Bob MarleyBeeld Getty Images

Humo sprak metBob Marley

‘Ik ben te week om een held te zijn. Te gevoelig waarschijnlijk’

Vandaag zou reggaelegende Bob Marley 75 jaar geworden zijn. Hij overleed op 11 mei 1981 aan de gevolgen van kanker. In 1980 sprak Humo-journalist Marc Didden met de legendarische muzikant.

(Verschenen in Humo 2076 op 19 juni 1980)

'Piep-piep-piep-piep' zegt de metaaldetektor van de veiligheidskontroleurs op de luchthaven van Miami, Fla. en tegelijkertijd richten vier paar beschuldigende ogen zich op de bange body van uw dienaar. 'Welk soort wapen zit er in dit pak?' vraagt een geüniformeerde Cubaanse immigrante mij, 'en weet u dat er in Jamaica levenslang staat op verboden wapendracht?'

Nee, dat wist ik niet, wat ook alweer geen drama is, want ik heb dus geen wapen bij me. Het piepende pak bevat niks anders dan een handrem voor een Ford Transit, en een bijbehorende kabel. 'Of ik die even uit Londen kon meebrengen?' stond op het telegram dat tegelijk bevestigde dat mijn aanvraag om reggae's enige superster, Bob Marley, bij hem thuis te interviewen gehonoreerd werd.

Handremmen zijn niet het enige goed dat niet of nauwelijks te krijgen is op de armtierige Jamaicaanse markt. Het vliegtuigje van Air Jamaica dat ons in vijf kwartier van de USA naar de luchthaven van Kingston brengt zit vol lijvige dames die allemaal in één hand gigantische trommels waspoeder dragen, en in de andere een bruin-papieren zak waar kilo's rijst, pampers en bruine zeep en keukenrollen uitpuilen.

'Fijn gewinkeld, mevrouw?' vraag ik aan mijn gebuur en diep zuchtend onderhoudt ze me een halfuur lang over alles wat op Jamaica niet te krijgen is. De schuld van dat alles ligt natuurlijk bij die dommeriken van socialisten die het land besturen en maar niet beseffen dat alle heil voor Jamaica alleen van Amerika kan komen.

'Maar nee', zegt ze boos, 'ze heulen mee met Rusland. Nu, die doen ook niks voor niks. Dus straks is het hier een tweede Afghanistan. En waar staan we dan? Dan hebben we misschien eten; en waspoeder, maar geen vrijheid meer.'

Tegen zoveel gezond verstand heb ik geen verhaal. En trouwens, het 'Fasten Your Seatbelt'-signaal floept aan en, ja hoor, daar onder mij ligt de baai van Kingston. Helemaal in de verte woedt een felle brand. De opslaande rook maakt hoog in de lucht een driehoekige tekening. Net België, denk ik.

De Norman W. Manley-luchthaven van Kingston heeft iets van het station Kontich-Kazernen. Mijn één stuk bagage rolt gauw van de lopende band. De paspoortkontrole verloopt al even vlot. Toeristen zijn graaggeziene gasten in dit land, want ongeveer de enigen die wat harde munt achterlaten. Valerie Cowan, het meisje dat mij hier tegemoet zou komen om mijn gids te zijn is niet present. Radeloos kijk ik om me heen en op nog geen twee meter van mij staat het voorwerp van mijn bezoek: Bob Marley.

Marley, dat bleek later, zat helemaal achterin het vliegtuig dat mij net uit Miami gebracht had. Hij was er, net als andere landgenoten die het zich kunnen veroorloven, zijn maandelijkse inkopen gaan doen. Een tuner-versterker, een driewieler, wat waspoeder. Hij stelt me meteen gerust door te bevestigen dat hij van mijn komst weet en dat er in de komende dagen tijd vrij gemaakt zal worden voor meer dan één gesprek. 'En of ik die handrem bij me heb?'

Hij wil 'm meteen, omdat ik anders last zal hebben bij de douane. Nu heeft hij last. 'Ze hebben de pest aan rasta's', fluistert Marley mij toe terwijl de zwarte douanebeambte hem verplicht zijn tuner-versterker, zijn driewieler, zijn handrem uit te pakken. Er moeten hoge invoerrechten betaald worden op vrijwel alles wat Marley bij zich heeft. Een tweede douanebeambte fluistert zijn collega iets in het oor terwijl hij schichtig in de richting van Bob wijst, de collega heeft een hoogst persoonlijk voorstel tot minnelijke schikking.

Marley geeft hem een fors bankbiljet en mag zijn winkel op een bagagetrolley leggen. 'Dit is altijd het kwaadste moment', lacht Marley terwijl we de uitgang zoeken. 'Ze hebben hun fierheid. Ze doen of ze onomkoopbaar zijn. Maar ze worden gewoon te slecht betaald om eerlijk te kunnen zijn.' Een automatische deur schuift voor ons open. We staan in de nacht van Kingston, 45° Celsius, schat ik met de natte vinger.

Het oude Rome binnenwandelen aan de arm van Julius Caesar. Achterop de fiets van Ayatollah Khomeiny door de straten van Teheran paraderen, één dag na het vertrek van de Sjah. Dat onwezenlijke gevoel heb ik een beetje wanneer ik in een luchthartig gesprek met Bob Marley gewikkeld mijn eerste stappen in Kingston zet.

Op de parking voor het luchthavengebouw staan tenminste twee-, driehonderd mensen samengedrukt achter een nadarafsluiting en allemaal roepen ze 'Welcome home, Bob', of 'The King Is Back', of gewoon maar 'Hey, Mon', of zoals die oude dronkaard die over de omheining geraakt is, helemaal niets. Die houdt gewoon zijn hand uit en Bob Marley legt er 10 dollar in.

