'Als hij 's nachts had zitten werken, trof ik 's ochtends geregeld een gedicht op mijn nachtkastje aan. Zonder die mooie gedichten - vaak liefdesverklaringen - was het nog veel erger geweest, zal ik maar zeggen.' Beeld Herman Selleslags
'Als hij 's nachts had zitten werken, trof ik 's ochtends geregeld een gedicht op mijn nachtkastje aan. Zonder die mooie gedichten - vaak liefdesverklaringen - was het nog veel erger geweest, zal ik maar zeggen.'Beeld Herman Selleslags

cherchez la femmede tweede vrouw van Herman De Coninck

Lief Coppens: ‘Hij rekende erop dat er twee vrouwen achter zijn kist zouden aanlopen: Kristien en ik’

Rudy Vandendaele

33-27

Jaja, zie titel, eigenlijk schelen we zes jaar. / Ik ben nog zo oud en jij bent al zo jong, / en aan jouw luchthartigheid til ik soms zwaar, / en dan ben ik boos, terwijl jij gewoon je tong // uitsteekt. Want ik ben helemaal alleen / en jij met zovelen. / Alleen al met je jurken ben je vijf mevrouwen / die om beurten eens mevrouw De Coninck spelen. // Ik vind het bijna overspel om nu eens van de ene, / dan weer van de andere te houden. / Soms neem je voor een paar uur de benen / en moet ik in de kleerkast kijken wie er eigenlijk is verdwenen. // Terwijl ik zelf niemand meer ben. / Wat zou ik allemaal niet worden, stichter / van de partij voor minder verdriet, / de vaak geïnterviewde oprichter // van de vereniging voor lofzangen op jouw linkertiet. / Maar ik ben alleen / jouw niemand, jij mijn iedereen.

Zeven jaar geleden, op 22 mei 1997, stierf Herman de Coninck schielijk in Lissabon. Behalve dichter was hij ook een alumnus van Humo. Ik herinner me nog precies de verslagenheid op de redactie toen de onheilstijding ons bereikte. Het komt mij voor dat ik me zulke narigheden scherper herinner dan die keren dat we onze lol niet opkonden ten kantore, en allemaal dachten dat we uiterst lang zouden leven, om ons ten slotte, moe maar voldaan, dood te lachen, nadat iemand ons had gevraagd of we nog een glas wijn beliefden. In de jij in bovenstaand gedicht mag Lief Coppens zichzelf herkennen. Ze was ooit uitvoerig met Herman de Coninck getrouwd, kreeg samen met hem een dochter, en is later uitvoerig van hem gescheiden. Haar herinnering aan hem is een deel van zijn hiernamaals. We lopen Memory Lane af - een pad dat over rozen én over doornen gaat: die twee horen bij elkaar, zoals zij eens bij de dichter hoorde.

LIEF COPPENS «Ik heb Herman in 1973 leren kennen in De Appel, een café in Leuven. Ik was toen pas terug uit een heel andere wereld: uit Congo, waar ik mijn toenmalige vriend was gaan bezoeken, die daar zijn vervangende dienstplicht deed. Ik was er een halfjaar blijven hangen. Aan een volledig zwarte school had ik er turn-, zang- en tekenlessen gegeven, terwijl dat absoluut mijn vakken niet waren: ik ben pedagoge van opleiding. Maar ik had geen zin om de hele dag met andere blanke vrouwen aan de rand van het zwembad te zitter, dus dat lesgeven kwam me goed uit.

»In Congo ging ik om met twee germanisten, een echtpaar, en die hadden het literaire tijdschrift Yang. Daarin heb ik voor het eerst gedichten van Herman gelezen. Maar ik heb hem dus voor het eerst ontmoet in De Appel, aan de toog: een nogal verlegen man die naarmate hij meer pinten dronk spraakzamer werd, en meer durfde. ‘t Komt vaker voor, hè? Hij was altijd door vrouwen omringd in die tijd. Eén op de barkruk links van hem, en één op de barkruk rechts van hem.»

HUMO Zijn bundel ‘De lenige liefde’ deed het uitstekend bij de meisjes van toen. Altijd fijn als poëzie praktische gevolgen heeft voor een dichter, denk ik prozaïsch.

COPPENS «’De lenige liefde’ had ik niet gelezen, en ik had toen ook geen idee van de naam en faam die hij als dichter had. Dat hij bij Humo werkte, wist ik dan weer wel. Ik kwam er ook snel achter dat hij zijn vrouw verloren had in een verkeersongeluk: dat verhaal was bekend in De Appel.

»In de straat in Leuven waar ik toen woonde, zag ik hem geregeld voorbijlopen als hij zijn zoontje naar het Kindercafé bracht, een antiautoritaire crèche. Dat zoontje zette altijd een enorme keel op - een heel, héél druk kind, zo te zien. Op een keer zag ik dat hij weer eens problemen had met dat jongetje - het moest plassen - en toen heb ik hem binnengeroepen: hij is door het raam bij me binnengestapt. Achteraf vind ik dat heel mooi, want hij heeft het raam weleens als beeld gebruikt in zijn poëzie: het raam waardoor je de werkelijkheid ziet. Hij is letterlijk door het raam mijn leven binnengestapt.»

