te wekken, met als gevolg dat de man een minuut later briesend van woede uit zijn kantoor kwam gestormd om dat pingpongballetje in beslag te nemen. Toen hij weer weg was, begonnen we gewoon opnieuw met een tweede balletje - dat hij een minuut later wéér afpakte. Idem met een derde balletje. Toen we geen uiteindelijk geen pingpongballetjes meer hadden, zijn we maar gewoon een soort basketballet beginnen te spelen, zonder balletje. We sprongen en liepen, maakten schijnbewegingen, passeerden onze onzichtbare bal en amuseerden ons rot. Ik zie hem daar nog altijd staan: de prefect, briesend en blauw van woede, omdat hij niets meer kan afpakken. Ik beschouwde die daad van verzet als een overwinning van de verbeelding op de macht.»

Scheerwondjes dichtbranden

HERMAN DE CONINCK «Ik ben geboren in 1944. Mijn ouders hebben me later verteld dat ze tegen het einde van de oorlog een paar keer samen met mij in de schuilkelder hebben gezeten, maar daar weet ik uiteraard niets meer van. Het enige wat ik me herinner, is de angst van mijn vader. Jaren na de bevrijding had mijn vader nog steeds nachtmerries over de oorlog. Hij blééf maar dromen over bombardementen en inslaande V1’s en V2's. Mijn vader was over het algemeen nogal van het angstige type. Mijn moeder absoluut niet. De angst van mijn vader uitte zich ook in politieke voorzichtigheid na de Bevrijding. Mijn moeder was nogal Vlaamsgezind en had zelfs lichtdonkere sympathieën, terwijl mijn vader zeer beducht was voor politieke meningen. Die kon je je als commerçant, zeker in het openbaar, niet permitteren.

»Mijn vader leed aan hemofilie, bloederziekte - dat betekende dat zijn bloed niet stolde en hij dus extreem goed moest opletten dat hij zich niet verwondde. De ziekte van mijn vader heeft zijn angst ongetwijfeld in de hand gewerkt. Die ziekte zat in de familie: twee van mijn neven zijn op vroege leeftijd gestorven - onrechtstreeks aan hemofilie. Als mijn vader zich tijdens het scheren had gesneden, was het iedere keer opnieuw een hele bedoening om die wondjes gestelpt te krijgen. Hij had, onder andere, een aantal speciale stiften met zilvernitraat, waarmee hij zijn wonden zelf kon dichtbranden. Als hij een tand moest laten trekken, werd hij opgenomen in het ziekenhuis omdat er altijd een bloedtransfusie aan te pas kwam. Door talrijke inwendige bloedingen had mijn vader opgezwollen knieschijven, waardoor hij erg moeilijk liep. In zijn auto was er een kaartje met zijn bloedgroep bevestigd, voor als er na een ongeval dringend bloed moest worden toegediend. Hij is uiteindelijk, toen ik 21 jaar was, gestorven aan een hersenbloeding. Toen ik de diagnose hoorde, wist ik dat het afgelopen was - met hemofilie maak je in zo’n geval geen enkele kans.»

Dubbele liefde

HERMAN DE CONINCK «Mijn moeder was de baas in ons gezin: zij was de vader. Ik ben dus op een omgekeerde manier grootgebracht - mijn moeder speelde de vaderrol en mijn vader de moederrol. Mijn moeder was een heel strenge vrouw, terwijl mijn vader heel zachtaardig was. De regels en reglementen werden door mijn moeder opgelegd en het flodderen gebeurde door mijn vader. Ik heb - in tegenstelling tot de meeste andere kinderen - seksuele voorlichting van mijn vader in plaats van mijn moeder gekregen. Normaal gezien heeft een moeder een lichte voorkeur voor haar zonen en een vader voor zijn dochters, maar mijn ouders hadden allebei een voorkeur voor mij. Ik kreeg als het ware dubbele liefde.

»Mijn vader had homofiele trekjes: hij was, bijvoorbeeld, een aansteller die graag poseerde als er foto’s werden genomen. Ik denk dat hij vandaag de dag biseksueel zou zijn. Maar in die tijd bleef dat deel van de praktijk achterwege. Het was de tijd dat de pastoors nog zeiden: ‘Trouw maar, brave jongen, dan zal het wel vanzelf overgaan.’ Mijn vader was een heel sentimentele man die tranen in de ogen kreeg als hij de Wienersängerknaben op de radio hoorde.

