‘In andere tijden, neem nu: in de tijd van Mozart, had men een jongen als Jotie gekoesterd. Ze hadden hem niet laten kapotgaan aan de harde wereld’ Beeld RV
‘In andere tijden, neem nu: in de tijd van Mozart, had men een jongen als Jotie gekoesterd. Ze hadden hem niet laten kapotgaan aan de harde wereld’Beeld RV

65 jaar jotie t'hooftHumo sprak met zijn moeder

‘Ik vond het vreselijk dat Jotie dood wilde, ik heb er nachten van wakker gelegen, maar aldoor ben ik blijven denken: in feite heeft hij gelijk’

Jotie T’Hooft zou vandaag 65 jaar geworden zijn. Humo sprak met zijn moeder, Rosa Bostijn, 15 jaar na de dood van Jotie. Lees hier het interview.

(Verschenen in Humo op 8 oktober 1992)

In de nacht van 5 op 6 oktober 1977, ging Johan ‘Jotie’ T’Hooft in Brugge dood, naar verluidt aan de gevolgen van een overdosis cocaïne. Hij was 21 jaar en bepaald beroemd voor een dichter. Voor mij en mijn vriendjes, toevallig tijdgenoten van T’Hooft, geldt dat rock ons nader is dan Rilke. Geen ijl gelul, behalve het onze: poëzie moest je beleven, vonden we, maar tegen de gedichten van ‘T Hooft maakten we geen bezwaar omdat ze spiegelscherven van onze gedroomde wereld waren. Inmiddels laten kenners weten dat hij weliswaar talentrijk en veelbelovend was, maar een eigen toon moest ontberen; zijn werk is volgens hen onrijp en puberaal. Onrijp en puberaal, inderdaad, dat waren we, en in onze beste momenten zijn we het nog: bij eigen toon stelden wij ons vooral Jimi Hendrix voor. Kenners hebben dan ook nooit zo’n rol gespeeld in ons leven. Bij Manteau verscheen onlangs een mooie, door Hugo Brems samengestelde en ingeleide bloemlezing van zijn werk. Het boekje gaat jammergenoeg gebukt onder de heilloze titel ‘De beste gedichten van Jotie T’Hooft’ —de brainstorm die dááraan voorafging, heeft op de uitgeverij waarschijnlijk tot vervroegde pensioneringen geleid, wie weet zelfs slachtoffers geëist. In zijn inleiding vindt Hugo Brems dat je Jotie T’Hooft op zijn werk en niet op zijn romantische mythe moet beoordelen. O ja, een ingewikkeld dichtersleven dat de optelsom is van problemen op scholen, druggebruik, ontwenningsklinieken, zelfmoordpogingen, een heropvoedingsgesticht en een opeenvolging van obscure baantjes, draagt veel te makkelijk bij tot clichématige mythologisering, vooral als de dichter dan ook nog een vroegtijdig graf vindt. Hoe redelijk dat ook mag klinken, toch zal hij voor mij, ik die net als Margaretha van Parma en Adriaan Brouwer bak een in Oudenaarde geboren provinciaaltje ben, altijd langer than life blij-ven: een inspirerende held met een engelengezicht, opgegroeid in een provinciestadje waar je, gezien de esprit de clocher, maar beter de dwergen niet boven het hoofd kon groeien.

‘Ik ontstond er: kleine granaat die nimmer tot ontploffing kwam en die men er duldt zoals de dorpsgek vroeger.’ (Uit ‘mijn geboortestad’)

Op 6 oktober 1977 zat ik rond de middag in de refter van de kunstschool die ik toen in de hoedanigheid van homo ludens bezocht. Ik was genoeglijk in gesprek met een thans beroemde soapactrice, die mij geanimeerd uitlegde hoe ze de nacht tevoren met een joodse jongen had doorgebracht; alsof ze ze zelf had uitgevoerd, wist ze me allerlei details over zijn circumcisie te vertellen. Die gezelligheid werd verstoord door een binnenstormende voordrachtkunstenares die over de radio had gehoord dat de dichter T’Hooft schielijk was overleden.

Eerst dacht ik: ‘Waar eros is, is thanatos nooit veraf, maar al snel voegde ik eraan toe: ‘Hij heeft de oversteek dan toch gewaagd’. Altijd al krasten er raven tussen zijn versregels, altijd al vond hij bleke botten en doodshoofden op zijn pad. Zijn hunker bleek geen theater te zijn.

Samen

Moeder, gij hebt mij moeizaam uitgespuwd

En van elk jaar de harde striem verdragen

Want mijn waaien was niet gauw geluwd

lk wou eerst in alle kieren klagen.

In uw hagelwit harnas gemetseld

Zijn wij samen door de tijd verwond

Die ons nimmer wilde dragen

En bittere lijnen kerfde rond de mond:

Of er een vrucht is van dat alles

Vraag ik mij niet langer af,

Maar ik probeer u te benaderen,

Nog even, voor het graf.

