IJspret Beeld KN
IJspretBeeld KN

koudesneeuw- en ijspret

Hoe zou het nog zijn met... de koude winters van vroeger? ‘Als je ’s morgens wakker werd, was je lip vastgevroren aan het laken’

De winter heeft op zich laten wachten. Maar nu zijn we vertrokken voor een week vol ijsdagen, met temperaturen die zowel ‘s nachts als overdag onder het vriespunt blijven. Dat zijn we niet meer gewoon. Enkele jaren geleden sprak Humo-journalist Jan Hertoghs met échte winterkinderen:

(Verschenen in Humo op 13 januari 2011)

Eergisteren was een dag met sneeuw en vorst en wat hoor ik ’s morgens op de radio? Een vader die zijn beklag maakt omdat de straten rond de school niet gestrooid zijn. ‘En,’ voegt hij eraan toe, ‘zelfs op de speelplaats is niet gestrooid.’ Zo’n Veilige Vader moesten ze zijn kinderen afnemen! Of op zijn minst een miljoen strafregels doen schrijven. Als er op mijn lagere school vriesdagen aankwamen, dan goot de concierge zélf emmers water op de speelplaats zodat we zéker ijs en glijbanen zouden hebben.

Om de winterpret enigszins in eer te herstellen praten we met Lode (65, Opgrimbie), Rita (64, Mechelen-aan-de-Maas), Achiel (74, Sint-Lenaarts), Louis (71, Wijnegem) en Bernard (76, Vlijtingen). Ze waren winterkinderen in de jaren veertig en vijftig. Tijd voor faits d’hiver!

BERNARD «In de jaren 40 was dat geen afwachten zoals nu of het nog eens echt winter zou worden, nee, alle jaren wás het winter. Op de avond van 24 december begon de kerstvakantie en altijd lag er sneeuw en ijs. Dat was een certitude.»

LODE «Als er een vers pak sneeuw lag, dan werden er eerst sneeuwmannen gemaakt. Met een wortel voor de neus en met antracietkolen voor de mond, de ogen en de jasknopen. Vaak waren alle kinderen van de buurt in dezelfde wei bezig en dan deden we om het mooist. Dan kreeg de sneeuwman een ouwe jas om zijn lijf, een bezem in de arm, een pijp in z’n mond, een sjaal om de hals, en een ouwe hoed op, die we versierden met de veer van een kip, een haan of een fazant. En als ze een paar uur later áf waren, soms zeven of acht stuks naast elkaar, dan liepen we naar één of andere volwassene die in zijn voordeur wat stond te uchteren. ‘Zeg eens, Lammertien, welke is de mooiste? En serieus zijn, hé! Serieus uw punten geven!’

»Na de sneeuwman begon het sneeuwballen gooien. Soms viel dat uiteen in twee kampen, de jongens tegen de meisjes, of de ene straat tegen de andere en dan spraken we af om ‘oorlog te doen’. Wie geraakt werd, viel af, en de oorlog werd gewonnen door wie het laatst overbleef. Soms maakten we vooraf een ‘fort’, een muur van allemaal sneeuwballen en dan gingen we daarachter liggen om niet geraakt te worden.»

BERNARD «Er was toen nog geen bellekentrek omdat er nog geen bellekes waren aan de deuren. Wij smeten dan met een sneeuwbal tegen een deur om te zien wie er voor niemendal naar buiten kwam (lacht). Ik zie ons daar nog lopen, het was koud en toch waren wij maar dunnetjes gekleed. Zeker in vergelijking met nu. Niet iedereen had bijvoorbeeld een muts, sommigen hadden gewoon een sjaal om de oren gebonden.»

RITA «En och, die leren schoenen van toen, dat waren geen snow boots zoals nu. Dat waren leren lapkes tegen elkaar en die zogen de hele tijd het sneeuwwater op.»

BERNARD «En niemand had een lánge broek! Wij droegen een korte broek met daaronder zeer lange zwarte kousen, tot boven de knie. Man, man, zo’n miserie! Dat waren kousen van zelf gesponnen schapenwol, en dat jéukte zo dat wij die gauw naar beneden rolden, veel jongens liepen met de blote benen rond! En nooit waren wij ziek! En nooit hadden wij kou!»

HUMO Had iemand van jullie al een slee in die tijd?

LODE «Een echte slee? Daar was geen sprake van. Ik zou niet geweten hebben in welke winkel ze zoiets duur verkochten. Een vader die wat handig was, die maakte dat zelf. Pa draaide een houten kistje op zijn kop, schroefde daar twee ijzeren latten onder, boog er een krul aan en je had je slee. Wij noemden dat toen een ijsstoel. Want er zat ook een leuning aan, zodat een ander kind je kon duwen en vooraan had pa een plankje getimmerd om je voeten op te zetten. En hoe meer je dat gebruikte, hoe feller dat ruwe ijzer ging glanzen én glijden, gottegot, dat ging toch een vaart!»