»En zo kwam het dat mijn zus Magda twee keer graag werd gezien, en ik twee keer liever. Als wij het samen hebben over vroeger, blijkt zij een heel ander ‘vroeger’ te hebben meegemaakt. Bovendien was ik een jaar ouder dan zij en was ik een jongen: jongens mochten, zeker in die tijd, méér dan meisjes. Er werd, bijvoorbeeld, veel druk op mij uitgeoefend om op school beter te presteren. Er werd gewoon méér van mij verwacht. Mijn zus heeft voor onderwijzeres gestudeerd, dat was in die tijd al meer dan voldoende voor een meisje - later heeft ze, uit eigen initiatief, verder gestudeerd. Van mij werd direct universiteit verwacht.

»Magda heeft dat achteraf wel aan onze ouders verweten, maar gelukkig nooit aan mij. Wij schoten heel goed met elkaar op. Dat is een klassieke situatie: kinderen die streng worden opgevoed, vormen heel vaak één front. Wij hadden een hechte vertrouwensrelatie tegen onze ouders in.

»Het huwelijk tussen mijn ouders zal wel geen schitterend huwelijk geweest zijn, gezien die dubbele aanleg van mijn vader, maar het was in ieder geval ook geen slecht huwelijk. Ik heb mijn ouders nooit ruzie zien maken. Mijn vader heeft me van jongs af aan geleerd dat van twee ruziënde mensen de verstandigste van de twee altijd toegeeft. Misschien zou zo’n koppel, de ene bi, de andere mono, samen tri, vandaag uit elkaar gaan. Ik ben blij dat men daar toen gewoon niet aan dácht. Ik heb een veilige jeugd gehad.

»Maar de vraag is natuurlijk: wat krijg je als kind werkelijk te zien van het leven van je ouders? Wat gebeurt er - of gebeurt er niet - achter de schermen, waar de kinderen niet bij zijn? Ik heb me, bijvoorbeeld, nooit kunnen voorstellen dat mijn ouders seks met elkaar hadden. Maar welk kind kan dat wél?»

View from the bridge

HERMAN DE CONINCK «Wij woonden aan de rand van Mechelen, in de buurt van het kanaal Leuven-Mechelen. Vanuit mijn slaapkamerraam keek ik uit over de vaart. Achter de hoek huisde de Mechelse Kanoclub, waarvan Rik Verbruggen - een omhoog-gewerkte coiffeur - ooit wereldkampioen is geweest. Als kind heb ik heel vaak in dat kanaal gezwommen. Dat is voor het laatst gebeurd toen ik drieëntwintig was: toen dook ik in het water en kwam weer boven naast een dode rat.

»Langs de vaart, op weg naar Hever, waren er kleine strandjes met kleedcabines aangelegd. De plaatselijke sport was om van een van de talrijke bruggen over de vaart naar beneden te duiken. Het kanaalwater was toen nog héél schoon. Ik herinner me dat er zelfs vrouwen in de vaart hun was kwamen doen en liet linnen langs de oevers te drogen hingen. (Mijmert) Dat was het pastorale leven, hè. Toen ik dat verhaal onlangs aan Benno Barnard vertelde, zei hij me dat hij als kind nog in de Amsterdamse grachten had gezwommen. Daar zwemt vandaag dan misschien hier en daar een abortus in rond, maar toch geen echt kind.

»Ik was een jaar te jong in vergelijking met mijn klasgenoten. Ik had een kleuterklasje overgeslagen, omdat mijn vader me had leren lezen. Mijn vader had letters op karton uitgeknipt en daar vormde ik dan woordjes mee. Op die manier heb ik leren lezen. Omdat ik een jaar jonger was dan de meeste van mijn vrienden was ik in veel opzichten een stuk braver en naïever. Ik ben dus nooit een leidersfiguur geweest. Maar ook nooit een volgeling: ik heb eigenlijk altijd mijn zin gedaan.»

Winkeldochters

HERMAN DE CONINCK «Ons huis stond aan de oude weg van Antwerpen naar Brussel. Al het vrachtverkeer passeerde via die weg. Wij hadden thuis een boekhandel die behalve boeken en kranten ook sigaretten en schoolgerief verkocht. Onze winkel was geopend van half zeven ‘s ochtends tot acht uur ‘s avonds en een groot deel van het cliënteel - vooral ‘s morgens vroeg - bestond uit vrachtwagenchauffeurs die een pakje sigaretten en een krant kwamen kopen.

