null Beeld Gie Knaeps
Beeld Gie Knaeps

95 JAARGASTON BERGHMANS

‘Leo is twaalf jaar geleden gestorven, maar hij staat of zit nog elke dag naast mij’

Op 11 maart zou Gaston Berghmans zijn vijfennegentigste verjaardag vieren. Hij overleed op 21 mei 2016). Naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag sprak hij met Humo. Herlees hier het interview.

Vele generaties hebben zich de afgelopen halve eeuw al dan niet slap gelachen om zijn fratsen, een een paar van zijn sketches zijn zo legendarisch dat ze een vast onderdeel van ons Cultureel Erfgoed zijn geworden. 'Joske Vermeulen, Trammesantlei 122, Schoten': welk ander volk kan bogen op een adres waarvan de simpele vermelding al tot lachen leidt?

(Verschenen in Humo 3418 in maart 2006)

Sinds enige tijd werkt Gaston hard aan zijn memoires,waarin de meest heuglijke momenten uit zijn leven en zijn carrière de revue zullen passeren; maar voor Humo tastte hij nog een laagje dieper. Kom nader en schuif bij, en geniet mee hoe Gaston Berghmans in dit eerste deel zijn kinderjaren en de mensen met wie hij ze deelde feilloos tot leven wekt.

GASTON BERGHMANS «Ik ben geboren op 11 maart 1926 aan het Sint-Franciscusplein, in het hartje van Merksem. Daar staat elke dinsdag sinds mensenheugenis de markt. Het plein geeft uit op de Bredabaan, wij hebben trouwens altijd in zijstraten van de Bredabaan gewoond.»

HUMO Nu nog trouwens. Loopt de Bredabaan als een slagader door uw leven?

GASTON (trots) « De Bredabaan is de langste winkelstraat van België. In mijnmijn kindertijd, 75 jaar geleden, was ze al even breed als nu. Tram 3 reed er al, in het begin was dat nog een stoomtrammeke. Er waren toen al veel magnifieke winkels. En al die winkels marcheerden hé! Middenstanders waren toen rijke mensen.Lederwinkels, grote kruidenierszaken... Ik had er enkele vrienden, oelala! Ik ging naar school in de Annunciatenstraat, bij de nonnekes. De Annunciaten waren de schoonste nonnen die ik ooit gezien heb. Een schoon grijs kleed met een strakke witte kap met klep rond hun gezichtjes. En daarover een zwarte sluier. En over dat grijs kleed hadden ze een rode stola die tot op de grond hing, en rond hun middel een gouden koord. Prachtig.

»Wat later zijn we naar de Doelhofstraat verhuisd. Een klein huizeke.

»Mijn ouders hadden twee kinderen: ik en mijn zus Paula. Paula is vier jaar jonger, ze woont al van '59 in Amerika.

»Mijn vader heette Alexander, iedereen zei Sander. Hij was zelfstandig diamantslijper, maar toen er minder werk was is hij voor De Welvaart (winkelketen van de christelijke vakbond, ch) beginnen rijden als chauffeur-bevoorrader. Ik was toen een jaar of zeven. Mijn vader klopte veel uren. Hij vertrok rond een uur of vijf 's ochtends en was soms pas terug een stuk na middernacht. Ik heb geweten dat, als ik's nachts opstond om beneden naar de koer te gaan, mijn vader in de zetel lag te slapen, in zijn onderhemd. Hij vond het dan de moeite niet meer om nog naar boven te gaan en zijn nachthemd aan te trekken.

»Hij had een kwaaie job, maar door de vele uren had hij een redelijk loon. Mijn vader was nen hiële staarke mens, echt een héle sterke. Ze waren eens met de chauffeurs van De Welvaart een wedstrijdje aan het doen in pakken suiker tillen. Die suiker moest via de trap op de eerste verdieping van hetdepot gestockeerd worden. In elk pak zaten tien dozen klontjessuiker en elk pak woog 10 kilo. Ze wilden eens testen wie de hoogste stapel zonder omvallen naar boven kon brengen. Er was er één die zo negen dozen opeengestapeld had, 90 kilo, en die stak zijn vingers daaronder en die hefte dat met veel gekreun op. Toen zagen ze mijn vader. 'Ah de Saander, wadist, godd' oek is probeire?' 'Ja,' zei mijn vader 'on hoeveul zittal?' De Frans Vleugels, een vent als een boom, zei: 'Aan negen pakken.' Mijn vader was niet zo groot maar stevig, ne kloemp. Hij zei 'Zet er eens elf opeen.' Awel, dat was iets van niks! Die stak zijn vingers daaronder en hop, 110 kilo, en hij droeg die naar boven hé.

