Kirk Douglas en zoon MichaelBeeld Photo News

KIRK DOUGLAS OVERLEDEN

‘Het gebeurt vaak: je bent je tijd vooruit en anderen gaan met de pluimen lopen’

(Verschenen in Humo 3555 op 21 oktober 2008)

Regisseur Peter Bogdanovich (69) wist in het verleden al vaker filmgiganten te strikken voor een exclusief interview: Orson Welles, John Wayne, Clint Eastwood en Jack Nicholson vormen slechts een greep uit zijn praatgasten. Begin dit jaar voerde hij een diepgravend gesprek (uitgesponnen over drie dagen) met de man met de meest legendarische kinnebak-met-putje in Hollywood: Kirk Douglas.

– Ik wilde het eerst even hebben over je auteurschap.

Kirk Douglas «In de eerste plaats, Peter, ben ik toch een acteur. Ik zie mezelf niet als schrijver, ook al heb ik dan negen boeken op mijn actief.

»Met mijn allereerste boek, ‘The Ragman’s Son’, wilde ik een antwoord formuleren op de vragen die me bezighielden sinds ik was opgegaan in de glitter en glamour van Hollywood. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Mijn uitgever had het niet zo begrepen op de titel, maar ik bén nu eenmaal een ragman’s son, de zoon van een voddenman.

»Ook over mijn beroerte (in 1996, red.) heb ik een boek neergepend: ‘My Stroke of Luck’.»

– Naar verluidt heb je na die beroerte opnieuw moeten leren praten?

Douglas «Ja. In het boek maak ik daar een grapje over: ‘Wat doet een acteur die niet kan praten? Wachten tot de stomme film weer in de mode komt.’ Maar ik kan je verzekeren: het was hard. Na een beroerte besef je pas dat we alles veel te vanzelfsprekend vinden. Tegenwoordig moet ik me echt inspannen om mijn gedachten onder woorden te brengen. Ik ben er lang depressief van geweest – ik heb zelfs een tijd met zelfmoordgedachten rondgelopen. Die periode heeft me twee dingen geleerd: dat je bij een depressie te veel met jezelf bezig bent, en dat humor enorm helpt om alles te relativeren. De boodschap is dus: denk aan de anderen, en lach met jezelf.

»In mijn laatste boek, ‘Let’s Face It’, sta ik stil bij religie. Fascinerend onderwerp. Ik heb een joodse opvoeding gekregen, en volgens de traditie wordt dat geloof doorgegeven via de moeder – een kind is joods als de moeder joods is. Clevere kerels, die ouwe Joden: van de moeder ben je zeker, van de vader niet. Geen van mijn beide echtgenotes waren joods, en mijn zonen heb ik zelf hun geloof laten kiezen: ‘Wat het ook wordt, mij best. Maar zorg ervoor dat je keuze een beter mens van je maakt.’ Want daar gaat het toch allemaal om: een goed mens zijn, zorg dragen voor anderen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik dat ga beseffen.

»In dat boek staat ook een hoofdstuk met de titel ‘Romantiek begint op je 80ste’. Jaja, lach maar! Ik meen het. Als je jong bent, ben je te egoïstisch voor de liefde. Pas op je tachtigste schenk je al je aandacht aan de vrouw van wie je houdt, en probeer je al je pekelzondes goed te maken.»

– George Bernard Shaw zei ooit: ‘Youth is wasted on the young.’

Douglas «Volkomen mee eens.

»Het standbeeld dat ik in mijn voortuin heb staan (een zilveren sculptuur die Douglas afbeeldt met twee gezichten: een jong en een oud, red.) typeert me. Een acteur mag zijn naïviteit nooit helemaal kwijtspelen. Burt Lancaster en ik die pijlen naar elkaar staan te schieten, als kinderen die cowboy-en-indiaantje spelen: daar gaat ’t om. Acteren is een kinderachtig beroep.»

– Wanneer wist je dat je acteur wilde worden?

