'Na anderhalf jaar ben ik er nog elke dag mee bezig. Veel mensen vinden het stilaan tijd worden dat ik alles achter me laat.' Beeld Getty Images
'Na anderhalf jaar ben ik er nog elke dag mee bezig. Veel mensen vinden het stilaan tijd worden dat ik alles achter me laat.'Beeld Getty Images

allerzielenrouwen is houwen

‘Ik heb zelfs het blad met zijn naam uit de telefoongids bewaard. Het was de laatste keer dat hij erin stond, hè’

De koffietafel na een begrafenis, het is een bijna pervers gebruik. Gemompelde condoleances. Verwanten die hun ongemak in bier verdrinken. En intussen zit stilletjes, aan de meest te mijden tafel, de achtergebleven partner, kapot van verdriet. Humo sprak met twee overlevenden.

Jean: ‘Zij heeft mij geleerd hoe een mens moet sterven’

Begin maart moest Els (72) het afleggen tegen de sluipmoordenaar kanker. Haar man Jean (68) had haar maandenlang intens en liefdevol verzorgd. Voor hem begon het afscheid op de dag van de fatale diagnose. Jean tracht het gat dat haar dood geslagen heeft te vullen met veertig jaar herinneringen, maar vooral met die laatste maanden, waarin Els hem leerde hoe je sterft.

JEAN «De eerste symptomen kreeg ze in de lente van vorig jaar. Steken in de buik, geen echte krampen. Gewoon af en toe een pijnscheut. Ze dacht dat ze iets aan haar darmen had of zo. De dokter kon niets vinden. We lieten röntgenfoto’s maken, maar ook daar was niets op te zien. De klachten hielden aan, en dus moest Els onder de scanner.

»Zij was zelf de eerste die de resultaten van dat onderzoek te horen kreeg, over de telefoon. Er was ‘iets’ op de pancreas te zien, zeiden ze, een cyste, bleek later. Geen tumor dus. Een tumor is vast weefsel, een cyste heeft een weke kern. Die kan nog verdrogen. Ze had altijd tegen haar dokter gezegd: ‘Als ik later iets ernstigs zou krijgen, zeg het mij dan niet. Ik mag het zeggen, maar jij niet.’ Tegen mij zei de dokter dat er ook een tumor was. Tegen haar niet. Maar ze wist het verdomd goed. Als er vriendinnen belden om te vragen hoe het met haar ging, zei ze: ‘Wel ja, ik heb de kanker, hè.’ Terwijl niemand haar dàt had gezegd.

»We zijn naar een specialist in Leuven gegaan, in de hoop dat ze haar daar misschien zouden kunnen opereren. Maar de pancreas, dat is zo klein, en zo belangrijk. Daar kun je niks tegen doen. Niet opereren, geen radiotherapie, geen chemotherapie. Het enige wat we konden doen, was afwachten. En hopen dat het vanzelf zou genezen.

»Ik was als door de bliksem getroffen, maar Els had mij nodig. Ik kon me onmogelijk laten gaan. Ze was zelf altijd moedig geweest en had alle tegenslagen dapper verwerkt. In de veertig jaar dat we samen zijn geweest, heb ik nooit iets anders van haar gehoord dan dat er gehandeld moest worden, het moest vooruit. Dat heeft mij erg geholpen, denk ik. Zij gaf de moed niet op, en daardoor kon ik mijn wanhoop bedwingen, zodat ik er voor haar kon zijn.»

Geen bezoek

JEAN «In het begin hoopte ze nog dat die ‘cyste’ zou verdrogen, dat ze nog kon genezen. Maar ik denk dat ze eigenlijk altijd heeft geweten dat er niets aan te doen was, dat ‘afwachten’ niet meer dan een eufemisme was voor wachten op een onherroepelijk einde.

»Pancreaskanker is een bijzonder wrede ziekte. Eerst kan je geen eten meer binnenhouden, nadien ook geen drinken meer. Eind augustus, begin september, kreeg ze het moeilijk om te eten. Alleen pasta kon ze nog binnenhouden. Ze vermagerde zienderogen. We begonnen ons stilaan voor te bereiden op het einde, we dachten dat ze Allerheiligen niet meer zou halen, laat staan Kerstmis. Maar geleidelijk aan verbeterde haar toestand weer, en we kregen weer een beetje hoop.