Een teken voor de anderen om ook tot de aktie over te gaan, want heel snel zijn wij omsingeld door grijpgrage handen van mensen die praktisch genoeg ingesteld zijn om precies die bedragen te vragen die ze verwachten. Dat gaat van het heel schuchtere 'A Dollar, Please', geopperd door een halfnaakte vijfjarige, tot het kordate 'Fifty' van iemand die duidelijk een dure druggewoonte gaande moet houden.

Als een wilde weldoener, en zonder ooit iets anders te zeggen dan een zagerig 'Yeah, Mon' deelt Bob Marley, netjes uit een daartoe duidelijk klaargehouden briefomslag plukkend, om en bij de 500 dollar uit. Wanneer de enveloppe leeg is, verdwijnen ook de fans. Er staan nog drie potige twintigers om ons heen en één ervan wijst naar mij: 'Waar moet die naartoe?'

Ik zeg de naam van mijn hotel en vraag aan Bob hoe ik daar het snelst kom. 'Dat zal ik je tonen', zegt hij, en hij fluit, luid, op zijn twee vingers. Uit de volstrekte duisternis komt, in achteruit en zonder lichten, een sterk gehavende Ford Capri aangestormd. Marley geeft de twintigers met zijn ogen een bevel. Ze laden zijn en mijn bagage in de kofferruimte. Ik moet achterin instappen. Marley neemt naast mij plaats en zegt tegen de chauffeur, Lewis, dat 'This mon is a good mon', wat dus over mij ging.

In nog net verstaanbaar patois wordt mijn anekdote over de veiligheidscontrole in Miami twee, driemaal verteld. De twee lachen erom als kinderen. We rijden voorbij een hel verlicht, roodgeschilderd, met prikkeldraad en uitkijktoren afgezoomd bouwwerk dat mij angst inboezemt. 'Dat is ook de bedoeling', zegt Marley op de toon van een reisgids die voor de tweehonderdste keer uitlegt hoe hoog de Eiffeltoren is. 'De Premier heeft dat ding daar laten zetten om iedereen af te schrikken die graag met wapens zwaait.

Als je gepakt wordt wegens verboden wapendracht, hier in Jamaica, vlieg je daarin. 'Gun Court', akelig misschien, maar misschien niet eens zo'n slecht idee. Want de 'Gun Men' maken dit eiland wel onveilig.'

De chauffeur corrigeert: 'Het is wel eng als ze je vergeten daarbinnen. Ik ken mensen die er al zes jaar inzitten, zonder vorm van proces. Ik ben eens gaan horen wat er met hen gebeurd was. 'We hebben hun steekkaart verloren' zeiden ze toen. Pech!'

Lewis scheurt met zijn Capri langs mensen en dieren, op de onverlichte, hobbelige straten die ons nu het kokende centrum van Kingston binnenvoeren. Hij rijdt tenminste 30 mijl boven de toegelaten 50 mijl per uur. Hij leest de angst van mijn gezicht. 'Ik rij al 17 jaar met deze kist', zegt hij, 'en ik heb nog nooit een ongeval gehad.' Hoe de tweeduizend blutsen dan in die wagen gekomen zijn, en waarom er twee gaten van 40 cm doorsnee in het dak zitten, durf ik niet vragen.

Wanneer we bijna bij mijn hotel zijn vraagt Marley of ik haast heb. Nee, natuurlijk niet. 'Laat die man dan eens wat zien, Lewis, zodat hij iets voelt van de vibrations hier, voor hij gaat slapen' luidt het bevel, en algauw rijden we door downtown Kingston, langs de Marcus Garvey Drive met aan de ene kant niets dan de blauwe zee, en aan de andere kant niets dan de grauwe ellende van de getto's. waarvan Trench Town wel het bekendste, maar jammer genoeg niet het enige is.

We rijden voorbij First Street en Bon zwijgt. Daar, in Government Yard, stond het uit sinaasappelkisten opgetrokken krot waar Marley bijna dertig jaar geleden geboren werd als zoon van een inlandse arbeidersvrouw en een sedert lang naar Londen teruggekeerde Britse legerofficier. Lewis dropt mij bij mijn hotel en Marley vraagt of ik 's anderendaags om 10 uur bij hem thuis wil komen.

Het is negen uur en ik word wakkergebeld door de Valérie uit het vorige hoofdstuk. Ze is very sorry dat ze te laat was op de luchthaven, gisteren, maar ze heeft gehoord dat ik Bob al ontmoet heb en of het goed is dat ze me nu komt halen. Onderweg naar Hope Road, waar Bob Marley tegenwoordig boven en achter zijn 'Tuff Gong'-studio's woont, vertelt ze me dat Bob eigenlijk niets meer haat dan interviews geven.

'Je zal er mogen rondhangen', zegt ze waarschuwend, 'drie dagen lang als je wil. Je mag er eten, roken, slapen, alles wat je wil, maar ik kan je niet verzekeren dat Bob op een stoel zal gaan zitten om tegen je te praten zoals ik dat nu doe.' Nu, dat zal wel meevallen, denk ik, tenslotte heb ik Marley al twee keer geïnterviewd en behalve dat hij de tweede keer in slaap is gevallen was er geen vuiltje aan de lucht. Een meterslange banier met daarop 'Survival', en een inrijpoort, waarop twee gigantische 'Lions of Judah' prijken, verraden dat 56 Hope Road tegelijk ook huize Marley is.

De oprit van het huis wordt versperd door een gigantisch gebocheld koebeest, maar enig geduld brengt ons toch op de binnenkoer waar de Wailers tegen andere Wailers voetbal spelen. Bob is er niet bij. Bob slaapt, zegt een vriendelijke receptioniste die dan maar voorstelt dat we haar interviewen, want ze heeft ook een plaatje gemaakt, met de groep Light of Love. We krijgen het singeltje. Het klinkt aardig.