Douglas «Dat heb ik altijd geweten. Het was mijn ontsnappingsroute uit de armoede. Mijn vader was een Joodse immigrant uit Rusland – eigenlijk heet ik Issur Danielovitch. We waren thuis met zeven kinderen – zes meisjes en ik – en dikwijls hadden we niet eens genoeg te eten. Maar ik had geluk: ik had een lerares die me pushte om verder te studeren. Zo zou ik een betere acteur worden, beweerde zij.

»Dat neemt niet weg dat een bestaan als acteur natuurlijk bikkelhard is. Ik was dolgelukkig toen Michael rechten ging studeren, maar op een dag zei hij: ‘Pa, ik ga meedoen in een toneelstuk: ‘As You Like It’ van Shakespeare.’ Hij had een kleine rol: weinig tekst, vooral veel met z’n handen in z’n zij staan. Achteraf kwam hij vragen hoe ik hem vond. ‘Vreselijk,’ antwoordde ik. ‘Ik verstond geen woord van wat je zei.’ Ik dacht dat hij het daarbij wel zou laten, maar twee maanden later stond hij opnieuw op de planken. En die keer deed hij het wél geweldig. Sindsdien heeft hij eigenlijk alleen maar goeie rollen gespeeld.»

– Maar voor jou was acteren dus een manier om te ontsnappen aan je straatarme milieu?

Douglas «Precies. Ik ben gaan studeren aan de American Academy of Dramatic Arts, maar na mijn studie ben ik niet meteen aan het werk gegaan. Na Pearl Harbor had je geen andere keuze: je móést bij het leger – dat gevoel had ík tenminste. Ik koos voor de Navy.»

– Was het uiteindelijk niet Lauren Bacall die je de filmwereld binnenloodste?

Douglas «Ik denk dat ze een oogje op me had. In New York heeft ze haar oom eens overtuigd om me zijn overjas te geven – zomaar. Die heb ik gedragen tot hij versleten was. Ik had geen rooie cent, zie je. Om te overleven kluste ik bij als kelner.

»Aan Lauren heb ik veel te danken. Zij was het die me voorstelde aan Burt Lancaster. Burt en ik hebben samen prachtige dingen gedaan, ook al kibbelden we voortdurend. Lauren heeft me ook in contact gebracht met Hal Warris (producer van onder meer ‘Casablanca’, red.). Op haar verzoek is hij helemaal naar New York gereisd om mij op de planken aan het werk te zien. Hij kwam, hij zag me, en hij wilde me meenemen naar Hollywood. Maar ik zei nee. Jong en narcistisch als ik was had ik mijn zinnen gezet op een theatercarrière – filmster worden was me te min. Maar twee maanden later kwam Michael ter wereld, en ik was platzak. Dus ben ik schoorvoetend weer gaan aankloppen bij Warris. Gelukkig wilde hij me nog hebben.

»Zo ben ik in mijn allereerste Hollywoodfilm beland: ‘The Strange Love of Martha Ivers’, 1946. Ik weet nog hoe ik de eerste morgen werd afgehaald door een limousine: zúlke ogen trok ik. Na de opnames ging ik terug naar New York, voor een nieuwe voorstelling, maar die werd een flop. Ik dus opnieuw naar Warris, die me meteen liet tekenen voor vijf films.»

NIET ZEUREN

– In die tijd – eind jaren 40, begin jaren 50 – hadden de grote studio’s nog stevig de touwtjes in handen. Maar jij hebt altijd geweigerd om je met een contract aan een studio te laten vastketenen, niet?

Douglas «Voor veel acteurs was dat studiosysteem lang niet slecht: zij hadden het nodig om bij het handje te worden gehouden. Maar ik niet, naar mijn gevoel. De studio’s beslisten zelfs met wie hun acteurs op date moesten; ik regelde mijn afspraakjes liever zelf. Ze stuurden je ook verplicht op acteerles, en dat weigerde ik pertinent. Ik kwam misschien wel van de Academy, maar ik heb altijd gevonden dat je niemand echt kunt leren acteren. Mijn advies aan jonge acteurs is: ‘Acteer níét. Speel je rol, maar acteer niet.’

