Hugo Camps, 2012 Beeld Charlie De Keersmaecker
Hugo Camps, 2012Beeld Charlie De Keersmaecker

HET LIEVE LEVEN EN HOE HET TE LIJDENHugo Camps overleden

Hugo Camps: ‘Wie het leven begrijpt, in al zijn finesses, schiet zich het best van al meteen een kogel door z’n kop’

Columnist en journalist Hugo Camps is overleden. Hij werd 79. Tien jaar geleden sprak hij uitgebreid met Humo over het lieve leven en hoe het te lijden.

Wilfried Hendrickx

Zelfverklaarde knecht Hugo Camps (69) is een gevierd interviewer voor Elsevier en De Morgen, en iedere ochtend in die laatste krant is hij present met zijn onnavolgbare columns. Je zou denken: zo’n Camps, dat is een heerser. Noppes! Hoor toe hoe hij zich, weliswaar voortdurend tongue in cheek, het liefst omschrijft: ‘Ik heb offergave. Ik ben weerloos en laf. Voortdurend loop ik schoenen te poetsen. Ik leef met de mislukking, honger naar het schouderklopje. Ik kies voor de wanhoop en de weemoed, drijf op weltschmerz, wil mijn eigen onzichtbaarheid creëren. Ja, ik heb de ware ziel van de knecht.’ Zijn eerste levensles: ‘Besef dat je weerloos bent.’ U gelooft mij niet? Lees en huiver. Of beter nog: geniet. Want Camps mag zich dan al een knecht noemen, formuleren doet hij als een prins.

Hugo Camps «In essentie heeft het leven me geleerd dat je hoort te beseffen hoe weerloos je bent. Maar tegelijk heeft het me geleerd dat je je niet mag neerleggen bij die weerloosheid. Je kunt voor die weerloosheid vluchten – ook een vorm van strijd. Een laffe strijd weliswaar, maar toch: een strijd. Je kunt die weerloosheid ook sublimeren. Door je in iets te storten, een werk, je kunst, je sport. Of óp iets te storten: een vrouw, een grote liefde. Het mag ook een passie zijn: stukjes schrijven voor de krant, bijvoorbeeld. Sublimatie is het enige antwoord, geloof me. En natúúrlijk werkt sublimatie niet altijd – momenten dat de wanhoop en de weemoed zo groot worden dat je je afvraagt: ‘Wat doe ik hier, in jezusnaam?’ En natúúrlijk ontstaat er iets als leegte om je heen. Hoe ouder je wordt, hoe kleiner het leven.»

HUMO Terwijl de jonkies denken dat het leven almaar groter wordt.

Camps «Nee. ’t wordt kleiner. Het enige wat mij nog ontroert, zijn miniaturen. Van de weerloosheid naar de miniatuur, jawel. Miniatuur is vormgegeven weerloosheid. Kathedralen zijn dat níét. Kathedralen, dat is: triomf. En per definitie onmenselijk. »Een tweede grote les is het besef dat ik een geprivilegieerde ben. Ik ben opgegroeid in een dorp, bij katholieke mensen. We trokken naar Lourdes om er te bidden voor de kanker van mijn moeder. Kanker die ik nota bene zelf veroorzaakt had, als laatste van een tweeling. Beetje moeilijk geboren. Haar baarmoeder stuk, door mijn schuld. Dat geloofde ik vast.

»Om zeven uur ’s avonds werd ik naar bed gestuurd – zo ging dat in die dagen – maar in de zomer hoorde ik door het openstaande raam hoe de buren buiten een praatje kwamen maken. De stoelen werden bij elkaar geschoven en dan luisterde ik naar de verhalen. Het was mijn eerste confrontatie met goed en fout zijn. Die is me tot vandaag blijven volgen. De verhalen werden met passie verteld, in geuren en kleuren. Over de oorlog, over de witten en de zwarten, over de foute burgemeester, over botersmokkel. De totale ellende van onnozelheid (zucht). Daar is geen redden meer aan. In mijn ogen zou het altijd wel oorlog blijven.»

HUMO Een gevoel van hopeloosheid.

Camps «Ja, dat. En: de luxe van verhalen. Mijn kinderen, mijn kleinkinderen horen geen verhalen meer.»

HUMO Ze krijgen kabouter Plop op hun bord. Alles is geprocessed, tot de verhalen toe.