Wanneer we nog drie keer aangepakt worden door technici, loopjongens en poetsvrouwen die allemaal een plaatje gemaakt blijken te hebben verdwijnen we de tuin in, om naar het voetbal te kijken. Of we meedoen? Nee, bedankt. Tégen voetbal? Nee, gewoon te lui. Ik verhef een omgekeerde bierbak tot tribune en dood de tijd door uit te maken wie van de spelers nu eigenlijk Aston 'Family' Barrett is, wie Junior Marvin en wie Alvin Patterson.

Ik hoor een onderdrukt 'Hey, Mon', kijk omhoog en zie Marley in sporttenue in een open raam staan, één hoog boven de studio. 'Het is tijd om te spreken', zegt hij. Nu. Ik word door 'Light of Love' naar een geheim deurtje geleid waar de tram vertrekt naar Marley's Heilige der Heiligen. Een ruim, smaakvol maar sober appartement, met overal gigantische planten, enorme ventilators en aan de muur, hier en daar, een gouden plaat. Marley besteedt eerst een ruim kwartier aan het luidop voorlezen van wat hem die dag aan fan-mail bereikte.

Hij schudt het hoofd wanneer hij een brief en een polaroidfoto bekijkt van een Amerikaanse high-schoolstudent die beweert bekeerd te zijn tot het Rastafari-geloof. 'Dat kan dus niet, hé', zegt hij terwijl de brief in een kartonnen doos verdwijnt. Marley staat op en komt terug met twee kroezen thee. Hij leunt achterover in zijn stoel. 'Stel vragen', zegt hij streng, en dan lachend: 'Misschien heb ik straks geen zin meer.'

HUMO Twee jaar geleden had ik, in Londen, een heel gek gesprek met jou. Historisch zelfs, omdat je bij het eind van het onderhoud in slaap bleek te liggen. Je vertelde toen onderandere dat één van je dierbaarste wensen was ooit eens in Afrika op te treden. Onlangs is dat gebeurd, op de bevrijdingsfeesten van Zimbabwe. Een meevaller?

Bob Marley «Natuurlijk. Dat was een droom die waarheid werd, en voor één keer was de waarheid mooier dan de droom. Ik voelde me als het ware herboren worden, daar op dat podium in Zimbabwe, voor al die brethren die al zolang geen vrijheid, geen voedsel en geen muziek gesmaakt hadden. Ik voelde daar voor het eerst sedert lang dat wat ik doe, liedjes zingen voor mensen, echt het mooiste beroep is dat op deze wereld bestaat. Als je het een beroep kan noemen, natuurlijk, want ik zie het eigenlijk meer als een opdracht.

»Ik voel me uitverkoren om dat te doen wat ik doe. Ik heb daar zelf nog nauwelijks beslissingsrecht over. Ik doe dit omdat het in de sterren geschreven staat dat ik dit moet doen. Maar daar in Zimbabwe dus, waar je vanop het podium kon zien hoeveel hoop er op de mensen hun gezicht stond te lezen, daar voelde ik iets wat niet in woorden te vatten is. Ik kreeg daar niet alleen applaus, maar ook echte vriendschap van de mensen. Voor het concert, tijdens het concert en vooral erna.

»De mensen zagen me niet als een ster maar als iemand het goed met heb voorhad. Iemand die hen kwam zeggen dat ze niet alleen waren. Normaal ben ik nogal in mezelf gekeerd, maar daar kon ik niet anders dan me tussen de mensen mengen. De mensen behandelden me niet als Bob Marley, maar als iemand die Bob heet en liedjes zingt. Ik was trouwens zeer verbaasd dat de mensen daar die géén radio hebben, géén platendraaier ook, toch sommige van mijn liedjes kenden en meezongen. Ik werd daar als een vriend, nee als een broer ontvangen, en overal vroegen ze me of ik niet daar bleef wonen.»

HUMO Wat te begrijpen is, want tenslotte ben jij de grote voortrekker van de Rastabeweging, die onder andere als programmapunt de terugkeer naar Afrika heeft. Heb je geen zin om die theorie in praktijk om te zetten? Ben je nog niet teveel verwesterd voor Afrika?

Bob Marley «Daar gaat het helemaal niet om. Zoals je met je eigen kan zien is er niets Westers aan hoe ik hier leef. Ik leef hier tussen mijn broeders - ik eet fruit, ik rook wat - en dat zou ik ginder ook doen. Twee jaar geleden zou ik op je vraag onmiddellijk gezegd hebben dat het onvoorwaardelijk zo is dat elke zwarte moet trachten terug naar Afrika te gaan, want daar liggen zijn wortels. We moeten geen tweederangsburgers zijn in blank gebied, maar eersterangsburgers in zwart gebied.

»Dat geloof ik nog steeds maar ik zie de dingen nu wel minder strikt. Ik weet dat er mensen zijn die om praktische redenen hun leven in Europa of Amerika niet kunnen achterlaten. Ze hebben zich, al dan niet met hun zin, verzoend met het leven in die werelddelen en ze zouden in Afrika wellicht verloren lopen. Maar zij die willen, zij die de drang voelen naar Afrika te gaan moeten daarin gesteund worden. En daar draag ik mijn steen toe bij.

»Zelf heb ik nu voor Jamaica gekozen, omdat ik hier wellicht beter werk kan verrichten dan elders. Het heeft geen belang waar ik woon, want ik trek toch altijd rond. Ik ben zanger, ik zing woorden die iets willen zeggen, en mijn enige bedoeling is bij te dragen tot het bewustzijnsproces van de zwarte. Van waaruit ik dat doe heeft geen belang. Ik wil bewijzen dat een zwarte iets kan bereiken in deze wereld.