»Na die eerste vijf films wilde Warris me voor nog eens zeven jaar laten bijtekenen, zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Ik vroeg: ‘Wat voor projecten heb je zoal voor mij in petto?’ ‘Maak je daar maar niet druk over,’ antwoordde hij, ‘teken gewoon of ik laat je vallen.’ Waarop ik: ‘Fuck you.’ En ik mocht gaan.»

– Je carrière kwam pas echt van de grond toen je een Oscarnominatie kreeg voor je rol als de bokser Midge Kelly in ‘Champion’ (’49). Hadden ze je die rol gegeven omdat je ervaring had als bokser?

Douglas «Dat niet, maar op school deed ik wel aan worstelen. En toch was ‘Champion’ bijna aan mijn neus voorbijgegaan. Mijn agent wilde dat ik samen met Gregory Peck en Ava Gardner ‘The Great Sinner’ zou doen, een uit de kluiten gewassen MGM-prent. Maar ik verkoos het kleinschalige ‘Champion’. Mijn agent verklaarde me voor gek, maar die rol heeft me uiteindelijk wel gemáákt. Ik weet nog dat ik in Palm Springs een lange rij mensen langs de kant van de weg zag staan. Bleek dat ze stonden aan te schuiven om naar Kirk Douglas in ‘Champion’! te gaan kijken. Toen drong het tot me door: ik ben verdorie een filmster.»

– In ’51 deed je ‘The Great Divide’ met regisseur Raoul Walsh: je eerste western.

Douglas «Actiefilms hebben me altijd gelegen. Het liefst deed ik al mijn stunts zelf. En Raoul had een geweldig gevoel voor actiescènes. Hij sloeg weleens een hele pagina van het script over – misschien omdat hij maar één oog had en non-stop bezig was met het rollen van een sigaret. Maar als ik hem daar dan op wees, zei hij altijd: ‘Klopt het verhaal nog? Wel dan, niet zeuren!’

»Het was mijn eerste western in een lange rij. Op den duur werd ik een behoorlijk goeie ruiter. Maar als mensen me vroegen of ik vaak paardreed, antwoordde ik steevast: ‘Alleen als ze me betalen.’

»Veel van mijn westerns deed ik natuurlijk met Burt, maar ik maakte er ook een hoop met John Wayne. John en ik waren complete tegenpolen, en toch konden we het goed met mekaar vinden. Ik weet nog hoe zijn zoon na zijn dood tegen me zei: ‘Mijn vader hield echt van je.’ Ik kon mijn oren niet geloven. Hij was een veel grotere ster dan ik! En toch belde hij mij, toen hij het script van ‘Cast a Giant Shadow’ (’66) kreeg, over de oorlog in Israël: ‘Als jij de hoofdrol doet, dan neem ik de kleinere rol van de Amerikaanse generaal voor mijn rekening.’»

– Lauren Bacall vertelde me eens dat ze hem, ondanks zijn conservatieve politieke opvattingen, altijd een innemende, lieve vent had gevonden.

Douglas «Dat was hij ook. Hij was gewoon John Wayne.

»Op een keer kwam een journalist hem interviewen op de set. Hij had toen al wat moeite om op zijn paard te klauteren. Nu gebruikte ik altijd een trampoline om vlotjes in het zadel te springen: een efficiënt trucje, maar ik hield het natuurlijk voor mezelf. Toen die journalist John erop wees dat ik zo fantastisch paard kon rijden, antwoordde hij droogjes: ‘Nee hoor, Kirk raakt zelfs zijn paard niet op zonder trampoline.’»

– Ik vond vooral de film die John en jij met regisseur Otto Preminger maakten over de marine erg goed: in ‘Harm’s Way’ (’65).

Douglas «We hadden de goedkeuring van de Navy, dus mochten we met de hele crew op één van hun schepen naar Hawaï. Er waren een paar joodse mariniers aan boord, en die vertelden me dat ze aan boord de sabbat nooit konden vieren. Dus besliste ik zelf een gebedsdienst te organiseren. John kwam erop af – uit nieuwsgierigheid, denk ik – maar Otto niet. Een gemenere regisseur ben ik in m’n hele carrière niet tegengekomen: een echte pestkop. Getalenteerd, dat wel, en in gezelschap kon hij best charmant uit de hoek komen, maar hij had een doortrapt, bijna sadistisch kantje.»

