Beeld Annie Spratt/Unsplash

Partnergeweld

‘Hij kroop via mijn slaapkamerraam naar binnen en bedreigde me met een hamer’

Eerder deze week werd ex-burgemeester van Aalst Ilse Uyttersprot gewelddadig om het leven gebracht. De moordverdachte: Jurgen D., sinds enkele maanden de liefdespartner van de CD&V-politica. Het wordt nog maar eens duidelijk dat partnergeweld en femicide anno 2020 nog steeds grote problemen vormen in onze samenleving. We doken in ons archief en haalden enkele schokkende getuigenissen naar boven. 

Dit artikel verscheen in Humo 3293 op 14 oktober 2003. Cijfers kunnen mogelijks gedateerd zijn.

Een schokkende statistiek: van alle vrouwen die een onnatuurlijke dood sterven, bezwijkt de helft aan de gevolgen van mishandeling door hun echtgenoot, vriend of ex. En toch blijven heel wat vrouwen te lang zitten in een relatie met een man die hen slaat; kennelijk zijn ze emotioneel en/of financieel van hem afhankelijk. De nieuwe wet op het partnergeweld heeft hun positie enigszins verbeterd - de maximumgevangenisstraf voor opzettelijke slagen en verwondingen tussen echtgenoten en samenwonenden is verdubbeld, en de rechter zal de gemeenschappelijke woning bij voorkeur aan het slachtoffer toewijzen. Maar vrouwenmishandeling blijft een taboe, waarover veel slachtoffers nog steeds maar moeilijk kunnen praten. Wij vonden niettemin drie vrouwen bereid een boekje open te doen.

Rebecca: ‘Op een onbewoond eiland’

Toen Rebecca (44) en haar vriend Luc nog samen waren, mishandelde hij haar; nadat ze uit elkaar waren gegaan, begon hij haar te bedreigen en te stalken. Inmiddels is hij veroordeeld tot een jaar cel wegens slagen en verwondingen.

REBECCA «Ik was een jaar gescheiden toen ik Luc leerde kennen - hij was toevallig bij mijn buurvrouw op bezoek. Een rustige, aardige man, dacht ik. We dronken koffie en babbelden wat, en toen ik vertrok, vroeg hij: ‘Mag ik je eens komen opzoeken?’

»Ik had al vlug de indruk dat hij verliefd op me was. Dat vond ik erg prettig - een man die van je houdt, is moeilijk te weerstaan. Het gekke was: telkens als ik hem zag, was het alsof er een vreemde voor me stond. Zijn gezicht was volkomen uitdrukkingsloos, alsof hij geen innerlijk leven had - op dat moment had ik nog niet het flauwste vermoeden dat hij gestoord was. Maar ik voelde me heel erg tot hem aangetrokken: als ik hem zag, wilde ik hem aanraken. Het was sterker dan mezelf.

» Op een avond gaf ik een etentje voor mijn zussen. Dat ergerde Luc blijkbaar: toen de gasten weg waren, sloeg hij de meubeltjes op mijn terras aan stukken. Hij kon niet verdragen dat ik buiten hem nog andere mensen kende. ‘Wij hebben niemand nodig,’ zei hij. Hij wilde maar één ding: met mij naar een onbewoond eiland - hij had een zeilboot. Maar ik had kinderen, en een job waar ik van hield: ik wílde me niet uit de wereld terugtrekken.

» Ik woonde in een huis op de buiten: ik had het niet breed, maar ik voelde me vrij. Vorig jaar in de zomer trok Luc bij me in - eerst veertien dagen op proef, want ik had toen al sterke twijfels. Op een avond kwam mijn oudste zoon dronken thuis van een feestje. Hij stommelde met veel lawaai de trap op. Het was de eerste keer dat hij zoiets deed, dus ik was niet boos, maar Luc was uitzinnig omdat ik het voor mijn zoon opnam. ‘Ik spring uit het raam,’ zei hij, ‘want jij houdt alleen van je kinderen.’ Hij vertrok met slaande deuren, maar hij kwam weer terug. En dat gebeurde vaker en vaker.

» Luc noemde het passie, maar ik besefte dat onze relatie een obsessie aan het worden was. Daar voelde ik me niet goed bij, dus stelde ik hem een lat-relatie voor, maar daar wilde hij niet van horen. ‘Als je me dumpt, maak ik mezelf van kant,’ zei hij.