Ik ben op de koffie bij Rosa Bostijn, de moeder van de dichter. Zij betrekt een appartementje in één van de woontorens die rond de Gentse watersportbaan oprijzen. We hebben het over moederliefde die over het graf reikt.

ROSA BOSTIJN «lk draag Johans dood nog altijd met me mee, want het spreekt vanzelf dat het verlies van een kind aan je ziel blijft knagen. Dát gevoel raak je nooit meer kwijt. Het gemis: zodra je andermans kinderen ziet, voel je dat je een belangrijk deel van jezelf verloren hebt, onherroepelijk. Als mijn zusters over hun kleinkinderen praten, kan ik het haast niet aanhoren: ‘Hebben jullie echt niets anders om over te praten?’ denk ik dan. Op Johans verjaardag, of op de verjaardag van zijn sterfdag, ga ik naar zijn graf in Oudenaarde. Niet dat ik daar sta te janken, want dat gaat allang niet meer. En als ik ziek ben, kijk ik naar zijn foto die hoven m’n bed hangt: die foto is zodanig opgehangen dat het lijkt alsof hij mij aankijkt. In werkelijkheid kijkt hij naar een pasgeborene, maar die is er afgeknipt. Dan denk ik: ‘Kleine, ‘t is toch jammer dat je er niet meer bent, je had nog zoveel voor je moeder kunnen doen. Niemand wist beter dan ik dat zijn einde nabij was. Eigenlijk heb ik me vanaf het moment dat hij gestorven is met zijn dood verzoend, want op dat moment was ik al jaren voorbereid. Het lag in de lijn van de verwachtingen. Ik heb hem alles gepardonneerd, ik kon en kan hem nog steeds niets kwalijk nemen.

»Na zijn tweede zelfmoordpoging volgde ik hem overal als een kloek: ik sliep in een veldbed voor de deur van zijn slaapkamer: ‘Moeke, waarom lig jij hier?’ vroeg hij me toen. Ik antwoordde: ‘Om je te bewaken, jongen’, ‘Mij bewaken? Waarom?’ ‘Ik zei : ‘Omdat ik je graag zie, Johan’ Waarop hij antwoordde: ‘Ik heb je nog nooit verboden te leven, omdat ik weet dat je gráág leeft. Ik vind dus dat je mij niet mag verhinderen te sterven, want het liefst van al wil ik dood. Als je mij graag ziet, dan moet je mij laten sterven.»

HUMO Vond je dat redelijk?

ROSA BOSTIJN «Ja, nadat ik er goed over had nagedacht. Ik vond dat hij gelijk had. Ik heb toen midden in de nacht dat veldbed opgeplooid en ik ben in mijn eigen kamer gaan slapen. Niet dat ik opeens rustig was geworden, verre van, want ik heb nog vijf jaar op zijn dood gewacht, dag in dag uit hang om hem te verliezen, omdat ik iets aan hem had. Vijf jaar lang heb ik gedacht: nu, of nu eventueel, of misschien wel nu... Ergens zal hij wel geweten hebben dat hij het mocht doen, ergens hadden we een stilzwijgende afspraak. Pas op: ik vond het vreselijk, ik heb er nachten van wakker gelegen, maar aldoor ben ik blijven denken: ‘In feite heeft hij gelijk.’»

HUMO Je hebt ongetwijfeld pogingen gedaan om hem het leven als iets moois voor te stellen, of tenminste als iets dat de moeite van het beleven waard is?

ROSA BOSTIJN «Dat hebben mijn man en ik geprobeerd toen hij kleiner was, maar het maakte allemaal niets uit: het ging doodeenvoudig niet. Toen hij een jaar of zeven was kuierde hij elke dag een beetje in de tuin rond. ‘Kijk, Johan, krokusjes, ‘t is lente!’ Hij bekeek mij: Vind jij dat mooi? Ik niet: morgen liggen ze er al slap bij, klaar om dood te gaan: Een kind dat zoiets zegt! Ik vond het zo jammer, want ik kon werkelijk van die krokusjes genieten. Ik kan heel veel dingen mooi vinden, schoonheid zit voor mij overal. Neem nu die blauwe fles hier op tafel, met die sinaasappel ernaast: dat vind ik mooi. Had ik aan mijn kind gezegd: ‘Je moet eens kijken, Johan, hoe mooi; dan had hij vast gerepliceerd: ‘Die fles kan breken, die sinaasappel zal verschrompelen. Hij zag in alles de dood. Alle pogingen om hem van zulke gedachten af te brengen, waren vergeefs: opgewekte liedjes, een feest, het deed hem allemaal niks. Hij was altijd in zichzelf gekeerd. Hij speelde nooit in het midden van de kamer, maar altijd in een hoek. Ik heb hem eigenlijk nooit blij gezien.