»Mijn moeder ging helpen in de slagerij van haar zus, tante Jet, op de Bredabaan. Charcuterie Klessens-Weyns. Een zaak waar ze zelfs van Schoten en Schilde naartoe kwamen omdat ze zo’n fijne charcuterie hadden.»

HUMO Wilde dat zeggen dat u thuis geregeld een mooi stuk vlees op uw bord kreeg?

GASTON «Natuurlijk. Mijn moeder kwam ook regelmatig met een zak vol charcuterie thuis. De overschotjes van gerookt vlees en ham, mor goei marchandies zenne!»

HUMO Wat was als kind uw favoriete dagelijks kost?

GASTON «Bruine suiker op de boterham en choco. Enkele huizen voorbij het onze was er een klein kruidenierswinkeltje en het madammeke dat daarin stond was heel vriendelijk en ze had enorme borsten; ze had ook een diep decolleté. En daar ging ik altijd de Chocolip halen. Ik heb later nog dikwijls naar Chocolip gezocht maar het nooit meer gevonden. Dat was een wit dozeke met donkerbruine letters. Da was goeie choco, joenge! En die was een beetje vloeibaar, die golfde zó van je mes dik op je boterham.

»En een stuk sjokkelat bij mijn boterham, Jacques en Meurisse, een Peretteke... Dat werd in Antwerpen gemaakt. In die tijd kostte zo’n stuk sjokkelat maar 25 centiemen (0,06 euro)


'Ni doeng, Sander!'

HUMO Was er al een radio in huis, las je als kind de krant?

GASTON «Ne raddio hadden we daar nog niet, maar ons vader las graag kranten. We hadden er twee: De Dag en deGazet van Antwerpen. In de Dag zat elke week een boekske voor de kinderen met strips en puzzels en tekenwedstrijdjes. Daar deden we dikwijls aan mee, want mijn vader kon heel goed tekenen, en ik eigenlijk ook. We hebben eens een Hohner mondharmonica gewonnen, zo een als Toots Thielemans nu heeft.

»In het eerste en het twee studiejaar zat in mijn klas een neefje van de beroemde Antwerpspeler Bob Paverick. Dus ik las alle verslagen van den Aantwaarp, het was al Bob Paverick wat de klok sloeg natuurlijk. Mijn vader was zelf trouwens een hele goeie voetballer geweest. Hij was als jonge gast zelfs geselecteerd voor het nationale militaire elftal.

»Wij speelden op straat veel matchkes met de marbollen. We tekenden in de goot een minivoetbalveldje, de bal was een grote marbol, en met de gewone knikkers moesten we die dan proberen in de goal te mikken. We gingen ook geregeld te voet over de brug van Merksem naar de werken aan het Sportpaleis kijken, dat werd in de jaren '30 gebouwd.

»Toen we naar de Begonialei verhuisden, kwam er wel een radio in huis. Het huis was eigendom van tante Jet. Haar man was verongelukt. Tante Jet en haar dochter Maria woonden boven, wij huurden den beneeje. En daar hadden we dus ook onze eerste radio. We luisterden naar Brussel Vlaams, het N.I.R. (de vroegere BRT of VRT, red.). Onze favoriet was Het Ketje, dat was een Vlaamstalige Brusselaar, Renaat Grassin, en die had een bonte avond op de radio, met een zangereske, een orkestje en sketches en vertelselkes. Dan zaten wij met heel de familie rond de radio, zoals je nu rond de tv zit.»

HUMO De eerste tien jaren van uw leven lijken me zorgeloos geweest te zijn, in een politiek en sociaal vrij rustige periode.

GASTON «We hadden toch wel wat zorgen. Mijn zuster had de stuipkes. Dat kon gevaarlijk zijn. De dokter kwam alle dagen. Mijn vader en moeder zaten ’s nachts geregeld bij haar te waken. Er brandde dan zo’n klein gaslichtje dat aan het plafond hing, met zo’n netteke dat gloeide. Mijn beddeke stond langs de kant van de straat, en een beeld dat ik nog dikwijls terugzie, ik weet niet waarom, is het volgende: op een keer word ik midden in de nacht wakker van het lawaai op straat. En ons vader komt bij mijn venster staan en zegt: 'Godverdekke, die is zijn vrouw aan 't aframmelen.' Vader trekt dat venster open en roept 'Hé schoelle, lot oe vra gerust!' Meteen liep hij naar beneden om ertussen te komen; mijn moeder heeft hem moeten tegenhouden of hij was erop gevlogen. Ik zie ze daar nog staan, alletwee in hun nachthemd, mijn vader had er al een broek over aangetrokken, zijn bretellen hingen los. En ons moeder die voor die deur ging staan 'Ni doeng, Saander, ni doeng!' (lacht hartelijk)

»Op straat was het 's avonds anders altijd heel gezellig, de gaslantaarns werden aangestoken met zo’n lange stok. Dat zorgde voor een sféér, manneke! Alle 25 meter stond er één, dat gaf een veel aangenamer licht dan die elektrische lampen. En als je naar boven keek, kon je de sterren nog zien. Nu zie je geen sterren meer als je in de stad woont, te veel lichtpollutie.»