HUMO Kon je van liefde op het eerste gezicht spreken?

COPPENS «Neen, want hij had een lief, en ik ook. Maar ik merkte wel dat hij steeds meer in mij geïnteresseerd raakte. Hij was, in tegenstelling tot de meeste mannen die achter me aanzaten, absoluut niet opdringerig, laat staan plakkerig of snoeverig. Of lastig. Dat hij verlegen en bescheiden was, trok mij heel erg aan. En hoe hij met dat zoontje omging, vond ik heel aandoenlijk: ik kon zien dat hij helemaal niet wist hoe hij met dat kind moest omgaan.

»Dat ik wist dat hij eigenlijk een weduwnaar was, zal ook wel een rol hebben gespeeld in de gevoelens die ik voor hem ging koesteren. Zodra ik echt met Herman te maken kreeg, kreeg ik ook met Tomas te maken. Ik denk dat Herman altijd wel een appèl op mijn moederlijke gevoelens heeft gedaan.»

HUMO En had je die, toen je een jaar of drieëntwintig was?

COPPENS «Ja. Vrijwel meteen heeft hij dat jongetje heel erg aan mij toevertrouwd, opdat hij weer eens de handen vrij zou hebben. Na het Kindercafé ging Tomas naar de kleuterschool en voor naschoolse opvang naar De Boomgaard: daar konden de kinderen zich uitleven volgens de wet van de sterkste. Dat was werkelijk het allerslechtste voor dat jongetje, maar dat wist ik op dat moment niet. Herman noemde hem ‘onze hyperkineet’, nu zouden ze spreken ken over een kind met ADHD: ontzettend impulsief, driftig, echt een kind dat je grenzen moet opleggen en structuur moet geven. Maar dat stond allemaal haaks op de geest van die tijd.»

HUMO Als je toen probeerde te deugen, kon je maar beter ter linkerzijde progressief zijn.

COPPENS «En of. Men nam het me zelfs kwalijk dat ik iets in Congo had gedaan, alsof ik mij als een echte koloniaal door een legertje boys op mijn wenken had laten bedienen.

»Toen Herman en ik pas getrouwd waren, in 1974, zijn we met nog twee andere stellen gaan samenwonen in een huis in Heverlee.»

HUMO De communegedachte. Lukte het een beetje?

COPPENS «We hadden heel weinig privacy: we hadden een slaapkamer, en dan nog een kamer die zogenaamd onze living was, maar de rest was gemeenschappelijk. En de vier kinderen die er rondliepen, waren antiautoritair opgevoed: om gék van te worden. Al die linkse intellectuelen die zelf heel streng waren grootgebracht, wilden nu het tegenovergestelde doen met hun eigen kinderen, en dan nog wel zo extreem mogelijk.»

Eerste lezer

HUMO Liet je ook merken dat je er zoetjesaan gek van werd?

COPPENS «Jawel, maar daar kwamen dan eindeloze discussies van. ‘Mag een kind voor de lunch of voor het avondmaal nog een reep chocolade eten als het daar zin in heeft?’ En daar gingen we weer. In dat huis was ik de enige die geen baan had: ik moest mijn scriptie nog maken. Daardoor was ik nogal vaak aan de beurt om de kinderen naar school te brengen of ze op te halen.

»’t Was een experiment, maar na een jaar had ik er genoeg van: ik wou dat dat voortgezette studentenleven, want dat was het, eindelijk ophield. Ik wou ook contact met Tomas krijgen, want dat leek amper te lukken. Ik wou weg uit Leuven, en ik wou een gewone relatie, een gewoon gezin, en een kind dat naar een gewone school ging. Herman wilde absoluut niet weg: in Leuven zaten zijn vrienden; dáár speelde zijn leven zich af, vond hij.

»Enfin, op aanraden van een vriend hebben we toch maar een huis in de Cogels-Osylei in Berchem gekocht, maar dat betekende ook dat alles aan mij werd overgelaten. Als journalist bij Humo had Herman een heel onregelmatig leven: soms was hij om zeven uur thuis, de volgende dag om middernacht, en ondertussen moest ik voor het hele huishouden instaan. Al die linkse en progressieve mannen waren het wel eens met het feministische gedachtegoed, maar als ik om me heen keek, zag ik dat de rolpatronen binnen hun gezin klassiek waren gebleven: de mannen maakten carrière en de vrouwen, die óok hoog opgeleid en briljant waren, bleven thuis voor de kinderen, of ze namen hooguit een deeltijdse baan. Je mag ook niet vergeten dat Herman al dertig was toen we trouwden, ik was vierentwintig. Hij wás toen al iemand, en hij had al een leven achter zich, waarin hij een kind had verwekt en een vrouw had verloren. Ik voelde dat vaak als een ongelijkheid aan.