»Toen hij een jaar of elf was, ben ik voor het eerst met hem naar een psychiater in Gent gegaan. Die man zei: ‘Mevrouw, ik kan hem iets geven waardoor zijn instelling totaal verandert: ‘Waarom moet ik veranderen?’ zei Johan meteen. Het alternatief was: elke woensdagmiddag drie uur lang met die psychiater gaan praten. Daar wou hij helemaal niets van horen: ‘Moeke, ik voel me goed zoals ik ben. En daar moest ik het mee doen.

»Eerst wou hij geen pillen, maar het duurde niet lang meer of hij ging op zoek naar middelen die hem eventjes blij konden maken. Dat dènk ik, tenminste. Hij wou pep: hij zette vijf koffiefilters op één kopje. Nu kun je zeggen: ‘Je bent een stomme moeder als je zulke dingen toelaat; wel, dan zeg je dat maar. Hij zei me dat hij moed wou verzamelen om voortdurend te werken en dingen te doen, maar dat het hem altijd weer aan die moed ontbrak. Zijn vader had het er bij hem namelijk ingepompt: als je hard werkt, krijg je vanzelf wel andere gedachten. Maar hij was liever niet bezig. Ik mag het eigenlijk niet hardop zeggen, want soms ben ik net zo.»

HUMO Je man zei in een HUMO-interview: ‘Veel van zijn talenten had Jotie van haar: van jou dus.

ROSA BOSTIJN «Misschien. Maar ik heb het nu over karaktertrekken: ik was thuis ook een eenling, nooit heb ik met mijn zussen gespeeld, ik zat altijd in een hoekje te dubben, Ik ben erg beïnvloedbaar door de maan ik werkte destijds als ontwerpster van ondergoed bij Femilux; bij volle maan konden ze me gewoon niet bijhouden, ik had het ene idee na het andere, maar zodra de maan begon af te nemen, zakte ik weg: dan werd ik landerig, en had ik er een week of veertien dagen geen zin meer in. Als ik Johan als kind gadesloeg, zag ik heel dikwijls mezelf. Ik heb me nooit aanvaard gevoeld door mijn omgeving, nog steeds niet. Johan was een enorm begaafde jongen, en zulke jongens vinden niet makkelijk hun draai: daar ben ik ondertussen wel achtergekomen. We leken op elkaar, met dat verschil dat ik nooit door de dood geobsedeerd ben geweest. Ik vond zijn verzameling dierenschedels luguber — wat moest zo’n kind met die schedels? Wat dacht het erbij ? — maar ik heb ze wèl voor hem afgekookt.»

HUMO ‘Vader hardhandig edelhert moeder niet aflatend Heelkruid in een tegeltuin van gefluister’ luidt de aanhef van het gedicht ‘Levensverhaal’. Jij was zijn niet aflatend heelkruid.

ROSA BOSTIJN «Ik heb Johan nooit als een moederskindje gezien, maar ik heb altijd onder een hoedje met dat kind gespeeld: daarin moet ik eerlijk zijn. Dat wordt mij nog vaak verweten, maar wat in hem omging, kon hij bij niemand anders kwijt: is dat niet wreed? En zeker, hij kon zijn moeder bespelen als een viool, en ik was al bij al gráág die viool. Ik geloof dat ik al het mogelijke voor hem heb gedaan. Toen hij moeilijkheden kreeg op school, heb ik altijd partij voor hem getrokken. Hij is eens uit het college gezet omdat hij z’n schedel had laten millimeteren. Ik vroeg me alleen maar af: ‘Is die jongen nu slecht omdat hij zich zo goed als kaal heeft laten scheren?’ Toen hij in Gent als intern in het Sint-Lievenscollege zat, liep hij mee in een mars ten bate van OXFAM; ondertussen liep hij als een herdershond langs de schapen en verkocht hij krantjes van Amada aan de deelnemers; hij kwam doodmoe terug op het college. Hij had z’n boekentas in de gang laten staan en bovendien was hij in een onopgemaakt bed gaan slapen. De prefect maakte hem wakker. De hele nacht heeft Johan moeten schrijven: ‘Een mens slaapt in een bed, een hond slaapt in een nest.’ Toen hij me dát vertelde, dacht ik: ‘Het is niet rechtvaardig, want die prefect ziet het idealisme van die jongen niet in. Dat hij moe was, was in die omstandigheden de normaalste zaak van de wereld, en ik wist wel zeker dat hij het goed meende als hij met mij over Don Helder Camara sprak. Maar: idealisten krijgen altijd slaag. Zo zit het toch?»

HUMO Op de duur brak hij, bepaald voortijdig, met de school. Maakte je je daar zorgen over?

