Beeld Jelle Vermeersch

Kerstmis in de stuurcabineOnze Man denderde met truckers door de eindejaarsdagen

‘Je moet genoeg hebben aan jezelf. Anders word je gek van eenzaamheid achter het stuur’

Ik heb geen rijbewijs, auto’s vind je overal, behalve in mijn interessesfeer, en van vrachtwagens ken ik al helemaal niets. En toch trok ik in de laatste week van 2010, terwijl de halve wereld van Oud naar Nieuw slempte, de wereld van de veeltonners in. Tien dagen lang schooide ik langs autosnelwegen in de Benelux, Frankrijk en Italië bij vrachtwagenchauffeurs om een lift. Omdat ik wilde voelen hoe dat is: eenzaam rondkarren in een tijd dat iedereen thuis zit te feesten met zijn geliefden. Instappen!

(Eerder verschenen in Humo 3671 op 11 januari 2011)

Het is vrijdag 24 december, vijf uur ’s ochtends, en god, wat heeft de hemel weer aan witverlies geleden. Onder mijn voeten maakt een vers pak sneeuw gerucht – het is al lang geen knisperen meer, maar onverbloemd smakken. Ik haast me naar een kruispunt in Mechelen, waar Kenny Van Hoeylandt me in zijn camion zal laden. Kenny is 22, en werkt voor het transportbedrijf – specialiteit: meubelvervoer – van de ouders van zijn liefje. Hij helpt me aan m’n eerste rit, en zo komt het dat ik op dat godsgruwelijk vroeg uur op de passagierszetel van een ouwe Volvo-vrachtwagen plof. En twee salons en zes zetels door een witgekalkt landschap naar Nederland vervoer. De radio braakt onheilsberichten, onderweg zien we vrachtwagens in schaar staan, en zelf tuffen we met een povere vijftig kilometer per uur over de enige sneeuwvrije rijstrook. We brommen Brussel voorbij, Limburg door, en steken de grens met Nederland over – al is alles Alaska vandaag. Ik zie ijsbloemen op autoraampjes, een ingesneeuwd kerkhof waar alleen de toppen van de zerken zichtbaar zijn, en oude vrouwtjes die zich, beladen met zware tassen, door dat ellendige tapijt zuchten. Auto’s slippen, fietsers glijden, voetgangers schuiven. Zelf komen we ook even vast te zitten, bij de tweede levering van de ochtend, maar Kenny weet ons eruit te manoeuvreren. Een jeugddroom was het niet, maar mijn chauffeur heeft schik in zijn job. ‘Ik moet nooit buiten de Benelux. Elke avond slaap ik in m’n eigen bed. De romantiek van weken van huis zijn, die moet ik niet.’ 

KENNY «Als tiener was voetbal m’n grote passie. Ik speelde ook op een behoorlijk niveau – de jeugdreeksen van KV Mechelen en van OH Leuven, en later nog het eerste elftal van Kampenhout, toen nog in vierde klasse. Maar ik heb op een keer een zware enkelblessure opgelopen. De ligamenten waren op vier plaatsen gescheurd – kun je nagaan. Ik ben toen geopereerd door dokter Martens (drie weken geleden nog in Humo, red.). Al zou ik niet weten hoe die man eruitziet. Hij kwam aan toen ik al verdoofd was, en was weer weg toen ik wakker werd. Wel grappig: diezelfde dag nog las ik op Teletekst dat Martens om negen uur Kaka geopereerd had, om tien uur Ronaldo, en om elf uur Van Hoeylandt. Alleen hadden ze mij er niet bij vermeld (lacht). 

»En nu rij ik dus met een vrachtwagen. ’t Is zwoegen, soms, en het is vaak knap lastig om overal op tijd te zijn. Maar: ik doe het graag. Ik heb mezelf een stukje vrijheid gekocht.» 

VADER PRO FORMA 

Net boven Heerlen nemen we afscheid. Kenny gaat weer richting België, ik neem me voor om Nederland een stukje dieper in te liften. Al snel word ik opgepikt door Wouter (52), die een tankwagen met glycol bestuurt. Een ancien, zo blijkt, die me sympathiek en zelfverzekerd de ins en outs van het truckersleven doceert. 

WOUTER «Ik zit al 33 jaar in het vak. Nu maak ik nog tripjes van een week, maar vroeger zat ik echt op la longue route. Ritten naar Hongarije, Joegoslavië, Polen, Slowakije; drie tot vier weken onderweg: daar draaide ik m’n hand niet voor om. Ik werd in het Oostblok ontvangen als een koning. Daar was het Meneer De Chauffeur. Zeker ook omdat ik vaak met gevaarlijke stoffen reed: dan was je daar iemand. Dat is niet wederkerig gebleken: de chauffeurs uit het Oostblok zijn hier nu zowat de paria’s van de weg – daar zit toch iets onheus aan. 