ACHIEL «Zo’n slee met ijzeren latten maakten wij zelf. En op het ijs duwden wij ons dan voort met stokken waar we vijfduimers (grote spijkers) in staken; zo pikten wij vooruit.»

BERNARD «Als wij met die ijsstoelen bezig waren, dan spande de boer naast ons soms zijn paard in, hij ging achter dat beest op een ijzeren onderstel staan en aan dat frame werden alle ijsstoelekes van de buurt vastgemaakt. Hup, alle kinderen erop en met die glijdende sliert reed ie door het dorp.»

LOUIS «Over winterspelletjes kan ik u niks vertellen. Ik was een boerenkind en ik zie mij eigenlijk niet spelen in de winter. Daarvoor was er geen tijd. Altijd hadden vader of moeder u wel ergens nodig om te helpen.»

AS IN DE KLOMPEN

BERNARD «Tussen de weiden en akkers had je overal sloten. Als die dichtvroren, zag je alle kinderen op dat ijs. Die ijsweg slingerde door beemden en struiken en wij gingen dan van Vlijtingen naar het volgende dorp, vier of vijf kilometer verder. En onderweg kwamen we dan de kinderen tegen van dat dorp – een grensconflict! – en dan werd er al eens een heilige oorlog uitgevochten.»

LODE «Wij gingen over die slootjes van Opgrimbie tot aan de Maas, dat was ook een kilometer of vijf. En géén ouders erbij zoals nu. Allemaal kinderen onder mekaar hé.»

ACHIEL «Als het stenendik vroor, gingen we op de kleiputten. Die waren heel diep en dus gevaarlijk, maar dat trok ons ongelooflijk. De ouders hadden niet graag dat we daar kwamen: meer dan één kind was daar al door het ijs gezakt en verongelukt.»

BERNARD «In ons dorp liep een soort afwatering, om bij hevige regen het water vanuit de leemheuvels op te kunnen vangen. In de winter lag die goot droog en dan stopten we de afvoerputjes dicht, pompten die geul vol water en ’s anderendaags was dat een glijbaan waar twintig, dertig kinderen hun plezier hadden.»

LODE «Wij maakten ook glijbanen voor het huis. Dan goten we ’s avonds emmers uit aan de straatkant en de volgende dag kon je d’rop. Dat was om ter verst natuurlijk. Heel lange aanloop, glijden en een streep trekken tot waar je gekomen was.»

ACHIEL «Of je startte heel kort na elkaar, dan slibberden zes kinderen in één rij over dat ijs. Af en toe werd je pootje gelapt door degene die je volgde, en dan ging je op je gat naar het einde van de baan.

»Wij droegen toen nog houten blokken en die schoven het beste! Hout op ijs, beter kan je niet hebben!»

BERNARD «Wéé den excentrieken die schoenen droeg! Die mocht niet op de glijbaan. Want die bloknageltjes onder de schoenzolen maakten krassen in het ijs en dat was doodzonde!»

ACHIEL «Om warme voeten te hebben, deden we as in onze klompen. Die kwam uit de schuif van de Leuvense stoof; we schudden die in onze klompen, en dat was een soort isolatie onder je sokken. Zo kreeg je minder rap kouwe voeten. (Hooi of stro in de klompen was ook een middel om de voeten warm te houden, jh

IJSBLOEMEN

RITA «Soms mochten we na het eten nog een halfuurtje buiten om in de sneeuw of op dat glijbaantje te spelen. Dat was uitzonderlijk dat ge nog in het donker mocht spelen! Dat was hét van hét voor ons. Dan voelde ge u groot, dan deed ge iets wat alleen de volwassenen mochten. Het straatlicht ging aan, en ik zie nog het licht van die lantaarns, en hoe dat schitterde op die sneeuw! En dan al die kinderen die buiten kwamen – op die honderd meter straat woonden zeker vijfenzeventig kinderen – en al dat gejoel, dat was een geweldige ambiance.»

BERNARD «Wij mochten niet meer buiten. Als het donker was, dan gingen we eten en nadien zaten we met zijn allen rond de Leuvense stoof. Dat was de énige verwarming in huis en die stond in de keuken. En bij die gloeiende stoof werd dan gebreid, gebabbeld met buren of familie, en heel veel gelezen. Die winteravonden, dat was zalig om te zitten lezen in die warme beslotenheid van het huis.»

LODE «Om halftien ging iedereen slapen, kinderen én ouders. En koud dat het was in die slaapkamers! De ijsbloemen stonden op de ramen.»

ACHIEL «’t Was geen dubbel glas of thermopan hé, ’t waren nog allemaal dunne ruiten.»

BERNARD «Die ijsbloemen gingen zelfs overdag niet van het vensterglas. Zo koud bleef het op die kamers.»

LODE «Je sliep onder een deken of een dubbel deken en moeder kwam dan soms nog een lange legerjas brengen. Lag je daar onder de pardessus van je pa die nog soldaat geweest was in de oorlog van ’14-’18.»