Camps «Er zijn geen verhalen meer, zo simpel is het. Facebook is geen verhaal. Twitter nog veel minder. De traditie van het overleveren, van het doorgeven van kennis, van ervaring, van folklore, van miserie en geluk, bestaat niet meer. De verhalen die daar, op die zomeravonden, door mijn openstaande raam naar binnen dwarrelden, dat is een kapitaal waar ik mijn hele leven op heb geteerd. Het is voor mij een sleutel – een sleutel voor alles. En daarom, omdat ik die verhalen nog heb mogen horen, ben ik een geprivilegieerde. Anders had ik het allang opgegeven.

»Een verhaal is... onweerstaanbaar.»

Hugo Camps, 2012, journalist, sport Beeld Charlie De Keersmaecker
Hugo Camps, 2012, journalist, sportBeeld Charlie De Keersmaecker

HUMO Een mooi interview, dát is eerst een verhaal.

Camps «En of. Maar waar vind je dat mooie interview nog? Ik heb mijn verhalen, de interviews met vrouwen die ik voor Elsevier sinds 1986 bij elkaar heb geschreven, gebundeld in een boekje: ‘Grote vrouwen’. Tijdens de interviews met die vrouwen ontstond vaak wat ik nog best kan omschrijven als: een soort verliefdheid. Dan kom je thuis en je luistert naar het bandje. En dan schrik je van jezelf. Van de domme vragen die je stelde, van de stiltes die je te vroeg hebt verbroken, van het niet scherp genoeg anticiperen. Dan zie je weer de lelijkheid van jezelf terug. En daarmee schakel je de verliefdheid meteen weer uit.»

HUMO Je voelt dan gemis?

Camps «Ik voel dan vooral: falen. Omdat het niet perfect is. Ik heb ook moeite met mezelf na te lezen. Na ieder stukje in de krant voel ik: de mislukking. De doem van imperfectie. De doem van onvolmaaktheid.»

HUMO Welke boze geest heeft je dat gevoel van mislukking ingehamerd? Is dat het katholicisme geweest?

Camps «Jawel, meneer. En het internaat, waar je op de bezoekdag zag hoe de prefect de ouders met een Buick of een Oldsmobile tot aan hun auto begeleidde. Maar je eigen vader, die bij de Boerenbond werkte, met zijn Opel Kadettje, kreeg van die prefect niet eens een hand. Dat klassenverschil is me toen met één in het gezicht geslagen.

»Altijd het gevoel gehad dat ik méér diende te doen, harder diende te werken om gelijk te zijn met de anderen. Toen ik als twintiger een muziekprogramma op Radio 2 begon, zei die vader: ‘Je bent een nietsnut, jij. Bij de staat, dáár moet je een betrekking zien te krijgen.’ Letterlijk. Ach... hij was natuurlijk zelf het slachtoffer van de angst ooit zijn werk kwijt te spelen en te verpauperen. De angst om arm te worden, daar ben ik mee opgegroeid. En het ergst van al: zelf heb ik die schuld, die angst, die hele ellende ook weer aan mijn kinderen doorgegeven. Je kunt niet anders. Omdat je zo geprogrammeerd bent. Pas op het eind van je leven begin je het hele mechanisme te doorzien. En dan ben je godverdomme te oud en te moe om nog te reageren.»

HUMO Tegelijk heeft dat amalgaam van katholieke zelfverachting je gemaakt tot wie je nu bent: de alom gevierde columnist Hugo Camps.

Camps «Ja, dat is de troost. Je creëert uiteindelijk een monomane wereld waarin die krant, dat stukje, álles wordt.»

HUMO En dat betekent: zelfbevestiging.

Camps «Het werk is alleen maar zelfbevestiging, ja. En de journalistiek is dubbele zelfbevestiging. Als mijn naam niet onder dat stukje stond, zou het al een totaal andere zaak worden.

»Tegelijk dompelt dat stukje je in een voortdurende staat van lichte paniek. Omdat je weet: wat gedrukt staat, is onherstelbaar. Ik leerde Hugo Claus kennen, er ontstond iets als vriendschap, en we gingen maandelijks een patrijsje eten. Wel, Hugo had die angst en die schuld níét. Die zei, bijna triomfantelijk: ‘Op mijn levenswijze is geen commentaar mogelijk.’ Die superioriteit, die bewonderde ik. Zo wilde ik het ooit ook zeggen. Het lef van Claus te hebben, al was het voor één dag, één minuut. Te durven zeggen: ‘Foert! De boom in met jullie commentaar!’ Maar: nee, dus.»