»Ik wil mijn rasgenoten van hun minderwaardigheidskomplexen afhelpen. De zwarte cultuur zal pas echt uitbreken als de zwarte mens vrij is. Vrij is om zich te bewegen, vrij om zich te ontwikkelen. Pas als de zwarte kan kiezen of hij naar Zimbabwe wil, of naar Kingston, of naar New York zal hij echt vrij zijn. Vrij zijn is in de eerste plaats vrij kunnen bewegen.»

HUMO Dat spreekt vanzelf. Maar jij bent toch als eerste dat "Movement of Jah People" begonnen en je scheen vroeger toch echt te geloven dat alle heil zou komen van een verhuis naar, of all places, Ethiopië?

Bob Marley «Ja, dat was dus vroeger. Sindsdien heb ik nagedacht. Ik ben niet dogmatisch. Iedereen moet doen wat hij wil, zonder iemand anders te schaden. Ik denk wel dat het goed zou zijn als elke kleuring tenminste één keer in zijn leven in Afrika zou komen, om de grond aan te raken die hem uiteindelijk voortgebracht heeft, maar wie daarna terug wil naar zijn straat, in Haarlem of hier, mag dat. Maar dan met geheven hoofd. Niet als een paria, maar als een vrij mens, die zich wil ontplooien.

»Uit veel zwarten hebben ze de fierheid weggeslagen. Het kan hun allemaal niets meer verdommen. Ze hebben al een kruis over hun leven gezet nog voor ze twintig zijn. Dat is droevig. Uitzichtloosheid is het sleutelwoord hier. De mensen leven zonder toekomst. Zelfs het volgende uur is hier onzeker. Want het is niet omdat je gisteren een homp brood gevonden hebt dat je vandaag dat geluk zal hebben... Ik weet niet of je het beseft, maar de toestand is hier zéér ernstig.

»Als ik zing 'Them Belly Full, But We Hungry' dan is dat geen rijmelarij, maar droeve, droeve werkelijkheid. Waar ik het meest kwaad op ben zijn de Britse en Amerikaanse dagbladen. Die schilderden de zwarten maar af als een hoop wilden die niets liever doen dan mekaar uitmoorden, wilden, weetjewel, stammentwisten, en zo, terwijl ze nooit met één woord reppen over de positieve aspekten van de zwarte cultuur.

»Ik bedoel maar, onze handen staan niet allemaal scheef, wij kunnen iets: wij maken muziek, wij schrijven boeken, wij beeldhouwen, maar daar wordt in de Westerse wereld nooit over gerept. Maar voor de relletjes is er altijd wel plaats op pagina 1, drugaffaires en dergelijke.»

HUMO Reggae wordt anders aardig au sérieux genomen door de media in het Westen. Radio en pers besteden er ruimte en aandacht aan.

Bob Marley « Nuja, er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar in het algemeen weet de gemiddelde blanke toch niet dat een zwarte tot meer in staat is dan wat stepdansen of een banaan pellen. Maar zelfs die belangstelling voor reggae is vaak toch ook heel oppervlakkig. Zoals alle strijdmuziek dient ze toch in de eerste plaats om de mensen tot nadenken te stemmen. Maar ik ken mensen als ze 'Them Belly Full' horen zeggen 'Knap nummer. Vooral die bassen klinken prima'.

»Dat zo'n song over iets gaat, beseffen ze niet eens, laat staan dus waarover ie gaat! Ik heb dan ook liever dat zij die wel begrijpen waarover zo'n song gaat 5 dollar aan een ontwikkelingsproject geven dan aan een lp van mij... Natuurlijk is dat een beetje utopisch; mensen hebben evenveel behoefte aan muziek als aan brood. Maar gewoon naar Reggae luisteren, op je luie kont, zonder ooit een daad te stellen, dat heeft geen zin. Actie, daar gaat het om. Stelling kiezen. Voor de onderdrukte, tegen de onderdrukker!»

HUMO Get up, Stand Up!

Bob Marley «Zéér zeker, en nu meer dan ooit. Teveel van mijn rastavrienden leven trouwens ook een passief bestaan, zoals zovele blanken. Ze leven op een dieet van reggae en ganja, maar dat is heus niet genoeg om een leven mee te vullen, en zeker niet om een front te vormen tegen de vijand.»

HUMO Zijnde?

Bob Marley «Als je hier nog een paar dagen bent zal je weten wie de vijand is. Ik moet je geen tekeningetje maken.»

'De vijand dat is, naargelang aan welke kant je staat, ofwel de JLP, van Eddie Seaga, de Labour-Party dus, en dat zijn smeerlappen.', vertelt een toog-filosoof die ik na m'n 1e onderhoud met Marley in een bar heb leren kennen. 'Ofwel de Socialistische partij van Premier Manley. Die zijn minder erg. Dat zijn gewoon rotzakken.'

Ik lach, maar mijn 'vriend' heeft het niet alleen als boutade bedoeld. Zich stevig vasthoudend aan de vierde fles 'Red-Stripe'-bier die ik hem trakteer, in ruil voor een les geschiedenis, oppert hij dat de Ware Vijand door de twee partijen verdonkeremaand wordt. De Ware Vijand dat is de inflatie, dat is de werkloosheid, dat is de schaarste van zowat alles wat het leven aangenaam kan maken.

'Er woont nog géén miljoen mensen in Kingston,' zucht mijn leraar. 'Maar er zijn wel meer dan één kwart miljoen werklozen. En wat erger is, er bestaat niet zoiets als werklozensteun. Wie z'n job dus kwijt raakt - en dat gebeurt gauw, want er is ook nauwelijks zoiets als sociale zekerheid - is tot de bedelstaf veroordeeld. '

Er wordt dus fervent gebedeld in Kingston. De blanke bezoeker die zich te voet buiten zijn hotel waagt mag dan ook broekzakken vol nikkel en briefjes van één of vijf dollar meedragen, kwestie van niet om de vijftien meter stilgehouden te worden voor een urenlange palaver over waarom hij iets heeft en zij niets.