HUMO Wat zijn uw mooiste herinneringen als tiener?

GASTON «Dat ik geregeld met ons vader mocht meerijden, surtout in de vakanties. Hij had ook altijd een convoieur bij zich, de Gust, een heel plezante gast.

»De Welvaart had winkels verspreid over het hele land, van aan de kust tot in de Walen, 'Bien-Être' heetten ze daar. Er waren geen autosnelwegen, dus wij waren soms anderhalve dag onderweg om vier winkels te bevoorraden. Dat was voor een jong gastje ongelooflijk, met drieën in een auto, wij hebben wat meegemaakt. We hebben ook nog in camions gereden die op gas reden. Dan stonden we úúúúren aan te schuiven om gas te tanken.

»Mijn vader kon in alle soorten omstandigheden zijn plan trekken. Op een keer vielen 's nachts, midden in de winter, 't was in de Walen, onze koplampen uit. 't Kon niet aan de batterij liggen, want de motor startte nog. We stopten bij een garage in een boerendorp, we belden aan, en nog eens en nog eens. Ineens gaat de blaffetuur omhoog; die mensen waren zo vriendelijk open te doen. Die meneer kijkt alles na, constateert ook dat er wat scheelt met de elektrische installatie, maar helaas had hij de nodige stukken ook niet in huis. Maar we konden moeilijk naar Antwerpen rijden zonder licht. Ineens zegt die man: 'Ik heb hier nog iets liggen van een carnavalwagen,' en hij haalt een sliert gekleurde lampekes te voorschijn. Die hebben wij van voor naar achter en van boven naar onder en van links naar rechts over onze camion gespannen en aangekoppeld aan de batterij, en zo zijn we naar huis gereden. Als een verlichte kerstboom.

»Ons vader heeft nog met een Minerva gereden jongen, ne schonen Belgische kamion, zo één uit één stuk. Een gele met een zwart zeil. Daar stond vooraan als dop op de radiator zo’n schoon koppeke van Minerva op. Het was de eerste Minerva die ze bij De Welvaart hadden. Ik had al met vele camions meegereden, maar over deze zei mijn vader 'Joenge, ná raaiek mè 'n luxvoituur.'»


De Duitsers komen

HUMO Drong het hier eind jaren dertig door dat in Duitsland een regime aan de macht was gekomen dat niet echt koosjer was?

GASTON «Min of meer. Je hoorde wel vertellen dat den Duits nog iets van plan was, dat die weer ergens ging aanvallen. En toen in '39 was heum ineens bezig hé, in Polen.

»Toen de oorlog begon was ik 14 jaar, ik zat nog in het laatste jaar van de lagere school, toen was dat het achtste leerjaar. Op een dag moesten we de school ontruimen. Het Belgisch leger werd gemobiliseerd, er waren niet genoeg kazernes en dus werden er scholen ingericht als slaapplaatsen voor de soldaten. Wij mochten gewoon naar huis gaan, wij wisten eigenlijk niet waarom. Ze zegden dat ze ons wel zouden verwittigen als we terug mochten komen. Onze schoolmeester, mijnheer Van Hoof, een man met een grote snor, zat achter zijn lessenaar en bekeek ons nog eens goed en zei: 'Jongens, ik hoop u allemaal nog weer te zien.' Wij liepen buiten met veel lawijt, ah ja, geen school meer. Ik heb pas later begrepen wat mijnheer Van Hoof eigenlijk bedoelde. We hebben hem ook nooit teruggezien.»

HUMO Wanneer besefte u: nu is de oorlog echt begonnen?

GASTON «Ik weet het nog heel goed. 't Was vroeg in de morgen en ik sliep nog. Ik lag op mijn buik,met mijn gezicht in mijn hoofdkussen. Ik was aan het dromen en ik hoorde zwaar gebonk. Eerst dacht ik dat dat geluid uit mijn kopkussen kwam en ik begon in mijn kussen te zoeken, ik heb half slapend dat kussen omgedraaid om aan de andere kant te kijken. En ineens schoot ik wakker. Mijn moeder stond beneden te roepen: 'Paulake, Gaston, gauw naar beneden, het is oorlog!' Ik ben direct naar mijn venster gelopen want ik dacht dat ik op straat soldaten zou zien die naar elkaar schoten, maar er gebeurde niks. Tot ik hoog in de lucht veel vliegtuigen zag, en daartussen allemaal zwarte wolkjes, die plots uiteenspatten en dan weer verdwenen. Afweergeschut, boef-boef, boef.»

HUMO Hoe reageerde men? Was er paniek?