ROSA BOSTIJN «Hij zal een jaar of zestien zijn geweest toen hij in Gent alleen ging wonen. Hij wou naar de kunstacademie, en daar heeft hij, uitpluizer als hij was, ongelofelijk voor gepleit: ‘Moe, jij had toch ook iets in verband met kunst willen studeren? Maar dat kon niet in jouw tijd. Waarom zou ik het dan niet mogen doen?’ Goed, zijn vader sprak erover met de apotheker en met de dokter en met si en Ia. Uiteindelijk mocht hij. Hij wou een ongemeubeld kot, wat mij zelf ook wel aantrok: dan kon ik de boel helpen inrichten. Twee dagen voor hij z’n toelatingsexamen moest doen, kreeg ik een bang voorgevoel: ik wist gewoon dat hij niet aan dat examen zou deelnemen. ‘Ga je weer zagen?’ vroeg mijn man toen ik over mijn voorgevoel begon. Enkele dagen later belde hij op: ‘Ik ben gebuisd, maar of ik nu studeer of ik ga werken, dat is voor jullie toch allemaal hetzelfde. Ik wist dat hij loog, ik was er zeker van dat hij niet had deelgenomen. Ik belde de academie op, en inderdaad. Maar de directeur zei me dat hij dat examen de volgende dag nog kon afleggen. Maar natuurlijk wou hij niet meer. Toen was ik echt kwaad, en heb ik hem gezegd: ‘Johan, nu kan ik je niet meer helpen. Maar de volgende dag stond ik alweer met een kommetje soep aan zijn deur. »

HUMO Kreeg je na zijn dood ooit met schuldgevoelens te kampen?

ROSA BOSTIJN «Nee, nooit. Daarom kan ik hier ook al die foto’s van hem verdragen. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik het anders had moeten aanpakken.»

HUMO Welke gedachte overwoog: dat je een bijzonder kind had of een moeilijk opvoedbaar kind?

ROSA BOSTIJN «Een moeilijk opvoedbaar kind. Ach, ik zal ook wel eens gedacht hebben dat hij geen kind als een ander was: toen hij zeven was las hij vlekkeloos gedichten voor, en dat raakte me. Een speciale jongen, dat is hij altijd geweest. Op een keer had hij m’n mauve nagellak gebruikt. Ik vroeg hem: ‘Waarom doé je dat nu ?’ ‘Waarom doe jij het?’ klonk het terstond. Ik:’ Omdat het bij m’n kleren past: Hij: ‘ Bij de mijne ook. Ik had hem kunnen dwingen die mauve nagellak op staande voet te verwijderen, maar dat heb ik niet gedaan. En ik heb er geen spijt van. lk heb altijd gezegd dat hij op het maatschappelijke vlak nooit iets zou voorstellen, maar ik voegde er aan toe: hij vindt dat niet nodig.»

HUMO Kon je hem straffen?

ROSA BOSTIJN «Straffen? Straf had geen zin. Ik kon wel erg kwaad worden als hij niet eerlijk was, maar sancties? Dat niet. Zijn vader scheurde zijn posters van Che Guevara en Jimi Hendrix woedend van de muur, of hij brak zijn platen, alsof dat zou helpen. Geweld helpt niet. Toen hij al aan de drugs was, heb ik hem wel gezegd: ‘Je komt thuis, en het eerste wat je doet is je hemdsmouwen oprollen. En als ik gaten zie, moet je me zeggen wat je gespoten hebt: Enfin, hij heeft het me ook altijd gezegd. Een eerlijk kind is het beste wat er is, maar met zo’n eerlijk kind heb je veel werk. Op een dag — Johan was een jaar of vijftien — zei hij bij mijn thuiskomst: “t Was de mooiste dag van mijn leven; ik heb met een meisje geslapen, en dan nog wel in mijn eigen huis, in mijn eigen bed!’ Ik stond versteld, zowel van datgene wat hij gedaan had, als van zijn eerlijkheid. ‘De ene begrijpt een boek vroeger dan de andere’, zei hij.»

Dichter Jotie T'Hooft (1956-1977). Beeld rv
Dichter Jotie T'Hooft (1956-1977).Beeld rv

HUMO Zulke dingen vertelde hij aan jou, maar niet aan z’n vader.

ROSA BOSTIJN «Neen, maar ik vertelde het aan zijn vader. Enfin, mijn zoon was voor alles te vroeg. Daar komt nog bij dat wij thuis doorgaans zwegen over vrijen en seks. Wij waren het soort mensen, een dorpsonderwijzer en zijn echtgenote, dat met zulke dingen niet te koop liep.

»Ik had maar één kind, en plots had ik er geen meer: dat was het moment waarop mijn leven eigenlijk ophield. ‘t Is onnatuurlijk om je kind zo vroeg te verliezen. Ik heb verdriet, maar geen wroeging. Ik besef nu dat ik geen doel meer heb in mijn leven. Johan zal ook wel geen doel hebben gehad. Zeggen dat een leven zonder kinderen de moeite niet waard is, is flauw. Dat weet ik wel. Maar niettemin denk ik dat wel eens.»