'Idlers' noemen de Jamaicanen hun werklozen. 'Ijdelaars' die hun tijd verdoen met het rondhangen op markten en bars, waar uit kolossale soundsystems de laatste Marley, de laatste Tosh, de laatste Burning Spear knalt. Reggae brengt soelaas, en is gratis. Ganje helpt ook, maar is al duurder. Bier is lekker, maar niet te betalen.

'Is iedereen arm in Kingston?' vraag ik en ik krijg een lakoniek 'Ja, behalve de rijken', tot antwoord. De rijken die ver van het schuim hoog in de bergen boven Kingston wonen, in kasten van villa's die zelf in Hollywood. Nog ver- en bewondering zouden wekken. 'Allemaal blanken?' vraag ik verder. 'Nee, nee, ook zwarten. Lakeien van de blanken, dat wel, die hun fortuin nog vergaard hebben onder de Engelsen. Of die nu, door getouwtrek, toch een goed plaatsje voor zichzelf vrijgemaakt hebben in de enige industrie die nog wat geld oplevert, het bauxiet.'

'Nee, dan is die Bob Marley iemand anders,' zegt mijn filosoof, zonder te weten wat de bedoeling van mijn bezoek aan het eiland is. 'Die woont tenminste tussen zijn volk. En die loopt niet te koop met zijn geld. Hij deel het gewoon uit. Hij steunt allerhande projekten. Hij zou ook in Hollywood kunnen gaan wonen als hij dat wilde, maar hij blijft hier. Een held is dat, Bob Marley, een heilige. Als hij me vroeg door een vuur te lopen, dan deed ik het. En hij houdt zich niet op de vlakte. Hij bekent tenminste kleur.'

***

HUMO Toen je de uitnodiging van Mugabe aanvaardde om in Zimbabwe te gaan zingen, was dat toen een politieke daad van jou?

Bob Marley «Dat was onder andere een politieke daad. Die invitatie aanvaarden was op zich natuurlijk al een blijk van stellingname - want als ik Mugabe niet gemogen had was ik gewoon thuisgebleven - maar ik heb me ginder dan ook weer niet voor een partijpolitieke kar laten spannen. Ik heb er voor de mensen gezongen, niet voor de politici. En ik heb er gezongen omdat ik denk dat ik liedjes zing waar iets staat dat voor die mensen daar een hart onder de riem kan zijn.»

HUMO Al heb je ook een hele resem apolitieke songs die, toevallig of niet, niet je minste zijn. Ik denk aan ' No Woman, No Cry', 'Is This Love?', 'One Love', 'Turn Your Light', 'Down Low', schaamteloze liefdesliederen allemaal.

Bob Marley «Ja, en ik hoop dat ik er zo nog veel mag schrijven. Rastaman vibrations zijn positieve vibrations, dat weet je toch, en wat is er positiever dan liefde? Ik hou van liefde, en daarom schrijf ik erover. Veel. En zelfs in mijn politieke songs probeer ik het ook over liefde te hebben. Ik ben tegen slogans. En voor liefde. En ik vind dat daarover gezongen moet worden. Voor liefde. Tegen haat.»

HUMO Haat zeg je, sedert ik hier in Kingston ben heb ik al heel wat mensen heel laatdunkend horen doen over rastas en in de luchthaven zag ik dat de douane jou ook bepaald geen voorkeursbehandeling gaf. Zijn de rastas dus, om het zacht uit te drukken, niet graag gezien?

Bob Marley «Een heleboel mensen haten ons. Vooral de blanken natuurlijk, maar ook de gearriveerde zwarten. Ze zijn bang van ons, weet je, omdat we vrij zijn. Vrijheid maakt altijd bang. Wij hebben niemand nodig - het hele shitstem kan van ons morgen in mekaar donderden - omdat wij er volledig buiten staan zullen wij er geen last van hebben. Iedereen is bang van ons omdat we ganja roken, ook, omdat we onze haren in natty dread dragen.

(Marley schudt zijn manen wild om zich heen. Een leeuw) »Iedereen is bang. Vrees niets anders dan de vrees, zeggen wij, wij zijn nooit bang, maar zij, zij wel. Waar ze nog meer bang van zijn dan van de uiterlijkheden - ganja, reggae, dreadlocks - is van de macht die wij hebben over het volk. Nu rechts en links al meer dan tier jaar haartje pluk doen zoeken de mensen een onderkomen bij een beweging die er niet op uit is ze dogma's te voeren, of ze uit te buiten, maar die ze gewoon een beetje zelfrespect wil bijbrengen.

»Kijk, wie rasta wil worden moet eigenlijk niets. Zelfs geen ganja roken, al vind ik het persoonlijk veel gezonder dan hamburgers eten van bij McDonalds. Wij willen de mensen zichzelf laten zijn. Individuen kweken, in plaats van volgzame schapen. Nu, dat wordt dus niet in dank afgenomen. Rastas zijn het voorwerp van scheldpartijen, willekeurige aanhoudingen, ze worden geweerd als ze werkwillig zijn. Waardoor ze de naam krijgen werkschuw te zijn, het zijn de paria's van de Jamaicaanse maatschappij. Nog onder de gewone neger, ja.

»Alhoewel, alhoewel... Er treedt langzaam verandering in, al weet ik niet of je dat verbetering kan noemen. Het bureau voor toerisme heeft nu op zijn folders al de kop van een rastaman staan, als trekpleister voor Jamaica. Dat moet toch ongeveer betekenen dat ze ons voor normaal aanzien. Trouwens, de radio speelt hier nu al songs van mij als 'Survival' of 'Zimbabwe'. Dat zou drie, vier jaar geleden volstrekt onmogelijk geweest zijn... Maar we zijn er nog lang niet... Dit land is nog altijd niet van ons.