»Over haar dood sprak ze eigenlijk nooit, maar soms zei ze dingen als: ‘Later zal je dit zus moeten doen, en dat zo.’ Ze gaf me richtlijnen, voor als zij er niet meer zou zijn. Over de was. Over de tuin. Dat ik bloemen moest planten, in plaats van groenten.

»In oktober vroeg ze de dokter hoe het zou eindigen. ‘Ach,’ zei ze, ‘ik zal het zelf wel zeggen. Op den duur zal ik niet meer kunnen eten en drinken; ik zal aan mijn bed gekluisterd zijn, en ‘t zal eindigen met morfine.’ Ze wist dus drommels goed wat haar te wachten stond.

»Op een bepaald moment wilde ze geen bezoek meer ontvangen, tenzij van de naaste familie. Ze kon er steeds slechter tegen om gezonde mensen te zien, mensen die wandelden en fietsten, die zomaar alles konden doen waar zij zoveel van hield.»

De stank van de angst

JEAN «’s Avonds, tussen zeven en acht, moest ik altijd de tv uitzetten. Dan haalde ze haar gebedenboekjes boven, en moest er gelezen worden. Want weet je: als je de wereld verlaat, ben je heel erg bezig met wat er daarna komt. Ze was altijd al gelovig geweest, maar nu won dat geloof veel aan betekenis. En dan las ze dingen als: het leven loopt niet uit op de dood, het loopt uit op God. Daar kon ze zich geweldig aan optrekken.

»Ik ben ook gelovig, maar ik ben een moderne mens, en dus knaagt de twijfel toch af en toe. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik de dood van mijn grootvader van nabij meegemaakt. Het geloof had nooit veel voor hem betekend, hij had er alleszins niet naar geleefd, maar toen hij voor zijn dood stond, kon je zijn angst ruiken. De oneindigheid van het niets, dat moet verschrikkelijk zijn. En dan grijpt zo’n man uiteindelijk toch naar die strohalm die het geloof biedt. Zijn angst is me altijd bijgebleven. Dat wou ik niet meemaken, daarom heb ik altijd aan mijn geloof vastgehouden. Zelfs al twijfel ik soms.»

Eén glas drinken, twee overgeven

JEAN «Op een avond, we hadden juist samen zitten lezen, kreeg ze ineens krampen en begon over te geven. Ze stelde zelf voor om met morfine te beginnen, want met gewone pijnstillers was de pijn niet meer te onderdrukken. Dat was in december.

»Eerst slikte ze nog morfine in pilvorm, maar ze begon steeds meer over te geven. Op den duur was het: één glas water drinken en er twee overgeven. En toen moesten we beslissen: ofwel naar het ziekenhuis, ofwel palliatieve thuiszorg.

»Ze had altijd gezegd: ‘Als ik ooit erg ziek word, moet je mij naar de kliniek brengen.’ We hebben de situatie eerst besproken zonder dat ze erbij was. Iemand thuis verzorgen kan een zware belasting vormen voor de omgeving, hè. Gelukkig was onze huisarts een grote voorstander van palliatieve thuiszorg. Hij verzekerde ons dat de pijn met morfine volledig onderdrukt zou kunnen worden, en dat we zouden worden bijgestaan door toegewijde verpleegsters. Iris, onze dochter, en ik vonden allebei dat we het moesten proberen. Als we haar thuis konden houden, en ze zou geen pijn hebben, dat was toch het mooiste wat er is?

»En toen kwam de morfinepomp. Voor Els kwam dat hard aan, ze wist dat daarmee de laatste fase was aangebroken. Overdag kwam er een verpleegster. De dokter kwam twee keer per dag langs, juist zoals in het ziekenhuis. Ik kan je niet vertellen hoeveel steun wij aan die mensen hebben gehad, ‘t was net alsof ze maar één patiënt hadden. De laatste zes weken kwam Iris bij ons wonen. Dag en nacht heeft ze bij haar moeders ziekbed doorgebracht.

Beschuit en morfine

JEAN «We moesten een dagboek bijhouden, en daarin letterlijk àlles noteren. Wat ze at, hoe ze zich voelde, of het beter of slechter ging, welke medicatie ze kreeg, waar ze om vroeg.