HUMO Wat let je om net als Claus te handelen?

Camps (almaar somberder wordend) «Omdat ik de ziel van de knecht heb. Omdat ik offergave heb. Omdat ik graag iemands schoenen poets. Dat zit er sedert mijn jeugd in gebakken. En dat krijgt niemand er meer uit. Ook geen vrouw. Het gevoel van: is het wel goed genoeg? Ik heb nog geen enkel stukje naar de eindredactie gebracht, bij Elsevier en bij De Morgen, zonder die angst. Als er dan niet onmiddellijk gereageerd werd, was ik die avond diep ongelukkig. Bij Elsevier kreeg ik dat schouderklopje vaak: ‘Met plezier gelezen, Hugo.’ Een sociale fatsoensregel, eigenlijk. Belgische media zijn zuiniger in de aanmoediging.»

HUMO Als je zo hongert naar het schouderklopje, ben je weerloos in de handen van een manipulerende chef.

Camps «Ik hunker ernaar als naar heroïne. Kijk, jij hebt een offensief zelfbeeld. Maar ik... ik heb een defensief zelfbeeld. Altijd al het gevoel gehad dat ik mij hoorde te verdedigen. Miserabel. Onderdanig... aan alles. Een gevoel van nutteloosheid. En verslaafd aan de deadline: ik kan niet met vakantie zonder een deadline. Anders lukt het schrijven me niet. »Dik vier jaar terug zei mijn dokter: ‘Hugo, jij kan niet mee naar de Olympische Spelen in China. ’t Zou je slopen.’ Afgelopen. Malaise. Kwaaltje hier, kwaaltje daar. Ik ben toen door de hel gegaan. Eén: ik voelde het verraad aan mijn plicht. Want ik had voor Elsevier zés van die Olympische Spelen gedaan. Twee: ik voelde me uitgeschakeld. Drie: ik werd opstandig: ‘Als het echt zo zit, als ik er niet meer bij mag horen, dan maar gauw dood.’ Een Hugo Clausdrankje? Gráág. Als er iemand wil helpen: wees welkom.

»Na dat vonnis ben ik als een bezetene beginnen te werken: een brievenboek, aan alle dames en heren van belang die ik op mijn levenspad heb ontmoet. Grote brievenschrijvers heb ik altijd bewonderd. Er zit een brief bij aan mijn dochter, aan mijn moeder, aan Karel Van Miert, aan Willy Brandt (voormalig socialistisch bondskanselier, red.). In die brieven bied ik excuses aan, deel ik mijn geluk, uit ik mijn bewondering. Bij Willy Brandt, met wie ik ooit mocht lunchen, kwam toen... een Mont Blanc van ethiek, van savoirvivre, van engagement over mij.»

HUMO Maar we hadden het over je vonnis: nooit meer Olympische Spelen.

Camps «Ik wankelde. Maar ik bleef rechtop. En: ik wilde niet het ziekenhuis in als ik niet de zekerheid kreeg dat ik vóór zes uur mijn stukje kon schrijven.

»Dat stukje is mijn laatste houvast. Als ze mij m’n stukje afnemen, wordt het ’t gekkenhuis, vrees ik. Dan hoeft niks meer. Ik blijf schrijven, desnoods voor het parochieblad. En hier komt mijn les: taal is voor mijn soort mensen de toegang tot de wereld en tot onszelf. Zonder taal zijn we niks. Zonder taal hebben we zelfs geen toegang tot de liefde. Je kunt je toch niet voorstellen dat je de hele avond zonder één woord tegenover elkaar zit, en vervolgens naar bed trekt om er over te gaan tot wat dom gehobbel? Taal is onze brandstof.»

HUMO Jij gaat meestal voluit voor de vorm.

Camps «Ja, omdat ik geen andere keuze heb. Als je op pagina één van een krant staat, is het natuurlijk je verdomde plicht toch enigszins rekening te houden met de actualiteit. Maar ondertussen besef ik goed: het actuele, dat is vandaag totale leegstand. Pure cosmetica. Hoe kan ik me inhoudelijk verzoenen met iemand die nooit gehoord heeft van het Charter van Quaregnon, maar die wél bezig is met dieetboeken, televisiespelletjes en nieuwe pakken in krijtstreep? Sorry, maar ik kan daar geen enkele inhoudelijke reactie op plaatsen. Nee, dán kies ik voor de vorm.

