null Beeld -
Beeld -

overleed15 jaar geleden

Het grote Gerard Reve-alfabet: ‘Ik ben een psychopaat, maar ik bedoel het goed’

Gerard Reve overleed op 8 april 2006, vandaag 15 jaar geleden. Naar aanleiding daarvan publiceren we nogmaals het grote Gerard Reve-alfabet. Een portret in citaten, verzuchtingen, weetjes, anekdotes, geruchten en revismen.

Op 21 november 2006 kreeg Gerard Reve de Prijs der Nederlandse Letteren, de allerhoogste literaire onderscheiding in ons taalgebied. Die kwam hem eigenlijk al veel eerder toe, dat bewijst ook het jury-rapport: ‘Het ruim vijftig jaar durende schrijverschap van Gerard Reve heeft een even omvangrijk als schitterend werk opgeleverd, dat hem tot een der meest gelezen schrijvers van de naoorlogse literatuur heeft gemaakt, tot een van de meest becommentarieerde ook, misschien niet minder: geruchtmakendste. Maar waar geen gerucht is, is geen vuur.’ Gerucht? Vuur? Helemáál begrijpen wat de heren juryleden zoal tussen de regels suggereren, is ons niet gegeven. Laten we zelf maar eens Reve van a tot z proberen te vangen, met de hulp van enige citaten, verzuchtingen, weetjes, anekdotes, geruchten en revismen.

Alarm

‘Ik ben een psychopaath, maar ik bedoel het goed.’ (Brieven aan Matroos Vosch)

Brieven

Vooral in de jaren tachtig heeft Reve de markt overvoerd met een reeks niet allemaal even fantastische brievenboeken, onder het motto: ‘Er is niets tegen geoudehoer, zolang er maar Gods zegen op rust’ (‘Brieven van een aardappeleter Toch blijft hij een briljant briefschrijver, een talent dat hij toevallig op het spoor kwam: in het klassiek geworden tweeluik ‘Op weg naar het einde’ en ‘Nader tot U’freewheelde Reve zich uit de beklemming die zijn schrijverschap begin jaren zestig verlamde. De oorspronkelijk in Tirade gepubliceerde reisbrieven vormen de aanzet en meteen ook het hoogtepunt van de golf bekentenisliteratuur die onze letteren sindsdien heeft overspoeld. Doorgaans zijn de brieven wel de adressant op het lijf geschreven - zo baden de brieven aan Simon Carmiggelt in stilistische barok, terwijl Josine Meyer sobere, documentaire brieven ontvangt - maar inhoudelijk getuigen ze van een uitzonderlijke monomanie: ‘Mijn brieven verduidelijken meer over mijzelf dan over de geadresseerde. Maar dat hindert niet.’ (Humo, 1997)

Collega’s

‘Ik gun Harry Mulisch en Jan Wolkers een communistisch concentratiekamp. Van harte.’ (Het Parool, 1983) is wellicht Reves meest omstreden uitlating over collega’s, maar hij is altijd een secuur observator van de literaire concurrentie geweest: Theun de Vries noemde hij ‘een ekzematies reptiel’ (1974), Heinrich Böll ‘een warhoofd, een kameleon en een windvaan’ [1977), Renate Rubinstein ‘een gevaarlijke heks die een eigenaardige doodslucht bij zich had’ (1996), Henry Miller ‘een zwetsende zelfverheerlijker’ (1966), Remco Campert ‘een speekselkundige fluisteraar’ (1996), Kees Fens ‘een laffe, stiekeme lasteraar en konkelaar’ (1996), Simon Vinkenoog ‘een psychopaat, een debiel’ (1983) en Cees Nooteboom ‘het doodzieke aapje N.’: ‘Daarbij praat hij over vrouwen op dezelfde toon als waarop hij het over patrijzen met truffels, of haas in wijnsaus heeft.’ (1963) Ook niet slecht: ‘Mulisch is zo dom, je zou hem er bijna om benijden.’ (1993); ‘Rudy Kousbroek zeide tot mij: ‘Ik geef de R.K. Kerk nog hooguit honderd jaar.’ Ik Rudy veel minder: hij is nu al in de vijftig.’ (1993); ‘Vinkenoog weet niet eens hoe hij moet opbellen. Als je een boom in de kamer zet, klimt hij erin.’ (1996)