»Elke chauffeur heeft z’n lievelingslanden. En bij mij zijn dat die uit het Oostblok. Ik rij nog liever achteruit naar Polen dan vooruit naar Spanje.» 

HUMO Hoe hou je dat vol, een leven op de baan? 

WOUTER «Je moet genoeg hebben aan jezelf. Anders word je gek van eenzaamheid. Ik bracht veel tijd door in de Oostbloklanden, en dus was ik wel verplicht om me over het taalprobleem heen te zetten, en me niet te laten kisten door de vervreemding die me daar weleens overviel. En dat was dan nog de tijd zonder internet en gsm, hè – voor contact met het thuisfront moest ik een telexje sturen. Een telex: weet de jeugd nu nog wat dat is?» 

HUMO Heeft je vrouw het niet moeilijk met die altijd uithuizige man? 

WOUTER «Het is nooit een punt geweest. ‘Ik stemde er mee in toen ik je ontmoette, en ik stem er nog steeds mee in,’ – da’s wat mijn vrouw me altijd zegt. We zijn bijna dertig jaar getrouwd, en nooit is er een conflict geweest. Maar ik zie het vaak bij collega’s, hoor, vrouwen die er onderdoor gaan. Omdat zij met de grote last opgezadeld zitten, hè: een huis dat aan kant moet, kinderen die opgevoed moeten worden. De stelregel die ik altijd gehuldigd heb: moeder is de baas. Ze is de baas wanneer ik er niet ben, en dus ook wanneer ik er wél ben. Ik kom niet binnenlopen als een haantje, ze moeten niet plots allemaal naar mij luisteren. En thuis zijn is thuis zijn: ik ga niet naar de kroeg, ik loop niet naar het voetbal. 

»Zonder thuis bestaat er geen leven on the road. Wie onderweg wil zijn, moet een plek hebben om naar terug te keren. Het grootste gevaar voor een chauffeur is een thuis waar het niet loopt. Want een chauffeur met zorgen is een slechte chauffeur.» 

HUMO Heb je kinderen? 

WOUTER «Drie. Slimme, evenwichtige mensen die hun weg vinden in het leven: ben ik trots op. Eén van m’n zonen is nu ook trucker. En meteen op het buitenland rijden, hè – helemaal z’n vader.» 

Wouter blijkt een modelchauffeur te zijn. Blijft altijd op een keurige afstand van zijn voorganger, voert geen ruwe inhaalmanoeuvres uit, en toont zich een heer in elk soort verkeer. Met zichtbaar genoegen filosofeert hij over het truckersbestaan. 

WOUTER «Je moet er niet flauw over doen: veel chauffeurs hebben eerst een andere job gehad, die ze op de één of andere manier kwijt zijn geraakt. En dan zijn ze het maar als trucker gaan proberen. Ik zie ook veel mensen die eerst op de binnenvaart gezeten hebben. Heb ik geen probleem mee, alleen: het duurt lang voor je een trucker bent. Het heeft te maken met praktische dingen – rijstijl, veiligheid, stiptheid – maar ook en vooral met de beestjes in je kop. Dat bijzondere soort eenzaamheid, de manier waarop je een beetje in je hoofd moet leven: dat leer je niet in een-twee-drie. Ik zie ook meteen aan iemand dat hij chauffeur is. Op de parkings langs de weg, in koffie-bars, in de routiers: ik haal ze er zo uit. Het is een ras apart, een speciaal volkje. 

»Ik merk dat bij veel collega’s de passie aan het verdampen is. En ik begrijp dat, want het wordt ons verdomd moeilijk gemaakt. De absurde reglementering van rust- en rijtijden, het verzadigde wegennet, de almaar klimmende tijdsdruk: de lol is er af. Maar ik blijf ze koesteren, die passie. Ik kan niet zonder die auto. Ik heb ooit enkele weken in een winkel gewerkt. Daar ben ik luid gillend weggerend: ik kon dat niet.» 

HUMO In al die jaren nooit een ongeval gehad? 

WOUTER «Eentje – een stevig wel. De auto van de andere partij was hoogstens nog bruikbaar als cabriolet in Afrika, en mijn dijbeen was doormidden. Tien dagen in een Pools ziekenhuis gelegen, vijf maanden moeten revalideren, maar daarna was ik meteen weer de baan op. Ik móét rijden.» 

En dan wordt Wouter even stil. Op de ring rond Eindhoven staat alles vast, maar hij bekijkt het zenuwachtige gehannes op de autosnelweg met geduldige blik. Nauwelijks hoorbaar zucht hij even, en dan rolt het eruit: waarom hij op z’n achttiende trucker werd. 