»Nu, ik bewonderde Herman, ik vond dat hij zowel bij Humo als in de poëzie goede en mooie dingen deed, waar ik helemaal achter kon staan. Ik was vatbaar voor zijn gedichten, en Herman was gevoelig voor wat ik erover zei. ‘Jij bent mijn eerste lezer,’ zei hij altijd. Ik denk dat hij nooit beter naar mij luisterde dan als ik iets over zijn gedichten zei (lachje). Hij was bezeten door zijn dichterschap, het was zijn leven, en daar had ik alle begrip voor.»

HUMO Schreef hij toen ook al ‘s nachts?

COPPENS «Ja. Overdag werkte hij op de redactie, en ‘s avonds zat hij thuis dikwijls nog interviews uit te tikken, op die rare, grauwe kopijvellen van Humo, met nummertjes erop.»

HUMO Pica’s! O wonderen van oorlogspapier!

COPPENS «Daar kwam nogal wat knip- en plakwerk bij kijken, herinner ik me. En als hij daarmee klaar was, ging hij aan zijn gedichten prutsen, zoals hij het zelf noemde. Het moest ‘s nachts gebeuren, wegens de stilte: geen telefoons, geen kinderen om hem heen. Ik snapte wel dat hij voor zijn gedichten, voor de concentratie die ze vereisten, een andere sfeer nodig had. Hij had er ook drank voor nodig. Wijn. Whisky. En Duvels.»

HUMO Had je bedenkingen bij dat alcoholische aspect?

COPPENS «Ik vond het eigenlijk niet leuk, in het begin al niet. Ik heb hem altijd gekend als iemand die dronk. Ik weet nog dat hij telde hoeveel pinten hij dronk, wat ik vreemd vond. Alsof hij er controle over wou krijgen. ‘Ik heb maar tien pinten gedronken,’ zei hij dan: tien pinten was zowat zijn dagelijkse dosis.»

HUMO Sprak je hem daar ook op aan?

COPPENS «Hij wist wel dat ik het absoluut niet plezierig vond. Ik ben er dikwijls boos om geweest. Zeker na de geboorte van onze dochter Laura: als je kinderen op de wereld zet, moet je een beetje gezond leven, vind ik: om zo lang mogelijk in leven te blijven, voor die kinderen.

»De drank hoorde bij zijn leven. Hij lag meestal heel lang in bed, hij kon er eigenlijk bijna nooit uit, en dat had alles met alcohol te maken. ‘Ik slaap door mijn katers heen,’ zei hij. Als hij maar lang genoeg bleef liggen, dan was het allemaal niet zo erg, bedoelde hij. Wie bleef er in het café plakken? Altijd weer Herman. Er moest natuurlijk iemand opstaan voor die twee kinderen, en dat was vrijwel altijd ik, zeker in de weekends. En als hij opstond, was hij vaak niet aanspreekbaar - ik moest hem met rust laten tot hij enigszins bijgetrokken was. Ik ging wel vaak mee uit, en ik deed altijd wel pogingen om hem op tijd mee naar huis te krijgen, maar dat was onbegonnen werk.»

HUMO Probeerde je daar iets aan te doen?

COPPENS «Ik heb geprobeerd hem te veranderen, en er waren periodes dat hij ontzettend zijn best deed, of beter: dat hij zich schuldbewust voornam minder te drinken en op tijd naar bed te gaan. Dat hield hij dan wel eventjes vol, maar het duurde nooit lang.

»Toen Laura naar het eerste leerjaar ging, kwam de ingebeelde navelstreng wat minder strak te zitten: ik had het gevoel dat ik weer een beetje meer vrijheid kreeg. Ik ben toen, in 1981, opnieuw voltijds gaan werken, in de hoop dat ons rollenpatroon daar vanzelf wel door zou veranderen, maar daar kwam totaal niks van in huis. Ik ben dat jaar ook begonnen aan een langdurige opleiding tot psychotherapeute. Dat vergde heel veel van mij, en door die opleiding kreeg ik een heel andere kijk op heel veel zaken: ik moest nadenken over mijn eigen situatie en over mijn eigen relatie. En het vreselijke was dat ik er met Herman niet over kon praten, omdat hij er geen woord over wilde horen. Zo’n opleiding lag niet goed in de kringen waarin Herman en ik ons bewogen: therapeuten vonden ze een verwerpelijk ras, en daarmee uit. Toen ik Herman zei dat ik me voor die opleiding had ingeschreven, was zijn eerste reactie: ‘Als je mij er maar niet mee lastigvalt.’»

HUMO Wat zou hij daar eigenlijk mee bedoeld hebben?