»Het is in handen van mensen die het, met een beetje goeie wil, misschien goed voorhebben met ons, maar die gewoon geen middelen hebben om te regeren. Repressie is het enige wapen dat ze hier kennen. Als iets niet vlot sluit degene die het voor het zeggen heeft degene die het niet voor het zeggen heeft op. Dat daarna niets opgelost is schijnt iedereen te ontgaan. Dat alles hier nog op een Brits model geschoeid is, is nog zo'n schandaal. Wie uit het raam kijkt kan toch zien dat wat hier gebeurt niets met Engeland te maken heeft, nee...

»Ons Gerechtelijk Systeem b.v., dat is nog Victoriaans. Dat is hemeltergend. Het behartigt de belangen van wie, van vader op zoon, aan de goeie kant van de Jamaicaanse samenleving zit. Al wie een weinig afwijkt van de gangbare, Britse, normen is verdacht, en het spreekt vanzelf dat rastas - omdat ze zo herkenbaar, want zo anders zijn - de hoofdverdachten zijn telkens als er wat aan de hand is.»

HUMO Iets over muziek. Wat antwoord je de mensen die vinden dat reggae eentonig is, want dat blijkt toch de voornaamste kritiek te zijn van de niet-overtuigden?

Bob Marley «Ik antwoord daar niets op want ik wil niemand overtuigen. Als er mensen zijn die niks aan reggae vinden dan is dat maar zo. Als er zijn die zeggen dat het 'altijd hetzelfde is' dan denk ik dat ze nog nooit goed geluisterd hebben naar wat reggae eigenlijk is. Ik bedoel, wie niet het verschil hoort tussen wat ik doe en zeg maar Burning Spear, die zou een paar jaar geleden ook niet het verschil gehoord hebben tussen de Beatles en de Stones. Allebei lang haar ja, allebei in 't Engels, en allebei met elektrische gitaren, maar toch mijlenver uit mekaar nee?

» Nu, ik zal niet ontkennen dat alles wat 'reggae' heet kenmerken heeft dat je overal weer terugvindt. Maar dat gaat ook op voor folk, of voor blues, of voor jazz. Je moet reggae dus niet als een dans zien, of een stijltje, maar een heuse muzieksoort, een wereld op zich, waar je, als je er iets van wilt meedragen, echt een inspanning voor moet doen. Jezelf inwijden als je wil, altijd verder gaan, dingen ontdekken, vergelijken, een spoor volgen om misschien tot wonderlijke dingen te komen waar je nooit van gedroomd hebt.»

Bob MarleyBeeld PhotoNews

HUMO Wat vind je ervan dat zoveel blanken, na Paul Simon, Paul McCartney, Clapton en de Stones, nu ook The Police, The Clash, Serge Gainsbourg en zelfs een trien als Dalida, zich op de reggae hebben gegooid?

Bob Marley «Goud is goud en zilver is zilver en namaak zal je altijd zien... Maar verder doen ze maar. Jamaicanen zijn vriendelijke mensen. Als hier buitenlanders komen om een reggae-lp te maken dan helpen wij ze zo goed als we kunnen - met onze studio's, en onze muzikanten - maar zoals ik al zei goud is goud en zilver is zilver. Echte reggae wordt het natuurlijk nooit, wat ze hier maken. Dat blanken reggae spelen is goed voor de reggae, maar het is niet altijd goede reggae, als je begrijpt wat ik bedoel...

»Nee, er zijn erbij die helemaal o.k. zijn hoor. Jagger bijvoorbeeld, die weet waar het over gaat, dat is een witte neger. Toen die in Kingston was, was ie meteen beste maatjes met iedereen. Dat kom ook omdat de mensen hem hier met rust lieten. Ze kennen hem wel hoor, maar omdat hij zich gedroeg als één van de onzen werd hij ook als dusdanig aanvaard... Kijk, ik zeg niet dat de Jamaicanen een monopolie zouden hebben op reggaemuziek, maar ik zeg wel dat ze hem beter spelen dan gelijk wie.

»Technisch is zo'n 'I Shot The Sheriff' van Clapton misschien straffere kost dan mijn origineel, maar... goud is goud. Toch is wat Clapton gedaan heeft fantastisch voor de reggae. Wij hebben er jaren mee gewonnen. Iedereen wist toen meteen dat die muziek beston... Maar de cover waar ik het meest plezier aan beleefd heb was 'No Woman, No Cry'. Van Jimmy Cliff... Niet zo geweldig misschien, maar mij heeft ie enorm plezier gedaan. Dat iemand als Cliff naar zijn roots teruggekeerd is, opnieuw begaan is met Jamaica, dat vind ik een grote overwinning...»

HUMO Wat vind je van Britse reggae? Van Steel Pulse bijvoorbeeld, of van Linton Kwesi Johnson, die zich anti-rasta opstelt, of van Misty?

Bob Marley «Ik juich dat allemaal toe. Wat die mensen doen is van onschatbare waarde voor de West-Indiërs die in Engeland wonen. Het is nodig dat die mensen muziek horen die over hun eigen noden handelt. Ik ben heel erg onder de indruk van wat ik al van die mensen die jij daar noemt gehoord hebt. Steel Pulse maakt het meeste kans om echt iets te gaan betekenen, dunkt mij.»

HUMO En wat denk je van ska?