WOUTER «Het was die vader van me. Een gestudeerd type, een echte intellectueel die als student cum laudes verzamelde, en later geschiedenis ging doceren. En in één ruk diezelfde ambities op zijn zoon projecteerde. Nou, dat liep dus mis. Het voelde alsof ik in een intellectueel carcan zat, alsof ik de dromen van iemand anders moest waarmaken. Ik vond dat ik het recht had om zélf een levenspad te kiezen, ook als dat me toevallig niet langs rijen boekenkasten leidde. En tja, ik heb de school niet afgemaakt die mijn vader voor ogen had. Op m’n achttiende was ik die man zo zat, en was ik maar met één ding bezig: hoe raak ik zo snel mogelijk van hem af? Vrachtwagen-chauffeur worden bleek de ideale zet te zijn. Later, toen ik zelf kinderen kreeg, heb ik me verzoend met hem. Maar dat was pro forma, schone schijn, zodat mijn kinderen een grootvader zouden kennen. Maar eigenlijk heb ik nooit meer een vader gehad.» 

JOZEF IN WONDERLAND 

Wouter dropt me op een parking voorbij Eindhoven. Hij zwaait, en begint aan de laatste kilometers naar huis – hij voelt zich het kerstcadeau van zijn vrouw, die hem pas zaterdag verwacht. Op de parking sta ik twee uur te koukleumen. Ik bekijk het va-et-vient in het morsige winkeltje waar chauffeurs binnen en buiten waaien. Ze ogen gehaast, en daar is een logische verklaring voor: het gros van de truckers heeft de afgelopen dagen stilgestaan op Franse en Belgische wegen, en vecht nu om tijdig thuis te raken voor kerstavond. ‘Gekke Belg,’ gilt het winkelmeisje als ik haar mijn plan onthul. Terwijl ze me mijn kroket serveert, speelt er een combinatie van spot en medelijden in haar lachje. 

Ik versier uiteindelijk een korte lift richting Gorinchem. Het donker is intussen gevallen, en ik wil zo snel mogelijk een slaapplaats vinden. Voorzichtig peil ik bij de chauffeur naar mijn slaagkansen. Hij tuurt met slimme oogjes door de voorruit, fronst even en zegt dan: ‘nihil, jongen, nihil’. In het centrum van Gorinchem, een kouwig stadje waar God nog wat te zeggen heeft, acteer ik in mijn hoogstpersoonlijke versie van het kerstverhaal. Ik ben Jozef, met almaar uitdijende wanhoop op zoek naar een herberg. Weliswaar zonder Maria, maar een kniesoor die daarop let. 

Een hotel, een gastenkamer, een jeugdherberg: ik dool door Gorinchem zonder wat te vinden. De wind plukt aan mijn kleren, in mijn hoofd gaat een milde vorm van paniek wonen. Wanneer een vriendelijke man me de weg wijst naar een bed and breakfast, blijkt die vol te zitten. Ik word naar de rand van de stad gestuurd – geruchten doen de ronde dat daar een hotel zou zijn. Dat blijkt te kloppen, en die avond ben ik de enige gast in Hotel Gorinchem. De feestzaal, de bar en de keuken zijn verhuurd aan een stelletje van Marokkaanse origine dat vandaag getrouwd is. ‘Ze zijn allemaal zo prachtig gekleed,’ fluistert de receptioniste me toe terwijl ze haar verrukkelijke decolleté met een zedig handje bedekt. De keuken behoort vanavond integraal aan de koks van het bruidspaar toe, maar eventueel kan er wel iets kleins voor me bereid worden – ‘heeft meneer toevallig zin in een lekkere steak?’. En zo komt het dat ik in het geheel verlaten restaurant een sappig stuk vlees naar binnen speel, met uitzicht op de bar, waar het één wonderlijk gewemel is van lila, dieprode en gifgroene jurken, maatpakken, en gekamde snorren. 

Thuis heb ik ouders die zich aan de kerstdis installeren, een broer die een hele middag scampi van hun staart ontdaan heeft, een lief dat een lekker voorgerecht heeft gemaakt. Ik vier in m’n dooie eentje, met steak en wijn, en uitzicht op een Marokkaanse trouwpartij. En ik ben er innig tevreden mee. Een goed leven, bedenk ik, is een leven dat op verplaatsing geleid wordt.

Beeld Photo News

VAST IN LEUVEN 

Kerstdag. Ik besluit om van richting te veranderen, en weer zuidwaarts te trekken, maar er blijken nauwelijks vrachtwagens op de baan te zijn, en dus richt ik me noodgedwongen op personenwagens. Aan de oprit van de autosnelweg steek ik m’n duim omhoog, wring ik een beate glimlach op mijn lippen, en hoop. Het werkt: drie lifts brengen me van Gorinchem via Breda naar Rumst. En daar, zo besluit ik, zal ik mijn kerstmaal verorberen. Ik loop het wegrestaurant binnen, ga resoluut voor het koninginnenhapje, en krijg een extra bol puree – ‘want het is feest, niet?’. Een paar tafeltjes verder bladert een zakenman lusteloos in een krant. Een ouder koppel staart naar buiten, waar de lichtjes van de benzinepomp het snel invallende donker tegenhouden. En een in zichzelf gekeerde journalist komen spontaan enkele regels uit een desperaat kerstliedje van Mud aanwaaien. ‘It’ll be lonely this Christmas / Without you to hold / It’ll be lonely this Christmas / lonely and cold.’ 