»Kijk, als schrijver sta je op de schouders van de geschiedenis. Ik hoor nooit nog een politicus over beschaving praten. Nooit heeft iemand het nog over een ethisch reveil. Over pure inhoud. In dit lieve, fantastische kloteland heerst geen enkel gevoel van dankbaarheid voor zij die ons voor zijn gegaan en onze standaard van leven en denken hebben mogelijk gemaakt. Het hele kapitaal van kunst, van hoffelijkheid, van savoirvivre wordt verloederd door reclamejongetjes, campagneleiders, dieetgoeroes en spelletjespresentatoren. Dat is... de pure oplichterij. En ze maakt mij misselijk. Ze maakt me totaal afkerig om nog inhoudelijk over politiek te schrijven. Bis zum Kotzen ben ik. Zum Tode betrübt. Mensen die gelijk willen hebben, zijn per definitie verdacht. Zoals mensen die nooit weemoed en verdriet hebben gekend, onbetrouwbaar zijn.»

HUMO Ik begrijp plotseling veel beter je afhankelijkheid van het stukje. Want daar kun je al die opgekropte rancune en weltschmerz in kwijt.

Camps «Ach, zelfs de slager om de hoek lijdt aan die weltschmerz. Onderschat de slager om de hoek vooral niet: als hij onlangs de demarrage van Philippe Gilbert op de Cauberg heeft gezien, tijdens de finale van het wereldkampioenschap op de weg, dan stond hij achter zijn gehaktmolen eigenlijk te huilen. Dat hij dacht: ‘Had ik dat ook maar ’ns mogen doen.’ Die weltschmerz is er overal. Maar ze wordt onderdrukt en verdoezeld door een soort dom kapitalisme, door een dom parvenugedrag. Door de onnozelheid en het besef dat je nu het hele jaar door aardbeien kunt eten, asperges kunt eten, wild kunt eten. Het verlangen is uitgeschakeld. De verwondering is uitgeschakeld. Dát verdoezelt de weltschmerz, meneer! De jonkies willen alles, en ze willen het nú. En ze beseffen niet dat ze, belazerd en verneukt, met lege handen achterblijven.»

HUMO Gaat de wereld naar de kloten? Of worden wij simpelweg oud?

Camps «Het laatste. Hier in Duinbergen zie je nog wel ’ns een oude mevrouw en een oude meneer arm in arm langs de dijk lopen, dicht tegen elkaar aan. En één enkele keer zie je zo’n oude meneer uit z’n auto stappen om naar de andere kant te lopen en het portier voor die oude mevrouw open te maken. Hoffelijkheid. Zie je verder nérgens meer. De jonkies vinden dat muf.»

HUMO Maak jij het portier van je auto nog open voor je dame?

Camps «Ik vertik het om dat níét te doen. Het is opvoeding. Maar: ’t vergaat, ’t vervliegt. Samen met ons. En de wereld? Die gaat helemaal niet naar de kloten. Die draait rustig door. Naarmate je ouder wordt komt de wereld almaar verderaf te staan. We sloffen van het bed naar de bank. En van de bank naar het bed. Jacques Brel heeft er een weergaloos lied over gemaakt: ‘Les vieux’. Hun hele leven hebben ze gewerkt, en nu trekken ze zich terug, in hun eigen intieme interieur. Alleen daar is er nog plaats voor hun emoties. Tot doodslag toe. Moeheid. Ergernis aan alles en nog wat. Ergernis aan het snurken van de andere.»

UREN VERKLOOT

HUMO Stel dat het paar hier aan het tafeltje naast het onze gaat ruziemaken. En dat die man z’n vrouw hard in het gezicht begint te slaan. Kom je dan tussen?

Camps «Nee. Dan roep ik de ober.»

HUMO Hij slaat haar tot moes en jij roept de ober?

Camps «Nou... als hij haar echt tot moes slaat? Ja, dan kom ik tussenbeide. Maar niet eerder. Het moet de moeite waard zijn.»

HUMO Wat is dat toch, met die lafheid van jou? In deze klotewereld moet je net moed tonen: per ardua ad astra!