RITA «Ons ma ging met een heet strijkijzer over het flanellen onderlaken en dan legde ze dat warme laken onder het deken en sprongen wij heel rap ons bed in. Of we kregen een bouillotte mee, zo’n warmwaterzak.»

LODE «Of een heet strijkijzer. M’n moeder draaide dat in een ouwe lap om mee naar bed te nemen.»

RITA «En een warme baksteen! Die steen had ma dan ’s avonds in de oven van de stoof gelegd en die werd in een oud stuk laken gewikkeld: dat was ook warm onder je voeten.»

LOUIS «Dat wakker worden ’s morgens! Dan stapte je op die kouwe vloer en dan stond het ijs op de pispot, dat heb ik genoeg geweten!»

LODE «Soms was mijn lip vastgevroren aan het laken. Echt waar! Want ’s avonds kroop je met kop en al onder de dekens, je liet maar een klein spleetje om te ademen, en die condens van je adem drong dan in dat laken en zo zat dat ’s morgens vastgevroren aan je lip of aan je neus. Dikwijls meegemaakt!»

HUMO Werd er vroeger gestrooid op de straten om ze minder glad te maken?

LODE «Nu bellen ze de gemeente als in een straat niet gauw genoeg gestrooid is, maar vroeger werd er niet gestrooid. Ja, waar huizen waren, schudden de mensen de as van de kachel uit, voor hun deur en ook op de steenweg. Maar waar geen huizen waren, daar werd niet gestrooid.

»Ik liep college in Maasmechelen, dat was zo’n drie kilometer van Opgrimbie, en altijd gingen we met de fi ets. Ook in de winter. Op de vlakke stukken was de sneeuw nog enigszins van de steenweg gewaaid, maar waar een eenzaam huis of een boerderij stond, in die luwtes lag het opgehoopt tot één à twee meter en daar moesten we dan maar doorspartelen.»

LOUIS «Wij woonden nogal afgelegen en als de zand- en de aswegen naar het dorp toegesneeuwd raakten, was dat een probleem, want dan kon onze triporteur (grote bakfiets met drie wielen, red.) de kitten met melk niet naar het dorp brengen. Mijn vader had dan een sled – zo’n houten slee om werktuigen over akkers en zandwegen te vervoeren – en die gebruikte hij om sneeuw te ruimen. Hij spande het paard in, zette zich op die sled, haakte achterop een zware balk vast en zo reed hij de wegen langs. Die meegesleepte balk duwde de sneeuw opzij en effende ook het sneeuwdek op de weg.»

LODE «Soms was het wegdek zo glad dat we met de schaatsen naar school konden. Door het vriezen en door het gerij van karren en auto’s was de sneeuw na een paar dagen hard én glad geworden, en dan bonden we met een koord of een veter zo’n latje met een schaatsijzer onder onze schoenen en dan schaatsten we zo naar Maasme-chelen. Tussen de brommers, en de karren door – er reed maar hier en daar een auto. Dat was nog zo in 1955.»

HAAS

HUMO Kwamen er ’s winters nog bedelaars aan de deur?

BERNARD «Af en toe, ja. En daar waren vaste klanten bij, onder anderen een kleine man die twee horrelvoeten had en op krukken liep en waarvan ge niet verstondt dat hij met zo’n weer nog in al die dorpen kon geraken. Ze bedelden voor een paar patatten of een boterham. En als ge open deedt, begonnen die direct een onzevader te bidden om u gunstig te stellen.»

LOUIS «Wij kregen op een dag een baron aan de deur! Luistert, ik zal het u vertellen! Dat was in een hele kwaaie winter, het Albertkanaal bij Wijnegem lag toen toegevrozen ondanks de ijsbrekers. En ik zie ons op een middag aan tafel zitten met de familie: ouders, kinderen en wat nonkels en tantes. Een grote menu was het niet, we aten met zijn tweeën van één kiekenbil. En ineens ziet onze va een haas in de sneeuw en dat beest begint toch te knabbelen aan de spruiten in onze hof. Hij pakt zijn geweer en páf, die haas omver en bij zijn oren de kelder in. Grote consternatie aan tafel! Dat was gedurfd, want in het pachtcontract stond dat ge alleen maar op ratten en ongedierte mocht schieten. Géén tien minuten later stond meneer den baron al aan onze deur! Normaal was dat een uur tot aan ons huis, normaal hadden we die nooit gezien, maar omdat het kanaal bevroren was, was hij na dat schot gelijk over dat ijs gestapt en zo bij ons binnen! Grote paniek aan tafel: de baron in huis! En even grote blijdschap toen bleek dat hij alleen de haas meenam. En niet ons vader. Want voor zo’n kouwe haas kon hij u ontslaan en van de pachthoeve gooien! Als ge dat vergelijkt met vroeger, dan hebben die hoge mannen toch nogal wat macht moeten inleveren.»

HUMO Zie ook: Koning Winter!

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234