– In ’51 deed je ‘Ace in the Hole’, met Billy Wilder achter de camera.

Douglas «Billy was een genie. Het domste wat ik ooit heb gedaan, was nee zeggen toen hij me de hoofdrol wilde geven in ‘Stalag 17’ in ’53. Ik had het stuk gezien en ik vond het wel interessant, maar veel te onsamenhangend. Uiteindelijk heeft Bill Holden die rol aangenomen, en hij won er een Oscar mee: hét bewijs dat ik niet al te clever ben.

»Een andere rol die me zo’n beetje door de neus is geboord, is die van McMurphy in ‘One Flew over the Cuckoo’s Nest’. Ik had het boek van Ken Kesey gelezen en het bewerkt tot een succesvol toneelstuk, maar de film kreeg ik maar niet van de grond. Toen heeft mijn zoon Michael het van me overgenomen, en hij kreeg het wél voor mekaar. Maar de regisseur, kwam hij me vertellen, wilde liever een jongere kerel voor de hoofdrol. Dat is dan Jack Nicholson geworden: die zette een prachtprestatie neer en kreeg er terecht een Oscar voor. Maar ik zal je eens een geheimpje verklappen: jaren eerder had ik het script naar een jonge, in mijn ogen veelbelovende Tsjechische regisseur gestuurd: Milos Forman. Hij had mijn pakje zogezegd nooit ontvangen – tja, kan gebeuren, Tsjechoslowakije was toen nog een communistisch land. Maar toen ik Michael veel later vroeg of hij al een regisseur gevonden had, antwoordde hij: ‘Ja, maar je kent hem toch niet. Hij heet Milos Forman.’ Da’s toch al te vreemd, niet?»

– Was je niet woest?

Douglas «Niet echt. Ik was vooral blij dat het Michael wél gelukt was. Maar het gebeurt wel vaker: je bent je tijd te ver vooruit, en uiteindelijk gaan anderen met de pluimen lopen. Toch wel jammer: iedereen heeft een Oscar overgehouden aan ‘One Flew over the Cuckoo’s Nest’, inclusief mijn zoon als producent.»

NIET ZO CLEVER

– Nog even terug naar ’51: in dat jaar deed je ook ‘Detective Story’.

Douglas «Dat was met dat meisje... Hoe heet ze ook alweer? Eén goeie raad, Peter: krijg nooit een beroerte.»

– Lee Grant?

Douglas «Precies, een prachtmeid. Later heeft ze nog een documentaire gemaakt over Michael en mij: ‘... A Father... A Son... Once Upon a Time in Hollywood’ (2005). Daar zit een geweldige scène in, wanneer ik Michael vraag: ‘Was ik een goeie vader?’ en hij na een lange, lange stilte antwoordt: ‘Uiteindelijk... was je een uitstekende vader.’ Een steengoeie documentaire is dat, die perfect de wisselwerking tussen ons tweeën weergeeft.»

– In ‘Lust for Life’ (’56) van Vincente Minnelli kroop je in de huid van Vincent van Gogh. Naar verluidt vond je dat die film een homoseksuele ondertoon had.

Douglas «Als je ’t mij vraagt vocht Van Gogh tegen zijn homoseksuele gevoelens voor Gauguin. Althans: dat heb ík in mijn rol proberen te stoppen. Als je de film nog eens bekijkt, moet je er maar eens op letten: nu valt het je gegarandeerd op.

»Dat hele project was voor mij een fascinerende ervaring. We draaiden op het kerkhof waar Vincent en zijn broer Theo begraven liggen. En ik ben ook in de kamer geweest waar Vincent gestorven is: inmiddels is het een museum, maar toen was het nog gewoon een kamer boven een café.

»Ik heb die rol achteraf echt uit mijn lijf moeten wringen. Doorgaans controleer ík de rol, maar die keer was het omgekeerd. Volgens mijn vrouw liep ik zelfs zoals Van Gogh: voorovergebogen slenterend. Hij nam bezit van mijn ziel, wat compleet haaks staat op al mijn acteertheorieën.»