»9 februari: goed geslapen, een keer wakker geweest. Eén vierde lexotan en één shot morfine ‘s nachts. 8u30, ontbijt: één beschuit met wat honing. Rustig, maar is wat kort van adem. Zulke dingen schreven Iris en ik op. En dan de verpleegster: Patiënt gewassen aan lavabo. Dus niet in bad. Is meer vermoeid dan gisteren. Geen symptomen van kortademigheid gemerkt. Polsslag regelmatig. Geen braakneigingen. Zo ging dat. Alles schreven we op. ‘s Namiddags in de living gekomen. Dat was een goed teken, dat ze nog uit haar bed kon. Op het einde kon ze dat niet meer. Iris sliep bij haar, ik sliep op de bank. Ze had enorme doorligwonden. In bad moesten we luchtmatrasjes leggen, opdat ze niet te hard zou zitten.

»Eind januari is ze berecht, hoewel ze daarna nog meer dan een maand heeft geleefd. Maar op het einde was ze zo zwak... Ze woog nog nauwelijks dertig kilo, ze lag helemaal open van de doorligwonden... Elke dag kon de laatste zijn.

»Ze kloeg nooit. Als de dokter kwam en vroeg ‘Hoe is ‘t?’, zei ze, met een glimlach: ‘Goed.’ Dat vond ik onvoorstelbaar. Wij zagen allemaal hoe erg ze eraan toe was, en toch zei ze nog dat het goed ging. Want goed, dat betekende: niet overgegeven en geen pijn. Dat zal ik nooit vergeten. Hoe moedig ze was. Hoe waardig ze bleef. Zij heeft mij geleerd hoe je moet sterven.

»In haar gebeden had ze altijd gevraagd om te mogen sterven in haar slaap, en zo is het ook gegaan. Toen het einde naderde, begon ze er steeds meer vragen over te stellen. Zou ik nog een doodsstrijd hebben? Aan de verpleegsters vroeg ze wat ze aan ons niet durfde te vragen. Ik ben er zeker wel het slechtst aan toe van al uw patiënten? De verpleegsters hebben nooit tegen haar gelogen, nièmand heeft dat gedaan. Daar ben ik heel erg blij om.

»We hebben haar dood duidelijk zien aankomen. De laatste keer dat we haar wasten in bed, trok ze helemaal wit weg. De verpleegster riep luid en dringend haar naam. Toen wisten we dat het zo goed als afgelopen was. ‘s Avonds ben ik afscheid gaan nemen, fluisterend in haar oor. Die nacht is ze gestorven.»

Goed sterven

JEAN «Ik heb me nooit opgelucht gevoeld dat het voorbij was. Ik ben tot op het laatste moment blij geweest dat ze er nog was. Ik was er zodanig aan gewend geraakt, dat ik nooit naar haar dood heb verlangd. Misschien omdat ik wist dat ze geen pijn had. Ik ben tegen euthanasie, want in mijn ogen is dat nog altijd iemand doden. De eeuwigheid is nog lang genoeg, daar moet je niet op vooruit lopen. Ook als Els het me zèlf had gevraagd, had ik het niet gekund. Ze is trouwens altijd tegen euthanasie geweest. Vroeger moesten de mensen in ondraaglijke pijnen creperen, maar met palliatieve zorg kun je goed sterven. De morfinepomp, dat is àlles. Leve de morfinepomp.

»Je moet de dood natuurlijk in de ogen kunnen kijken. Want dat vooruitzicht blijft alle dagen aanwezig. Misschien was dat voor Els wel veel pijnlijker dan ik dacht. Dat weet ik niet. Haar geloof hield haar recht, ja. Ze stierf in het volle vertrouwen dat ze niet het grote niets inging.

»Al die tijd dat we haar verzorgd hebben, hing er ondanks alles een goede sfeer in huis. Het was een vreemd gevoel, ik was tegelijk gelukkig en ongelukkig. Ik wist dat ik haar moest verliezen, maar ik was dankbaar voor elk moment dat ze er nog was.

»Doordat we zo sterk bij dat ziekteproces waren betrokken, werd het afscheid eigenlijk makkelijker. Vooral de laatste anderhalve maand is bijzonder intens geweest. Els was op geen enkel moment alleen, en dat gaf haar een veilig gevoel, denk ik. Maar wij waren ook nooit alleen. Als je zo bewust, zo sterk meeleeft met iemands dood, raak je automatisch meer aan elkaar gehecht. De dood van mijn vrouw heeft de banden tussen onze dochter, haar gezin en mij heel sterk aangehaald. Iris belt me nu nog alle dagen op voor een praatje. Dat doet mij enorm veel deugd.