COPPENS «’Als je mij maar niet probeert te veranderen,’ denk ik. Hij was vies van die wereld van therapeuten en therapieën: ‘t was in zijn ogen allemaal ellendige zielenknijperij. Maar ik wou het heel graag doen, al veel vroeger dan 1981: toen we pas in Berchem woonden, kon ik een fulltime baan krijgen in de Viersprong in Halsteren, destijds het beste psychotherapeutische centrum van Nederland. Ik was dolblij, maar het kon niet, volgens Herman - dat was voor hem evident, want hij had al zo’n onregelmatige baan, en wie zou Tomas dan van school afhalen? Die evidentie stak me, maar in 1981 wilde ik me niets meer aantrekken van zijn bezwaren. Ik ben dan ook psychotherapeute geworden.

»In het derde jaar moest ik een scriptie maken, en thuis had ik, in tegenstelling tot Herman, geen eigen werkruimte: dat was, achteraf bekeken, symptomatisch. Ik ben toen in het appartement van een buurman ingetrokken, die voor een tijd in Nicaragua verbleef. Daar heb ik heel hard aan mijn scriptie gewerkt, en Herman werd daar verschrikkelijk boos om: hij kon het niet verdragen dat ik pas tegen etenstijd thuiskwam. Dat stak me enorm. Alles had altijd al om hem gedraaid, en ik moest me altijd schikken. Wat hij belangrijk vond, moest ik ook maar belangrijk vinden: die eindeloze vergaderingen die aan de oprichting van het NWT voorafgingen, de weken dat hij zich alleen, of met Benno Barnard, in Bas-Oha, een dorpje in de Ardennen, terugtrok om te schrijven... Bij ons thuis was het heel dikwijls de zoete inval: ik vond dat meestal niet onplezierig, maar ik wou iets voor mezelf, en die drang werd onweerstaanbaar.»

'Herman wou niet verrast worden door het leven: hij wist maar al te goed dat je tegen de verrassing van de dood niet op kunt, en toch zette hij zich schrap.' Beeld Herman Selleslags
'Herman wou niet verrast worden door het leven: hij wist maar al te goed dat je tegen de verrassing van de dood niet op kunt, en toch zette hij zich schrap.'Beeld Herman Selleslags

Zolang er sneeuw ligt

HUMO Kristien Hemmerechts schrijft in ‘Taal zonder mij’: ‘Van zijn vrouwen verwachtte hij grote sociale vaardigheid. Zij moesten de zelfverzekerde gastvrouwen of gastes zijn naast wie hij rustig kon wegzakken, genietend van zijn cognac.’

COPPENS «Dat klopt. Ik heb heel veel herkend in ‘Taal zonder mij’, maar ik denk dat Herman ten tijde van Kristien al erg veranderd was. Om te beginnen had hij een geweldige klap gekregen van onze echtscheiding. Volgens mij had hij nooit verwacht dat het zover zou komen. Dat ik de eerste stap zou zetten. Dat ik zo op hem zou afknappen. Zijn huwelijk met Kristien noemde hij zijn ‘laatste kans’. Ik denk dat zij aan hem een iets meer handelbare man heeft gehad dan ik.»

HUMO Ze schrijft ook: ‘Net als Lief heb ik geprobeerd van hem weg te gaan. Het verschil tussen haar en mij is dat het haar gelukt is, en mij niet.’

COPPENS «Ik ben er wel in geslaagd van hem weg te gaan, maar het heeft mij ongelofelijk veel pijn gedaan. Het heeft overigens jaren geduurd voor ik van hem weg was. Ik heb ooit nog een kamer gehuurd, ietsje verderop in de Cogels-Osylei. Toen zei Herman: ‘Dit is het begin van de echtscheiding.’ In die fase was ik ervan overtuigd dat hij mij helemaal niet begreep, dat ik hem niet eens kon zéggen wat me dwarszat.

»Ik ben toen ook op iemand anders verliefd geworden, en toen was het hek helemaal van de dam. Vanaf dat moment was dat voor Herman de enige verklaring voor het spaak lopen van ons huwelijk: ik was verliefd op een ander. Het waren pijnlijke jaren, zowel voor Herman als voor mij. En zeker ook voor onze kinderen. Tomas zat in zijn puberteit, en toen ging hij vooral de slechte kanten van Herman imiteren: alles maar laten waaien, zijn bed niet uitkomen als hij er geen zin in had, en als ik daar iets over zei, kreeg ik meteen te horen: ‘Papa doet dat ook.’ Alles waar ik het toch zo al moeilijk mee had, werd nog eens uitvergroot.

»Nu zit ik vooral over de nare kanten van Herman te praten, maar ik heb ook heel veel mooie dingen met hem beleefd, en ik zag hem doodgraag.»

HUMO Tomas was acht toen je Laura kreeg. Voelde jij een verschil tussen - het zal altijd wel botter klinken dan ik het bedoel - hem en je biologische kind?