Ik lift verder en word langs de autosnelweg in Leuven gedropt. Vol goeie moed probeer ik nog verder te raken, België uit, maar mijn geluk is op. Ik zie het almaar later worden, terwijl ik geen lift te pakken krijg, en mijn lichaam heftig protesteert tegen de vrieskou. Stuck in Leuven, verdomme. Of beter: in Heverlee-Zuid. De dolle ritten en de beklijvende gesprekken liggen binnen handbereik, de Côte d’Azur wenkt, maar die ene lift die me hier weghaalt, krijg ik niet te pakken. Bummer! Vrachtwagens zie ik al helemaal niet meer. De vierentwintiguurseconomie houdt klaarblijkelijk ook even haar adem in tijdens de feestdagen. Het is Kerstmis, en ik ben ernstig teleurgesteld in het kapitalisme. 

EEN LICHT HOOFD 

Iemand maakt me erop attent dat aan de overkant van de autosnelweg een hotel is. Ik neem er een kamer, en laat me vallen op het bed. De lakens kraken – niet van verse stijvigheid, wel van ouderdom. De bedsprei geurt naar korte nachten van tipsy zakenmannen, verlicht door de kreun van meisjes – al dan niet van plezier. En daar lig ik dan, met op televisie ‘The Sound of Music’, en in mijn hoofd een hamertje dat beukt. Morgen, beslis ik plech-tig, blaas ik de hele onderneming af. Genoeg gekkigheid. Maar kijk: de volgende ochtend heb ik verse moed gevonden, en loop ik zowaar meteen op een lift. Rafaël (38) rijdt met een uit de kluiten gewassen takelwagen – een minitruck, bedenk ik me – richting Waremme. Hij blijkt de onderdirecteur van de grootste takeldienst van Wallonië te zijn. 

RAFAEL «Maar ik ben ook een échte trucker geweest. Een tijdlang heb ik met zo’n grote oplegger rondgereden – soms was ik weken van huis. Ik was dol op dat nomadenbestaan. Die vrijheid on the road, dat heerlijke gevoel van overal een passant te zijn: ik bewaar er zoete herinneringen aan. 

»In principe moet ik nu niet meer de baan op, maar soms is de goesting gewoon te groot. Als ik het bureau beu ben, ga ik zélf takelen. Onderweg zijn bezorgt me een licht hoofd. 

»Geweldig, trouwens, die onderneming van je!»

HUMO Meen je dat? 

RAFAEL «Natuurlijk! Op m’n achttiende ben ik zelf van Luik naar Rome gelift, met een rugzak die groter was dan mezelf. En ja, dan zijn er mensen die je gek verklaren. Maar lui die dagelijks naar hetzelfde bureau sjokken, die vind ík gek. Ik heb een hekel aan alles wat naar structuur, saaiheid en veiligheid ruikt. Je mag je leven niet laten vastlopen. Nooit eens iets bizar doen: ik kan het me niet voorstellen.» 

Rafaël heeft Italiaanse roots. Zijn grootvader immigreerde naar België om er in de mijnen te werken. 

RAFAEL «En zelf ben ik een echte Luikenaar. ’t Is een joviale, vriendelijke stad. Je komt bij de bakker binnen met een stomme mop, en iedereen gaat plat. Dat zou niet werken in pakweg Luxemburg – daar zijn de mensen wat afstandelijker. Nu goed, dat zijn maar oppervlakkige indrukken. Want krab dat eerste laagje weg, en de mens is gewoon de mens. 

»Mijn vader gaat nog elke zomer terug naar Italië. Maar hij is ondertussen stokoud, kan niet meer autorijden, en dus breng ik hem. Dan neem ik ginder het vliegtuig terug naar België, om weer terug te vliegen wanneer-ie klaar is met zijn vakantie, en hem dan met de auto naar België te brengen.» 

Ik kan het prima vinden met Rafaël. We komen bijna aan in Waremme als ik hem vertel dat ik journalist ben. 

RAFAEL «Dat treft, want ik ben ook een schrijver! Ik heb een roman van zevenhonderd pagina’s geschreven – sociologische sciencefiction noem ik het. Mijn vrouw heeft het naar een uitgeverij gestuurd, maar daar vonden ze het te dik. En ze vroegen me of ik geen historische roman over Luik wilde schrijven. Maar het vlot niet: ik schrijf niet graag in opdracht. En eigenlijk ben ik helemaal niet uit op publicatie. Schrijven – of liedjes maken, want dat doe ik ook – is pure ontspanning voor mij. Een licht hoofd hebben. Ja, daar draait het allemaal om: een licht hoofd hebben.» 