»Ik ben ontzettend blij dat we voor palliatieve thuiszorg hebben gekozen. Het is een ervaring die me mijn hele leven bij zal blijven. In zekere zin was het een prachtige belevenis. Zo mooi als ze bleef, zo moedig... Wij stonden erbij, maar zij moest het doèn, hè! En ze deed het, zonder klagen.»

Praten tegen een dode

JEAN «Heel in het begin drong haar dood nog niet echt tot me door. Misschien omdat ze er nog steeds lag. Ze had zelf gezegd dat ze hier in de garage wou opgebaard liggen, en ik heb àlles gedaan om dat voor elkaar te krijgen. Ze wou ook dat alleen de familie haar zou komen groeten. Niemand anders. Neen, ze wou niet dat iemand haar dode lichaam zag.

»Op de begrafenis heb ik een tekst voorgedragen die ik zelf had opgesteld. Ik ben niet goed in die dingen, maar ik ben heel blij dat ik het heb gedaan.

»De herinnering aan haar houdt me op de been. Ik doe alles precies zoals ze mij gezegd heeft dat ik het moest doen. Ik heb bloemen in de tuin geplant, juist zoals ze me heeft gevraagd.

»Ik loop niet heelder dagen te treuren, maar ik huil nog elke dag. De mensen zeggen mij: ‘t zal wel slijten met de tijd, maar voor mij hoeft dat niet meer. Het is een mooie herinnering, en daar heb ik veel aan. Maar het huis is wel erg leeg.

»Ik ben de hele tijd met haar bezig, alsof ze er nog is. Ik praat tegen haar. Dat is een automatisme. Wat zou ik vandaag eens klaarmaken, Els? zeg ik dan, alsof ze naast mij staat. In die zin is ze nog altijd hier, ja. In mijn hoofd blijft ze bij mij.

»Binnenkort trouwt mijn kleinzoon. Op het trouwfeest ga ik een woordeke tegen hem zeggen: ‘Door wat ik verloren heb, weet ik wat jullie beiden bezitten.’ Iemand kunnen ontmoeten waar je mee door het leven kunt gaan, die je doodgraag ziet, dat is een onschatbaar goed. In zekere zin zie ik er nu ook veel minder tegenop om zelf dood te gaan. Het zou mij eigenlijk niet zoveel kunnen schelen, omdat ik weet dat ik hààr achterna zou gaan.

»Of ik ooit nog eens iemand zal ontmoeten? Daar ben ik op dit moment helemààl niet mee bezig. Ik zou het gevoel hebben dat ik Els ontrouw ben, denk ik, dat ik haar verraad. Toen ik haar ontmoette, heb ik geen moment getwijfeld, en dat heb ik nadien ook nooit meer gedaan. We hebben een gewoon leven gehad, hard gewerkt en veel met elkaar gedeeld, maar we zijn veertig jaar lang ontzettend gelukkig geweest.»

Agnes: ‘Ik heb vaak gebeden of ik alsjeblieft ook zelf mocht doodgaan’

November. De dood haalt uit en maait ongenadig Walter neer. Zijn vriendin Agnes ontmoette hem tien jaar eerder, maar beiden waren getrouwd en konden vanwege hun opgroeiende kinderen al die jaren niet bij elkaar zijn. Toen Walter stierf, leefden ze amper een paar maanden samen. Anderhalf jaar na zijn dood probeert Agnes nog steeds vertwijfeld de brokstukken van haar leven te lijmen.

AGNES «Ik ben nooit een flierefluiter geweest, en ik heb het huwelijk altijd ernstig genomen. Maar ik was niet gelukkig, en Walter al evenmin. Hij werkte als opsporingsambtenaar voor de belastingen, en op een dag kwam hij bij ons op het werk een controle uitvoeren. Ik moest nadien met hem uit eten, iets waar ik erg tegenop zag, zo met een vreemde aan tafel gaan. Maar het klikte meteen, en we bleven elkaar zien.

»Ik heb onmiddellijk aan mijn man verteld dat ik iemand had ontmoet. Hij was zich goed bewust van de problemen die wij hadden, en in zekere zin was hij zelfs blij voor mij dat ik iemand had gevonden bij wie ik me goed voelde. Maar mijn kinderen wilde ik niet verlaten, en dat wilde Walter ook niet. Eigenlijk was het een hopeloze affaire, maar stoppen konden we absoluut niet.