Bob Marley «Je bedoelt wat nu voor ska doorgaat in Engeland? Dat vind ik lachwekkende onzin? Een puur modeverschijnsel. Een dansrage zoals destijds de twist of de hully-gully. Ik vind ska een muzieksoort die al vijftien jaar voorbijgestreefd is en ik vind het een beetje zielig voor de Engelsen dat ze daar nu pas aan toe zijn, terwijl reggae een toch veel rijker, veel gevarieerder muzieksoort is. Ska is een mode, en modes gaan gelukkig voorbij. Reggae is een manier van leven, van denken, en zoiets veeg je niet zo makkelijk van de kaart. Ska is nog voor de winter dood. Reggae zal altijd bestaan. Ik vind de huidige ska-mode artificieel.»

HUMO Zie je geen enkele tegenstrijdigheid tussen je strijd tegen de blanke overheersing over je volk enerzijds, en het commerciële sukses dat je vrijwel uitsluitend bij blanken geniet?

Bob Marley «Nee, in het geheel niet. Ik ben niet paranoïde, en ik ben niet racistisch ingesteld. Als blanken naar mijn muziek luisteren ben ik blij. Ik zie 'de blanken' ook niet als vijanden, maar ik heb wel moeite met de blanken die ons hun levenswijze willen opdringen. Als ik met blanken omga tracht ik normaal te doen - niet dat het lukt, hoor, want eigenlijk voel ik me alleen relaxed in de buurt van rastas - maar ik heb bijvoorbeeld ook het volste vertrouwen in iemand als Chris Blackwell, die nochtans een blanke Jamaicaan is.

»Maar Blackwell heeft me al honderdvoudig zijn vertrouwen laten blijken en ik wil dat nu niet beschamen. Ik zing en ik maak muziek voor wie naar mij wil luisteren. Zwart, wit of paars gestreept, dat maakt niks uit. Ik doe mijn werk.»

HUMO Het is klassiek om aan mensen die min of meer geëngageerde muziek maken te vragen of ze denken dat ze daarmee de revolutie daadwerkelijk dienen. Het jij een klassiek antwoord op zo'n vraag?

Bob Marley «Natuurlijk, want ik heb dat al dikwijls te horen gekregen, niet alleen van journalisten, en ik moet zeggen dat ik daar zelf ook dikwijls mee zit, met die vraag. Heeft het wel zin allemaal, vraag je je dan af, zou ik niet beter gewoon een masker ombinden, een bom in mekaar knutselen en anarchist gaan spelen - en diep in mijn binnenste zit die drang, dat voel ik, ik zou graag de barricadefiguur zijn, de volksheld die onversaagd de vijand in de muil kijkt en het boem-djing-klets de smeerlappen met klinkende munt betaald zet - maar ik ben zo niet...

»Ik ben te week om een held te zijn. Te gevoelig waarschijnlijk. En ik ben bang voor vuurwapens. Wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan, zegt de Schrift. Daar geloof ik heilig in. Ik denk dat men mij niet zo gauw zal aanpakken omdat iedereen weet ik voor de vrede ben...»

HUMO De weduwe van Martin Luther King zal je daarin tegenspreken

Bob Marley «Da's waar, maar King was een volksmenner, dat ben ik niet. Ik zing gewoon. Ik heb het lef niet om mensen achter me te scharen, want ik weet niet echt waar ik ze naartoe zou brengen.»

HUMO Ben je gelukkig?

Bob Marley «Ken jij iemand die dat wel is? Zou dat kunnen, denk je, als je een beetje nadenkt, gelukkig zijn? Zou dat niet van een schaamteloos verregaand egoïsme getuigen? Ik kan hoogstens zeggen dat ik me soms goed voel, een minuut of vijf lang, terwijl ik in de armen van een vrouw lig, of een lied zing, maar dat heeft toch allemaal niets met Het Geluk te maken. Ik ben wat ik ben. Ik doe wat ik moet doen. Ik loop niet achter Geluk aan. Ik ben een dienaar. Geen leider. Ik dien Jah en ik dien mijn volk.

»Misschien ligt daarin het geluk. En privé kan ik dan nog wel een beetje genieten van het feit dat ik iets kan scheppen. Dat ik liedjes mag maken en die zingen in plaats van in een zoutmijn te werken. Maar ik ben er toch maar omdat Jah wil dat ik er ben. En verder moet ik nederig zijn. Vechten tegen de ijdelheid. Vechten tegen bloodclath, tegen hypocrisie, tegen sodomie, tegen alles wat de mens naar beneden haalt.»

***

Marley staat op en laat mij verstaan dat het nu goed geweest. 'Heb je oren?' vraagt hij. Ik toon ze. ‘Goed, ga dan naar beneden en luister naar de nieuwe plaat.’ Hij geeft de tape-operator opdracht mij een voorproef te geven van de lp 'Uprising' Hij luistert twee songs mee en verdwijnt dan. Terwijl de wonderlijk klanken van Marley's akoestische 'Redemption Song' het huis vullen vertrouwt de technicus mij toe dat hij ook een plaatje gemaakt heeft, en of ik dat straks eens wil horen. Zucht.

Terug in het hotel zoek ik reggae op de kamerradio. Captain and Tennille, Andy Gibb, zelfs Mario Lanza worden mijn deel. De JBC (Jamaica Broadcasting Company) is nog altijd op BBC-last geschoeid en dat hoor je. Pas wanneer laat op de avond de top-20 wordt uitgezonden hoor ik drie keer Marley ('Zimbabwe' staat op 12, 'Survival' op 7 en 'One Drop' op 3), tweemaal Jacob Miller ('Niet kopen', zei een verkoper in Marley's platenwinkel me de dag voordien, 'want dat is smerige disco'), en tweemaal de nieuwe grootheid Junior Tucker, een kind-ster die door kenners zeer au sérieux wordt genomen.