COPPENS «Ja. Een eigen kind is heel anders, en ik was daar erg op bedacht, al toen we Laura nog aan het plannen waren. Net voor mijn zwangerschap heb ik Tomas officieel geadopteerd, want ik wou de kinderen per se gelijkschakelen.

»Ik voorzag ook dat Laura een hindernis voor Tomas zou zijn: hij had per slot acht jaar lang alle aandacht gekregen. En mijn vrees is uitgekomen: ‘Zodra Laura er was, was het hier niet meer plezierig voor mij,’ dat heeft hij me vaak genoeg gezegd. Toen Laura geboren werd, was Herman veel meer aan een kind toe, en dat voelde Tomas: daar kwam zijn jaloezie uit voort. Tomas is geboren toen Herman nog niet eens aan een huwelijk toe was, laat staan aan een kind. Na een vakantie bleek zijn vriendin Ann zwanger te zijn, en de familie vond dat ze dan maar moesten trouwen. Aan de eerste levensjaren van Tomas is hij nauwelijks te pas gekomen: zijn hoofd stond helemaal niet naar een kind. Om aan te tonen hoe weinig benul hij in die tijd van kinderen had, vertelde hij me ooit dat Ann op een avond ergens heen moest voor haar werk; ze had hem gevraagd Tomas in bed te stoppen, en de volgende ochtend constateerde ze dat die peuter met zijn bottines aan in bed lag.

»Je kunt je wel voorstellen wat voor ramp de dood van die vrouw voor Herman was. En wellicht was het nog een grotere ramp voor Tomas. Ik ben er zeker van dat Herman heel veel van Ann gehouden heeft. Die gedichten over haar dood, die in ‘Zolang er sneeuw ligt’ staan, hebben mij - hoe gek het ook mag klinken - weleens jaloers gemaakt. Ik raakte erdoor gefascineerd, zowel door die gedichten als door hun onderwerp, die dode vrouw. Ik dacht toen nog dat gedichten nauw aansloten bij de realiteit - zo naïef was ik nog wel (lachje). Terwijl Herman mij toch vaak duidelijk had gemaakt dat gedichten net dienden om de realiteit een beetje op te poetsen, zelfs om ze mooier en vooral intenser te maken dan ze is.

»Na de dood van Ann heeft Herman zich heel erg schuldig gevoeld - nu, hij voelde zich vaak schuldig, over van alles en nog wat. Alleen was dat gevoel zo weinig constructief: het veránderde nagenoeg niets. Ik denk dat hij ermee is opgevoed. Wie zijn moeder gekend heeft, zal wel begrijpen waarom Herman één en al schuldgevoel was.»

De volle laag

HUMO Kristien Hemmerechts merkt op: ‘Herman verlangde naar vrouwen die een ontkenning waren van alles waar zijn moeder voor stond, naar de frivole wezens die ‘De lenige liefde’ bevolkten...’

COPPENS «Ja, maar ook daar was hij volgens mij dubbelzinnig in: hij zocht het tegenovergestelde van zijn moeder, maar toch ook een beetje iemand die hem aan haar deed denken. Hij wou toch ook dat ik hem, bij wijze van spreken, zo nu en dan bij de oren trok. En hij schoof me ook graag de verantwoordelijkheid in de schoenen: ‘Waarom heb jij mij niet op tijd het café uitgesleurd?’ Hij legde mij een kwaaie moederrol op, maar ik ben daar totaal ongeschikt voor.»

HUMO Konden jullie goed ruziemaken?

COPPENS «Heel slecht. Toen ik hem pas kende, was ik een geweldige flapuit - ik kwam uit een milieu waar mensen hardop voor hun mening uitkwamen. Maar bij Herman heb ik dat afgeleerd. Ik vond het soms verbijsterend hoe hij op een aanmerking van mij reageerde: hij zweeg, of hij keerde mij de rug toe, of hij ging doodleuk weg, of hij zei dat ik ‘een geboren ruziemaker’ was. Terwijl ik gewoon iets had willen zeggen wat mij op het hart lag, iets dat ik heel belangrijk vond voor ons. Hij verdroeg dat niet, en dat maakte de spanning zoveel erger.

»Ook dat gedrag zal wel iets met zijn voorgeschiedenis te maken hebben: met die strenge, altijd kijvende moeder die voortdurend kritiek op hem had. Altijd lag er iets verwijtends in haar donkere blik. Ik heb me in haar nabijheid vaak niet veel meer dan een worm gevoeld: ‘Maar Lief! Hoe ligt je voortuin er weer bij!’ Of: “Maar enfin! Wat voor schoenen heeft Herman nu weer aan! En dan zijn háár!’ Altijd gaf ze je het gevoel dat je tekortschoot. Ze bedoelde het allemaal wel goed, denk ik, maar ze had geen seconde in de gaten dat je op haar afknapte. Aan Herman moest je ook je weke kant niet laten zien: verdriet, gekwetstheid, hij kon er niet goed tegen. Hij wou een vrouw die het leven wel aankon, een vrouw die de boel draaiende hield, op wie hij kon rekenen. Een vrouw die niet te veel klaagde, ook. Zijn eigen moeder was zo iemand: een sterke vrouw.