‘De avonden’

In ‘De avonden, de klassiek geworden roman waarmee Reve op zijn drieëntwintigste debuteerde, sombert Frits van Egters door ‘de lege uren’, luisterend naar het onverbiddelijk getik van de klok, zich zorgen makend om de wijkende haarlijn van half Amsterdam, oneliners als ‘Waarom word ik gestraft met een geheugen vol kwellingen?’ ten hemel schreiend, en zich naar zijn eveneens klassiek geworden slotzin toe kankerend: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’ In een tijd van eindeloos geloof in de toekomst zorgde de doodsangst uitkrijsende Reve voor de valse noot in het optimistische koor van Vrede en Vooruitgang. Terwijl alom ijverig aan een betere wereld werd gebouwd, klaagde hij de futiliteit van het bestaan aan en noemde het leven herhaaldelijk ‘een tragisch gegeven, evoluerend van een onbekend begin naar een duister einde’. ‘De avonden’ werd een cultboek, met alle rare gevolgen van dien. In 1996 werd het manuscript geveild en voor 160.000 gulden gekocht door het Letterkundig Museum in Den Haag, Reves partner Joop Schafthuizen kocht van de opbrengst een schilderij van Michiel van Musscher: ‘Het pak papier ligt daar maar, in de kast. Ik kijk toch liever tegen iets moois aan’ (NRC Handelsblad, 1996). De integrale voorlezing van ‘De avonden’ door Reve zelf is in 1991 op negen cd’s vastgelegd. In 1989 werd ‘De avonden’ verfilmd door Rudolf van den Berg (met Thom Hoffman als Frits van Egters). Léon van der Sanden bewerkte de roman in 1996 tot toneelstuk (met Erik de Visser als Frits). Dick Matena werkt aan een stripversie van ‘De avonden’ en hoopt er over drie jaar mee klaar te zijn.

Ezel

In 1966 werd Reve naar aanleiding van twee passages aangeklaagd: ‘Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen heeft, zal Hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg, als Hij spartelt bij het klaarkomen.’ (‘Brief aan mijn bank’); ‘En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: ‘Gerard, dat boek van je - weet je dat ik bij sommige stukken gehuild heb?’ Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U,’ zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten.’ (‘Nader tot U’) Reve werd schuldig bevonden aan ‘smalende godslastering’, hoewel het hof zijn werk niet ‘smalend van karakter’ vond. Reve ging in be-roep en hield zelf een pleidooi: ‘Of God een Lam is met bloedig doorboorde poten dan wel een eenjarige, muisgrijze Ezel, die zich door mij driemaal achtereen langdurig in zijn Geheime Opening laat bezitten, welk verschil vermag het uit te maken, zolang Hij de zonden der wereld wegneemt en zich ontfermt over ons allen.’ Een logische vrijspraak volgde.

Faeces

‘Ik heb tussen half acht & kwart voor acht een bolus gebakken van een omvang, waar ik zelf van schrok. Werkelijk een reklame-aanbieding, zoals men die uiterst zelden meer tegenkomt: een ongehoorde tulband als een Zandvoortse zandtaart; daarop een klein model dameshoed; en daarop nog een soort wegwijzer of wafel of waaier, voor de duiding waarvan er geen priesters meer zijn. De spiegel in de badkamer werd door de damp ervan dof geëtst.’ (‘Met niks begonnen’)

Gedichten

Hoewel Reve alles samen 127 gedichten in druk heeft laten verschijnen, zei hij in 1947 nog tegen de dichteres Hanny Michaelis: ‘Poëzie is een voze en onwaarachtige kunst’ (Humo, 1996). Nochtans: ‘Ook ik begon met gedichten, en toen ik vijftien was, liet ik ze op aanraden van anderen (ik weet niet meer wie) door een stencilbureau in vijftig exemplaren vermenigvuldigen’ (‘Verzamelde gedichten’]. ‘Terugkeer’ heette Reves echte, al in 1940 verschenen de-buut; elf jeugdverzen flirten met de romantiek van de dolende bohémien.