»Zowel mijn vader als mijn moeder werkten in de winkel. Ook mijn zus en ik moesten hun steentje bijdragen, vooral tijdens de vakantie. ln ons gezin heerste er bijgevolg niet veel gezellig familiaal leven: de winkel over-heerste alles. Wanneer we zaten te eten en er kwam een klant binnen, dan moest er om beurt iemand gaan kijken. We hadden wel een winkeljuffrouw in dienst, maar die at samen met ons en maakte deel uit van de beurtrol. Als iemand een pakje sigaretten kwam kopen, kon dat geen kwaad - die was op een halve minuut weer buiten - maar als het om een klant ging die een zeldzaam boek of een verjaardagscadeau zocht, duurde het vaak een half uur en was je eten koud.

»Ik herinner me nog dat het op een bepaald moment mijn beurt was om in de winkel te gaan bedienen en dat Rik Van Looy ineens voor me stond. Hij was op zoek naar een boek, naar om het even welk boek. ‘Geef me maar iets om te lezen,’ zei hij. Ik denk dat ik hem een cowboyroman heb meegegeven.

»Mijn ouders volgden bij hun aankopen het ‘Lectuurrepertorium’ van de Katholieke Boekengids. Daar stonden alle boeken met een morele quotering in vermeld. Dat ging van 1 - ‘verboden lectuur’ - naar 2 - ‘volwassenen streng voorbehoud’ - naar 3 en 4 - ‘volwassenen’. 5 en 6 waren boeken voor kinderen. Als kind kende ik iedere quotering van ieder boek uit mijn hoofd. Aangezien wij een katholieke boekhandel waren, hadden we over het algemeen geen verboden lectuur in huis - boeken met code 1 heb ik dus zelden of nooit onder ogen gekregen. Maar als ik in de winkel stond en er kwam iemand een boek met code 2 kopen, moest ik altijd mijn moeder erbij halen. Zij moest dan uitmaken of de klant in kwestie ‘rijp genoeg’ was en het boek al dan niet meekreeg. Ik herinner me dat er tijdens de soldenperiode - een periode die vooral bedoeld was om boeken in oude spelling de deur uit te krijgen - een meisje van mijn leeftijd - ik was toen vijftien - de winkel binnenstapte en naar de ‘Decamerone’ van Boccaccio vroeg. Ik weet nog goed dat ik toen dacht: ‘Ik mag dat boek niet lezen van mijn moeder, dus jij ook niet.’ Ik ben mijn moeder toen gaan halen en die zei: Juffrouwke, daar zijt gij nog wat te jong voor.’

»Ik had heel vaak conflicten met mijn moeder over de winkeldochters: dat waren meestal al vergeelde boeken die niet verkocht geraakten. Als iemand de winkel binnenstapte en niet goed wist welk boek hij precies wou, had ik de gewoonte hem een pas verschenen boek aan te bieden, omdat ik daar enthousiast over was. Mijn moeder werd daar altijd vreselijk boos om: zij was erin gespecialiseerd om vooral toevallige voorbijgangers een stoffige winkeldochter op te solferen.

»Mijn moeder was een heel strenge vrouw: er waren heel veel kinderen die nauwelijks onze winkel durfden binnen te komen, uit angst voor mijn moeder. Ze kon heel onvriendelijk zijn, zeker als er iemand om één of twee postzegels kwam. Die postzegels werden bij wijze van service bij briefomslagen en postkaarten geleverd, met als gevolg dat wij er niets aan verdienden.

»Mijn vader hield zich in het bijzonder bezig met prijsboeken. Hij voorzag alle scholen in een straal van twintig kilometer rond Mechelen - dat waren er een vijfenzeventigtal - van hun eindejaarsprijsboeken. Hij kocht de boeken aan, verdeelde ze netjes en ging ze persoonlijk afleveren. Dat was zijn ontsnapping uit de winkel. Hij deed alles op zijn gemak en ging die scholen één voor één bezoeken, praatje, borreltje. En in de nonnenscholen liet hij altijd, per abuis, samen met zijn zakdoek, zijn paternoster vallen. Toen hij pas was gestorven, heb ik het in zijn plaats gedaan: ik was er op veertien dagen doorheen, terwijl hij er gewoonlijk vier maanden over deed.