GASTON «Nee, we hadden nog altijd geen Duitser gezien. Maar ons vader nam ons wel mee naar het depot van De Welvaart aan 't dokske in Merksem. Daar waren enorme gewelfde kelders waar al de marchandise lag. Er waren matrassen en meer dan genoeg eten en drinken. Voor ons als kinderen, ik was 14 jaar, met z’n allen kamperen in de kelders van De Welvaart, dat was plezant hé. Vader had een tiental gezinnen van collega’s en vrienden verzameld, en aanvankelijk kwamen we niks te kort. De bazen van De Welvaart hadden gezegd: pak maar wat jullie nodig hebben, 't is beter aan jullie besteed dan aan de vijand, of wie weet wordt het allemaal plat gebombardeerd. Dus elke avond gingen de mannen in een kring zitten en werd er wijn gedronken.»

HUMO En nog altijd geen vijand te zien?

GASTON «Alle dagen en nachten gingen ze een paar keren aan de grote poort kijken met een man of vier, ikke daarbij natuurlijk, of er nog geen Duitsers te zien waren. En op een keer zegt een van ons 'Gooodverdoemme, kijk daar, daar staan ze.' En over de vaart stonden twee Duitsers in uniform, met twee motoren. Ze waren rustig naar al die fabrieken aan het kijken. En ineens zien ze onze koppen door de kier van die poort steken. Al wat ze deden was… (zwaait met een arm). Ze zegden goeiedag. En wij doodsbang, BOENK, die poort toe. Daarna zijn we opnieuw gaan zien en die zwaaiden nog eens, en reden rustig weg.

»Toen hebben onze ouders vergaderd en besloten dat, als het zo zat, we misschien beter naar huis konden terugkeren. We hebben onze zakken en kabassen volgeladen en zo zijn we te voet terug naar huis gegaan. Tante Jet en haar dochter, ons Maria, waren er ook bij. Die hadden alletwee een paternoster vast en ze waren heel de tijd aan 't bidden (mompelt en slaat geregeld de ogen ten hemel). Ze waren er niet gerust in (lacht).

»Juist voor de terminus van tram 3 moesten we de Oude Barreellei oversteken… Manneke, daar kwam een legermacht Duitsers aan, tanks, infanteristen, vrachtwagens, motoren, er kwam geen einde aan. Ze kwamen van het Albertkanaal en marcheerden door Merksem richting Antwerpen. Wij moesten wachten op het voetpad om over te steken, maar dat ging heel lang duren want het was een eindeloze stoet. Ineens is daarnen Duits oep ne motto en die ziet ons Maria staan, een meiske van 18 jaar, en die zet zijn motor dwars over de rijweg. Hij had zo’n stokske vast met een rood en wit rond plakkotje, en die deed heel die prossesse stoppen. Hij stapte van zijne motto en hij kwam naar ons Maria, pakte haar hand, kuste die en leidde haar heel galant over. Tante Jet was in alle staten, die kréég bekan iet! Maar we mochten allemaal mee over. Daarna stapte die Duitser weer op en het leger kwam weer in beweging. Ons Maria zei: 'Dat zijn eigenlijk wel vriendelijke gasten...' 'Moordenaars' tierde tante Jet, met haar paternoster zwaaiend, 'moordeneirs zen 't!' (lacht) Dat waren onze eerste contacten met den Duits. En van toen af zaten ze overal, in elke school, in elk openbaar gebouw.»


De executies

HUMO U ging niet meer naar school. Hoe vulde u uw dagen?

GASTON «In het begin van de oorlog kreeg ons vader een werkongeval. Er was een vat wijn van zijn wagen gevallen, los op zijn voet. Alles in de wreef was gebroken, versplinterd bijna. Hij heeft maanden in het ziekenhuis gelegen en moest daarna nog een jaar thuisblijven. En omdat ik toch niet naar school kon, ben ik gaan werken. Oep den Bell Tellefon. Ik kwam er in de radiozaal terecht, tussen allemaal jonge vrouwen die radiootjes in elkaar staken. Ik was daar de chouchou: de jongste, ik kon goed tekenen, en ik tekende de pasfotokes van hun lieven na. Ik was ook specialist in kousennaden tekenen. Dan ging zo’n maske op een tafel staan en dan trok ik van net onder de rok, vanuit de knieholte tot de hiel een lijn langs de kuit, dat was dan precies of ze nylonkousen droegen. Ik verdiende toen, goed luisteren, 1,05 frank per uur.»

HUMO Viel er te leven onder de bezetting?

GASTON «In het eigenlijk begin wel. Het leven ging min of meer zijn gewone gang en je werd gewoon aan de Duitsers. Ze gedroegen zich aanvankelijk ook redelijk netjes. En ze waren altijd afgebuisteld hé, vooral de officieren.»