» Deze winter durfde ik hem eindelijk te zeggen dat het uit was tussen ons. Luc vertrok, maar hij bleef me achtervolgen: hij zag overal mannen met wie ik hem ‘bedroog’. Maar ik voelde me nog steeds tot hem aangetrokken, en toen hij z’n werk verloor en noodgedwongen op zijn boot ging wonen, werd ik geplaagd door schuldgevoelens. Dus ging ik ermee akkoord hem af en toe te zien.

» Op een dag leende ik hem mijn auto en m’n bankkaart om te gaan tanken, maar in de plaats haalde hij al het geld van mijn rekening. Toen hij terugkwam, weigerde hij me de sleutels terug te geven. Ik kon wel janken van frustratie: mijn dochter stond aan school op me te wachten, maar ik kon haar niet gaan ophalen.

» In januari kwam ik thuis van m’n werk en merkte dat de deur was ingetrapt. Binnen wachtte Luc me op: hij wilde met me praten. Toen heeft hij me urenlang gegijzeld. Hij hield me vast bij mijn arm: als ik bewoog, deed het pijn. Ik zat daar maar, en moest een stroom van verwijten over me heen laten gaan. Luc wilde dat ik meekwam naar hem thuis. Ik gaf toe, maar net voor we zouden vertrekken, zei ik dat ik even naar de wc moest. Daar kon ik de buurman bellen. ‘Alsjeblieft,’ zei ik, ‘help me.’ We spraken af dat hij voor Lucs huis op me zou wachten.

» Toen we daar aangekomen waren, liet hij me even los om de voordeur open te maken, en toen glipte ik weg. Ik holde naar de wagen van de buurman, en net voor Luc me kon inhalen, stapte ik in en reden we weg. We waren nauwelijks vertrokken of mijn telefoon ging: ‘Als je niet onmiddellijk terugkomt, steek ik je huis in brand!’

» Ik ging naar het politiebureau en legde een verklaring af. De twee agenten, een man en een vrouw, reageerden heel koeltjes. ‘Kijk madammetje,’ zei de man. ‘Zolang hij je niet het ziekenhuis in slaat, kunnen wij niets doen.’ Daar moest ik het mee stellen. Ik stak een mes op zak en ging terug naar huis. Daar bleek dat Luc de gaskraan opengedraaid had en vervolgens vertrokken was. Toen heb ik even gedacht dat ik maar beter zelfmoord kon plegen, dan kwam er tenminste een eind aan de nachtmerrie.»

Haat en verlangen

REBECCA « Een paar nachten later kroop Luc via mijn slaapkamerraam naar binnen en bedreigde me met een hamer. De volgende dag ging ik weer naar de politie. ‘Ja maar,’ zei de agente, ‘u moet uw raam ook niet op een kier laten staan!’

» Het vreselijke was dat ik naar Luc bleef verlangen. Dat was zo verwarrend, ik hield van de man die me pijn deed - de Luc die met me vrijde en de Luc die me sloeg waren één en dezelfde geworden. Later, toen hij al achter de tralies zat, vertelde mijn therapeute me dat gewelddadige mannen vaak heel goed in bed zijn.

» Begin maart kwam ik terug van een avondje met vriendinnen. In mijn auto luisterde ik naar m’n antwoordapparaat. Luc had gebeld: hij zou me kapotmaken, zei hij. Maar ik was niet bang: het was alsof ik uit mezelf trad en een toeschouwer werd van wat me overkwam. De politie zou me toch niet helpen, dacht ik, dus reed ik gewoon naar huis.

» Nog voor ik kon uitstappen, rukte Luc het portier open. Ik trok mijn been terug en probeerde het portier dicht te trappen, maar Luc trok zo hard aan m’n haar dat ik wel moést meegeven - anders had ik m’n nek gebroken. Ik riep mijn hond, maar die had hij binnen opgesloten. Luc ging op me liggen en bonkte mijn hoofd tegen de grond. ‘Vuile trut,’ zei hij. ‘Je was niet bang hè? Je weet verdomme niet met wie je te maken hebt.’ Zijn schoen schoot uit, ik greep het ding en smeet het weg. Luc stond op om zijn schoen te pakken, en zo kon ik ontsnappen. Ik holde naar de achterkant van het huis, maar ik had geen sleutel. Twee tellen lang bleef ik staan, en toen draaide ik me om, liep de gracht door en zo de wei in.