Van Waremme spring ik naar Sprimont, met dank aan een man die in het asielcentrum van Stoumont werkt, en daar – er is een relletje uitgebroken – de boite moet gaan kalmeren. Negentien jaar doet hij dat werk al, en het liefst kapt hij er vandaag nog mee. ‘Ik ben moe. Het liefst zou ik op een postkantoor van negen tot vijf stempels zetten op enveloppen.’ Zijn vrouw heeft hem net verlaten, na een huwelijk van 25 jaar, en hij is achtergebleven met de drie kinderen. ‘Et voilà: je hebt een ongelukkige mens getroffen.’ 

Mohammed (33), een knappe vent van Marokkaanse origine met zwart, krullend haar, brengt me het opbeurend nieuws waar ik nood aan heb: zijn vrouw is voor het eerst zwanger. Hij rijdt me van Sprimont naar Luxemburg, waar hij werkt in de financiële sector. ‘Comfortabel, omdat iederéén daar allochtoon is. In België moet er toch altijd weer een label op: Vlaming, Waal of Brusselaar, autochtoon of allochtoon. Dat vind ik vermoeiend.’

We praten het anderhalf uur tussen Sprimont en Luxemburg vlotjes vol, en het spijt me oprecht wanneer ik afscheid moet nemen. Op de grote aire van Luxemburg voel ik mijn lichaam vollopen met euforie. Ik ben uit België weg, en straks is het tien uur – dan mogen de vrachtwagens Frankrijk weer in, en kan ik dus opnieuw op zoek naar een camionneur. Maar eerst wat te eten. En daar schuif ik aan, alleen maar met een tophumeur, tussen toeristen, truckers en zakenlui, in de eeuwige transitzone langs de autosnelweg. Tweede kerstdag, en ik zit domweg gelukkig te wezen in een Luxemburgs wegrestaurant. 

Auto’s slippen, fietsers glijden, voetgangers schuiven, maar Kenny manoeuvreert zijn truck probleemloos door de sneeuw. ‘Ik heb mezelf een stukje vrijheid gekocht.’Beeld Photo News

ABORTUSWEG 

‘En dan weer een lift. Praten. Maar deze man vertelt iets. (...) Omdat hij me niet kent. Hij rijdt door en ik blijf staan. Waarom zou hij het niet vertellen, ik ben maar een voorbijganger, en het lucht hem op.’ Die zinnen lees ik in ‘Philip en de anderen’, de debuutroman van Cees Nooteboom, uit 1955. Ze blijken perfect van toepassing op Patrick (49), een Belgische trucker die me maar wat graag meeneemt, een eind Frankrijk in. 

PATRICK «Ik ben begonnen in de vleeshandel – inclusief het uitbenen van karkassen. Ze hadden daar ook vrachtwagens waarmee het vlees vervoerd werd, en al snel zat ik aan het stuur. En nu kan ik me geen leven meer voorstellen zonder die camion. Altijd alleen op weg, ja. Truckers koesteren hun eenzaamheid, geloof ik. Ze bestaan, hoor, chauffeurs die in duo opereren. Maar dan moet je elkaar wel héél goed verstaan. Ik ben nogal gehecht aan mijn eigen ritme van rijden, stoppen, rusten en eten. Ik hou van alleen zijn, ik ben graag m’n eigen baas. 

»Ik doe het ook nog steeds zonder gps. Er gaat niets boven zo’n lekker ouderwetse wegenkaart. En als ik een plek echt niet vind, vraag ik het gewoon aan de mensen – zo leer ik nog ’s iemand kennen.» 

De sneeuwellende van België ligt definitief achter ons: de wegen in Frankrijk zijn perfect berijdbaar. 

PATRICK «Buitenlandse chauffeurs klagen altijd over de kwaliteit van de Belgische wegen, en terecht. De E313 tussen Antwerpen en Luik is een miserabel stuk asfalt – we noemen ’m al jaren de abortusweg.» 

HUMO Hoe sta jij tegenover de invasie van karig betaalde chauffeurs uit het Oostblok? 

PATRICK «Als ze iets van hun loon willen overhouden, mogen ze nauwelijks wat uitgeven. En dus brengen ze zoveel mogelijk eten van thuis mee. En dan zitten ze daar, naast hun camion, hun prak warm te maken op een gasvuurtje. Ook bij min tien – dan wil ik weleens medelijden krijgen. Maar zet vijf van die Polen bij elkaar, en het is feest: dan vloeit de wodka.» 

De autoroute glijdt onder ons door, we gedragen ons als de koningen van de nacht. Op de radio zingt Oasis ‘Wonderwall’, het anthem uit mijn kindertijd dat ik maar niet beu raak. En ik vraag Patrick wat het gekste is dat hij ooit gedaan heeft. 