HUMO Wanneer werd u voor het eerst geconfronteerd met oorlogsgeweld?

GASTON «Wij woonden niet zo ver van het fort van Merksem. Soms kwamen er Engelse vliegtuigen over om het fort te bombarderen; dan gingen wij schuilen in de kelder.

»Op een keer zat ik op de wc, in het pomphuis, naast de kleine veranda. Er viel een bom achter in onze tuin. Een ontploffing, joenge, knál die deur van de wc eruit, ik hoorde de ruiten van de veranda breken en het glas in het rond vliegen. Ik was op twee seconden in de kelder bij de familie, maar ik stond daar wel in mijn blote kont, want ik was van de schrik vergeten mijn broek weer aan te trekken.

»Die Engelse vliegtuigen werden natuurlijk beschoten vanuit het fort. Als zo’n vliegtuig geraakt werd, sprong de bemanning eruit, met parachutes. Die werden zonder pardon gemitrailleerd, takketakketakketak, zenne manneke. Die werden afgeschoten als ze nog hoog in de lucht zweefden, en die bengelden dan als een zak aan hun touwen en vielen ergens bij het Peerdsbos neer of bleven in de bomen hangen. Wij jongens gingen dan kijken, maar niet van te dichtbij, om zelf niet onder vuur te komen.

»We waren allemaal tegen de Duitsers natuurlijk, ze hebben drie van mijn familieleden doodgeschoten Eén is er gesneuveld, twee anderen zijn beschoten toen ze met een vrachtwagen op de vlucht waren om niet opgepakt te worden. Een tante en haar zoontje.»

HUMO Wanneer kwamen de eerste verhalen over executies?

GASTON «Onze ouders hielden die berichten zoveel mogelijk geheim voor ons, maar ik heb toch eens een gesprek kunnen afluisteren. Vader vertelde tegen moeder dat, toen hij de vorige nacht met zijn camion bij het depot aan 't dokske was aangekomen, alle vrachtwagens van De Welvaart langs het dok geparkeerd stonden. Ze zaten vol Duitse soldaten. Ons vader moest zijn leeggoed zo snel mogelijk uitladen, weer achter zijn stuur kruipen - een Duitser naast hem - en dan zijn ze met heel die kolonne naar de Vlaanders gereden. Geregeld moesten ze halt houden, want er werden mensen van hun bed gelicht, uit hun huizen gehaald en op de camions geladen. Dat waren mensen die verklikt waren, leden van het verzet en zo. Eén van de collega’s van mijn vader kreeg het op een bepaald moment op zijn heupen. Die chauffeurs waren allemaal doodmoe natuurlijk. Die gast ging uit zijn vensterke hangen en riep in 't Vlaams 'Godverdoeme, gaat dat hier nog laaank duren?' Een Duitser die daar vlakbij stond, ramde met de kolf van zijn geweer in het gezicht van die chauffeur. Het bloed spatte naar alle kanten.

»Diezelfde nacht, toen al die camions van De Welvaart weg waren is er aan 't dokske een andere camion gestopt, van de Witte Brigade. Die gasten vielen het depot binnen en hebben heel hun camion volgeladen met eetwaren. Eén van de burgers die daar een oogje in het zeil moesten houden, werd op een stoel vastgebonden en werd min of meer per ongeluk in het been geschoten. Eén uur nadat de Witte Brigade weg was, kwam er ineens een ambulance om die gewonde naar de kliniek te voeren. Toen die man daar enkele dagen lag, kreeg hij plots bezoek van een vreemde. Die zei enkel: 'Ge kent mij niet, en ik ken u ook niet, ik moet u alleen dit afgeven, meer mag ik niet zeggen.' Hij overhandigde hem een portefeuille met een pák geld en verdween. Zo kwam de Witte Brigade dat soort incidenten goedmaken.»


Bloedbad op de De Keyserlei

GASTON «Ons vader, die als hij ging werken altijd zo’n chauffeursklak en een blauwe overall droeg, is zelf ook eens opgepakt. De Duitsers lieten hem stoppen, hij moest uit zijn wagen komen en de convoieur werd verplicht alleen voort te rijden. Vader moest mee met de Duitsers, niemand zei iets. In een kazerne in Schoten werd hij op het kazerneplein ondervraagd door een officier. Wat was hij gaan doen? Van waar kwam hij? Vader probeerde zo goed mogelijk te antwoorden in het beetje Duits dat hij kende. Plots kwam er een bericht: 't Is heum nie! Ze hadden diegene die ze zochten opgepakt. Het was een pastoor, een pastoor die spioneerde, in een blauwe overall en met een chauffeursklak. Ze hebben hem neergeschoten en ons vader mocht naar huis. Hij kwam zo wit als dit tafellaken binnen, 't had nie veul gescholle.