Camps «Moed is de achterkant van lafheid. Moed is: jezelf zichtbaar maken. Terwijl mijn diepste verlangen net is: mijn eigen onzichtbaarheid creëren. Precies omdat je weet hoe kwetsbaar je bent, hoe onvolmaakt. ’s Nachts, in je bedje, ontstaat het gevoel: ik heb met al mijn moed boven mijn stand geleefd. Hugo Claus had het vaak over lafheid. Maar bij hem was dat pure koketterie: hij is niet één dag laf geweest, niet in de liefde, niet in het werk, niet in z’n zelfgekozen einde.

»Er is een beter voorbeeld van mijn lafheid: ik kan niet nee zeggen. Ik kan niet zeggen: ‘Donder op!’ Als ik denk aan alle uren in mijn leven die ik verkloot heb door social talk met mensen van wie ik dacht: ‘Val dood.’ Omdat je niet tegen het gezeik kunt. Dat je niet in de oppositie durft te gaan. Járen van mijn leven heb ik zo verloren. Je hoort te roepen: ‘Lazer op, klootzak.’ Maar nee, je onderging het. Alweer: de ziel van de knecht...»

HUMO Vandaar je buitenmaatse bewondering voor de krachttoer van Gilbert, en voor de exploten van Rik Van Looy, indertijd. Deze heren smeken niet om gunsten, zij geselen ruggen.

Camps «Die zijn nooit knecht geweest. Die hebben nooit schoenen gepoetst. Een jaar geleden mocht ik nog ’ns op bezoek bij Rik Van Looy en zijn Nini. De blonde keizerin. Ik werd op slag verliefd, als een kind. Nooit heb ik Van Looy verraden. Nooit heb ik ’m ingeruild voor Merckx. Nooit voor Freddy Maertens. Eén enkele keer wel, voor Luis Ocaña, de vleesgeworden tragiek op de fiets – de hand aan zichzelf geslagen, later. Ook dát nog. Eén van de mooiste mensen die ik in mijn leven heb ontmoet. De enige die Merckx echt heeft doen lijden.»

HUMO Maar terug naar Rik Van Looy en zijn Nini.

Camps «Ik was zenuwachtig, lieve vriend. Ik... bééfde van bewondering. Zat hij daar met zijn afgetrainde lichaam, ver over de zeventig. Niet dat wanstaltige buikje van mij. Nee: een krijger, nog altijd. En zij, Nini, met haar geblondeerde kapsel en haar gestifte lippen – keizerlijke schoonheid, meneer. Ik heb er twee uur van mijn leven doorgebracht. Twee uur die ik nooit meer zal vergeten. Twee uur voor honderd procent knecht wezend. Mijn keuze! Hij is nog altijd mijn Keizer. Hij is mijn kopman. Ik moet wáter voor hem halen. Hem eer bewijzen en bewonderen.»

HUMO Voor Guy Verhofstadt en Karel Van Miert heb je je zo mogelijk nog méér in het stof gewenteld.

Camps «Nee, dat was gelóóf. Ik geloofde in Verhofstadt. Maar ik heb ook een column geschreven waarin ik hem min of meer de mantel heb uitgeveegd. Geloof dus, en trots – toen hij premier was. Trots ook wanneer hij in het Europees Parlement van leer trekt tegen het nationalisme. Terwijl de rest van de Belgische politici zich tot brakens toe laaft aan BrusselHalleVilvoorde. Ik heb geen land meer, denk ik dan.

»Van Miert bewonderde ik omdat ik meende, hoopte, dat hij één van de weinige integere politici was. Tu quoque, fili mi

HUMO Goede Hugo, ga het toch niet altijd bij anderen zoeken. Ware grootheid hoort uit jezelf te komen. Iedere knecht loopt over van zelfverachting.

Camps «Jawel. Tuurlijk. So what? In wezen is de knecht superieur. Hij heeft afstand genomen van persoonlijke glorie. Maar ondertussen heeft hij uitgerekend wat zijn kleine capaciteiten hem aan maatschappelijk comfort opleveren. De knecht wil resultaat, wil lekker eten, lekker humpen en vervolgens lekker knorren. Terwijl de heer, die wil de glorie. De knecht is... moreel superieur, vaak. Ondergeschikt, onderdanig. En: slúw. Ook in het interview: je veracht je vak, maar precies die verachting maakt je superieur aan je interviewee.