PATRICK «Ik heb vijf jaar in Oostende gewoond. Het plan was om één dag naar zee te gaan, maar ik ben er blijven plakken. Hoe gaat dat: je hebt wat pintjes uit, je leert in het casino een croupier kennen, en voor je ’t weet huur je van hem een kamer. Zo werd één dag al snel vijf jaar.» 

’t Is een vrolijke jongen, Patrick, maar bijna vijf decennia volgestopt met leven hebben ook hun littekens achtergelaten. 

PATRICK «Ik heb twee kinderen – een dochter van 27, en eentje van 13. En dan is er nog eentje gestorven toen ze vijf was. (Stil) Kanker: een smeerlap van een ziekte. De medische wereld kan al veel, maar lang nog niet alles. En voor haar was er geen hoop. Zo’n onschuldig kind van vijf jaar dat wegteert door kanker, en jij die niets kunt doen: dat is van een schreeuwende onrechtvaardigheid. Dat is... Je krijgt dat niet in woorden gezegd.» 

Het is twee uur ’s nachts wanneer Patrick me in Beaune afzet, ergens tussen Dijon en Lyon. Ik neem afscheid van een camionneur die bloost van contentement. 

PATRICK «Ik ben maar tot m’n vijftiende naar school geweest, maar daar heb ik nooit spijt van gehad. Wat ik wilde leren, heb ik onderweg geleerd. Ik ben een plantrekker.» 

En hij waarschuwt me nog: dat ik straks, wanneer 2010 2011 wordt, vast zal komen te zitten, wegens geen truckers toegestaan op de snelweg. 

PATRICK «Eén keertje was ik zelf niet thuisgeraakt op Oudjaar. Om middernacht heb ik toen een blik kreeftensoep opengedraaid en warmgemaakt, en in m’n eentje opgeslobberd. Vrolijk was het allemaal niet, maar ik had toch maar mooi kreeftensoep gegeten.» 

ZEG NIET TE GAUW... 

En dan neemt mijn reis een onverwachte wending. De volgende dag daal ik niet verder in Frankrijk af, maar ga ik weer naar boven – richting Parijs. Ik heb er een goeie reden voor: op de parking in Beaune maak ik kennis met een chauffeuse. Sylvie (49) vervoert een corrosieve vloeistof, wat maakt dat het strikt verboden is om iemand mee te nemen. Maar ik mag instappen – ‘op eigen risico’. Boven haar cabine spellen grote letters de naam CHRISTOPHE. 

HUMO Je man! 

SYLVIE (verslikt zich) «Mijn baas, ja! Maar binnenkort is het misverstand weggewerkt: mijn kinderen hebben me een bordje cadeau gedaan met daarop ‘Je ne m’appelle pas Christophe’ (lacht).» 

HUMO Je bent de eerste vrouwelijke trucker die ik tegenkom. 

SYLVIE «En een échte vrouw, hè – in de zomer draag ik gewoon rokjes. 

»Ik ben een uitzondering: je ziet nauwelijks vrouwen in de truckerswereld. Veel van mijn mannelijke collega’s kennen me, en allemaal zijn ze bezorgd. Dat apprecieer ik, uiteraard, maar ik krijg de kriebels als mensen me vragen of dat niet erg is, als vrouw zo lang van huis weg zijn. Waarom zou dat voor een vrouw erger zijn dan voor een man?» 

HUMO Nog op vooroordelen gestoten? 

SYLVIE «Toch wel. Ik ging ’s leveren in een klein dorpje, en daar moest ik even wachten tot de slagboom van het fabrieksterrein omhooggehaald werd. Achter mij moest een man in een auto dus wat geduld oefenen, en die werd daar behoorlijk kregelig van. ‘Typisch, een vrouw achter het stuur,’ riep hij. Waarop ik gedecideerd op hem toestapte, hem mijn sleutel gaf, en zei: ‘Voilà, parkeer jij de camion daar maar’. Die had plots veel minder praat (giert het uit).» 

HUMO Ik kan me toch niet voorstellen dat het een kinderdroom was, met een vrachtwagen rijden. 

SYLVIE «O, toch wel. Al op m’n zestiende wist ik: ik word trucker. M’n moeder verafschuwde dat idee – zij zag haar dochter liever iets vrouwelijks doen. Secretaresse, of verpleegster. Uiteindelijk heb ik een hoop verschillende stielen gehad, altijd heel mannelijke jobs. En toen mijn kinderen volwassen waren, ben ik alsnog voor de grote droom gegaan. Ik belde mijn vader, en zei hem dat ik een nieuwe baan had. ‘Ik geloof dat ik het al weet,’ reageerde die. ‘Je wordt trucker.’ En hij had gelijk.» 