HUMO Wat doe je dan om toch nog een doel aan je leven te geven?

ROSA BOSTIJN «Wat ik ook zoek, alles is surrogaat. Er is maar één ding dat mij enigszins helpt: iets maken dat ik nog nooit eerder heb gemaakt. Handwerk, schilderen, tekenen: als ik daarmee bezig ben, denk ik aan niets en ben ik gelukkig. Die gans van ruitjesgoed die daar op de kast staat: een onnozele gans, maar ik kan werkelijk lang naar haar achterste zitten kijken. Ken jij ganzen?»

HUMO Een paar, maar ik noem geen namen.

ROSA BOSTIJN (lacht) «Goed. Dus zul je wel zien dat mijn gans een echt ganzegat heeft. Zo’n perfect ganzegat maken, dat geeft me voldoening. ‘Wat een mooi gat heeft ze toch!’ denk ik dan, en ik ben eventjes gelukkig. Ik moet mezelf moed inpraten, hè, want geen mens zal me zeggen: ‘Rosa, wat een mooi ganzegat heb jij daar gemaakt, zeg!’ Proberen aan iemand anders mee te delen wat je mooi vindt, is voor mij een probleem. Ook daarin herken ik Johan: hij zei : ‘Moe, weet jij voor wie mijn gedichten mooi zijn? Voor mij. En voor mij is dat ganzegat mooi.

»Mijn zoon heeft er ook voor gezorgd dat ik een andere kijk op burgerlijkheid kreeg. Mijn man begon me gaandeweg ook speciaal te vinden, veronderstel ik. Hij is zéér christelijk, op het dogmatische af zullen we maar zeggen. Ik ben gelovig en daarmee uit. Als zo’n man een zware klap krijgt, en zowel het leven als de dood van Johan dienden hem zware klappen toe, dan is hij kapot. Hij draagt nu een parka, wat vroeger onvoorstelbaar was, en hij draagt ook nog een halskettinkje waarvan hij denkt dat het aan Johan heeft toebehoord. ‘t Is een soort inhaal-manoeuvre, zeker?

»Mijn man en ik leven gescheiden, maar toch is hij, ondanks alles, de enige met wie ik over Johan kan praten. Ik denk er niet aan om een nieuwe relatie aan te gaan, ook al omdat ik zeker weet dat zo’n man mijn zoon nooit goed genoeg kan leren kennen. En wie mijn zoon niet kent, kent mij niet. Marcel, mijn man, zegt mij dat hij hier of daar iets over Johan heeft opgevangen dat hij nog niet wist, terwijl ik àlles over Johan weet. Op zijn kamer keek ik regelmatig in z’n dagboek. En daarin las ik dan bijvoorbeeld: ‘Boek van Timothy Leary gelezen’ Onmiddellijk ging ik dat boek kopen. Ik heb me altijd tegengedocumenteerd, kwestie van niet te zeveren als ik met hem over drugs discuteerde. Ik kocht ook boeken tegen drugs en de drugcultuur, puur om argumenten tegen mijn zoon te kunnen inbrengen.»

HUMO Je las dus zijn dagboek.

ROSA BOSTIJN «Het lag open en bloot op z’n kamer, bijna in de hoop dat ik het zou inkijken. Ik heb alles gelezen wat hij gelezen heeft. Over ‘De Steppenwolf van Hermann Hesse zei hij tegen zijn vader: ‘Va, als je dát gelezen hebt, zal je mij kennen.’ Hij was nog zo jong toen hij met dat boek kwam aandragen, te jong misschien om er de volle draagwijdte van te snappen. Ik las als bakvis ook boeken uit de bibliotheek van mijn vader: romans van Willem Putman, verboden boeken over maîtresses en tegen het geloof en zo, maar mij beïnvloedde dat allemaal niet. Johan ging helemaal in die boeken op... Op een dag zei hij me: ‘Moe, sleutel nooit aan je ziel, want anders ben je verloren, en ben je geen moe meer.’»

HUMO En dat had volgens jou iets te betekenen?

ROSA BOSTIJN «Jazeker, want als je te diep peutert... Nooit heb ik gedacht: ‘Wat weet die snotneus daar nu van?’ Hij klonk volwassen als hij met me sprak. Maar altijd, altijd, altijd hebben we gediscuteerd. ‘Zou je niet eens proberen gewoon te doen? Morgen bijvoorbeeld: eens een gewone broek en een gewoon overhemd aantrekken, en eens luisteren naar een plaatje van Will Tura.’ (lacht) Enfin, ik luisterde zelf ook niet naar Will Tura.»

HUMO Wat ging er door je heen toen je erachter kwam dat hij drugs gebruikte?