»Zijn vader heb ik nooit gekend, maar ik heb er heel veel verhalen over gehoord, zowel van Herman als van zijn zus Magda: een gevoelige man, op het weke af. Zijn vader had hemofilie, bloederziekte. Hij was net als Hermans moeder oorspronkelijk onderwijzer, maar wegens zijn ziekte kon hij op de duur niet meer voor de klas staan, en toen zijn ze in Mechelen een krantenwinkel annex boekhandeltje begonnen. Maar daar zwaaide moe de plak, en hoe! Ik heb ooit iemand uit Mechelen ontmoet die mij vertelde hoe bang hij was om in die krantenwinkel binnen te gaan (lacht). Daar staat tegenover dat moeke een heel fijne oma was voor Tomas: niet veel aandacht, duidelijkheid en grenzen - precies wat dat jongetje toen nodig had.»

HUMO Heb je in Herman de Coninck ooit een gekweld man gezien?

COPPENS «Het meest gekweld was hij volgens mij toen het verkeerd begon te lopen met het Nieuw Wereld Tijdschrift: dat maandblad was toch wel zijn grote droom. Hij heeft er ontzettend hard en bevlogen voor gewerkt, en toch kreeg het niet de oplage die hij voor ogen had: de oplage die het verdiende, zoals hij zelf zei. Elk jaar moest hij zich vertwijfeld afvragen of er nog subsidie kwam of niet. Het einde van het NWT hing eigenlijk voortdurend in de lucht, en dat vond hij heel erg. En op het eind gingen zijn vrienden van het eerste uur, Piet Piryns en Benno Barnard, niet meer helemaal op in het NWT, omdat zij nog andere dingen aan hun hoofd hadden. In zijn beleving vond hij steeds meer dat hij er alleen voor stond.

»Nu ja, ik vraag me nu af of dat wel echt een kwelling was; het was meer een frustratie, denk ik. Ik denk dat hij over het algemeen last had van het leven: vandaar ook zijn veelschrijverij. Op papier kon hij het leven zoveel beter beheersen, hij was het zelfs een beetje de baas. Toen ik hem leerde kennen, was hij maar even in de dertig - vond ik hem een oude man, in de zin dat hij nog maar weinig illusies had. Ik had nog zoveel verwachtingen en dromen, ik had er nog zoveel zin in, maar hij stond altijd klaar om een ontnuchterende, ontmoedigende opmerking te maken. Zo van: ‘Je kunt beter niets verwachten, dan word je ook nooit teleurgesteld.’ En als ik hevig naar iets verlangde, of erg enthousiast was over iets, kon ik er volgens hem maar beter meteen een hele schep af, doen. Daar werd ik soms boos over. Hij was zelfs geneigd het enthousiasme van onze kinderen af te remmen, wat ik al helemaal niet begreep.

»Nu weet ik wel waaruit die houding voortkwam: toen ik hem leerde kennen, had ik nog nooit met dood of verlies te maken gehad. Hij had toch zijn vrouw verloren in een vreselijk ongeluk, waarbij ook zijn zoontje levensgevaarlijk gewond was geraakt. De volle laag. Dat was voor hem de definitieve confrontatie met onmacht, die bepalend voor hem is geweest.»

HUMO Vind je dat je heel erg van Herman verschilde?

COPPENS «Neen. We waren gelijkgestemden, ondanks alles: we waren het over heel veel zaken roerend eens.»

HUMO Kon hij bij jou iets goedmaken met een mooi gedicht?

COPPENS «Ja. Geen ernstige relatiecrisissen of zo, maar als mijn frustratie weer eens hoog was opgelopen, kon hij me wel sussen met een gedicht. Als hij ‘s nachts had zitten werken, trof ik ‘s ochtends geregeld een gedicht op mijn nachtkastje aan. Zonder die mooie gedichten - vaak liefdesverklaringen - was het nog veel erger geweest, zal ik maar zeggen (lacht)

Leven en dood

HUMO Sporen van je leven met Herman de Coninck zijn terug te vinden in de bundels ‘Met een klank van hobo’ en ‘De hectaren van het geheugen’. Van koek en ei tot echtscheiding. Lees je daar nog weleens in?