Sylvie is aangenaam gezelschap: ze schreeuwt haar joie de vivre uit, laat haar aanstekelijke schaterlach galmen, en voert hilarische discussies met la blonde – haar gps. Het regent anekdotes, over bokkige gendarmes, een eend die de voorruit verbrijzelt, en doodziek achter het stuur zitten. 

SYLVIE «Ik heb me al geërgerd en kwaad gemaakt, ik sakker en ik vloek. Maar me vervelen? Geen seconde. Ik ben graag onderweg, zo simpel is het. Passeer ik voor de honderdste keer op een plek, dan zal ik in het landschap toch nog wat nieuws ontdekken. En in mijn hoofd is het altijd feest. 

»Het meest hou ik van de lange ritten. Ik heb ooit de korte afstanden gedaan – elke avond netjes thuis. Na tien dagen al eiste ik dat ik weer la longue route mocht doen. ‘Anders pleeg ik zelfmoord! (lacht)’» 

Patrick: 'Soms heb ik medelijden met de karig betaalde chauffeurs uit het Oostblok, zeker wanneer ze bij min tien graden naast hun camion hun eten opwarmen op een gasvuurtje.' Beeld Jelle Vermeersch

SOLDAAT IN TSJAAD 

Parijs, majestueus tochtgat voor romantici. Maar op dinsdag blijkt het ook een plek te zijn waar een mens niet wegraakt. De hele dag loop ik te ijsberen over een parking, maar niemand die me wil, kan of mag meenemen. Ik ontdek het truttige kantje aan reizen via autostop: je bédelt, je biedt jezelf aan op een presenteerblaadje, en een eenvoudig non snijdt dan als een brutale afwijzing in je vel. Maar mijn koppigheid wint het van mijn moedeloosheid, en laat op de avond stoot ik op een koket klein mannetje met een snor. LoupLoup wil gerust mijn compagnon zijn tot in Roanne – een flinke tocht zuidwaarts is dat. Zijn stopwoordje is ah oui

HUMO LoupLoup? 

LOUPLOUP «Een bijnaam, omdat ik gek ben op wolven – en bij uitbreiding op alle andere hond- en kat-achtigen.» 

Hij blijkt al een brokkelig levensparcours achter de rug te hebben. Spectaculairste episode: de periode waarin hij in de burgeroorlog van Tsjaad vocht. 

LOUPLOUP «Drie jaar, met het Franse leger. Ik heb mensen gedood, ja. Daar kan je niet omheen, als soldaat in oorlog. Ik wist ook alles van wapens. Hoe je het best een mitrailleur hanteert, wanneer je een granaat moet gebruiken, hoe je je hachje redt terwijl de kogels om je oren fluiten. Eigenlijk was het een fantastische tijd. Ik heb me nooit rijker gevoeld dan toen. Het was: opwinding. Vrijheid. Het gevoel dat je leeft. Ah oui.» 

HUMO Maar daarna kwam dus de vrachtwagen? 

LOUPLOUP «In het begin van mijn truckerscarrière was ik soms tot drie maanden van huis. Ah oui. Vond ik fantastisch: het was het echte leven. Maar toen heb ik een vrouw ontmoet. Toujours les femmes, hè

»Ik hou nog altijd van de job, maar toch ga ik dit niet m’n hele leven blijven doen. De tijdsdruk is moordend. En ik heb nood aan rust. De dag dat ik genoeg verdiend heb, wijd ik me aan mijn dieren. Ik heb thuis zowat alles zitten – katten, zeldzame rashonden, zelfs twee wolven. Mijn vrouw is instructrice: zij richt die dieren af.» 

LoupLoup toont zich meermaals kwaad en opstandig, roept boos uit dat er geen vissen meer in de zee zitten, dat president Sarkozy een con is, en dat les Arabes niet deugen. En toch heeft hij een ontroerende filosofie van de schoonheid ontwikkeld, dit gekke mannetje met zijn puppy-ogen. 

LOUPLOUP «Overal zie ik schoonheid. Ik slaag er simpelweg niet in om een plek lelijk te vinden. Je moet soms goed zoeken, dat is waar, maar altijd is er wat te vinden.» 

Ik deel zijn filosofie, besef ik. Want al die inwisselbare truckerscabines, die ellenlange repen asfalt waarop ik nu al dagen vervoerd word, de sjofele wegrestaurants, de motels, de haastig neergepote baanwinkeltjes: ik kan ze onmogelijk lelijk vinden, die plekken waar elke dag honderden levens elkaar kruisen. 

DE ANTIQUAIR

 In Roanne vind ik de volgende dag geen truckersparking, en dus moet ik het weer op de ouderwetse manier doen: de duim omhoog. Ik word het slachtoffer van de klassieke liftersgrap – een eindje verder stoppen, de lifter wenken, en als die gretig richting de auto loopt: keihard wegsjezen – en moet een lift weigeren van een mooi meisje dat – helaas! – helemaal de andere kant op moet. Een jonge student laat me instappen – ik kan mee tot in Lyon. 