– In 1957 vroeg je een jonge, veelbelovende regisseur om de roman ‘Paths of Glory’ te verfilmen: Stanley Kubrick. Je speelde zelf de hoofdrol.

Douglas «Ik vond zijn ‘The Killing’ bijzonder geslaagd, dus ik belde of hij niks in de pijplijn had zitten. Hij stuurde me ‘Paths of Glory’. Ik zei hem: ‘Ik denk dat we hier geen cent mee zullen verdienen, maar we hebben geen keus: we móéten dit maken.’

»Daarna heb ik Kubrick voor zes films laten tekenen bij mijn productiebedrijf, Bryna Productions Company. Dat had ik genoemd naar mijn moeder, omdat ik mijn vader nooit haar naam had horen zeggen – hij sprak haar aan met ‘hé jij’ of ‘mijn misses’, maar nooit met Bryna. Ik gaf Kubrick een kantoortje, maar daar zat hij alleen maar ongelukkig te wezen, dus heb ik hem uit zijn lijden en van zijn contract verlost. Als je dan achteraf bedenkt dat hij in zijn hele leven maar een dozijn films heeft gemaakt... De helft ervan had van mij kunnen zijn.

»Onze relatie was er één met ups en downs. Nadat hij mij geregisseerd had in ‘Spartacus’ (’60), heeft hij zich volledig van die film gedistantieerd. In ‘The Ragman’s Son’ noem ik hem een ‘talented shit’. Zo zie ik hem nog steeds.»

– Wat was het grootste struikelblok tussen jullie tweeën?

Douglas «Zijn ego. Hij kon soms vreselijk de narcist uithangen. Niet dat ik zelf geen narcist ben, maar ik heb mijn grenzen.

»Ach, hij was kwader op mij dan ik op hem, denk ik. Maar ik ben hem altijd een getalenteerd filmmaker blijven vinden. Ik had het alleen niet zo voor zijn ‘Eyes Wide Shut’: een heel koude prent vond ik dat. Wat ook wel weer logisch was, want Stanley kon je bezwaarlijk een warme man noemen.»

– Je hebt ook in een aantal buitenlandse films gespeeld.

Douglas «Ik heb altijd graag in het buitenland gewerkt, omdat ik het leuk vond om een vreemde taal op te pikken en nieuwe mensen te leren kennen. Jaren geleden heb ik eens op eigen kosten een reis gemaakt langs 40 landen – voor het United States Information Agency was dat (agentschap dat de Amerikaanse diplomatieke betrekkingen wilde bevorderen, red.). Ik gaf lezingen over Amerika, en ik gebruikte steevast mijn eigen leven om aan te tonen dat de VS echt wel the land of opportunity is. Niet iederéén schopt het er tot filmster, maar je krijgt er tenminste de kans om je eigen pad uit te stippelen.»

– En in andere landen zijn die kansen er niet?

Douglas «Was mijn vader zijn geboorteland niet ontvlucht, dan had hij 25 jaar in het Russische leger mogen kloppen. Ik kan dus niet anders dan dankbaar zijn.

»Ik heb ook een film in Israël gedraaid, waar ik mijn speech over Amerika in het Hebreeuws gaf. In Frankrijk sprak ik Frans, in Duitsland Duits.»

– Naar verluidt zijn de Duitsers grote fans van je.

Douglas «Ik kan niet meteen bedenken waarom: misschien weten ze niet dat ik Joods ben (lacht). Nee, mij leken het altijd heel vriendelijke mensen. Maar ik heb ook de concentratiekampen gezien. Zo’n sympathiek volk, met een verleden dat daar zo haaks op staat: dat valt maar moeilijk te rijmen. 

»Wist je dat zingen de makkelijkste manier is om een vreemde taal te leren? (zingt) ‘Du, du liegst mir im Herzen...’»

– Je geheugen doet het nog prima, merk ik.

Douglas «Het lied waarmee ik altijd het best scoorde bij de Duitsers was ‘O Tannenbaum’ – tranen van het lachen huilden ze dan.»

Kirk Douglas in 'Spartacus'Beeld The LIFE Picture Collection via

ECHTE HELD

– In de jaren 60 kwam er een eind aan de alleenheerschappij van de studio’s. Heb jij daar iets van gevoeld?