COPPENS «Ik hoef die bundels eigenlijk niet meer te lezen, omdat ik ze zo goed ken, maar ik leef er wel mee. Nog steeds zijn er zoveel situaties waarbij er regels van Herman door mijn hoofd spelen... Ik heb die man heel, heel graag gezien. Tomas was hier eens over zijn vriendinnetjes aan het praten: dié vond hij maar zus en zo, en dié was ook niet wat hij eigenlijk wilde. Ik vroeg hem: ‘Vind je niet dat je een tikkeltje te veeleisend bent op het gebied van de liefde?’ Toen zei hij: ‘Jullie hadden me maar niet zo’n goed voorbeeld moeten geven.’ Ik dacht dat hij me in de maling nam, maar hij méénde het. Ik schrok daarvan. ‘Voor minder dan ik bij jullie heb gezien, doe ik het niet,’ zei hij nog. Ik was dolblij dat er een beeld van harmonie bij hem was blijven hangen. Herman en ik hebben tien gelukkige jaren beleefd. Toen we tien jaar getrouwd waren, hebben we een heel groot feest gegeven, met zeker honderd genodigden; een schitterend feest. Maar nadien is het totaal foutgegaan, bijna van de ene dag op de andere.»

HUMO In ‘Te voet over de Lethe’, de laatste cyclus van ‘De hectaren van het geheugen’, preludeert hij op jullie echtscheiding. Het zijn harde, bittere gedichten. Hij heeft erover gezegd dat hij met die cyclus wou oefenen in echtscheiding.

COPPENS «Vooraf oefenen: dat deed hij altijd als het ging om moeilijke, emotionele aangelegenheden, en niet het minst om de dood. Hij wou vooral niet verrast worden door het leven: hij wist maar al te goed dat je tegen de verrassing van de dood niet op kunt, en toch zette hij zich schrap. Toen het nog picobello was tussen ons, schreef hij ook al gedichten over echtscheiding. Ik begreep niet waarom. Later heeft hij gezegd dat het bijna voorspellende gedichten waren, maar je hebt natuurlijk ook zoiets als een self-fulfilling prophecy: Herman was op verlies geprogrammeerd, en op één of andere manier maakte hij dat verlies ook altijd waar.

»Nu, ik heb ook wel mijn aandeel in die echtscheiding, hoor. Ik ben in september ‘85 van hem weggegaan: ‘t was weggaan en toch niet weg kunnen. Toen ik eens op een zondagavond Laura naar hem toe bracht - we hadden co-ouderschap: ‘Nu weer half van jou, morgen half van mij’ - bleef ik bij hem eten, en ik weet nog goed hoeveel moeite het me kostte om daarna weer weg te gaan. Terwijl ik toen toch echt had afgehaakt: er was geen weg terug. Die echtscheiding had niets te maken met een gebrek aan liefde, of aan inzet en goede wil, maar alles met het rotsvaste feit dat ik iets voor mezelf wilde. Gaandeweg begon ik me van hem af te sluiten, en toen schreef hij mij brieven die ik amper kon lezen, omdat ik er de moed niet voor had. Het waren brieven waarin hij mij echt probeerde te raken: hij probeerde mij er zowel pijn mee te doen als mij verschrikkelijk te ontroeren: hij wou mij terug zijn huis in schrijven.»

HUMO Binnen afzienbare tijd verschijnt er een selectie uit zijn brieven. Zijn die echtscheidingsbrieven daar ook in opgenomen?

COPPENS «Neen, die zijn me te privé. Ook een dichter, en zeker een dode dichter, heeft recht op een privéleven.

»Herman was een verschrikkelijke sloddervos: niet normaal, echt waar. Hij heeft duizenden brieven geschreven, en van de meeste had hij een kopie gemaakt, en die kopieën bewaarde hij - dat heb ik later pas ontdekt - heel netjes in een archief. Dat is zo tegenstrijdig. Nooit ruimde hij zijn bureau op, z’n kleren gooide hij gewoon naast het bed op de grond, het hele huis lag vol boeken, in kartonnen dozen of gewoon op stapels; in plaats van een beetje orde te scheppen, stapte hij er gewoon overheen. Maar dan toch een uitstekend geordend archief van zijn brieven bijhouden...

»Ik heb Annick Schreuder, die dat brievenboek samenstelt, meteen gezegd dat ik die echtscheidingsbrieven nooit voor publicatie zou vrijgeven. Ze mocht er wel een paar lezen, en tot mijn verbazing bleek ze een aantal van die brieven te kennen: in het archief van Herman had ze er kopieën van aangetroffen. Dat had ik absoluut niet verwacht. Ik vond het verschrikkelijk om die brieven opnieuw te lezen. Destijds probeerde ik er al overheen te kijken, ik probeerde ze bij wijze van spreken met half afgewende blik te lezen. Nu, twintig jaar later, komen ze nog even hard aan als toen.»

Twee vrouwen achter de kist

HUMO Hoelang heeft het geduurd voor jij over die echtscheiding heen was?

COPPENS «In 1990 zijn we officieel gescheiden, en kort daarna is Herman met Kristien getrouwd. Dat deed me nog wel wat, al waren we tegen die tijd alweer heel goede vrienden.»

HUMO Kristien Hemmerechts haalt in ‘Taal zonder mij’ een passage uit een brief aan waarin Herman de Coninck schrijft: ‘Lief woont hier vlakbij, we zien elkaar graag, eigenlijk begrijpen we niet goed waarom het allemaal zo moest gaan, maar inmiddels zie ik Kristien natuurlijk anders graag en mag van het bovenstaande niet te veel laten merken.’