Reves poëzie lijkt vaak in mootjes gehakt proza, maar in een indertijd revolutionaire eenvoud wordt de uitzichtloosheid wel degelijk poëtisch vormgegeven en daardoor tijdelijk verdreven. Soms wordt de zinloosheid overstemd door de cabareteske lach (‘Goedkope wijn, masturbatie, bioscoop,’ schrijft Celine. / De wijn is op, en bioscopen zijn hier niet. / Het bestaan wordt wel eenzijdig.’), soms versmoord in ontroering (‘Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder, / eindelijk eens goed gekleed / Boven het woud waarin ze met de Dood wandelde / verhief zich een sprakeloze stilte. / Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was / en uitgerust. Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.’), soms overbluft door iets sacraals (‘Nadat we bij die en die gezeten hadden, gingen we bij je weet wel nog wat drinken. / Dinges was er ook, en zong een lied / over een naamloos Graf van eeuwigheid.’)

Hanny Michaelis

Op 26 september 1948 schrijft Reve aan Willem Frederik Hermans: ‘Er bestaat grote kans dat ik dezer dagen ga trouwen. We hebben een plan, een onbewoonbaar verklaarde woning te bezetten en ons daarin staande te houden tegen de autoriteiten, wat soms schijnt te lukken.’ Op 9 december trouwt hij met Hanny Michaelis, op wie hij verliefd geworden was tijdens de uitreiking van de Reina Prinsen Geerligsprijs voor ‘De avonden’ in 1947. Het stel woont vijf jaar in Engeland, in 1963 zal zij zijn Engelse ‘The Acrobat and Other Stories’ in het Nederlands vertalen als ‘Vier wintervertellingen’. In 1957, bij hun terugkeer uit Engeland, vindt een scheiding van tafel en bed plaats, twee jaar later volgde op advies van een psychiater een officiële scheiding: ‘Ten slotte heeft Hanny een kat in de zak gehad. Ik was van de herenliefde, maar dat bestond toen nog niet, begrijp je wel.’ (Hum 1996) Hanny Michaelis heeft vooral goede herinneringen aan hun huwelijk: ‘Op ons seksleven was niks aan te merken, al was hij geen romantische minnaar’ (Humo, 1996). Maar ze herinnert zich ook de slechte gewoonten van Reve: ‘Ik heb van Gerard overgehouden dat ik me nog steeds zo grof uitdruk. ‘Godverdomme’ voor en na, ‘wat een gelul’ of ‘wat een zak’. Ik zeg het elke dag honderd keer. Voor een vrouw van 73 vind ik dat een echte schande, hoor’ (Humo, 1996); ‘In de begintijd van hun huwelijk waste Gerard, kostenbewust als altijd, gebruikte kapotjes uit en hing ze aan een lijn te drogen’ (Henk Romijn Meijer, ‘Toen Reve nog Van het Reve was’, 1985); ‘Hij heeft me een keer bijna bedorven vis laten eten, verdomd. Gerard heeft een maag van beton. Hij komt thuis met kuitjes, die moesten gebakken. Nu weet ik toevallig dat ze naar vis moeten ruiken als ze gebakken zijn en ze roken niet naar vis. Gerard zei, jij hebt altijd wat. Ik denk, ik zal ze es bij de kat proberen. En de kat snuffelt eraan en draait haar kop weg. Zie je wel, zeg ik, ze lust het niet. Nee, zegt hij, het is ook een beetje bedorven maar wat hindert dat. Hoe is het mogelijk hè, om het zo ver te laten komen. En z’n koken... spinazie gewassen met de zaadjes erin, niet te vreten. Hij eet het wel. Bruine bonen met geraspte kaas. Soep van hart, net afwaswater.’ (Dialoog, 1969)