»Mijn ouders waren niet arm, maar ze waren heel zuinig. Er werd ons altijd gezegd: ‘Het geld groeit ons niet op de rug.’ Wij behoorden tot de kleine middenstand. Mijn moeder was altijd jaloers op bontwinkels, waar je na het bezoek van één klant direct 30.000 frank in de kassa had liggen. Wij moesten onze boterham verdienen via kranten van 1,25 frank per stuk (lacht).

»Mijn ouders hebben dertig jaar keihard gewerkt en hebben daarna ergens een klein appartementsgebouw laten optrekken. Na de dood van mijn vader is mijn moeder daar met Tante Marie gaan wonen.’

Tante Marie

HERMAN DE CONINCK «Behalve mijn zus, mijn ouders en de winkeljuffrouw woonde er ook nog een tante bij ons in. Tante Marie was de oudste zus van mijn moeder en is nooit getrouwd geweest. Ze was maar tot het vijfde studiejaar naar school geweest en zag er op haar dertigste ongeveer zestig uit. Ze had in haar jeugd, als oudste meisje van een gezin van zeven kinderen, heel wat van de huishoudelijke taken moeten overnemen en had dus weinig of geen kansen gekregen zich te ontwikkelen. Daar was ze waarschijnlijk ook niet toe in staat geweest. Ik beweer niet dat tante Marie debiel was, maar het scheelde toch niet veel. Bij de huwelijksvoorwaarden was mijn moeder met mijn vader overeengekomen dat haar zus na de dood van hun ouders bij haar mocht intrekken.

»Het werkterrein van tante Marie bleef beperkt tot de keuken. Ze hield zich uitsluitend met het eten bezig en deed dat met een ongelooflijk boerse gierigheid. Onze stoofkarbonaden waren nooit helemaal mals, want ‘dat verbruikte te veel elektriciteit’. Als tante Marie ‘s avonds ergens in een stoel ging zitten, deed ze nooit het licht aan - ze zat in het donker en keek naar buiten. Ze keek altijd naar buiten. Tante Marie was religieus gestoord. Ze was als jong meisje graag het klooster ingegaan, maar aangezien ze de oudste dochter was, hadden mijn grootouders haar dat verboden. Telkens als er een paar nonnetjes of een pastoor voorbij ons huis kwamen gewandeld, sprong ze recht en keek hen na tot op het eind van de straat.

»Tante Marie was bij momenten zenuwziek. Uiteraard wisten wij allemaal dat het slechts om des maladies imaginaires ging, maar toch heeft ze enkele jaren in een instelling gezeten, in Sint-Antonius Brecht. Toen ze weer thuis was, was er niets speciaals aan haar te merken, alleen mocht het bezoek nooit vragen: ‘Wel, tante Marie, hoe is het ermee?’ Want dan begon ze vreselijk te huilen en stak ze een hele litanie af. Maar verder was er niets aan haar of van haar aanwezigheid te merken. Ze hield zich op de achtergrond. Tante Marie kende haar plaats: in de keuken.

»Ik denk dat wij als kind nogal wreed waren met haar. Zij wou even streng zijn als moeder, maar dat lukte niet. Het liefst lieten wij haar onze Franse les overhoren, vocabulaire. Zij sprak alle Franse woorden letter per letter uit: ‘blanc’ was blank, ‘pour’ was paur (zoals het Engelse ‘power’), ‘oiseau’ was ojsau. Ik vrees dat wij ons dan zeer slim voelden.»

Het Maria-Legioen

HERMAN DE CONINCK «Mijn ouders waren streng katholiek. Mijn vader was het meest gelovig van de twee. Terwijl mijn moeder gelovig was volgens de regels van het boekje, was mijn vader vroom. Voor hem was het geloof een inwendige aangelegenheid. Als hij ter communie was geweest, kon hij een kwartier lang met gevouwen handen voor zijn gezicht blijven zitten, met God spreken.

»Ik weet niet goed wie van mijn ouders het verstandigst was. Zowel mijn vader als mijn moeder zijn ooit onderwijzer geweest. Toen mijn moeder kinderen kreeg, is ze door het katholieke onderwijs aan de deur gezet. Dat was toen de regel. Ik denk dat mijn moeder misschien wel het verstandigst van de twee was, maar dat mijn vader het meeste met zijn verstand deed. Mijn vader was een heel wijze man: heel voorzichtig en heel filosofisch.