»Akkoord, de knecht die bij de boer in de stal slaapt, daar is geen grootsheid aan te bedenken. Maar vandaag zijn knechten zoals ik de enige echt onafhankelijken van het hele kapitalistische systeem. Knechten begrenzen hun risico. Zij doen het werk op hun manier. Ze buigen en ze knikken. En in zichzelf denken ze: ‘Krijg de klere. Bekijk het maar.’ De knecht heeft vaak meer tijd dan de baas. Wie zijn de nieuwe kapitalisten? Dat zijn de mensen die zeggenschap hebben over hun eigen tijd. Edgard ‘Labie’ Sorgeloos reed zich indertijd de kloten van z’n lijf in de Tour. Maar híj sliep rustig. Terwijl Van Looy, die lag in zijn bedje te daveren van het plannen maken, analyseren, strijdlust opbouwen. Vansummeren. Leukemans. Kevin De Weert. Dat zijn de slimme jongens. Die weten: ik haal het net niet, maar als ik het handig aan boord leg, zorgt mijn kopman er wel voor dat ik op het einde van de rit ook mijn villa en mijn blonde stoot krijg. Joseph Bruyère! Jos Huysmans! De betreurde Vic Van Schil! Allen hadden ze de ziel van de knecht. Ward Sels!»

ALLES MOET OP

HUMO Als journalist word je niet rijk, hoe hard je ook werkt. En jij werkt hard: iedere dag dat stukje, op maandagochtend nog een extra sportcolumn. En daarbovenop nog ’ns je interviews, voor Elsevier én voor De Morgen.

Camps «Dat is mijn manier om te overleven. Ik heb geen geld. Geen aandelen, geen kasbons, helemaal niets. Mijn hele leven werd ik gesalarieerd. Met een harde alimentatieplicht – nu gelukkig niet meer. Ik heb niet eens een huis van mezelf, ik moet huren. Een klein beetje spaarcenten, ja. Maar ik kan er niet eens een Ferrari van kopen.

»Geld moet rollen. Ik heb een geweldige hekel aan gierige mensen. Schijtziek word ik ervan. Ik ben gelukkig getrouwd met Martine, we gaan een paar keer per week een hapje eten, op restaurant. We gaan ’ns naar Juan les Pins, wat geld kost als je in het Hôtel Le Lys gaat slapen. Wij leven ongeveer alles op wat binnenkomt. Op mijn vijfenzestigste dacht ik: ‘Nu wil ik mezelf ’ns lekker verwennen.’ Toen heb ik een Volkswagen Touareg gekocht.»

HUMO Een auto om mee door de Sahara te scheuren.

Camps «Precies daarom: in België is er geen Sahara. Dat gevoel. De jongensachtige geneugten, jawel.»

HUMO Ben je niet bang om oud en sukkelachtig en zonder centen te eindigen?

Camps «Nee, want ik heb een behoorlijk pensioen. Máár: ik kan er niet van leven. Dus: als het leven niet meer mag worden gevierd met een paar buitenissige capriolen, dan weet ik niet of het nog wel echt hoeft. Dan maar zo’n Hugo Clausdrankje. Punt.»

HUMO Waarvoor moed nodig is. En die heb je, laf zijnde, níét.

Camps «Ik ga ervan uit dat Martine me dan zal helpen.»

HUMO Stel dat je bedankt wordt. Met een gouden horloge toe, of, godbetert, een elektrische fiets.

Camps «Dan mag langzamerhand het grote sterven komen. Ik lees nu zeven kranten; ik kan me onmogelijk voorstellen dat ik er ooit maar één lezen zal. Net zoals ik me onmogelijk kan voorstellen dat ik níét dat eerste patrijsje van het seizoen zal eten, samen met Martine – heb ik mijn hele leven gedaan. Dat ik níét de eerste hopscheuten eet – ook mijn hele leven gedaan. Samen met Hugo, trouwens. Ik wil niet de laatste geneugten van het leven opgeven. Wij mensen hebben voor op de regenslak dat we de rug kunnen rechten. Dat we onze haren kunnen kammen. Dat we zelf ons menu kunnen samenstellen. Wel, stél dan een fatsoenlijk menu samen. (Stemverheffing) Dáár gaat het over. Dát is mijn les. En gooi de rotzooi buiten. Zelfrespect. Kwaliteit. Lees, of herlees Robert Pirsig: ‘Zen and the Art of Motorcycle Maintenance’. Streef altijd naar het beste. Doe als ik en rij naar Juan les Pins. Of ga in het Ritz slapen.

