‘Kinderen die buiten spelen, dat bestaat niet meer’Beeld Digital images

REPORTAGEkinderen aan de leiband

Mogen úw zonen en dochters nog alleen het bos in?

Kinderen spelen hoe langer hoe minder in de buitenlucht. Volgens het buitenspeelonderzoek van expertisecentrum Kind & Samenleving zijn slechts 37 procent van de kinderen die buiten spelen meisjes. Vooral meisjes van 9 tot 11 jaar zijn amper te vinden op speeltuinen, sportterreinen of pleintjes.  In 2008 verscheen in Humo de reeks ‘Kinderen aan de leiband’. Herlees hier het eerste deel. 

(Verschenen in Humo 3533 op 20 mei 2008)

Zelden zoveel aantekeningen en onderstrepingen gemaakt als in het boek ‘Het laatste kind in het bos’ van Richard Louv (uitg. Jan Van Arkel/EPO). Een intrigerende titel. En een fascinerende inhoud. Het gaat erover dat kinderen (8 tot 14 jaar) niet langer buiten spelen en hoe dat zo gekomen is: computer en tv die de aandacht opslorpen, ouders die hun kinderen te veel willen beschermen, een vrije tijd die volgestouwd is met activiteiten, en de natuur zelf die op veel plaatsen beschermd en niet meer toegankelijk is.

Louv beschrijft hoe kinderen gaandeweg vervreemden van hun omgeving. De natuur is een abstractie geworden, een poster van een orka op een kinderkamer. De natuur is ook een probleem geworden, de global warming en alle ellende die dat meebrengt. Louv deed zijn onderzoek in Amerika, maar wat hij schrijft is uitermate herkenbaar voor Europa. Ik ga zelf op zoek naar ‘de laatste kinderen in het bos’. Een zoektocht die dagen en dagen in beslag zou nemen. Want kinderen die nog buiten het tuinhek spelen, ze zijn een bedreigde soort geworden.

KIND MET VRIJE UITLOOP

De eerste die ik opbel, is een boswachter in de Noorderkempen. Hij heeft een enorm areaal bossen onder zijn hoede, tegen die bossen grenzen gehuchten en woonwijken en dus moeten er ook kinderen zijn die erin spelen, maar hij zegt: ‘Ik denk dat zulke kinderen niet meer bestaan!’ Ja, hij ziet nog wel kinderen in het bos, maar dan op excursie met de school en begeleid door een gids en/of een leerkracht: ‘Dat komt omdat de wetgeving zo verstrengd is. Want er mag niet veel meer in het bos, tenzij wandelen en mooi op de paadjes blijven.’ Echt spelen ziet hij alleen nog met een vereniging, scouts of chiro of zo, en dan nog alleen in de speelbossen, ‘de gedeeltes die zijn toegewezen voor spelactiviteiten’ en die een officieel bord aan de ingang hebben, een wit schild met in groene letters SPEELBOS. (Van de 140.000 hectare bos in Vlaanderen is amper 1,3 procent ‘speelzone’.) Ik vraag hoelang het geleden is dat hij nog niet-begeleide kinderen in de bossen heeft zien spelen. ‘Dat moet zo’n tien â vijftien jaar zijn.’

M’n volgende contactpersoon is een melkman in de Westhoek. Hij komt in talloze kleine dorpen midden in de weidse polders, hem ontgaat weinig op zijn dagelijkse ronde, maar ook hij ziet geen kinderen meer. Een conservator van een natuurdomein in diezelfde Westhoek geeft me evenmin hoop: ‘Jij denkt dat kinderen op de buiten avontuurlijker zijn dan die in de stad? Vergeet het!’ Kinderen die nog naar stekelbaars, salamander of kikkervisjes scheppen, heeft hij ook in geen tijden meer gezien. (‘Officieel mag het niet meer, maar ik zou ze met rust laten, zolang ze niks mee naar huis nemen.’)