» Ik droeg die dag zwarte kleren en het was vrij donker. Dat heeft me gered: Luc moet gedacht hebben dat ik ergens in of rond het huis was. Vanuit de verte hoorde ik hoe hij de ruiten ingooide. Waar moest ik heen? Naar de buren misschien. Ik liep heel stilletjes naar hun huis, ging de trap naar de verandadeur op - aan de voordeur aanbellen durfde ik niet, dan kon Luc me zien - en klopte aan. De buurvrouw deed open. Ik schaamde me zo: ik had in mijn broek geplast en mijn gezicht zat onder het bloed.

» De buurvrouw belde de dokter. Mijn kaak was gekneusd, ik had een pijnlijke rib en mijn benen zaten vol blauwe plekken. Bovendien was ik in shocktoestand - ik lijd nog altijd aan migraine en concentratiestoornissen.

» Uiteindelijk ben ik toch weer naar de politie gegaan. Ik zei dat ik aangifte wilde doen van slagen en verwondingen. ‘Moet dat nu echt?’ zei de agent geïrriteerd. Ik wilde dat Luc het verbod kreeg nog langer in mijn buurt te komen, maar dat hing van het parket af, zei hij. ‘Zoals je wil,’ zei ik, ‘dan vermoordt hij me maar.’ Vanaf toen sliep ik ‘s nachts rechtop zittend.

» Op een nacht hoorde ik gerommel aan de deur. Ik belde de politie, en die kwamen kijken. ‘Woont u hier alleen?’ vroeg de agent, toen hij in m’n woonkamer stond. ‘Ja,’ zei ik, ‘met mijn kinderen.’ Hij keek naar zijn collega en knipoogde - wat een idee, een vrouw die in d’r eentje op de buiten gaat wonen! Maar ik wilde me niet verstoppen, dan ging ik nog liever dood. Ik merkte dat er een strijdster in me wakker werd.

» Daags nadien kreeg ik dreigtelefoons van Luc: ik nam ze op band op. Hij kwam weer naar mijn huis. ‘Ga weg!’ riep ik door het raam. ‘Laat me met rust.’ Ik belde naar de politie: die kwamen hem met vier man weghalen. Mijn dochter was inmiddels uit angst onder haar bed gekropen. Ik liet haar achter bij een vriendin en ging mee naar het bureau. Gelukkig trof ik ditmaal een bekwame agent, iemand van het team Jeugd en Gezin. Hij maakte een dossier op, dat samen met het bandje met Lucs dreigementen naar de procureur werd gestuurd. Er werd een psychiatrisch rapport opgesteld, en dat was kennelijk zo ernstig dat Luc tot zijn proces werd vastgehouden. En toen kreeg hij een jaar.

» Maar dat jaar is nu bijna ten einde, en ik vrees voor de toekomst. Hij schrijft me brieven die beginnen met ‘Ik wil nog eens met je praten...’»

Jeanne: ‘In een rolstoel getrapt’

Jeanne is 54, maar ze ziet er veel ouder uit. Dat heeft alles te maken met de ‘losse pollen’ van haar man Gerard.

JEANNE « De eerste keer dat hij me sloeg, waren we nog niet lang getrouwd. Mijn beste vriendin had gevraagd of ze mijn trouwring eens mocht passen. Ja hoor, zei ik - maar toen ik later met Gerard in de auto zat, gaf hij me een klap in mijn gezicht. ‘Daar,’ zei hij, ‘omdat jij zomaar je ring uitdoet.’

» Ze zeggen weleens dat een man die slaat als kind zelf geslagen is, maar bij Gerard is dat niet het geval. Hij was thuis de jongste, en hij werd rotbedorven. We hebben een tijdlang naast m’n schoonouders gewoond en als hij me sloeg, maakte dat een hels kabaal - maar ze zeiden niks. Op een keer kwam m’n zusje bij ons logeren. Nu zal Gerard zich wel koest houden, dacht ik, maar nee hoor, hij sloeg me waar zij bij was. Natuurlijk ging ze achteraf alles aan m’n ouders vertellen. ‘Ik had je gewaarschuwd,’ zei mijn pa, ‘ik zag direct dat hij iets agressiefs in z’n ogen had.’