»Van bij het begin hadden we een heel bijzondere band met elkaar. Walter was een heel sociale man, hij had een uitgebreide vriendenkring. Hij was kunstzinnig, schreef poëzie en fotografeerde, en hij speelde muziek. Ik hield van dezelfde dingen, en we konden het uitstekend met elkaar vinden. Met de jaren leerden mijn kinderen hem kennen, en ook zij waren dol op hem.

»Vanwege de situatie hebben we veel moeilijkheden moeten overwinnen, maar de band tussen ons werd steeds hechter. Walter is als eerste gescheiden en alleen gaan wonen. Een goed jaar later ben ik bij hem ingetrokken. Al die jaren ben ik bang geweest dat hem iets zou overkomen, maar toen we elke dag samen konden zijn, viel die angst van me af. Ook Walter was toen pas echt gelukkig, dat voelde ik. Het was onbeschrijflijk, iedereen die ons ooit samen heeft gezien weet dat.

»Op een avond - we waren samen naar een tentoonstelling geweest - zaten we bij een glas wijn nog wat na te praten. Walter voelde zich niet helemaal lekker, hij dacht dat hij kou had gevat. Die nacht stond hij op en ging in de woonkamer zitten. Ik maakte me niet echt zorgen, want dat deed hij wel vaker. Na een tijdje kroop hij terug in bed. Hij voelde erg koud aan. Ik sloeg mijn armen om hem heen, probeerde hem warm te krijgen. Hij klaagde over pijn in zijn rug en zijn borst, en vroeg me een kussen te halen zodat hij wat hoger kon liggen. Ik ging nog even naar het toilet, en toen ik terugkwam hoorde ik een heel vreemd gesnurk, en plots viel hij helemaal stil.

»Ik was totaal in paniek. Ik probeerde alles om hem opnieuw in beweging te krijgen, belde direct de huisarts. Je kunt je niet voorstellen hoe lang het duurt tot die komt, als je zo zit te wachten. De dokter zag meteen dat het te laat was. Hij heeft nog geprobeerd hem te reanimeren, en ook de hulpverleners van de 100 zijn nog uren met hem bezig geweest. Ze hebben hem zelfs nog naar het ziekenhuis gebracht, maar het was fataal. Een hartaderbreuk. Niets aan te doen. Hij was pas achtenveertig.

»Het was alsof ik in één klap tot moes werd geslagen. Mijn wereld, die nog maar juist vorm begon te krijgen, donderde genadeloos in mekaar. In een paar minuten verloor ik mijn hele toekomst. Ik kon dat niet bevatten. Ik was radeloos. Ik had totaal geen idee hoe ik zonder hem verder moest.»

De bedelstaf

AGNES «De eerste maanden was ik een wrak. Ik kon nauwelijks mijn huis uit, slaagde er amper in te functioneren. Ik kreeg geen hap naar binnen - zeker niet als ik alleen was - en ik vermagerde zienderogen. Ik sliep ook voortdurend. En alles wat ik zag, was een scherpe confrontatie met wat ik verloren had. Het kleinste voorwerp deed de pijn door mijn lijf gieren.

»Daar kwam bij dat ik door de dood van Walter zowat tot de bedelstaf werd veroordeeld, en het bleek heel moeilijk die situatie recht te trekken.

»Walter stierf in november, en in februari zouden we een huis gekocht hebben, een sociale woning. Alles was al geregeld, alleen de akte moest nog ondertekend worden. Ik ben meteen naar de huisvestingsmaatschappij gegaan, heb hun mijn situatie uitgelegd. Ze toonden veel begrip, en verzekerden me dat het wel in orde zou komen. Maar intussen was Walters ex-vrouw erachter gekomen dat ik dat huis wilde, en zij vond dat het haar zoon toekwam. Van de maatschappij kreeg zij meteen een volgnummer, zodat ik pas na Walters zoon voor dat huis in aanmerking kwam. De huur van ons appartement was al opgezegd, ik dreigde dus van de ene dag op de andere op straat te staan.

»Ik begreep niet hoe dat kon. Met wat Walter zelf had gewild, werd nauwelijks rekening gehouden. Alles wat ik had, was deeltijds stempelgeld. Het was toen al december, en eind januari moest ik uit mijn appartement. Ze wisten dat, ze wisten dat mijn situatie veel precairder was dan die van Walters zoon, maar toch wezen ze dat huis aan hem toe. Ik had altijd gedacht dat sociale woningen gingen naar mensen die ze het meest nodig hadden. Weet je, wie braaf is en alles doet zoals het hoort, krijgt niks, wie brutaal is en liegt, die komt veel verder.