Dat plattelandskinderen afwezig zijn in de natuur heeft volgens hem een heel andere reden: ‘Het onveiligheidsgevoel heerst hier ook, en misschien nog wel stérker dan in de stad. De kinderen moeten in de tuin en op de oprit blijven, dat is veilig en zo worden ze ook niet vies en vuil. We leven in een cleane samenleving, en dan is de vrije natuur niet te betrouwen, want wat pakken de kinderen daar allemaal vast, vuile takken, dooie dieren... Dat ze daar maar wegblijven!’ Zou je daarover niet schrijven, suggereert hij, ‘over dat oprukkende onveiligheidsdenken op het platteland?!’

Ik beloof dat zeker te doen en bel naar L., de directeur van een lagere school in het oosten van Limburg met nog duizenden hectaren bronsgroen speelhout in de buurt: ‘Maar mijn beste, alle bossen zijn hier afgesloten voor kinderen! Hier kun je alleen nog wandelen. Onlangs is hier iemand betrapt door een natuurwachter, hij was dennenappels aan het rapen als aanmaak voor de kachel en hij heeft ze terug moeten leggen! Idem met bosbessen, die mogen niet meer geplukt worden. We hebben hier het grootste aaneengesloten bosgebied van Vlaanderen (het bekroonde Nationaal Park Hoge Kempen, red.), dat zou fantastisch kunnen zijn, maar kinderen mogen er niks. En ja, tegen onze woonwijken liggen nog wat stukjes bos, maar daar hangen ongure figuren en de ruigere migrantenjongens rond, daar laten ouders hun jonge kinderen niet meer spelen. En dus zeg ik: kinderen die buiten spelen, dat bestaat niet meer.’

‘Maar het ligt natuurlijk ook aan de ouders. Kinderen lopen altijd en overal in hun communiekleren, hoe kunnen die nog ravotten? En stel dat een vader toch zou voordoen hoe je in de bomen klimt, mán, die stoppen ze zes maanden in de bak! Klinkt dat overdreven, klinkt dat cynisch?! Er zijn ecoducten van een paar miljoen euro die de herten en de dassen veilig over de snelweg moeten loodsen zodat ze ongestoord kunnen rondhuppelen in die zesduizend hectaren ééngemaakt bos, maar de kinderen, die mogen daar niks, die moeten aan de leiband!’

En zo leer ik de obstakels van het buiten spelen kennen, en zo lopen vele zoekpogingen meteen op een dood spoor. Voor sommige van m’n contacten klonk het alsof ik op zoek was naar personages uit een ouwe streekroman, ‘gij zoekt dus kinderen die in deze tijd nog kikkers opblazen ofwa?’ Nog bemoedigender was de opmerking dat ik ‘zoiets zocht als Japanse soldaten die zich hebben verschanst in het bos en er niet uitkomen omdat ze denken dat de Tweede Wereldoorlog nog bezig is; zulke kinderen wilt gij dus vinden, die niks weten van de moderne maatschappij en die nog altijd in het bos spelen als was het vijftig jaar geleden.’ Ja, dat soort oosterse beschouwingen kreeg ik er gratis bij.

Het wás ook vreemd. Om toch maar duidelijk te maken wat ik zocht, sprak ik over ‘avontuurlijke kinderen’ of zelfs ‘loslopende kinderen’. In Amerika bestaat intussen de term free range kids en in Nederland spreekt men al van scharrelkinderen! Vijfentwintig jaar geleden zou niemand naar zo’n omschrijving gezocht hebben. Buiten spelende kinderen, dat waren toen nog kinderen tout court.

'Jij denkt dat kinderen op de buiten avontuurlijker zijn? Vergeet het! Het onveiligheidsgevoel heerst hier ook, en misschien nog wel stérker dan in de stad.'Beeld Digital images