Ironie

In september 1947 beschreef W.F. Hermans in een brief aan Adriaan Morriën een van zijn eerste ontmoetingen met Reve: ‘Een hardnekkige persoonlijkheid, schoon niet erg intelligent. Je zou zo’n godvruchtig jongmens niet zoeken achter de cynische stukjes die hij schrijft. v.h. Reve zei dat mijn moeder suikerziekte had (wat niet waar is) en dat ik op m’n 98ste zou doodgaan. Hij gelooft aan ‘tekens’. Ik heb hem weer te kort gesproken om er achter te komen of het mystificatie was of niet.’ Dertig jaar later zal Hermans onder het pseudoniem pater Anastase Prudhomme s.j. in Hollands Maandblad zijn irritatie over Reves mystificatiezucht uitdrijven: ‘Zijn bijzonderste intellectuele prestatie is dat hij het onderscheid tussen schijnheiligheid en ironie bijna volledig heeft weten uit te wissen.’ In 1972 publiceert Harry Mulisch het pamflet ‘Het ironische van de ironie’: ‘De ironie leidt tot parodie, de parodie leidt tot identificatie - dat is de onwrikbare wet, waaraan Van het Reve nog het meest onderhorig is. Ooit heeft hij eens ironisch een Frits van Egters sprekend ingevoerd, vervolgens ging hij hem in zijn eigen manier van spreken parodiëren, en nu is hij het ook al schrijvend zelf. Maar daarmee is hij het ook inderdaad zelf, en verantwoordelijk daarvoor. Zo wordt het spel ernst. De corpsstudent speelt net zolang de man met de grote bek, tot hij het is. Dat is het ironische van de ironie: dat zij het plotseling niet meer is. Hij is als het ware door de dubbele bodem van de ironie gezakt.’ Mulisch hanteert een al te enkelvoudige definitie van ironie. Reves ironie draait immers niet simpelweg om het omgekeerde van wat woordelijk gezegd wordt, het is een even subtiel als paradoxaal spel van omkering en dubbelzinnigheid. Dit complexe literaire procédé zet alles op de helling, werpt vragen op in plaats van antwoorden te verschaffen, en is bovenal een bron van groot genot voor de lezer.

Joop Schafthuizen

Sinds 7 augustus 1975 Reves partner: ‘Op het ogenblik logeert hier de jonge kunstschilder Matroos V. Ik ben erg op hem gesteld, maar in het geheel niet bekoord van hem, hij daarentegen wel van mij. Hij werkt mij nu, na 9 dagen, niet op de zenuwen, en dat wil wat zeggen’ (‘Brieven aan Josine M.’). Ook bekend als Matroos Vosch, maar heeft nooit gevaren. Heeft precies geadministreerd wat er aan literair en historisch materiaal in Reves laden ligt, heeft ook handgeschreven lijsten aangelegd van verkoopcijfers. ‘Joop is veel meer terzake, ik moet altijd maar over het wereldraadsel praten’ (HP/De Tijd, 1997). Het behartigen van Reves zaken heeft de Matroos opgezadeld met de reputatie een profiteur en geldwolf te zijn: ‘Dat het mij om geld te doen is, daar hoef ik me niet voor te schamen. Anders zou ik wel een leesclub oprichten waar mensen gratis een boek van meneer Reve uit de boekenkast kunnen plukken.’ (HP/De Tijd, 2000)

Kroontjespen

‘Ik gebruik onvergankelijke, vooroorlogse ijzergalnoteninkt die niet, zoals de moderne inkten, in water oplost. Het was nog een heel gedoe om die inkt op te sporen. Bij de gebroeders Winter in de Jordaan hebben we een oude man met een stofjas de zolder opgejaagd, waar hij zes liter voor me heeft bemachtigd. Een fabrikant wilde wel die vooroorlogse ijzergalnoteninkt voor me maken, maar hij kon de ingrediënten niet in het klein inkopen; dat betekende dat ik minstens driehonderd liter moest afnemen. Hij adviseerde me, contact op te nemen met lagere scholen in Brabant; daar zou nog wel wat van die inkt op zoldertjes staan. Dat is gelukt, dus kan ik voorlopig vooruit. Vervolgens was er een vrouw van een gepensioneerde bovenmeester, die me een pakket met achtduizend kroontjespennen stuurde. In elke kamer heb ik er een paar honderd liggen, zowel in mijn huis in Frankrijk als hier. Als er in één kamer een bom of een granaat inslaat, kan ik in een andere kamer gewoon blijven doorschrijven.’ (Vrij Nederland, 1986)

null Beeld KIPPA
Beeld KIPPA

‘La Gráce’

Reves huis in het Zuid-Franse departement de Dróme, meer bepaald in Le Poët-Laval, benedendorp Gougne. De schrijver ontdekte deze plek via uitgever Geert van Oorschot, die er ook een huis had. Naast de voordeur vormen zes in de muur gemetselde blauwe tegels een Maria-tableau.