»Naarmate de Duitsers het moeilijker begonnen te krijgen met de geallieerden werd het alsmaar erger natuurlijk.

»En toen ze zich teruggetrokken hadden, was het nog niet gedaan.»

HUMO De vliegende bommen?

GASTON «Eerst de V1’s. 't Was een verschrikkelijk moordwapen, maar je zag en hoorde hemnog komen. Het was zo’n klein straaljagerke met vanachter een pijp op en daar kwam vuur uit. Een V1 maakte een heel herkenbaar geluid, tengetakkedoeketakketengetakke. Op een winternacht was ik naar mijn tante aan het wandelen, en er kwam er één over. Ik hoorde hem, maar ik zag hem niet. Ik dacht verdoemme da’s er ene voor hier en ik hield me schuil tegen een muur. Dat was altijd spannend. Als dat geluid ophield, wist je dat de ontploffing snel zou volgen. Gelukkig is hij wat verder gevallen. Jongen, dat hebben we dikwijls meegemaakt hoor, soms de ene na de andere, af en toe was het een invasie van V1’s.

»Maar de V2’s waren veel erger, die hoorde je helemaal niet. Dat was ineens WWWWAP en dan eventjes niets meer en dan BOENK… een verschrikkelijke ontploffing, veel zwaarder nog dan de V1’s.

»Antwerpen is samen met Londen het zwaarst bestookt met vliegende bommen.»

HUMO Waar was u op 16 december 1944, toen de bom op Cinema Rex op de De Keyserlei viel?

GASTON «Ik was 18 jaar, we waren uitgelaten want de Duitsers waren weg, en ik zat die middag met een groep vrienden in de Ancienne Belgique, achter den hoek van de Kaaizerlaai. We gingen graag naar die varietéshows: zangers, groot orkest, akrobaten... Plots hoorden wij godverdoemme nen boenk! Mor nen BOENK! Joenge… In de Ancienne Belgique bleef alles overeind staan, en iedereen bleef naar het spektakel kijken, maar toen we later buiten kwamen… Wa was dà? Overal pompiers en brancardiers die rondliepen met doden… Een massakker… er waren bijna zeshonderd doden.

»In Merksem, in de Van Roeistraat, heb ik ook zo’n hel gezien. Aan één kant waren in één klap alle huizen verdwenen, heel die kant was weg! Ik zag dat daar allemaal liggen, stukken van mensen, bloed, lijken en halfdoden onder het puin... Ik dacht: wat moet ik hier nu doen?»

HUMO Als je nu het TV-journaal ziet met beelden uit Irak…

GASTON «Just hetzelfde. Beeld je in: twintig, dertig huisjes aan de kant van de straat, en ineens waren die wég, een groot gat met puin en kelders die openlagen, en mensen die riepen en huilden en door elkaar liepen, mensen vol bloed en stof, als zombies liepen ze rond, in shock.

»Dat staat allemaal nog haarscherp in mijn geheugen, net als die doodgeschoten parachutisten.»

HUMO Wat is u bijgebleven van de taferelen na de bevrijding?

GASTON «Wat ik het plizaantste vond waren de toestanden aan 't dokske. Aan de overkant van 't dokske stond de fabriek van Bosto-rijst. Joenge, joenge, ze gingen daar alles leegratten hé. Dan stonden er enkelen boven in een laadnis met zakken bloem van 50 kilo. Van op straat riepen ze: ja hier, voor mij! En dan gooiden ze zo’n zak naar beneden. Een zak van 50 kilo! Wie dat probeerde aan te pakken, werd meteen afgevoerd naar het ziekenhuis. Maar als je zo’n zak op de kasseien liet vallen, spatte die open en dan hing alles en iedereen vol bloem! Ik wou zelf ook wat gaan ratten bij De Welvaart, maar daar liepen honderden mensen te plunderen, je kon er gewoon niet meer bij. Mannen die met kisten van zeventig kilo peperkoek op hun schouder buiten gerend kwamen. Zeventig kilo peperkoek van vóór de oorlog, lekker!»

HUMO Bent u toen weer gaan werken?

GASTON «Ik heb enkele jaren op de vakschool Rerum Novarum gezeten en dan ben ik gaan werken bij deNive Winkel, een workshop aan de dokken, scheepsherstellers zoals de Mercantile en den Belliard. Ik weet nog goed, ik stond daar in een zaal aan een draaibank en op een dag komt er een klein meneerke binnen met een lodderoog en in een grijze stoffrak. 't Was een delegué van de socialistische vakbond. Hij kwam naar mij en vroeg: 'Awel manneke zedde ga bà ne vakbongt?' Ik antwoorde 'Ja, menier, ba de katholieke!' 'Da zal rap veraandere' zei hij 'of ge vliegt hier mè oe kloten buiten!' (lacht)»


Het ros kanon

HUMO Wanneer is uw komisch talent ontdekt?