BANG VAN EEN KIKKER

Richard is een natuurgids die al heel zijn leven door het Land van Saeftinghe en aanpalende polders zwerft, hij kent dat terrein dat zich tientallen kilometers uitstrekt, hij zal me kunnen helpen! ‘Maar jongen, waar gij nog over spreekt! Dat wordt niet meer gedaan! Ze zitten allemaal achter hun computer!’ Dan volgt een tirade, een monoloog die moeilijk te stoppen is: ‘Paaseieren zoeken, daarvoor komen ze nog buiten. Maar voor de rest? Nikske! Ik ben echt ongerust over die komende generaties, die gaan niet meer houden van de natuur. Want hoe leert ge houden van de natuur? Door van kinds af bezig te zijn in de natuur. Ja, ze dénken dat ze slim zijn en alles weten van de natuur, want mijnheer, wij leren toch over Het Milieu?! Dat leren ze dan op school en dat halen ze dan uit die computer: ons milieu is bedreigd en ons milieu is kwetsbaar, en si en la. En wat onthouden ze: dat ze in de natuur niks kapot mogen doen en nergens mogen aankomen! Maar zo worden ze misvormd!’

‘Een kind moet toch een paddenstoel en een watersalamander en een meikever op zijn hand hebben gevoeld en van dichtbij hebben gezien! Maar wat zie ik als ik op excursie ben met een klasje kinderen van elf, twaalf jaar? Dat ze bang zijn van een kikker! Ik schep er eentje uit het gras, maar bijna niemand durft ’m op zijn hand te pakken. En als er ineens een puit wegspringt voor hun voeten, dan schrikken ze! Maar ja, ze kennen die kikker alleen van het schoolbord of van het schermke thuis. En dat is de misvorming: dat het alleen maar kénnis is en geen beleving.’ ‘Als ik mieren aanwijs in het zand, dan zeg ik: ziet die mieren eens achter elkaar lopen gelijk soldaatjes! En zo geef ik een beeld, zo breng ik die mieren tot leven. En zo gaan die kinderen dat toch anders bekijken dan die oppervlakkige prentjes in hun schoolboek of op hun pc.’

FAZANT ROOSTEREN

Veel verwacht ik van Michel, nog een Kempense boswachter die me al eerder met lastige queestes geholpen heeft, maar ‘zo direct’ weet hij ook niemand. In zijn omgeving wonen nog aardig wat boerenkinderen, maar ‘die zoeken het avontuur nu op de boerderij zelf; die zal je rapper met machines zien rijden dan dat ze de natuur in gaan.’

De vrije tijd is nu ook anders ingedeeld, zegt-ie. Vroeger nam je je fiets, je trapte tot bij de buurjongen en hup, je was vertrokken met zijn tweeën. Nu gaat het zo spontaan niet meer, ‘de vrije tijd is drukker bezet, er moet gebeld en afgesproken worden.’ En waar vroeger iedereen buiten was omdat dat het enige speelterrein was, vinden ze nu hun vriendjes in de jeugdbeweging of de sportclub. ‘Kinderen met interesse voor de natuur komen nu wat alleen te staan. Als ze in de buurt geen kameraadje vinden, dan hebben ze niemand om mee op te trekken. En op je eentje de natuur verkennen, dat is ook maar niks, en zo gaat dat buiten spelen verloren.’

Z’n eigen kinderen hebben veel buiten geravot en zopas hebben ze voor het eerst verteld dat ze ooit met de katapult een fazant hebben geschoten en dat ze die vogel op een vuurtje hebben gebraden en geroosterd, ‘maar dat is al wel tien jaar geleden!’ En dat ze twee kameraadjes hadden die met de shetlandpony naar de hei reden om daar cowboy-en-indiaan te spelen ‘met een vilten hoed op en wat pluimen op hun kop.’ Wat een mooi beeld! En ik wil het niet horen dat ook dát tien jaar geleden is, en dan moet hij me plechtig beloven: ‘Als ik, Michel, nog kinderen zie die cowboy spelen op de pony of fazant roosteren op de hei, dan arresteer ik ze, dan sluit ik ze op en dan hou ik ze vast tot Humo eraan komt!’ Is beloofd, lacht-ie.