Douglas «Het hele systeem is in mekaar gestuikt toen de studio’s naar de pijpen van senator McCarthy gingen dansen. Ze namen zijn zwarte lijst van zogenaamde communisten over, en ze wilden elke acteur een eed van trouw laten afleggen. Tja, Hollywood: het is me wat.

»Lang voor McCarthy hadden de mensen al kritiek op Hollywood, omdat de Joden er zogezegd de plak zwaaiden. En dat klopt misschien ook wel: de Joden hebben altijd weten te overleven door de leemtes van anderen op te vullen. Toen de kerk zei dat christenen geen geld mochten lenen en interest mochten vragen, zijn Joden in het gat gesprongen en hebben ze het banksysteem opgericht. Met Hollywood ging het net zo: aanvankelijk werd er op de filmindustrie neergekeken als een business van geteisem, maar de Joden hebben er een bloeiende industrie van gemaakt. Ga maar na wat Hollywoodfilms allemaal voor ons betekend hebben – voor ieder van ons persoonlijk, voor het land, en ook gewoon financieel. Dat verraste me telkens weer op die wereldreis: iedereen, van Tito in Joegoslavië tot Sadat in Egypte, was gek op Amerikaanse films.

»Over McCarthy gesproken: één van de dingen waar ik trots op ben, is dat ik Dalton Trumbo’s naam op de aftiteling van ‘Spartacus’ (1960) heb durven zetten, terwijl hij op de zwarte lijst stond. Die hele McCarthy-periode was een regelrechte ramp: de studio’s gaven zich zonder slag of stoot gewonnen. In plaats van wat ballen te tonen! Dalton Trumbo schreef voor mij aan het scenario van ‘Spartacus’, maar hij werkte onder de alias Sam Jackson. Geen enkele studio zou hem als Dalton Trumbo aangenomen hebben. Iedereen waarschuwde me: ‘Als je zijn echte naam op je aftiteling zet, zal niemand in deze stad je ooit nog een job geven.’ Maar ik heb het toch gedaan, en het was de enige keer in mijn leven dat ik me een échte held heb gevoeld.»

SEXY SCÈNE

– Kijk je soms nog naar je oude flms?

Douglas «Niet echt. Sinds mijn beroerte heb ik nog in een paar films gespeeld, en er staan ook nog een paar projecten op stapel. Maar de drive is weg.

»Niet zo lang geleden zag ik mezelf op televisie, alleen herkende ik niet meteen welke film het was. Bleek het Michael te zijn in ‘Basic Instinct’.»

– Je vertelde me ooit dat ‘Lonely Are the Brave’ (’62) je favoriete rol is.

Douglas «Nochtans geen grote hit aan de kassa’s. Maar ik vond het heerlijk dat ik eens niet de slechterik speelde. Bovendien had ik een goeie band met mijn paard in die film.»

– Je hebt ook bijzondere herinneringen aan ‘The Indian Fighter’, uit ’55.

Douglas «Daarin had ik een sexy scène met Elsa Martinelli, een Italiaans model dat ik had aangezocht voor de rol van het indiaanse meisje. Heel grappig: toen ik haar belde, wilde ze eerst niet geloven dat ze werkelijk met Kirk Douglas aan de lijn hing. Ik moest ‘Got a Whale of a Tale’ voor haar zingen uit ‘20.000 Leagues under the Sea’ voor ze me wilde geloven. Net of ik degene was die auditie moest doen.

»Elsa speelde haar rol heel naturel. Later heb ik haar nog een contract aangeboden, maar toen ik zag hoe ongelukkig ze was, heb ik haar laten gaan – ik wilde niet even hebberig zijn als de studio’s.

»Na Elsa heb ik een tijdje geprobeerd om Jeanne Moreau te strikken voor ‘Spartacus’: ik vond haar zo’n sexy uitstraling hebben. Ze zei dat ze bezet was, maar daar klopte niks van: de echte reden was dat ze verliefd was. Mooi toch? Een rol afzeggen omdat je verliefd bent. Eén vent heeft zelfs zelfmoord gepleegd om haar.»