Reve is geboren en opgegroeid in de Amsterdamse buitenwijk Betondorp. In 1947 verliet hij het ouderlijk huis en betrok vervolgens in ijltempo een aantal Amsterdamse adressen. Van 1952 tot 1957 woonde hij met Hanny Michaelis in Engeland, waar hij cursussen drama volgde en onder meer als verpleger in het National Hospital for Nervous Disease werkte. Na de ontbinding van zijn huwelijk ging hij in het hartje van de rosse buurt van Amsterdam samenwonen met Wilhelm Johann Schuhmacher of Wimie. In 1964 verhuisde Reve naar Huize Algra in het Friese dorp Greonterp, met zijn nieuwe levenspartner Willem Bruno van Albada of Teigetje, later woonde daar ook Henk van Maanen of Woelrat bij hem in. Tussen 1971 en 1974 woonde Reve in Veenendaal en Weert. Op 21 maart 1975 vestigde hij zich in Frankrijk, waar al in de zomer van datzelfde jaar Joop Schafthuizen zijn levenspartner werd. Jarenlang woonden ze afwisselend in Frankrijk en Nederland (Schiedam), tot ze zich in 1993 in Machelen-Zulte in ‘Belgiëland’ vestigden.

Motto

‘Moedig voorwaarts!’

Naam

Reve publiceerde zijn debuut ‘De avonden’ onder de naam Simon van het Reve. Op 26 september 1948 schreef hij in een brief aan W.F. Hermans: ‘Voortaan ga ik niet meer onder dat idiote halfpseudoniem Simon (waar ik meer last dan gemak van heb) maar onder mijn volle naam Gerard Kornelis van het Reve schrijven. Op het eerste gezicht lijkt het ijdel, en dat is het ook.’ Bij zijn bekering tot het katholicisme in ‘66 noemde hij zich Gerard Kornelis Franciscus, Markies van het Reve, maar die naam haalde (wellicht wegens plaatsgebrek) geen enkele boekcover. Vanaf 16 februari 1973 noemt de schrijver zich kortweg Gerard Reve: ‘Het beste is een naam van twee maal twee lettergrepen, met in elk woord de klemtoon op dezelfde lettergreep. Dat ligt goed in het geheugen. Gerard Reve, Heinrich Heine, Adolf Hitler, Josef Stalin, Mao Tse toeng, Winston Churchill, André Gide, Gustave Flaubert, Anton Tsjechow, Dosto Jewski (een masochistiese Jood), Sacher Masoch, Jezus Christus, Gerard Reve, enz.’ (‘Het lieve leven’)

Ouderdom

‘Ik zie de dood met belangstelling tegemoet, maar ik ben bang dat ik heel oud word.’ (Elsevier, 1997). Hoewel Reve als creatieve hypochonder in zijn werk onder meer melding maakt van doodsangst, deliriums, druipers, uit-wendige aambeien eter grootte van een flinke graankorrel’), een zwakke blaas, bedwateren, de Vliegende Darmkoorts, dementia praecox, keelontstekingen en vitaminegebrek, wordt hij op 14 december van dit jaar 78. De gezondheid is bevredigend: ‘Ik kak nog zonder bril’ (Elsevier, 1996), ‘Hij gaat niet zo gauw meer omhoog, maar verder is alles nog in orde, heeft de dokter gezegd’ (HP/De Tijd, 2000], ‘Voor liefhebbers van het soort ben ik nog steeds een buitenkansje’ (Humo, 1994]. De laatste jaren kampt de schrijver met toenemend geheugenverlies: ‘Een genie kan niet alles onthouden wat hij in zijn vrije tijd doet’ (Het Parool, 1998).