Daar breekt het weer: het gros van de truckers dat er stopt, gooit de gordijntjes van de cabine dicht en gaat slapen. En opnieuw komt mijn redding pas ’s avonds laat. Het is al bijna middernacht als ik Christian aanspreek, een deftig heerschap dat zijn auto komt voltanken. Of ik met hem meekan? Dat kan zeker, maar hij gaat wel naar Turijn, om er eindejaar te vieren met vrienden. Christian blijkt een antiquair te zijn, en dat is niet de enige reden waarom ik voortdurend aan Jean-Pierre moet denken, de stuurse womanizer aan wie Herbert Flack ooit gestalte gaf in ‘Thuis’. Ik hoop alleen dat Christian minder drankzuchtig is, en wat bescheidener van borsthaar is. Hij blijkt een nerveuze, warrige man die altijd – ook tijdens het autorijden – met zeven dingen tegelijk bezig is. Hij stelt vragen, maar tot een echt gesprek komen we niet. Aan zijn onorthodoxe rijstijl wen ik snel, maar ik krijg het erg benauwd wanneer hij zichtbaar moe wordt. We zijn de tunnel van Fréjus door, en dus de grens over, als hij de wagen even aan de kant van de weg zet om wat frisse lucht op te snuiven. We stappen uit in een imposant decor van kwaaie, besneeuwde alpen. De kou zet zich op elk spiertje in mijn lijf. Het is muisstil en aardedonker, en plots weet ik het zeker: dit is de plek waar Christian-de-antiquair zijn roestig vijltje zal bovenhalen om er ongenadig mijn testikels mee bij te werken. Gelukkig: hij stapt alweer in, en een uur later ben ik veilig en zonder enig lichamelijk letsel in Turijn. 

TURKS NIEUWJAAR 

De twee volgende dagen – 30 en 31 december – breng ik door in Absurdistan. Op een parking net buiten Turijn probeer ik wanhopig een lift te scoren. Maar met de jaarwisseling in zicht blijven de meeste trucks op stal. Bovendien blijkt liften verboden in Italië, en zijn de locals er allemaal drietalig – ze spreken Italiaans, Italiaans en Italiaans. En zo besteed ik de laatste twee dagen van het jaar aan rondlummelen op de parking van een luizig Italiaans benzinestation. Er is de krakkemikkige pizzeria waar een eenzame gokker geen seconde van zijn speelautomaat wijkt. Er is het nabijgelegen industrieterrein, waar de activiteit zachtjes uitdooft. En er is het gezelschap van een groepje Turkse truckers, dat hier ook nog minstens tot na Nieuwjaar staat, wachtend op een nieuwe opdracht. We voeren diepzinnige gesprekken in gebarentaal. 

Af en toe zie ik auto’s de parking oprijden waar de Turken met hun trucks staan. Een Roemeense chauffeur die hier ook gestrand is, bevestigt dat het is wat ik denk dat het is: hij maakt het internationaal erkende fellatio-gebaar. Toch nog een vrolijk Nieuwjaar dus voor mijn Turkse vrienden. En dan is het 31 december, en haast de klok zich richting middernacht. In het goedkope autosnelweghotel waar ik slaap, haal ik flesjes prosecco uit de minibar. Ik haast me naar de parking, waar ik de gestrande chauffeurs wil trakteren. Helaas: de gordijntjes zijn al dicht. Enkele kilometers verder, in de stad, knalt het vuurwerk. Daar sta ik dan. Alleen, in Italië, op een anonieme parking langs de autosnelweg, terwijl de temperatuur weer onder nul zakt. Ik wens mezelf een gelukkig nieuwjaar, drink een flesje prosecco leeg, en dan is er plots een onverwachte, overrompelende euforie. Het gevoel dat elke trucker me beschreven heeft: het geluk van onderweg te zijn.

Een dag later haast ik me weer naar België. Om geen tijd meer te verliezen neem ik de trein. Vanuit Turijn wil ik naar Zwitserland, en dus neem ik de trein naar Genève – in het station aangeduid als Genova. Misschien had ik onraad moeten ruiken toen die internationale rit slechts negen euro bleek te kosten, of toen ik merkte dat er geen Zwitsers bij de passagiers waren. Maar zeker toen bij aankomst de naam van de stad nog steeds in het Ita-liaans gespeld werd. Of misschien had ik gewoon moeten wéten dat Genova Genua is, en niet Genève. Ik lach hartelijk om mijn blunder, en reis van Genua naar Milaan, en van Milaan naar Zürich, en van Zurich naar Brussel. En dan kom ik thuis met stramme spieren, en een korf herinneringen. En zeg ik, tegen niemand in het bijzonder: later, als ik groot ben en een rijbewijs heb, word ik truckchauffeur.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234