» Maar mijn vader stierf, en ik kreeg een baby: Cindy, mijn enige kind. Toen zat ik helemaal in de val - in die tijd ging een vrouw zomaar niet bij haar man weg. Ik was heel blij dat ik een baan had, zodat ik tenminste een paar uur per dag de deur uit kon. Maar soms moest ik een zonnebril dragen om een blauw oog te verstoppen, en een trui met lange mouwen voor de blauwe plekken op mijn armen.

» Het minste kon Gerard razend maken. We aten brood met hesp en ik lustte de vetrandjes niet - hij ging me te lijf. Soms stilde hij zijn woede ook op de meubelen: zo heeft hij ooit de houtkachel uit de muur gerukt en door de kamer gesmeten. Cindy is toen huilend naar de buren gerend. Ach ja, de buren, die wisten wel hoe het er bij ons aan toeging.

» Door al dat slaan kreeg ik erge pijn in m’n rug. Ik moest geopereerd worden. In het ziekenhuis vroeg de chirurg: ‘Mevrouw, bent u gevallen?’ ‘Nee,’ zei ik, en ik haalde diep adem: ‘Mijn man heeft me getrapt.’ Hij stuurde een psychiater en een maatschappelijk assistente naar me toe. De psychiater zei dat ik bij mijn man moest weggaan, maar zo simpel was dat niet. Ik zat nu in een rolstoel, en Gerard had me helemaal in zijn macht. ‘Wat ben je zonder mij?’ zei hij dan. ‘Jij, een invalide?’ Hij liet mijn uitkering op zijn rekening storten, en ik kreeg het codenummer van de bankkaart niet. Op een dag kwamen we op straat een kennis tegen. ‘O, wat erg Jeanne,’ zei ze toen ze mij zo zag zitten. ‘Ja,’ zei Gerard, ‘zielig hè, de sukkel. Ik help haar zo goed als ik kan.’ En dat terwijl mijn armen nog bont en blauw zagen van zijn vuisten.

» In het begin dat ik in die rolstoel zat, kreeg ik veel bezoek. Maar Gerard liet de mensen merken dat ze niet welkom waren: hij sloeg met de deuren, zei nooit eens goeiedag. En uiteindelijk bleef iedereen weg. Ik kon heel goed opschieten met mijn jongste zus, maar zelfs haar heeft hij buitengewerkt.

» Gerard verdacht me er altijd van dat ik hem bedroog, ook toen ik al oud en ziek was. Hij werkte als magazijnier, en liet me schaduwen door de handelsreizigers van het bedrijf. ‘s Avonds wist hij me precies te vertellen welke auto’s er die dag voor ons huis hadden gestaan. De verpleegster die me verzorgde, kwam op een dag met een andere wagen dan gewoonlijk. Die avond heeft Gerard me een ongelooflijk pak rammel gegeven - want ja, ik had natuurlijk een minnaar.»

Klein geluk

JEANNE « Cindy trouwde, maar twee jaar later stond ze weer bij ons op de stoep: ze wilde scheiden en opnieuw gaan studeren. ‘Kom binnen kind,’ zei ik. Maar zelf hield ik het thuis niet langer uit. Ik wilde weg, en ik ging ervan uit dat Cindy wel met me mee zou komen. Maar waar konden we heen? Ik durfde niet zomaar in een flatje of zo te gaan wonen, want daar zou Gerard me weten te vinden. En het vluchthuis had een steile trap, en daar kon ik met m’n rolstoel niet op. Gelukkig konden mijn huisdokter en de maatschappelijk assistente een benedenkamertje voor ons regelen.

» De avond voor we naar het vluchthuis zouden vertrekken, kreeg ik woorden met Cindy. Zij wilde dat ik bij haar vader bleef - en zelf zou ze ook blijven. Dat verbaasde me: ze wist hoe hij me afranselde, hoe kon ze nog van hem houden? Hij had haar nooit geslagen, maar liefde had ze niet van hem gekregen. Ik wilde geen ruzie met mijn kind en begon te twijfelen, maar m’n huisdokter zei: ‘Jeanne, nu moet je doorbijten. Doe het, ik sta achter je.’ Hoe ellendig ik me ook voelde, ik besloot zijn advies te volgen. Op het moment dat ik in het vluchthuis op mijn bed ging zitten, gleed alle stress van me af. Ik heb dagenlang op een wolk geleefd: al die vrijheid!