Af en toe gunt de schrijver terzijde een glimp op het geheim van zijn eeuwige jeugd: ‘Als je maar lang genoeg leeft, word je oud’ (De Morgen, 1993), ‘Je gaat dood of je blijft leven, het zit altijd goed’ (Vrij Nederland, 1998), ‘Niemand gaat voor zijn tijd en iedereen is op zijn tijd besteld’ (NRC Handelsblad, 1996), ‘De hypochonder en de pessimist worden niet zelden stokoud’ (‘Brieven aan mijn lijfarts’), ‘Vrouwen zijn wat nauwkeuriger, dus je kan je altijd beter door een vrouw laten opereren.’ (Humo, 1992)

Provocaties

Toen de toenmalige staatssecretaris Cals in 1951 de novelle ‘Melancholia’ in strijd achtte met ‘de normen van openbare orde en goede zeden’ en Reve een door een jury onder aanvoering van Victor van Vriesland toegekende reisbeurs onthield, ontdekte Reve maatschappelijk tumult als marketingtechniek. Zijn leven lang nam hij zijn toevlucht tot provocaties om via zijn aanwezigheid in het maatschappelijk debat de burger naar weer eens een nieuw (brieven)boek in de winkel te lokken. Een hoogtepunt blijft de uitreiking van de aan Reve toegekende P.C. Hooftprijs op 26 augustus 1969: Reve kuste minister Marga Klompé. In 1970 ontstond enige beroering naar aanleiding van een gefingeerde autobiogrgfie; Reve had zich een Indisch oorlogsverleden verzonnen. In mei 1975 verscheen Reve op de Nacht van de Poëzie in Kortrijk, getooid met kruis, swastika, ban-de-bomteken en hamer en sikkel - de prille (RV) was presentator van dienst. In oktober 1980 werd Reves novelle ‘De vierde man’ geweigerd als boekenweekgeschenk. In mei 1985 deed Reve verslag over het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Nederland. In november 1985 ging Reve, na de eerste van zijn omstreden openbare voordrachten aan de universiteit van Leiden, een vragensteller uit het publiek te lijf met een kapotgeslagen bierglas. In mei 1992 veilde Reve zijn brieven aan Johan Polak, waarna de gegriefde uitgever besloot de reviana in zijn bezit meer dan honderd jaar ontoegankelijk te maken. Vorig jaar stuurde Reve beoogd biograaf Tom Rooduijn de laan uit en veranderde hij voor de vijfde keer in zijn carrière van uitgever.

Quote

‘Het cliché heeft het bevrijdende van iets dat niet meer ter discussie staat, en behalve daardoor wordt de lezer ook nog gerustgesteld als hij in de echte of voorgewende imbeciliteit van de auteur zijn eigen banaliteit herkent. Ik eis van niemand, dat hij ooit in zijn leven ook maar één cliché nederschrijft, maar wat ik U bidden mag: houdt het cliché in ere en in voorraad, als kaarsen of verduurzaamd voedsel voor die gelegenheden waarbij het leven tot zijn naakte essentie wordt teruggebracht. Het Cliché is een godsgeschenk. Zoals wij zonder zonde niet meer gered kunnen worden - wat niet wil zeggen dat wij een moord moeten plegen - zo ook kan, volgens mij, geen enkele kunstenaar in zijn werk de kitsch geheel ontberen en straffeloos buiten de deur zet-ten. Puur goud is in de siersmeedkunst onbruikbaar en behoeft een alliage met minder hoogwaardige metalen om toepasbaar te worden. In mijn lofwaardige opdracht de werkelijkheid te duiden, ben ik in mijn werk het Cliché en de Kitsch steeds minder gaan schuwen, en ik pas beide welgemoed en met bemoedigend resultaat toe.’ (Zelf schrijver worden)

Revisme

Door Reve ontworpen liefdesdienst waarbij de aanbedene jongens (‘offerdieren’) ter onderwerping aangeboden krijgt. ‘Ik zou het geloof ik erg fijn vinden om jou alles te geven en te laten doen wat jij maar geil en betoverend vindt. Ik ben een revist, voor mij zijn de voorstelling en de idee vrijwel even belangrijk en reëel als de tastbare werkelijkheid.’ (‘Brieven aan Matroos Vosch)

Schaamhaar

‘Ik deed vroeger wel eens een plukje schaam-haar cadeau, met een blauw of roze lintje erom. Ik deed het om mensen gelukkig te maken of omdat ze niet konden schrijven en dachten dat het daarmee beter ging.’ (HP/De Tijd, 2000)