ROSA BOSTIJN «Ik heb het altijd geweten, al vanaf de eerste keer, toen hij met moeite veertien was. ‘t Is alsof je een vlieg hebt opgegeten: een smerige smaak. Je wordt er misselijk van: je wil die vlieg overgeven. Hij logeerde bij mijn moeder in Gent, en hij zeurde haar de oren van het hoofd om naar de film ‘Woodstock’ te mogen gaan, maar ja, wat wist dat mens daar nu van af? Dus belde ze me op: of hij naar de cinema mocht gaan, naar de matinee-voorstelling. Mijn man en ik hadden daar niets op tegen. Hij kwam pas om tien uur thuis, en mijn moeder belde me in paniek op: ‘Hij ziet er zeer slecht uit, en hij kan nauwelijks nog spreken.’ Hij was, vertelde hij me later, met een meisje dat hij in de cinema had ontmoet, meegegaan. In haar kamer hadden ze samen LSD genomen.

»Wat drugs betreft, was ik al lang op mijn qui-vive: voor dat voorval wist ik al dat hij in drugs geïnteresseerd was; toen hij naar het college in Oudenaarde ging, kregen we ‘s avonds eens een advocaat uit de streek op bezoek zijn vier kinderen gingen ook naar dat college. Hij wou niet binnenkomen, de zaak moest in de deuropening geregeld worden. Volgens hem had Johan drugs aan zijn zoon verkocht: iets om beter te kunnen studeren, had hij hen wijsgemaakt. Hij was een fantast, hè. ‘Ik laat het ontleden!’ riep die advocaat. Dat ‘middel’ bestond uit fijngestampte aspirine en librium of een andere calmant, die hij uit mijn beautycase had gehaald. Dat poeder had hij dan in papiertjes verpakt, en tegen twintig frank per stuk verkocht. Die affaire kreeg natuurlijk een staartje, waarschijnlijk omdat de advocaat ermee had gedreigd zijn kindéren uit het college weg te hale ; de superior zei: ‘Hij mag zijn jaar afmaken, maar na de vakantie moet hij niet meer terugkomen.’

»Zijn andere grootmoeder, zijn bomma, kwam uit Doornik. Ze had een broer die nog bij Dupuis had gewerkt, van wie ze alle albums van Spirou had gekregen; als kind al wou Johan dat ze hem keer op keer voorlas uit ‘Il y a un sorcier à la Champignac’, een verhaal waarin hallucinogene paddestoelen voorkomen. Toen hij acht was zei hij: ‘Als ik groot ben ga ik zulke paddestoelen zoeken, want er zit psilocybine in, dat zijn drugs van de natuur.’ En die fascinerende tovenaar uit die strip kon alles, álles. Ik zal het altijd blijven herhalen: het zat in die jongen gebakken. In ‘De Blauwe Lotus’ van Kuifje zie je een opiumkit: Johan kon er z’n ogen niet van afhouden.

»Soms zei hij: ‘Ik heb een vreetkick’ Ik zei: ‘Een vreetkick? Wat heb je nu weer ingenomen? Hij kreeg door die drugs enorm veel trek in zoetigheid, hij zou de taart helemaal zelf hebben opgegeten. Hij zou ze hebben verslonden! »

Jotie T'Hooft Beeld AMVC
Jotie T'HooftBeeld AMVC

HUMO Wou je op de duur niet zelf ervaren wat drugs konden teweegbrengen?

ROSA BOSTIJN «Op een keer was ik pannenkoeken voor Johan en zijn vrienden aan het bakken, en op een bepaald moment wou hij per se een pannenkoek voor mij bakken. Hij heeft er toen, zonder dat ik het merkte, iets in gedaan. Hasjiesj? Ik weet het niet. Die gasten lagen in elk geval dubbel van het lachen. Na een tijd zag ik overal gele accenten in de omgeving, alsof mijn blik uitsluitend naar de kleur geel werd toegezogen. ‘s Anderendaags zei Johan: ‘Zo, nu heb je het ook eens meegemaakt. Mooi, hè?’ Ik heb hem toen ook gevraagd: waarom mogen wij het dan niet dagelijks gebruiken? Ik wou drugs gebruiken op voorwaarde dat hij bij mij bleef. Niet mooi, hè, van een moeder? Ik wou weten wat hij erin zocht, maar hij zei: ‘Nee, moe, dat kun jij niet aan.’

»Hij mixte allerlei drugs, officiële en niet officiële. En hij heeft zeer veel captagon en amfetamines geslikt. Het merkwaardige is dat hij rustig bleef als hij onder de captagon zat; hij bleef roerloos zitten, nachtenlang, want slapen kon hij natuurlijk niet. Ik zei: Johan, denk eens om je hart en hij antwoordde dat hij zijn hart niet voelde.»

HUMO Als je nu aan hem denkt, hoe stel je je hem dan voor? Als kind?