GASTON «Ik speelde korfbal, ik was redelijk goed, ik maakte veel korven. Ze noemden mij 'het ros kanon’. Op een feestje van de korfbalclub deed ik mijn eerste sketch, ik had hem zelf geschreven. 't Ging over een korfballer die absoluut wou meespelen met de nationale ploeg maar hij was maar bankzitter. Dus de nacht voor de wedstrijd ging hij in het veld allemaal puttekes maken en legde er wat takjes en gras over, in de hoop dat iemand zijn voet zou omslaan en hij zou mogen invallen. Tijdens de match trapte er natuurlijk niémand in zo’n putteke. Toen hij eindelijk mocht opdraven, was hij zo trots dat hij die puttekes vergeten was en wat denkt ge? Patat, in zo’n putteke en zijne poot omgeslagen.

»Op een van die korfbalavonden hadden we Lizy Berna uitgenodigd, geen wereldvedette maar wel een uitstekende zangeres. Die vond mijn optreden wel geestig en ze gaf mijn naam door aan Jaak De Voght. Jaak was zelf conferencier, hij had een grote zaak aan het Astridplein, Den Uilespiegel, en hij was impresario van veel variétéartiesten. En zo begon ik links en rechts op te treden. De mensen vroegen altijd: 'En? Is die plezante rosse er ook bij?' Ik kon daar eigenlijk niet goed tegen. Ik vroeg aan Jaak 'Wanneer gaan ze nu eindelijk eens naar Gaston Berghmans vragen?' 'Dat zal nog zeker vijf jaar duren,' zei hij. En hij had gelijk.»

HUMO Verdiende u goed geld?

GASTON «In het begin 300 frank, en toen ik wat succes kreeg werd dat 500, zelfs 750 frank per optreden.

»Ik toen al een hele reeks sketches geschreven: De Pompier, Den Bokser, Den Boembardon, Uit V, De Jager oep groot wild, en de Fair-hostess. Dat was den tijd van de Expo '58, de wereldtentoonstelling in Brussel, en daar liepen allemaal van die hosteskes rond, geen airhosteskes, maar Fair-hosteskes. Ik speelde er zo een na, ik kon heel goed vrouwen spelen.

»Op de Expo is trouwens mijn televisiecarrière begonnen. Ik moest op tv alle dagen als fair-host een grappige uitleg geven over de tentoonstelling. De teksten waren van Gaston Durnez. Heel goeie teksten, maar de eerste keer had ik vier volgetikte bladzijden gekregen en ik moest die uit het hoofd leren, dat was onbegonnen werk. Toen kwam de regisseur en die vroeg: 'Hoeveel tijd hebt ge nodig om uw nummerke op te voeren?' Ik zei 'Tien minuten.' Ah ja, vier volle bladzijden tekst. 'Ge krijgt just drie minuten en ge moet het in het ABN doen, niet in het Aantwaarps. Bent u klaar?' 'k Moet niet vertellen zeker, dat het op niet veel trok?

»Daarna heb ik trouwens gezworen nooit nog iets in het ABN te doen.»

HUMO Wanneer bent u met Leo Martin beginnen optreden?

GASTON «In 1957 was Willy Rockin me komen vragen om zes maanden in de Billiard Palace op te treden. Willy Rockin had een zeer goed orkest, zelf speelde hij sax. Het was een klein ventje, maar een dictator voor zijn muzikanten. Leo Martin speelde sax en klarinet in dat orkest. Leo was de showman, hij was erg goed, hij had een fantastisch muzikaal gevoel.

»Ik had toen ook wat sketchen voor twee man, en die deed ik dan met Leo. Dat klikte formidabel.»


Hollywood aan de Schelde

HUMO Eind van de jaren vijftig werd u ook filmacteur. Het was de periode van de komische Vlaamse volksfilms, u mocht daar niet ontbreken.

GASTON «Ik werd gevraagd door Edith Kiel, de bekende scenariste. Ze was van Duitse, misschien wel Joodse origine. Voor de oorlog al was ze getrouwd met Jan Vanderheyden, een filmmaker. Ze hadden voor de oorlog de eerste verfilming van 'De Witte van Zichem' gemaakt, Jan Vanderheyden was producer en regisseur.