– Zelf was je een tijdje verloofd met de Italiaanse actrice Pier Angeli.

Douglas «Pier was zeventien, bloedmooi en in het bezit van een Italiaanse moeder die me nauwlettend in de gaten hield. Maar ik had intussen Anne ontmoet, op de set van ‘Act of Love’ (’53) in Parijs. In geen tijd waren we heel close, en uiteindelijk heeft Pier zelf voorgesteld om onze verloving af te breken. Intussen zijn Anne en ik 35 jaar getrouwd en hebben we samen twee kinderen grootgebracht.»

– Voor jou was het al je tweede huwelijk.

Douglas «Ik was met Diana (Dill, ook een actrice, red.) getrouwd in New Orleans, toen ik nog bij de Navy zat. Na onze scheiding zijn we vrienden gebleven. We hebben zelfs nog samengewerkt, in ‘The Indian Fighter’. Ik had haar gecast: met ons tweeën trokken we naar Oregon om de film op te nemen, terwijl Anne, die hoogzwanger was, thuisbleef en op Michael en Joel lette, onze zonen uit mijn eerste huwelijk. Daar zag ze geen graten in. Diana en zij zijn nog altijd goeie vriendinnen. Diana was er zelfs bij op ons huwelijk.»

– Dat moet ook jouw verdienste zijn.

Douglas «Ja, wat een gewiekst manipulator ben ik toch (lacht). Later is Diana met Bill Derek getrouwd: een schrijver, een heel aardige kerel en een prima vervangvader voor mijn zonen. Ik heb nog de eulogie voorgelezen op zijn begrafenis. (Schudt zijn hoofd) God, als ik dan bedenk hoe slecht praten me tegenwoordig afgaat.»

– Je doet het prima, hoor.

Douglas «Tja, het had erger gekund. Onlangs nog kreeg een kennis van me een beroerte: hij was de 80 al voorbij en heeft het niet overleefd.

»Ik heb al vaak geluk gehad. Twintig jaar geleden heb ik een helikoptercrash overleefd waarbij twee anderen het leven lieten. Ik kwam ervan af met een gebroken rug. Ik ben een echte survivor, maar ook een fatalist: que sera, sera. Twee jaar geleden zat ik nog aan mijn stoel gekluisterd en kon ik niet eens rechtstaan. Daarom hebben ze me vorig jaar een stel nieuwe knieën gegeven. Van mijn dokter mocht ik ze niet allebei tegelijk laten opereren, maar ik zei: ‘Dokter, ik weet niet of ik nog wel de tijd heb om ze één voor één te laten doen.’»

– En nu sta je gezwinder recht dan ik.

Douglas «En ik kan weer lopen. Al doe ik nog altijd geen al te lange afstanden. Ik ga ook elke morgen naar de gym, trainen met gewichten.

»Die helikoptercrash luidde de zwaarste periode uit mijn leven in: na mijn rugoperatie kroop ik over de grond van de pijn.»

– Wat flitste er door je hoofd toen die helikopter naar beneden tuimelde?

Douglas «Het gebeurde zo snel. We waren nog maar een paar meter de lucht in en toen – bang! – een ontploffing. Ik voel me nog steeds vreselijk schuldig dat die twee mannen er niet meer zijn.»

– Maar de crash was jouw schuld toch niet?

Douglas «Ik was erbij, dat is genoeg. Sindsdien spookt het door mijn hoofd: ‘Waarom leef ik nog en zij niet?’ Ik was al boven de zeventig, misschien had dat er iets mee te maken: die andere mannen waren jonger, zij hadden nog langer te gaan.»

BIJNA DOOD

– Een delicate vraag, maar ik wil ze je toch stellen: je zoon Eric stierf in 2004 aan een overdosis. Hoe gaat een mens daar in godsnaam mee om?

Douglas «Niet. Mensen zeggen altijd dat je na zo’n drama ‘closure moet zien te vinden’. Neem het van mij aan: closure bestáát niet. Je kunt het niet verwerken, je kunt er alleen maar mee leren leven.