ROSA BOSTIJN «Neen, in mijn gedachten heeft hij de leeftijd van toen hij stierf. Altijd heb ik voorvoeld dat er iets met hem aan de hand was... Die keer dat hij zijn polsen had overgesneden, wilde men hem in een psychiatrische kliniek laten opnemen. ‘Moe, dat ga je toch niet laten gebeuren, zeker?’ en weer trok ik partij voor hem: ik heb ervoor getekend dat hij met me mee mocht naar huis. Mijn man zei: ‘Ik blijf niet voor hem thuis’, waarop ik heb geantwoord: ‘Dat zal ik wel doen.’ Maar er hielp geen lievemoederen aan, hij was toen al verloren. Honderd keer heb ik hem gezegd : ‘Weet je wel dat het op een dag slecht met je zal aflopen als je die middelen blijft gebruiken?’ ‘Dat weet ik,’ zei hij, ‘maar dat risico neem ik erbij.’ Een tijdlang had hij een hoopgevende vertrouwensrelatie met een arts uit de streek, iemand die ook in het opvangcentrum De Sleutel werkte. Van hem kreeg hij capsules met een dosis stimul erin. Die dosissen namen gaandeweg af, maar dat had Johan snel in het snotje. Ach, ‘t was allemaal onbegonnen werk. Hoeveel paar schoenen heb ik voor hem niet gekocht? Hij verkocht ze voor drugs, en zei me dat hij ze aan een arme drommel had gegeven. Alsof ik dat na twee, drie keren nog zou geloven!

»Hij wou niet oud worden, en hij wou vooral niet lelijk worden. Hij was doodsbang dat zijn haar, door zijn druggebruik, zou uitvallen: hij waste het elke dag, hij wreef er zelfs elke dag een ei in. Hij wou wel doodgaan, maar niet aftakelen. Hij wou er niet als een junkie uitzien. En kinderen wou hij ook niet, omdat hij bang was dat ze door zijn druggebruik niet normaal zouden zijn.»

HUMO Op een dag trad hij halsoverkop in het huwelijk. Wat dacht je daarvan?

ROSA BOSTIJN «We waren net terug van een vakantie in Italië, toen hij ons dat meedeelde. ‘Maar Johan toch, wat ga je nu doen?’ ‘Ingrid is hulpeloos’, zei hij, ‘ik zal haar kunnen redden.’ — ‘Ga jij dat aankunnen, jongen?’ — ‘Laat mij het nog eens proberen.’ — ‘Ja, jongen, probeer dat ook maar eens.’ »

HUMO ln ‘Jotie T’Hooft, een dichtersleven’, een biografietje van Walter Nelissen, staat een foto waarop de jonge dichter zichzelf een spuit toedient. Kende je die foto?

ROSA BOSTON «Neen. Had ik hem gekend, dan had ik nooit gewild dat hij in dat boekje werd opgenomen. Als ik op de televisie iemand zie spuiten, zet ik het toestel onmiddellijk uit. Ik kan het gewoon niet aanzien.»

HUMO Heeft de dood van je zoon je kijk op de dood beïnvloed?

ROSA BOSTON «Ik besef nu heel goed dat ik voor niemand meer nodig hen. Wie zal er om me schreien? Niemand. Kijk maar naar die spreuk die daar aan de muur hang : ‘Beter hartelijkheid in het leven dan tranen na de dood’ Als ik dood ben: geen rouwadvertentie, geen doodsbrieven, geen bidprentjes. Ik heb geen adressenlijst klaarliggen.»

HUMO In enkele gedichten rekent Jotie T’Hooft af met de voor hem verstikkende sfeer van het provinciestadje Oudenaarde. Jij woont er inmiddels ook niet meer.

ROSA BOSTON «En als ik er occasioneel terugga, voel ik me slecht. Vroeger werd Johan er bekeken als iemand die voor niets wou deugen, ofwel was zijn haar te kort ofwel te lang, hij was een probleemgeval, een dichter godbetert! Maar hij was nog niet koud, of ze zetten hem al op een pedestal. Zijn kist heeft dágenlang bij ons thuis gestaan: dat heeft, behalve mijn familie, niemand geweten. Honderden mensen kwamen ons condoleren, maar nooit heb ik gezegd: zijn kist staat hier. Ik heet nog liever mijn tong af. Van al die mensen die toen bij mij over de vloer kwamen, heb ik, nu ik hier alleen woon, haast niemand meer teruggezien. Gelukkig is er nog mijn naaste familie en enkele goede vrienden.