» Ik probeer nu van Gerard te scheiden, maar voor het gerecht ben ik de schuldige: ík ben immers opgestapt. Dat m’n man me dertig jaar mishandeld had, dat deed er niet toe. We zijn nu vier jaar later, en Gerard woont nog steeds in ons huis, hij zit op onze bank, eet van onze borden. Terwijl ik in een studiootje zit en huur moet betalen. Hij blijft de scheiding eeuwig rekken, uit vrees dat het huis anders verkocht zal worden en hij de opbrengst zal moeten delen. Cindy komt niet bij me op bezoek. Ze woont nog steeds bij haar vader, en hij verbiedt haar mij te zien. En toch voel ik af en toe iets wat grenst aan geluk. Ik heb een paar goede vrienden, en ik ga naar de knutselclub. Ik heb het veel minder breed dan vroeger, maar ik heb tenminste rust.

» Vroeger was ik altijd bang als het bijna vijf uur was: dan kwam Gerard thuis en begon de ellende opnieuw. Nu neem ik tegen vijven mijn poes op schoot, kijk naar de klok en slaak een zucht van verlichting. Ik hoef niet meer bang te zijn.»

Denisa: ‘Bijna gewurgd’

Denisa (29) is een Albanese vluchtelinge. Ze kwam met haar man Adnan naar België, maar verliet hem omdat hij haar regelmatig afranselde.

DENISA « Ik was zestien toen mijn vader een huwelijk voor me regelde met de zoon van een huisvriend. Ik kende Adnan wel, maar ik was niet verliefd op hem. Maar in Albanië verzet een meisje zich niet tegen de wil van haar vader.

» We trokken in bij Adnans ouders, en ik vond een baan op kantoor. Ik deed m’n werk graag, maar ik had een paar mannelijke collega’s en Adnan was jaloers. Ik mocht geen korte rokjes dragen, en op een dag moest ik me gaan omkleden omdat ik een bloesje zonder mouwen aanhad.

» Toen we alleen gingen wonen, begon hij me te slaan. Hij sleurde me bij m’n haren door het huis, bokste en trapte me. Mijn zoontje was nog heel klein, maar ik herinner me de totale paniek in zijn ogen. Na zo’n uitbarsting wilde Adnan altijd seks: dan fluisterde hij ‘Sorry schatje’, en wilde me kussen. Dan walgde ik van hem, maar ik gaf toe - uit angst.

» Adnan kocht een kleine groentewinkel en ik moest m’n baan opgeven. Terwijl hij ging met z’n vrienden koffiedrinken, stond ik in de winkel: van ‘s morgens zeven tot ‘s avonds tien. Mijn zussen gaven weleens een feestje, maar ik mocht nooit gaan. Ik klaagde daar weleens over, maar het enige antwoord was nog meer slaag.

» Na een paar jaar vertrok Adnan naar België. Ik zag hem graag vertrekken: de kinderen en ik hadden het heerlijk rustig zonder hem. Maar na een paar maanden wilde hij dat we zouden overkomen. ‘Ik heb werk,’ schreef hij, ‘en een huis. Kom alsjeblieft, we beginnen opnieuw.’ En dus ging ik - ik kon de kinderen de kans op een beter leven toch niet ontzeggen? Maar Adnan had gelogen. Hij woonde bij een vriend en leefde van een uitkering. En hij was gewelddadiger dan ooit.»

Zalven en slaan

DENISA « Adnan heeft geen respect voor vrouwen. ‘Stom kind,’ zei hij tegen onze dochter, ‘slecht, stom kind.’ En dat terwijl ze juist erg lief en verstandig is. Ze wil later niet trouwen, uit angst dat haar man haar ook zal slaan. En ik ben in Adnans ogen al helemaal niets waard. ‘Heks,’ noemt hij me. Hij houdt alleen van zijn zoon - maar hij bekommert zich nauwelijks om hem.

» De eerste keer dat ik wegliep, was op een zaterdag. Adnan had onverwachts vrienden uitgenodigd voor het avondeten. Het was best gezellig, maar Adnan dronk te veel. Toen de gasten vertrokken, ging hij mee: nog één glas drinken met z’n kameraden, zei hij. Ik wist: als Adnan gedronken heeft, wordt hij agressief. Ik ruimde snel op, deed de strijk - nog nooit heb ik zo vlug gestreken - en gooide alle kleren in een koffer. ‘Hou je klaar,’ zei ik tegen de kinderen.