Troon

‘Mijn publiek bestaat voor zestig procent uit vrouwen en je kunt alleen maar publiceren als de vorstin van je land je werk waardeert’ (HP/De Tijd, 7994). Reve onderhoudt goede contacten met vorstenhuizen: ‘Ik hoor zojuist dat onze vorstin haar opklapbed-ombouw heeft laten ontruimen van de rij boeken die daar stond om er een honderdtal exemplaren van mijn laatste succesboek ‘Lieve Jongens’ voor in de plaats te zetten’ (Elsevier, 7974). In 1974 ontving hij het lintje van Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, in 1993 werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau - twee keer besloot hij zijn toespraak met ‘God behoede onze vorstin!’ De romans ‘De Taal der liefde’, ‘Lieve jongens’ en ‘Een circus-jongen’ veroorzaakten bij verschijnen enige deining wegens de met verve geëtaleerde vertrouwelijke omgang met de koningin. Ook het gedicht ‘Koninklijke goedkeuring’ ontbloot de kroon: “k Kwam bij een hooggeplaatst persoon / ‘k trad nader tot haar troon. / Zij sprak: het werk van Mulisch is niks dan vullis / het werk van Reve dát is leve.’

In oktober 1972 weigerde Reve de uitnodiging voor een spreekbeurt in Hilversum; hij zou zijn voordrachten exclusief aan het hof hebben verkocht. Een verzoek om dispensatie van de organisator aan de koningin leidde tot een dementi van Reves bewering. In Vrij Nederland van 24 oktober berichtte Reve dat deze ontkenning van het hof berustte op een wederzijdse afspraak om de contacten stil te houden. Tegenwoordig lijkt er wantrouwen in de ver-houding tussen Reve en vorstenhuizen te sluipen. Volgens geruchten zou het Belgische hof het ministerie van Justitie benaderd hebben met de vraag of het opportuun is dat koning Albert volgens de traditie eigenhandig de Prijs der Nederlandse Letteren aan Reve overhandigt. De aarzeling van de vorst zou verband houden met het gerechtelijk strafonderzoek tegen Joop Schafthuizen voor ‘aanranding van de eerbaarheid van een minderjarige jongen dan 16'. In ‘99 al nam de Rotterdamse politie naar verluidt foto’s met kinderporno van Schafthuizen in beslag.

Uitleg

Herhaaldelijk heeft Reve het verwijt gekregen dat hij zichzelf herhaalde. ‘Ik vraag mij af, hoe ik een ander zou moeten herhalen.’ (Pleitrede voor het hof’)

Verlossing

In ‘66 bekent Reve zich tot het katholieke geloof, met succes: ‘Sedert ik rooms-katholiek ben geworden, is mijn gezondheid met sprongen vooruitgegaan, en is mijn inkomen fors gaan stijgen’ (‘Brieven van een aardappeleter’). Het moést er wel van komen: ‘Ik ben een godsdienstig auteur, of U en ik er zin in hebben of niet: er is niets meer aan te doen. Het is het onveranderlijke thema van heel mijn werk: de ontoereikendheid van de menselijke liefde, en de volstrekte onafhankelijkheid van Gods genade.’ (Verzamelde gedichten’); ‘Mijn thema is verlossing door duiding, door interpretatie. En ik vind dat het katholieke geloof als duiding van de werkelijkheid geen slechte beurt maakt naast de andere religies.’ (De Morgen, 1994) De sleutel voor Reves verneukeratieve en koketterende omgang met het katholieke geloof is te vinden in de proloog bij ‘Oud en eenzaam’: ‘Als zo dikwijls, komt ook nu mijn eigen leven mij als onbelangrijk en zinloos voor, en zie ik nergens in dat leven iets dat groots of heldhaftig genoemd zou mogen warden of dat, in helderheid of geladenheid, de kracht zou bezitten van een symbool, dat het zin en duiding zou kunnen geven.’ Eigenlijk is het vrij logisch dat de zoekende ziel van Reve soelaas vindt in het katholicisme: het raadsel staat centraal, en de aandacht voor het Lijden, de Twijfel en het Noodlot wordt gevat in rituelen, galmend van de eeuwenoude oerkracht en imponerend door gestileerde grandeur.