»De plaatselijke boekhandelares wou eerst, schijnheilig-katholiek als ze is, Johans boeken niet verkopen. Hij was nog maar een dag dood, of er lagen al drie stapels in haar etalage. En nu wou ze ook nog dat de herdenking van Johan in haar boekenwinkel zou plaatsvinden. Ik heb onmiddellijk naar Manteau gebeld: ze had die mensen wijsgemaakt dat haar kinderen dikke vrienden van Johan waren geweest. Alsjeblieft, zeg! Wat voor kameraden had hij overigens? Toen hij veertien was kreeg hij een hersenvliesontsteking: niemand van zijn klasgenoten is hem in de kliniek komen bezoeken. Ik weet dat hem dat zeer deed, ik weet zelfs dat het hem geknakt heeft.

»Toen zijn eerste gedichtenbundel verscheen, was ik trots, zo trots als een moeder maar kan zijn, maar over dat gevoel kon ik niet niemand spreken. Ik kon het niet delen, want voor mijn omgeving bleef hij een deugniet en een nietsnut met lang haar, en mijn man was vooral sceptisch, zo van: ‘’t Is zottigheid’ Ik dacht hij mezelf: ‘Johan is toch een crack.’ Ik ben altijd zijn eerste lezeres geweest, ik heb altijd zijn manuscripten gekregen. Op een dag, toen ik me werkelijk heel, héél slecht voelde, heb ik ze in een opwelling verbrand. Alles, behalve ‘Poezebeest’. Ik hoef je niet te vertellen dat ik me daarna nog slechter voelde... Ik heb zijn poëzie van meet af aan au sérieux genomen; nooit heb ik gedacht: ‘t is kinderspel, ‘t is aanstellerij. Ik denk dat hij zich door mij verdedigd voelde. Ik ben nooit gaan kijken als hij ergens voorlas, en het toneelstuk ‘Junkieverdriet’ heb ik ook nooit gezien. Waarom zou ik? Ik kende hem beter dan iedereen. Ik zeg altijd: ‘Ik kon hem aan’ 0 ja, hij had z’n lelijke kanten, maar wat ik aan hem heb gehad, schat ik hoog. lk kan de miserie die ik met hem heb beleefd makkelijk overslaan, en dan herinner ik me die gelukkige momenten toen hij met mij aan tafel zat.

»Wat ik jammer vind, is dat hij niet gestorven is toen hij het wilde. Toen ik hem kort voor zijn dood zag, zei ik: ‘Johan, zeg dat het niet waar is, zeg dat het moment nog niet nabij is.’ Hij ging helemaal in het zwart gekleed en hij droeg zwartwitte schoenen. De droomkaros naderde. Hij wou niet met ons spreken, alleen maar zijn nieuwe gedichten voorlezen. Zijn vrouw zat er ook bij, en ik vroeg: ‘Ingrid, kun jij dat aan?’ “t Is Jotie, hè,’ zei ze giechelig. Toen gingen we naar huis, en hij zei: ‘Pak jij me nog eens vast, ik ga je niet meer vastpakken.’ Ik ben in de auto gestapt en heb tegen m’n man gezegd : ‘Marcel, ‘t is gedaan, we zullen hem nooit meer zien’. Enkele dagen later stierf hij in een kamer in Brugge, en niet in zijn zwartgeschilderde huis, waar alles in gereedheid was gebracht: overal witte bloemen. Hij wou zijn dood ensceneren, sterven met show om zo te zeggen, en ik vind het jammer dat dat hem niet vergund is geweest. Hij heeft zich zogezegd doodgespoten, volgens het gerechtelijk onderzoek althans, en dát uitgerekend in een tijd dat hij tamelijk clean was. Ik weet het niet...

»’t Was een kind dat niet tegen het leven op kon, hij was niet tegen de ruwheid van alledag bestand. In andere tijden, neem nu; in de tijd van Mozart, had men een jongen als Johan gekoesterd. Ze hadden hem een mooi kostuumpje aangetrokken, hem meegenomen naar het Hof, hem goed te eten gegeven. Ze hadden dat kind niet laten kapotgaan aan de harde wereld, ze hadden het in veiligheid gebracht, en met alle mogelijke zorgen omringd. Dat heb ik óok wel gedaan, maar toch heb ik hem laten sterven. Dat ik hem zijn zin heb laten doen, is mijn troost.

»Ach, die jongen moest al in de grond zitten om niet meer anders dan de anderen te zijn. We waren zijn lijk in Brugge gaan halen, maar in Oudenaarde mocht hij noch naar de kliniek noch naar het lijkenhuisje omdat hij niet in die stad gestorven was. De begrafenisondernemer zei : ‘Ik zal hem wel zolang in mijn magazijn zetten. Toen heb ik meteen gezegd: ‘Niks van, zet hem maar bij ‘mij thuis’, maar zijn kist kon niet binnen, we moesten eerst deuren losschroeven, en dan nog was het één en al gewring. Hij was wel dood, maar ik hoorde hem stommelen toen ze met die kist aan het manoeuvreren waren: dat was hard. En toen we hem naar het kerkhof brachten, bleken ze geen put voor hem te hebben gegraven. »

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234