» Adnan kwam vroeger naar huis dan verwacht: m’n koffer stond nog open. Maar hij was zo dronken dat hij niks zag en meteen in bed kroop. Toen ik hem hoorde snurken, greep ik de koffer en sloop met de kinderen de deur uit. We namen de trein en gingen naar het politiekantoor, en vandaar naar een opvangcentrum voor daklozen.

» Adnan had me in geen tijd opgespoord. Daar stond hij: mak als een lammetje, niet wetend waar hij met z’n grote handen moest blijven. ‘Het spijt me zo,’ zei hij. ‘Kom terug, alsjeblieft.’ De tranen biggelden over zijn gezicht - je kon je niet voorstellen dat het dezelfde man was die me zo had geterroriseerd. Natuurlijk ging ik terug. In Albanië is het een traditie dat mannen hun vrouw slaan - wist ik veel dat dat in België anders was, en dat ik hier geholpen kon worden?

» Een tijdlang ging het goed. Adnan was lief en heel attent. We werkten allebei in de fruitpluk, en hij liet me een deel van mijn loon houden. Ik spaarde 750 euro. En toen kwam die vreselijke dag...

« Ik weet niet meer wat de aanleiding was, maar opeens begon hij me te slaan. Zijn vuisten bléven maar op me neerkomen, ik dacht dat ik erin zou blijven. En toen probeerde hij me te wurgen. Zijn gezicht vertrok in een grimas en hij kneep mijn keel dicht. Nu ben ik er geweest, dacht ik en verloor het bewustzijn. Toen ik bijkwam, zat ik in de badkamer. Adnan had koud water in mijn gezicht geplensd - als een kat die zijn prooi laat bijkomen om dan weer verder met hem te spelen.

» Toen hij uiteindelijk naar beneden was gegaan, stond ik voorzichtig op en keek in de spiegel: mijn kaak was blauwrood, mijn lippen zaten vol bloed en op mijn keel zag je afdrukken van zijn vingers. Ik probeerde wat water te drinken, maar kon niet slikken. Stilletjes kroop ik naar beneden en belde de politie. Maar Adnan had me gehoord. ‘Nu vermoord ik je,’ zei hij, maar vijf minuten later stonden de agenten voor de deur. ‘Wil je echt bij hem weg?’ vroegen ze me. ‘Wil je niet nog eens met hem praten?’ Maar ik had mijn besluit genomen: we gingen, de kinderen en ik.

» Ik kon weer terecht in een opvangcentrum voor daklozen, maar daar hing Adnan haast onmiddellijk aan de telefoon. ‘Sorry, sorry,’ snikte hij. ‘Ik zie je graag, ik mis de kinderen zo. Het was zo fout wat ik gedaan heb.’ In de tussentijd hadden Adnan en ik asiel aangevraagd. We hadden een advocaat betaald om ons dossier te verdedigen, maar die man deed niks voor ons. ‘We moeten dringend naar hem toe,’ zei Adnan, en dus zei ik ja - maar ik zou daarna meteen weer teruggaan naar het opvangcentrum.

» Op een zondagmiddag gingen we, met z’n allen. De advocaat deed niet eens open. Ik wilde terug naar het centrum, maar Adnan smeekte om mee naar huis te komen. ‘Hoe kun je me nu in de steek laten?’ En ik gaf toe.

» Toen we thuiskwamen, had ik hoofdpijn en ging op de bank liggen. Maar Adnan trok me zonder aanleiding bij m’n haar overeind en begon me te slaan. Gelukkig kon mijn zoon de politie bellen, en toen zijn we voorgoed vertrokken. De kinderen en ik mochten naar een vluchthuis voor vrouwen, en daar kon ik voor het eerst mijn verhaal doen. De maatschappelijk assistente luisterde, de andere vrouwen luisterden, en ik leefde helemaal op.

» Ik heb Adnan nog één keer teruggezien, een paar maanden geleden. Ik liep over het marktplein naar het stadhuis en daar was hij plots. ‘Ik hou van je,’ zei hij en legde z’n vuist op z’n hart, ‘ik heb zo’n pijn hier.’ ‘Te laat,’ zei ik. En ik heb niet meer omgekeken. Maar ik ben bang, erg bang, dat we alsnog zullen worden uitgewezen - Adnan, de kinderen en ik. En wat moet ik dan?»

(Verschillende namen zijn fictief)

Vragen over geweld, misbruik of kindermishandeling? Bel 1712 of 0800 13 500 (CAW).

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234