COPPENS «Pas toen we uit elkaar waren, konden we heel goed praten over wat er in ons huwelijk fout was gelopen. Beter dan ooit tevoren; zalig dat hij naar me kon luisteren. Hij heeft me nog gezegd: ‘Nu begrijp ik heel goed waarom je toen bent weggegaan. Ik kan je alleen maar gelijk geven. Alleen vind ik het verschrikkelijk dat je nooit bent teruggekomen.’ Na onze scheiding gingen we weleens samen naar een café, en daar vroegen kennissen ons soms waarom wij eigenlijk ooit uit elkaar waren gegaan.»

HUMO Maar de verleiding om het over te doen bleef uit.

COPPENS «Herman was opnieuw getrouwd: hij was loyaal aan die nieuwe verbintenis. Dat was duidelijk. Kristien is ooit enkele maanden van Herman weggegaan, en toen hadden we weer heel veel contact: we hebben hier zelfs nog eens kerst gevierd, met kinderen en vrienden; bijna in de oude combinatie. Ontzettend leuk. Ik merkte dat ik toen heel veel supporters had: ‘Komaan Lief! Trouw opnieuw met je vent!’ (lacht) Plezierig, maar niet echt realistisch. Toen Kristien weg was, was hij opnieuw ongelukkig, opnieuw verweesd, en verdrietig en boos. Hij wou toen samen met mij naar Rome; ik denk dat hij Kristien niet méér kon raken dan door dat te doen. Daarom ben ik niet op zijn voorstel ingegaan, ook al omdat ik wist dat hij op haar terugkeer zat te wachten, of in ieder geval: dat hij erop hoopte. Hij gáf om Kristien. In een brief aan een vriend heeft hij ooit gezegd dat hij eigenlijk twee vrouwen had willen hebben: Kristien en Lief (lacht).

»Er stond ook iets profetisch in die brief: dat hij erop rekende dat die twee vrouwen op zijn begrafenis achter zijn kist zouden aanlopen. Akelig, als je dat na zijn dood leest. Kristien en ik zien elkaar geregeld, maar we praten niet veel over Herman. Ik ben haar nog altijd erkentelijk omdat ze mij nauw bij Hermans uitvaart betrokken heeft. Ik ben ziek geweest van zijn dood, ook omdat mijn kinderen toen hun vader verloren.

»Tomas heeft altijd een dubbelzinnige relatie met zijn vader gehad, maar gelukkig ging het aan het eind van Hermans leven veel beter. Eindelijk accepteerde Herman Tomas zoals hij was, en dat voélde die jongen, voor het eerst in zijn turbulente leven. Op een avond - één van de laatste keren dat ik Herman levend heb gezien - wou hij mij per se zijn nieuwe gedichten laten lezen, waaronder een gedicht over Tomas. Over hoe hij die jongen nu zag, en vooral: over hoe hij zichzelf in hem herkende. In de laatste strofe sprak hij ouders van geslaagde kinderen aan: dat ze maar eens naar zijn zoon moesten komen kijken, op wie hij zo trots was. Tomas wou niet dat dat gedicht gepubliceerd werd: hij was er ontzettend blij mee, maar hij vond het te intiem. Ik kon hem begrijpen.

»Misschien is het ook een beetje aan dat gedicht te danken dat het, na een parcours vol hindernissen, nog goed gekomen is met Tomas: hij is nu opvoeder in een instelling voor moeilijk opvoedbare kinderen. Vroeger was hij zelf moeilijk opvoedbaar, en nu staat hij dus aan de andere kant. Een ervaringsdeskundige, heet dat (lacht). Toen hij daarvoor ging studeren - hij was al getrouwd - was hij ineens verschrikkelijk ambitieus: grote onderscheiding was net goed genoeg. En hij was ook boos op zichzelf omdat hij voordien nooit had willen studeren. Ik ben heel trots op hem.»

HUMO Herinner je je Herman de Coninck altijd op dezelfde manier? Zijn er beelden die zich altijd weer opdringen als je aan hem denkt?

COPPENS «Ik zie vooral de bescheiden, zoekende man die hij was. Maar misschien herinner ik me nog het meest zijn humor: ietwat macaber, cynisch, en altijd relativerend. Ik denk dat die humor indertijd ook wel een grote verleidingstruc was.

»Hij heeft heel veel plezier gemaakt in zijn leven, en was heel aangenaam gezelschap. Hij vertelde ook graag moppen. Hij heeft me vaak aangeklampt in de Delhaize, als hij mij daar toevallig trof: ‘Lief, ken je die al van...’ En daar ging hij. Zelf moest hij nog het hardst om zo’n mop lachen, ook al had hij ze al tientallen keren verteld - dan lachte hij op zijn typische manier, schokschouderend. Zo zie ik hem nog altijd voor me staan.»

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234