Wolf

In alle intimiteit noemt Matroosch Vosch Reve Wolf. ‘De enorme invloed van de Volle Maan op de psyche van de mens wordt nog steeds niet erkend. Ik verander nét niet in een wolf.’ (Humo, 7994)

X-rated

‘Ik was vroeger zeer bevriend met Gerard. Gezellige verjaardagen herinner ik me, waarop Gerard dan altijd in de keuken hapjes klaar ging maken en terugkwam met een schaal met augurkjes en mosterd, waar hij dan zijn lul op had gelegd, met prikkertjes ernaast. Ik weet eerlijk gezegd niet meer, of ik er ooit in geprikt heb.’ Clan Walkers, Humo, 1996) ‘Een tijdje geleden was ik bij Reve op bezoek in Greonterp, zijn huis in Friesland. Ik was ingedut bij de kachel en in mijn halfslaap hoor ik plotseling een dof ritmisch gedreun. Een geluid dat lijkt op het neerkomen van een heiblok op een houten paal. Als ik mijn ogen open, zie ik Gerard met zijn geslacht hard op de houten keukentafel slaan. Om mij te wekken, zei hij later.’ (Johan Polak, Het Parool, 1991) ‘In 1975 heb ik Gerard Reve geïnterviewd, voor ‘Wie schrijft die blijft, al heette dat toen anders. Op een bepaald moment stond hij, exhibitionist die hij is, in zijn eigen voordeur, huize La Graeci met zijn lul rond te zwieren, en door de middelpuntvliedende kracht kreeg die toch al niet kleingeschapen lul vervaarlijke proporties, terwijl Reve voortdurend fasten your seatbelts uitriep.’ (Herman de Coninck, De Morgen, 1993)

Yes!

Volgende prozaboeken van Reve zijn absolute musts: ‘De ondergang van de familie Boslowits’, een intriest meesterwerk over deportatie en weemoed; ‘De laatste jaren van mijn grootvader, Reves eigenlijke debuut, dat op een onbehaaglijk stemmende manier alles wat nog zou komen al in zich draagt; ‘De avonden’, de terechte cultklassieker; ‘Werther Nieland, het ultieme jongensboek; het tweeluik baanbrekende brievenboeken ‘Op weg naar het einde’ en ‘Nader tot LP; ‘De taal der liefde, een proeve van hoe obsessies tot grimmige en geile fabels gestileerd kunnen worden; het briljante tweeluik ‘Oud en eenzaam’ en ‘Moeder en zoon’, waarin komaf gemaakt wordt met het communisme en het katholicisme omarmd wordt; ‘De vierde man’, een vernuftig spel met de Blauwbaard-mythe; ‘Wolf, een losbandig sprookje, en ‘Het boek van violet en dood’, de ultieme samenscholing van alle Reve-thema’s.

Zeeroversdeel

Eindeloos zijn de benamingen waarmee Reve het mannelijke geslacht bezongen heeft. ‘Mijn ongehoorde Zeeroversdeel zit vol schrale plekken, waar mijn stoere metselknuisten het vel er zowat af geschaafd hebben.’ en ‘Ik denk aan hoe jij je Matrozen Liefdesdeel en Mededogenloze Enterhaak in een door mij voor jou medegebracht kampeerjongetje zijn lieve, bange vosseholletje stoot.’ (‘Brieven aan Matroos Vosch’); ‘Toen ging ik zijn vallei binnen met mijn geweldige, keiharde, geoefende mannenknuppel’ en !Trek maar voort, aan je prachtige gouden blonde schuiftrompet’ (te taal der liefde’); ‘Maar nu zit mijn Geheime Deel aan het eind vol met zweren, en dat kan nooit goed zijn, hoewel de schrijning die het bij het ‘fors raketten’ geeft wel verrukkelijk genoemd mag worden. Ik zal mijn karabijn maar eens aan mijn bekwame lijfarts Groothuyse voor leggen.’ (‘Het lieve leven’); ‘Ik schoof, duizelend van verrukking, mijn deel in haar liefdesgrot naar binnen, die zijn angel, zijn liefdesdolk ontvangen en gediend had... ‘ (‘De vierde man’).

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234