»Edith Kiel is me komen vragen om de hoofdrol te spelen in 'Een zonde waard’ een film met Louisa Lausanne, een zeer bekende Belgische actrice. The Woodpeckers, Jef en Swa Cassiers, waren erbij, en Denise De Weert, de vrouw van Jef. In het begin was Jef niet zo opgezet over mij. In een café waar hij veel kwam, had hij aan de toog gezegd: 'De Gaston Berghmans speelt mee, we zullen er eens voor zorgen dat er voor hem geen tweede filmke meer komt.' Als ik met hem een scène moest spelen, waarbij ik tegen hem moest spreken, trok hij buiten het gezichtsveld van de camera constant scheve en spastische smoelen. Ik verzeker u, tegen zo iemand kunde nie klappen, je krijgt er geen vat op, da’s heel moeilijk spelen. Nu was Edith Kiel in dat bewuste café geweest, en de cafébaas had haar verteld wat Jef daar had verkondigd. Edith Kiel kwam me vragen: 'Gaston, hebt u nog nichts gefoeld, der Sjef, dat hij so moeilik commoeniceert met u… Ich heb dat gesien, dat soll gedaan sein nu.' Daarna heeft ze Jef bij zich geroepen en hem verwittigd: 'Het sal nicht Gaston sein voor wie het de laatste film is, maar het sal u sein, als dat u nicht anders gaat spielen...' Daarna heb ik nooit meer last gehad van Jef. En we zijn goeie vrienden geworden. Al was het altijd van datte hé (maakt drinkgebaar). Hij was vaak dronken, ook als we optraden. 't Was in die periode dat Jef en Denise gescheiden zijn, en toen is Jef beginnen te zuipen, te zuipen, die stonk echt meters in het rond naar de whisky. Maar hij was wel een plezante, toffe mens.»


Zuipen tot we kruipen

HUMO In hoeveel films hebt u toen gespeeld?

GASTON «In vier: 'Een zonde waard', 'Den duivel te slim', 'Hoe zotter hoe liever' en'De stille genieter'.»

HUMO En, hadden die films succes?

GASTON «Succes? Joenge, joenge! Ze liepen de zalen PLAT. Die films speelden 36 weken voor volle zalen. In Antwerpen was dat in de Coliseum, schuins over de Rubens in de Carnotstraat, en in den Astrid, op het Astridplein, vlak naast de Billiard Palace. En in Blaankenbaarge, als ik daar op straat kwam was het van: dáár, de Gaston van de film!

»Ik kreeg voor een hele film zo’n 25.000 frank; de Woodpeckers misschien wat meer want die waren er al langer mee bezig. De opnamen duurden een week of drie, dat was dus zeker niet slecht betaald. En dank zij die films werd ik ook overal in Vlaanderen gevraagd om conferences te spelen.»

HUMO In welke studio’s werden die films opgenomen?

GASTON «Studio’s? In een zaaltje achter een caféke op de Turnhoutsebaan, een beetje voorbij Het Mestputteke. Dat studioke, dat was tien keer niks. Onze cameraman, Paul De Fru, deed zowat alles: de camera, de belichting, zelfs het geluid. Regelmatig zette hij eens ne koptellefon op om te luisteren of er wel iets opstond! En dat kon dúren voor er iets opstond. We werkten dan ook vaak's nachts. Op een keer, ze hadden een decorreke gebouwd dat de gang van een hotel voorstelde, moest ik in mijn onderhemd en een flanellen shortje gaan aankloppen aan de deur van de kamer van Frieda Linzi, een schoon zangereske. Ik moest dan vragen of ik efkes binnen mocht om iets uit te leggen, maar ik vloog met mijn klikken en mijn klakken buiten. Het was midden in de winter, en het was ijskoud in die studio. Ik bibberde uit mijn onderhemd. En die scène moesten we nog eens opnieuw spelen, en nog eens en nog eens... Frida Linzi gaf mij tussen elke take een witteke, ne goeien borrel jenever. Ik wier op den duur zoe zat, dat ik niet meer kost klappen: 'Sjoeienavend, ju-juffra, mmmmakkik isj efkesj'

»Tijdens die opnamen werd er serieus wat gezopen. De cafébaas en zijn vrouwke, die af en toe ook een klein rolleke speelden, hadden gezegd: 'As ge deurst het, ga maar iets tappen', en ook Edith Kiel zei 'Nehmen sie mal, nehmen sie mal.' Ge moet niet vragen.

»Jaak Germain, nen Aantwaarpsen acteur, ne goeien acteur, nen boom van ne vent, die mocht ze ook graag. Die kon pinten zuipen! Op een keer, midden in een opname, waren we hem kwijt. Iedereen overal gaan zoeken, Edith Kiel was zelfs de straat opgelopen om te zien of ze hem daar ergens kon vinden. Op den duur verzamelden we aan de toog van het cafeetje, want zonder Jaak konden we die scène niet afmaken. Wel, daar hebben we hem gevonden, Jaak was van zattigheid achter de toog in slaap gevallen. De cafébaas had nog efkes geprobeerd dat te camoufleren door boven op zijn buik te gaan staan, maar Jaak snurkte te hard, en zo heeft Edith het ontdekt. Eigenlijk filmden we tot de acteurs te zat waren om voort te doen.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234