»Bij de RVA heb ik meteen een aanvraag ingediend om weer voltijds te kunnen stempelen. Als je binnen zes jaar nadat je werkloos bent geworden plots alleen komt te staan, kan je opnieuw een volledige uitkering krijgen. Maar mijn geval werd door twee verschillende RVA-diensten betwist, en ik werd als een hete aardappel van de ene naar de andere doorgeschoven. En intussen moest ik met mijn twee kinderen van een halve uitkering zien te overleven.

»Op het OCMW zeiden ze me dat ik eerst mijn spaarcenten moest gebruiken voor ik geld kon krijgen. Ik was ook wanhopig op zoek naar werk, maar op mijn leeftijd was dat niet makkelijk. En àls ik al eens iets vond, werd mijn loon van mijn deeltijdse uitkering afgetrokken, zodat ik weer geen stap verder kwam.

»Ten einde raad ging ik schoonmaken voor de PWA-dienst, maar ik was zo slap als een vaatdoek, tien kilo afgevallen, totaal uitgeteld van verdriet en ellende. Ik weet nog altijd niet hoe ik die periode heb overleefd. Op den duur dacht ik: ik ga gewoon op straat zitten wachten tot iemand over mij struikelt en mij opraapt. Ik kón niet meer.

»Een appartement heb ik dan toch vrij snel gevonden. Voor mijn financiële toestand heb ik ten einde raad een politicus in de arm genomen, maar dat leverde niks op. Uiteindelijk heb ik zelf contact opgenomen met de dienst reglementeringen in Brussel, die mij in maart een brief heeft gestuurd dat ik recht had op een volledige werkloosheidsuitkering. Maar in het totaal heeft het bijna een jaar geduurd voor ik een volwaardig inkomen had.

»Intussen bleef ik ook met dat gigantische verdriet zitten. De moedeloosheid van de eerste paar maanden, maakte plaats voor een enorme onrust. Plots kón ik niet meer stilzitten, moest ik voortdurend de straat op, mijn huis uit. Dat heb ik nu nog steeds.

»Ik had me aangemeld voor de observatiewacht in Lier, ook een PWA-job. Zodra daar een plaats vrijkwam, heb ik ze gekregen, en dat heeft me door het ergste heen geholpen. Plots zag ik weer mensen, had ik wat te doen, kon ik me bezighouden. Dat heeft me heel veel deugd gedaan.»

Even geen klappen meer

AGNES «Toen Walter stierf, verloor ik elk doel in mijn leven. Ik vind het hard voor mijn kinderen, want zij betekenen àlles voor mij, maar ik heb vaak verlangd dat ik alsjeblieft ook dood mocht gaan. Ik begrijp heel goed dat mensen in zo’n situatie zelfmoord plegen, al heb ik dat zelf nooit overwogen. Maar soms wil je wel even geen klappen meer krijgen, hè.

»De begrafenis van Walter was heel moeilijk. Ik kreeg nauwelijks inspraak, en ik had toen niet de kracht me daartegen te verzetten. Op het doodsprentje werd ik niet vermeld. Dat heeft me heel erg pijn gedaan. Ik had de laatste jaren van zijn leven het dichtst bij hem gestaan, en toen hij stierf, was het alsof ik nooit had bestaan. Bijna uit protest heb ik zelf een alternatieve rouwprent opgemaakt, met een foto van ons beiden erop en een paar gedichten die hij voor mij geschreven had. Haast om te bevestigen dat die periode wel degelijk had bestaan, en dat ze ook in zijn leven van uitzonderlijk belang was geweest.

»Na zijn dood kwam zijn familie bij mij zijn spullen ophalen. Ook dingen die totaal geen waarde hadden maar waar voor mij emotionele herinneringen aan vastzaten, pakten ze mee. Al wat mij vertrouwd was, verdween. Nog een geluk dat ik van zijn ouders wat meubels had gekregen, anders had ik zo goed als niks meer overgehouden.»