»Mijn moeder heeft nooit kunnen ontdekken waar het - om haar eigen woorden te gebruiken - ‘scheef is gegaan met haar twee kinderen’. Zowel mijn zus als ik zijn rond ons twintigste ons geloof kwijtgeraakt en mijn moeder heeft zich jarenlang afgevraagd waarom. Mijn zus en ik waren binnen de familie voorbestemd om het ver te schoppen en carrière te maken. Heel onze familie - zowel van moeders als van vaders kant - was van boeren afkomstig en wij waren duidelijk voorbestemd om hogerop te geraken. Wij haalden de beste resultaten op school. Maar uitgerekend die twee wonderkinderen werden rond hun twintigste ongelovig. Dat was een vreselijke klap voor mijn moeder. Toen mijn vader was gestorven en mijn moeder tijdens de daaropvolgende dertig dodenmissen merkte dat ik niet ter communie ging, riep ze me op een bepaald moment op het matje. Toen ik haar vertelde dat ik niet meer geloofde, zakte ze door haar knieën en zei: ‘God, nu zitten we hier met twee doden.’ En een jaar later was het de beurt aan mijn zus. Dát begreep mijn moeder helemaal niet meer, want mijn zus had op haar achttiende nog plannen gehad om in het klooster te gaan.

»Ik heb er lang over gedaan om van mijn geloof af te geraken, maar daarna was ik er ook definitief vanaf. Ik heb me nooit van het katholicisme tot het maoïsme bekeerd, bijvoorbeeld. Een geloof was wel genoeg geweest.

»Maar ik heb ook heel vaak getwijfeld. Ik herinner me dat ik als jongetje van een jaar of zes ‘s avonds laat uit mijn bedje kwam, naar beneden liep en tegen mijn moeder zei: ‘Moeder, ik twijfel aan mijn geloof’ Waarop mijn moeder zei: ‘Maar manneke toch, en het mirakel van Lourdes dan?’ Dan was ik weer voor een tijdje gerustgesteld.

»Ik was een heel pietepeuterig jongetje. Als ik op een vrijdag aan mijn vinger had gekauwd - een dag waarop er geen vlees mocht worden gegeten - ging ik de volgende dag biechten. Ik was scrupuleus.

»Ik heb als kind zelfs nog in het Maria-legioen gezeten. Dat was eigenlijk een vereniging voor katholieke volwassenen, maar er was ook een jeugdafdeling. De legionairs werden verondersteld op straat mensen te gaan bekeren. De kinderen in principe ook, maar in de praktijk kwam het er meestal op neer dat wij de lidkaarten van de Bond van het Heilig Hart gingen uitdelen. Dat gebeurde telkens op vrijdagavond: we begonnen met een rozenhoedje, gevolgd door enige religieuze meditatie, waarna we op pad gingen. Ik twijfelde al op zeer jonge leeftijd aan mijn geloof, maar vooraleer ik het definitief afzwoer, wou ik er wel mijn best voor hebben gedaan.»

Happy End

HERMAN DE CONINCK «Als je me op mijn twintigste had gevraagd of ik een gelukkige jeugd achter de rug heb, zou ik ongetwijfeld ‘nee’ hebben geantwoord. Vandaag zeg ik zonder enige twijfel ‘ja’. Ik denk dat de puberteit en de adolescentie per definitie geen gelukkige periode is. De overgang van de onbezorgde kinderwereld naar de harde realiteit van alledag is vaak een pijnlijke aangelegenheid. Ik denk dat ik als adolescent nogal piekerig was. De walg van Sartre, weet je wel? Ik denk niet dat ik echt tevreden was met mezelf. Ik had vooral veel moeilijkheden met de tegenstelling tussen wat ik verwachtte en wat het maar bleek te zijn.

»Van zolang ik me kan herinneren, wilde ik schrijven. En met schrijven lukt het jammer genoeg veel vaker niet dan wel. Als het niet lukte, werd alles heel uitzichtloos. Op den duur leerde ik wel te leven met die onvrede, maar het bleef meer onvrede dan vrede. Toen ik zestien was studeerde ik nauwelijks; ik zat dromerig in de klas, schreef gedichten en hield dagboeken bij vol zelfmisprijzen.

»Ik was ervan overtuigd dat ik geen gevoel had. Er was namelijk niets dat beantwoordde aan die gigantische verlangens in mijn hoofd. Vooral de liefde was een grote desillusie: ik verwachtte Courths-Mahler, en die bleek niet te bestaan.