»Ik heb heimwee naar die tijd. Zoals ik heimwee heb naar James Dean. Omdat hij de roekeloosheid bezat om dat leven te leiden. Was ik maar zoals hij. (In zichzelf) Wat is het dat ik mis? Ik ben klein, zie er niet uit, met mijn herfstige kop. Maar is dat de oorzaak? Ik denk: het komt door te veel inzicht. En te veel inzicht geeft te veel verdriet.»

HUMO Wie niet meer in Sinterklaas gelooft, vindt de volgende ochtend niets meer in zijn schoentje.

Camps «Zo is dat. Wie het leven begrijpt, in al zijn finesses, schiet zich het best van al meteen een kogel door z’n kop. Basta!»

HUMO Laten we afsluiten op een weemoedige noot. Ik herinner me een legendarisch interview van jou met Brigitte Bardot. Die zag jou toen wel zitten, las ik tussen de regels. Zij was toevallig ook míjn natte jongensdroom.

Camps «Ik heb alle sterfelijkheid om me heen gezien. Dacht ik toch. Tot ik háár zag, in haar domein. Die lippen. Die mond. Ze komt me in haar R4’tje ophalen, aan mijn hotel. En ’s avonds sta ik met haar in de soep te roeren in haar keuken. Het privilege dat toen over mij viel. Nooit eerder meegemaakt. En vervolgens diende ik enkele druppels water bij haar wijn te voegen, want zo wou ze ’m het liefst. Een scheutje water, in het glas van Brigitte Bardot! Dat zij dan drinkt! De illusoire verbondenheid die uit dat gebaar spreekt. En ja, dan zie je ook wel die hals, dat aardappelveld dat door te veel zon is verminkt. Maar de mond blijft. Het lichaam blijft. En dan aanhoor je dat trieste verhaal: ‘Na mijn vierde zelfmoordpoging liep mijn zoon naar de notaris en hij vroeg het testament op, terwijl ik in het ziekenhuis lag.’»

HUMO Waarom heb je toen je arm niet om haar gelegd?

Camps «Heb ik gedaan. En ze stond die arm toe. We hebben samen, maar in een apart bed, een siesta gehouden. Ze kwam een kusje op mijn peluw drukken – mijn dag was goed, mijn jaar was goed, mijn leven was gered. Ik heb haar niet naakt gezien. Dat kusje was me genoeg.»

HUMO Waarom ben je niet verder gegaan? Een vrouw die je peluw kust, kust je ziel.

Camps (met vochtige ogen) «Ik was... te laf. Ik durfde niet. Schuld en spijt – levenslang. Enkele maanden later, het was ondertussen februari geworden, vertoefde ik in een Grieks dorpje met alleen maar analfabeten, om er een reportage voor Elsevier over te schrijven. De veertiende ’s avonds belde ik naar mijn antwoordapparaat, om binnengelopen berichten te beluisteren. Eerste bericht: Brigitte. Ik heb het bandje bewaard. Ze zei woordelijk: ‘Het is vandaag Valentijnsdag. Ik heb niemand gehoord. Dus dacht ik: ik bel jou even. Kus. Brigitte.’»

HUMO Dan hoor je in je auto te stappen en in één ruk naar haar toe te rijden, mijn vriend.

Camps «Wat voor een klootzak ben ik geweest. Ik deed... niets. Op Valentijn – Válentijn! – denkt – Brigitte – aan – mij! En ik ga over tot de orde van de dag. Dat is het opportunisme van de interviewer: de liefde is over vanaf het ogenblik dat de recorder wordt afgezet. Ik zei het al: schuld en spijt. Het heeft te maken met een intensiteit die beter niet meer herhaald wordt, later. Het is: éénmalig. Wij delen samen het voyeurisme, goede vriend. Wij, interviewers, zoeken de hitte van de mens voor een uur of twee. En vervolgens trekken we ons terug in ons eigen Siberië. Dan zijn we weer de knechten die we waren.»

HUMO De betere hoeren, jawel. A propos: betaal jij of betaal ik? Garçon!

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234