Zielsgelukkig

AGNES «Toen Walter pas dood was, wilde ik vooral veel over hem praten. We waren zo intens gelukkig geweest samen. Er waren momenten waarop we tegen elkaar zeiden: ‘Beter dan dit kan het ècht niet meer worden’, en dan ging dat tóch nog omhoog, ongelooflijk. We wilden trouwen, en dan nog minstens twintig jaar gelukkig zijn, met minder waren we niet content (lacht). Tegenover de buitenwereld was het bijna een missie: wij wilden laten zien dat je na twintig jaar nog altijd gek op elkaar kon zijn, dat het tussen twee mensen zo goed kón gaan.

»Het moeilijkste was weer alles alleen te doen. Vooral de eerste keer. De eerste keer alleen bij vrienden op bezoek, alleen naar een concert, alleen met de kinderen op reis. Van mijn kinderen heb ik wel ontzettend veel steun gekregen. Ik heb altijd alles met hen doorgepraat, ze wisten hoe het met mij stond, ze hadden zelf trouwens ook veel verdriet. Ik heb mijn ellende nooit voor hen verborgen. Pijn is nu eenmaal iets dat bij het leven hoort, je kan niet doen alsof ze niet bestaat. En ik hoop dat mijn kinderen - als ze ooit zelf een zwaar verlies te verwerken krijgen - aan mij een voorbeeld hebben. Dat je het overleeft. En dat je nooit de moed moet opgeven, hoe moeilijk het ook is.

»Muziek is iets waar ik me aan optrek. Zelf spelen gaat nog wat moeilijk, dan komt de herinnering te sterk opzetten. Maar elke dag zet ik muziek op. Ik droom ook nog vaak over Walter, en dan kan ik met hem praten, hem aanraken. Heerlijk. In die dromen ben ik ook ver weg, daar hoor ik mijn wekker niet meer door.

»Overdag praat ik voortdurend met hem. Ik weet wel, ik ben het die vragen stelt, en ik ben het ook die antwoorden geeft. Maar toch voelt het alsof hij het is. Ik kan hem echt helemaal in me voelen, net zoals toen hij nog leefde. Op die momenten ben ik heel gelukkig.

»Ik geloof in reïncarnatie en een leven na de dood. Ik geloof dat we elkaar ooit weer terugzien. Als ik dat niet kon geloven, dan zou ik niet weten hoe ik verder moest. Ik denk ook dat je alle problemen meeneemt naar een volgend leven. Een grote troost is dat Walter zielsgelukkig was toen hij stierf. Daarom wil ik ook eerst dit verwerken voor ik sterf. Ik wil gelukkig zijn als ik aan dat nieuwe leven begin.»

Schoenen op de gang

AGNES «Na anderhalf jaar ben ik er nog elke dag mee bezig. Voor de buitenwereld is dat misschien een beetje vreemd, want veel mensen vinden het stilaan tijd worden dat ik alles achter me laat. Er zijn mensen die mij zeggen: neem toch een andere man, al was het maar voor het geld! Maar dat kàn ik niet. Ik kan niet met minder tevreden zijn. Ik sta er nog helemaal niet voor open. Diep vanbinnen blijft de angst zitten dat ik nog een keer zoiets zou moeten meemaken. En toch denk ik: een mens is niet gemaakt om alleen te zijn. Ik sluit dus niet uit dat er ooit opnieuw iets komt.

»Met de tijd blijf je meer en meer alleen achter met je verdriet. Ik voel nog altijd een enorme behoefte over hem te praten, maar de gesprekspartners nemen af (lacht). Ik kan ook niets weggooien dat van hem is geweest. Zelfs geen zakdoek. Ik heb alles van hem bewaard, rekeningen van restaurants waar we gegeten hebben, de onnozelste dingen. Toen hij gestorven was heb ik zelfs het blad met zijn naam uit de telefoongids gescheurd en in mijn fotoalbum geplakt. Het was de laatste keer dat hij erin zou staan, hè.

»Zijn schoenen staan nog steeds in de gang, alsof hij gewoon thuis op de bank zit. Zijn kleren hangen in de kast, en ik maak shorts voor mij van zijn broeken, zodat ik iets van hem op mijn huid kan voelen. Toen hij pas dood was en lag opgebaard, kon ik ook niet stoppen met hem te fotograferen. Ik blééf maar foto’s van hem maken, ik kón niet ophouden. Want als ik ophield, betekende dat dat ik afscheid moest nemen, en dat kan ik niet.»

(Dit artikel is verschenen in Humo in oktober 1998)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234