»Uiteraard heb ik het in diezelfde periode ook heel moeilijk gehad met seksualiteit. Heel mijn jeugd lang bevond alles wat met seksualiteit te maken had zich in een verboden gebied, en plotseling - toen ik volwassen werd - moest ik het allemaal positief gaan beleven. En er bovendien nog van genieten ook. Eerst mocht het niet, dan moest het. Ik weet nog dat ik voor het eerst ergens in een dancing zat, met mijn arm rond een meisje, naar die arm keek en me afvroeg: ‘Wat doet die arm daar? Wat moet ik hierbij voelen?’ Ik wist dat ik verondersteld werd vanalles te voelen, maar ik voelde helemaal niets.

»In de derde Latijnse moest ik een boekbespreking maken en ik koos voor ‘Requiem voor Christine’, een roman van Jos Ghysen, die zijn carrière ooit is begonnen als romanschrijver en in die periode op een bepaald moment zelfs de Vlaamse Graham Greene werd genoemd. Het verhaal van het boek speelde zich af in de Limburgse mijnstreek en het hoofdpersonage was een hoertje dat uit de stiel wou stappen, maar het zich financieel niet kon veroorloven. Op een gegeven moment vroeg ik aan mijn vader: ‘Hier staat nu al voor de derde keer ‘hoer’. Moet dat niet ‘boer’ zijn?’ Dat had ik natuurlijk beter niet gevraagd, want mijn boek werd onmiddellijk in beslag genomen (lacht).

»Over mijn eerste gedichten zijn er tussen mijn moeder en mezelf ook veel wrijvingen geweest. Ik had een bepaalde versregel - ‘Toen stapte ik aan boord van haar lichaam en we voeren naar de overkant’ - op mijn bureau laten liggen en dat had mijn moeder toevallig gelezen. Toen heb ik een hele preek van haar gekregen, dat het lichaam de Tempel van de Heilige Geest was, en dat ik niet mocht bezoedelen wat God schoon had bedoeld. Enkele jaren later verschenen mijn eerste gedichten in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, iets wat ik angstvallig wou verzwijgen. Helaas verkochten wij dat ook in de winkel, en kwamen die verzen moeder onder ogen. En ook toen heb ik een hele preek gekregen - op mijn drieëntwintigste, nota bene. Ik herinner me zelfs nog over welke gedichten het precies ging: ‘Weet je nog hoe je lichaam rolde en schudde onder mij als een plezierboot?’ en ‘Kijk eens wat ik nog heb, zegt ze, en wijst op zichzelf Het kan zoenen, voegt ze er op hoge benen aan toe, terwijl ik mijn happy end voel groeien.’»

Paternosters en zaadlozingen

HERMAN DE CONINCK «Ik houd heel dubbelzinnige herinneringen over aan de retraites van het Sint-Romboutscollege. Eén van de predikanten was een progressieve pater die openlijk met ons over seks praatte. Dat was heel uitzonderlijk voor die tijd, en zeker voor een pater. Ik weet nog goed dat er op die retraites prangende vragen werden gesteld, zoals: ‘Pater, een tongkus: mag dat?’ De norm die hij ons toen meegaf was: ‘Alles mag, zolang er maar geen zaadlozing plaatsvindt.’ Dát was de gedragscode waaraan ongetrouwde, volwassen wordende jongens zich dienden te houden. Ik nam die code heel ernstig, met als gevolg dat ik mijn zaadlozingen ging tegenhouden. Dat werkte op termijn natuurlijk heel frustrerend.

»Om het masturberen tegen te gaan, werd ons ook aangeraden met een paternoster rond onze nek te gaan slapen. Op die manier wisten we waar we met onze handen moesten blijven.

»Kan je je de vreselijke verwarring in mijn hoofd voorstellen? Nou nee, in mijn kloten. Eerst kreeg ik te horen dat het een grote zonde was je zaad te lozen, dat moest je tandenknarsend tegenwerken, en later werd ik verondersteld er plezier aan te beleven en het allemaal spontaan te laten spuiten. Ik herinner me dat ik rond mijn twintigste zelfs de obsessionele gedachte had dat ik impotent was. Ik masturbeerde weinig of nooit en tijdens mijn eerste schermutselingen met meisjes probeerde ik vooral geen zaad te lozen, laat staan in meisjes. Maar hoe moest ik dan ooit kinderen krijgen? Want dat was toch ook katholiek? Nou ja, ik had natte dromen. Daar bestond toen een term voor die nu alleen nog voor luchtvervuiling gebruikt wordt: pollutie. Het kan geen toeval zijn: seks was ook zoiets, een soort van levensvervulling.