»Ik voel me nog altijd heel close met hem. Twee keer per week ga ik hem bezoeken op het kerkhof. Wanneer ik sterf, wil ik bij hem begraven worden. Anne en ik praten er nog vaak over. Je geeft jezelf toch altijd de schuld, hè: wat deed ik verkeerd? Waarom kon ik hem niet sterker maken? Ze zeggen dat je uiteindelijk toch moet beseffen dat het niet aan jou lag, dat jij hem niet had kunnen genezen. Eric had al in minstens 20 afkickcentra gezeten. Ik ben hem overal gaan bezoeken.

»Een verslaafde kan twee kanten uit: of hij bereikt zijn ultieme dal en kruipt eruit, of hij gaat eraan dood. Hij heeft zó lang moeten vechten. Hij had nochtans talent. We hebben samen nog in een tv-film geacteerd.»

– Geloof je dat de ziel verder leeft na de dood?

Douglas «Waarom hebben we niet genoeg aan één leven? Misschien moeten we gewoon aanvaarden dat alles stopt bij de dood. Een rabbijn zei me ooit: ‘Kirk, volgens mij ben jij Joods omdat je zo’n dramatische kijk hebt op het leven.’ Misschien had hij een punt. Ik ben al blij dat ik hier nog steeds mag rondlopen, op mijn 91ste, na zoveel bijna-doodervaringen, met een mond die niet meer goed meewil, maar toch... je begrijpt wat ik bedoel. Ik leef in blessuretijd.»

– Op zijn 92ste sprak ik eens met regisseur Allan Dwan: hij beweerde zich niet anders te voelen dan in zijn kindertijd. Telkens als hij een spiegel voorbijliep, dacht hij: ‘Who the hell is die ouwe vent?’

Douglas «Begrijp ik volledig. Een paar jaar geleden flapte ik er tijdens een spelletje golf eens uit: ‘Laat die ouwe mannen maar voorgaan.’ Waarop iemand me er fijntjes op wees dat die ‘ouwe mannen’ minstens vijftien jaar jonger waren dan ik.»

– Hoe voelt het om 91 te zijn?

Douglas «Vreselijk, Peter. Jack Lemmon, Walter Matthau, mijn goeie maat Burt Lancaster, Laurence Olivier, zoveel andere mensen met wie ik heb samengewerkt, ze zijn allemaal weg. Dat doet pijn.»

– Eén troost: je kunt terugblikken op 9 boeken, 90 films, 2 huwelijken en 4 kinderen.

Douglas «Ik wist nooit van ophouden. Daarom wilde ik ook altijd mijn eigen stunts doen – een kwestie van ego, veronderstel ik. Op school zat ik al bij het worstelteam. Ja, als je zes zussen hebt, moet je je mannelijkheid af en toe even tonen.

»Mijn vader was een sterke man, maar hij heeft me nooit een schouderklopje gegeven. Dat heb ik mijn eigen zonen wel altijd gegund. Ik kan ze weleens uitfoeteren, maar dat compenseer ik achteraf altijd met een complimentje.»

– Je vader was afstandelijk, heb je weleens gezegd.

Douglas «Ik voelde zoveel vijandigheid tegenover hem. Maar jaren later heb ik wel de alzheimerafdeling van het Motion Picture-bejaardentehuis naar hem genoemd: Harry’s Haven.

»Hij was simpelweg niet in staat om zijn liefde uit te drukken. Ik was nochtans zijn enige zoon, en hij leefde nog toen ik een ster begon te worden. Maar ik moet wel zeggen: anderen hebben me verteld dat hij, toen hij me in ‘Champion’ zag vechten, de hele tijd aanmoedigingen naar het scherm zat te schreeuwen: ‘Zet ’m op, Issur!’»

– Heeft je moeder je succes nog mogen meemaken?

Douglas «Ja. »Ik heb haar hand vastgehouden toen ze stierf. Ik was zo bang. Ze zweefde voortdurend in en uit coma. Plots opende ze haar ogen en keek me strak aan: ‘Niet bang zijn, iedereen maakt het mee.’ Stel je voor: een Russische boerin op haar sterfbed die haar zoon geruststelt. Dat ben ik mijn leven lang niet vergeten.»

© IFA 

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234