Na de hitparade leest een omroeper voor wie er allemaal gestorven is in Kingston, die dag. Daarna schakelt hij over op een spelletje radiofonische schandpaal, wat erop neerkomt dat via de ether aan iedereen verteld wordt welke chauffeurs van welke rijtuigen de afgelopen vierentwintig uur als varkens gedragen hebben op de openbare weg. Ik lees een avondkrant en verneem dat de 'Belgische' rookwolk die ik eergisteren vanuit het vliegtuig zag afkomstig was van de grootste brand die door de inwoners van een wijk zelf veroorzaakt was omdat zij, nog liever dan de door hun huisbazen geëiste huurverhoging te betalen een heel huizenblok in de fik staken.

Daar kan de Neefsteed een punt aan zuigen, qua strijdbaarheid, denk ik even, stout, om dan verder te lezen. Gruwel, gruwel. Op nog geen honderd meter van mijn hotel zijn in een kleiput vier plasticzakken gevonden met daarin de ontbindende resten van 3 sedert weken vermiste tienermeisjes. En in de haven, die ik vanuit mijn raam kan zien, zijn vannacht door piraten (!) 30.000 patronen uit een Haïtiaans vrachtschip gestolen.

Ander. Fait-divers: Twee zeventienjarige jongens zijn de keel overgesneden nadat ze een al te haastige chauffeur het 'Fuck You'-teken hadden toegezwaaid. Kingston: 'gevaarlijk en lelijk' had een andere reizende reporter van Humo me gezegd. Ik ben milder: 'Onveilig en niet mooi' is mijn verdikt

***

Omdat het krantenstalletje in mijn hotel nauwelijks iets anders te bieden heeft dan een drie weken oud nummer van 'Time' loop ik iedere dag naar het 'New Kingston Hotel' om leesvoer te halen. In de hall loop ik Chris Blackwell tegen het lijf en ik vraag hem of hij, als jarenoude vriend, en platenbaas, en producer en vertrouwensman van Marley een uitspraak zou kunnen doen over hem. Liefst in mijn bandopnemer. Dat kan, maar later.

'Marley', zegt Blackwell, 'is een ongewoon gevoelige jongen, een superintelligent wezen ook, die zich meestal dommer voordoet dan hij is. Volgens mij heeft hij gewoon alles door. Hij is in de eerste plaats een observator. Hij weet alles wat er om hem heen gaande is. Niemand kan hem een smoesje vertellen. Dat hij als leider aanvaard wordt door mensen die eigenlijk een hekel hebben aan leiders, de Jamaicanen bedoel ik, zegt veel over zijn kracht. Hij is in zekere zin gevaarlijk, ja. Als hij morgen de revolutie zou uitroepen zou die veel kans op slagen hebben. Maar hij zal dat niet doen, want hij ziet zijn opdracht op deze wereld als iets heel bescheidens. Liedjes maken, zegt hij altijd, geen bommen gooien. Daarvoor is hij te bang van vuurwapens. En te gevoelig. Toen Jacob Miller stierf heeft hij gehuild. Dat weet ik, al was ik er niet bij.'

'Ja, natuurlijk heb ik gehuild.', zegt Marley, als ik hem Blackwell's uitspraak voorleg. 'Ik was ook diep geschokt. De dood van anderen doet mij altijd iets. Omdat ik die aanvaard. Maar mijn dood zal ik niet aanvaarden. Ik ben er heilig van overtuigd dat ik nooit sterf. Mijn lichaam misschien wel, maar dat betekent niks. Bloodclath! Mijn geest zal voortbestaan.’

Het is zoetjesaan tijd om afscheid te nemen. Ik heb nog één vraag. Ik wil weten wat Jamaica, waar ik vijf vreemde dagen doorbracht, voor zijn bekendste inwoner betekent?

'Ik heb hier een familie wonen.' zucht Marley, 'ik heb hier vrouwen, kinderen. Ik heb op deze grond leren lopen. In deze lucht leren ademen. Maar ik hang hier niet aan vast. Ik kan hier morgen weg als ik wil. Ik ben overal thuis. En nergens. Ik heb me nu tegen over de Wailers en hun families zover geëngageerd dat ik die mensen werk geef, en eten, en ik kan dat niet van de ene op de andere dag laten vallen, want dan jaag ik die mensen in de hongerdood... Het liefst van al zou ik dit eiland met mijn handen opnemen, het met mij meedragen en het voor de kust van Afrika in zee gooien. Want daar horen wij thuis. Dat is toch duidelijk. Kijk buiten, man, naar buiten, naar die dieren, die planten, die mensen. Dat is toch Afrika? Wat moeten wij met de Amerikanen of de Russen? (Hij neemt zijn kaak tussen duim en wijsvinger.) Wij zijn negers, kijk Afrikanen! Wij horen in Afrika thuis.'

Marley drinkt van de onthoofde kokosnoot die tussen ons op een bamboetafeltje staat. 'Drink er ook van', zegt hij terwijl hij mij de kokosnoot aanreikt, 'en proef Afrika. En vertel verder hoe het smaakt! '

***

Op de weg naar de luchthaven vertelt Johnnie Black, de fotograaf die zichzelf spontaan aangeboden had om dit artikel van foto's te voorzien dat ik in mijn stuck geen clichés moet gebruiken als 'Bob Marley: Reggae's superstar', want zoiets betekent hier niks, zegt Black. Bob wordt hier gerespecteerd niet bewonderd. 'Kijk uit', zeg ik, 'Je gaat die geit rammen.' Het dier maakt een sprong net voor Black's vehikel er tegenaan knalt. 'Jamaicaanse geiten zijn clever' grinnikt Johnnie, 'net als de Jamaicanen zelf. ('Dit', zegt Black, 'daar gaat het om' en hij zet de autoradio luider, 'daar zijn wij heel goed in!' Ik begrijp wat hij bedoelt. 'Survival' zingt de radio. Van Bob Marley. Reggae's superstar.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234