»Kortom: er was iets niet in orde met mijn spontaneïteit. Ik kon niet genieten van seks: wat het hoogtepunt moest zijn had ik jarenlang met zondigheid geassocieerd. Ik weet nog goed dat ik met het idee leefde: ‘Als ik ooit getrouwd ben en ik heb toevallig een erectie, dan moet mijn vrouw er maar bovenop gaan zitten en wachten tot ik in slaap val en een natte droom heb.’

»Die seksuele opvoeding is het enige wat ik mijn opvoeding kwalijk neem. En ik ben zeker niet alleen: ik zou niet graag het verhaal schrijven van de eerste huwelijksnachten van mijn generatie, en zeker niet van vorige generaties. Bij mij was het gelukkig een eerste voorhuwelijksnacht.

»Verder ben ik van mening dat een opvoeding vooral consequent moet zijn. Het heeft niet veel belang op welke manier je wordt opgevoed - je kan achteraf immers zelf besluiten in welke richting je wilt verdergaan - zolang je als kind maar eenduidige signalen ontvangt. Ik heb mijn moeder nooit aan het verstand kunnen brengen dat ik, hoewel ik niet meer geloofde, toch nog leefde volgens de morele code die zij me had bijgebracht. Dat heeft ze nooit willen begrijpen. Ze heeft altijd geweigerd in te zien dat ik bijvoorbeeld van haar een groot gevoel voor rechtvaardigheid geërfd heb, dat ik nadien alleen maar anders heb ingevuld.»

Juffrouw L.

HERMAN DE CONINCK «Tot slot: winkeljuffrouw L. Ook zij heeft een heel belangrijke rol in mijn jeugd gespeeld. Zij vormde eigenlijk het zesde lid van het gezin. Ze woonde niet echt bij ons in, maar als mijn ouders eens zonder ons op vakantie gingen, bleef ze bij ons logeren. Ze was vijf jaar ouder dan ik en belichaamde mijn eerste onmogelijke liefde. Ik ben van mijn twaalfde tot mijn twintigste verliefd op haar geweest, denk ik. Ze moet half bewust hebben aangevoeld dat de moederrol in ons gezin nogal koel werd gespeeld en daar kwam ze in tegemoet. Ze wist ook heel goed dat ik verliefd op haar was, maar ik veronderstel dat ze mijn liefde als een soort broederliefde aanvoelde: mijn oudere zus, dat wou ze wel zijn.

»Ik ben dus opgegroeid in de grote melancholie van de onvervulbare liefde en dat is heel bepalend geweest. Over het algemeen heb ik een niet-ongelukkige jeugd gehad. Die onmogelijke liefde voor L. hoorde daarbij, die weemoed was niet onbehaaglijk, ik koesterde dat gevoel. En vanuit die melancholie schreef ik mijn eerste gedichten.

»Ik heb jarenlang rondgelopen met het idee dat ik nooit zou trouwen en onvoorwaardelijk trouw zou blijven aan die onmogelijke liefde. Soms bleef ze bij ons slapen. De mooiste momenten waren als ik het rond mijn dertiende zo aan boord legde dat ik bij haar in bed kon liggen. Mijn zus lag aanvankelijk ook wel in dat bed, maar die werkte ik er na een tijdje weer uit (lacht). Naast L. ervaarde ik een vreemde combinatie van substituerende moederwarmte en de verboden vrucht. Ik mocht ook wel eens met mijn hoofd tussen haar borsten liggen. Ik dacht toen nog dat dat ‘memmen’ heette. Ik moest er dan wel voor zorgen dat ze mijn erectie niet gewaar werd. Op die momenten kwam ik dichter bij de zaligheid dan ik in mijn hele jeugd ooit ben geweest.

»Ik denk dikwijls dat mannen van mijn generatie met twee soorten seksualiteit rondlopen - seks die mag en seks die niet mag, seks binnen het huwelijk en seks buiten het huwelijk, nog altijd de tegenstelling tussen het verbodene en het moeten. Het is de idee-fixe dat je in je jeugd veel kansen hebt laten liggen en dat je als volwassen man je schade grondig moet inhalen. En daardoor breng je dan weer anderen schade toe. Een kettingreactie van schade. Ik hoop dat ik daar stilaan van af ben.»

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234