MAN ZOEKT KIND

Mijn laatste mogelijkheid is kriskras gaan rondrijden in woonwijken die tegen bossen of andere natuur gelegen zijn en daar naar ‘loslopende kinderen’ zoeken. Ik zie me al stoppen met de auto en hallo! wuivend op de jochies toestappen. Ik wou dat het nog kon, maar ik weet wel beter: kinderen gaan benaderen, aan de bosrand dan nog wel, dat is anno 2008 absoluut not done. Neemt niet weg dat ik op twee middagen toch naar het hartje van de Vlaamse Ardennen en naar een parel van Midden-Limburg ben gereden. In beide gevallen wist ik van avontuurlijk aangelegde kinderen, via een item in ‘Man bijt hond’ en via een berichtje in de krant.

Ik heb de Vlaams-Ardense boerderij gevonden, landelijker kan een hoeve niet liggen, maar de boerin moet me teleurstellen: de jonge zoon zet geen stap buiten het erf, waar de moeder nochtans de zeldzame slanke sleutelbloem en het grootbloemig muur weet staan. Zij houdt van de natuur, zij heeft zich vroeger ‘met haar poezen’ vaak teruggetrokken op stille plekjes in de kouters, maar geen van de kinderen heeft die interesse.

De beekvallei in Limburg was al even ideaal voor de jonge wildzang: vijvers, beekjes en uitnodigende heuvels en bossen zover ik kon zien! En daar stond ik dan te bellen aan nabije huizen, in de lekkende regen van de paasvakantie: dat ik gehoord had dat in deze omgeving nog kinderen speelden. Ik zag moeders in de deur staan met hun kroost achter de beschermende arm en me aankijken met een mengeling van zal ik nú de politie bellen of geef ik deze natte mens een kop koffie? Het leverde allemaal niets op, tenzij een impressie van de lichte wanhoop die me dreef.

En uiteindelijk, na tien dagen en tientallen telefoons, had ik dan toch een kind te pakken! Het gezin woont in een tuinwijk met ook wat villa’s en op vele gazons staan de bekende blauwe trampolines op jumpende kinderen te wachten. Floris – die vandaag dertien is geworden – gidst me langs het Crossbos, de Duikbrug en de Holle-Weg-Hinderlaag, plaatsen die nergens te vinden zijn op de kaart van de gemeente Lichtaart.

Om het Crossbos te bereiken loopt er een smal slijkpaadje achter de huizen. Het laveert tussen dennen, steekt af en toe een straat over en na anderhalve kilometer mondt het uit in een echt crossparcours: een pad dat klimt en zinkt in holle wegen en korte sprongen zoekt over stronken en wortels van eiken en beuken. Geen fietsje te zien en dan nog ziet het er spannend uit.

Op het hoogste punt van een beboste zandrug, vlak bij het crossparcours en ‘onzichtbaar voor de bewoonde wereld’, hadden Floris en z’n oudere broer Joren hun kamp en hun boomhut ingericht. Floris is hier al meer dan een jaar niet meer geweest en is verrast hoe alles erbij ligt. Er is alleen nog een put, waarin raamkozijnen en vensterglas zijn gedumpt: ‘In die put konden we met z’n vieren zitten. Hij was toegedekt met dennentakken en je kon erin kruipen via een tunneltje. Dan zaten we daar in het donker met een paar kameraadjes en om daar zo te zitten babbelen in dat duister, dat had iets geheimzinnigs.’ Van onder die ‘schuiltakken’ konden ze ook ongestoord de bosfauna observeren: eekhoorntjes, konijnen, hazen, bosmuizen, Vlaamse gaaien, ‘en meikevers die ineens uit het zand kwamen gekropen.’

Floris raapt een dorre tak op en pelt de schors eraf, een spinnetje loopt weg. (Zijn vader: ‘Toen hij vijf was, zei hij dat hij stratenmaker wilde worden. Dan kon hij elke dag buiten zijn én in het zand graven en wormen, kevertjes en pissebedden zien!’) Floris hoort nu ook boven het bos een buizerd klagen en op zijn kreet roept de roofvogel terug (‘het is baltsseizoen en dan reageren ze daarop.’)

Niet ver van het kamp was de boomhut, op drieënhalve meter hoogte en mét een afdakje en een balustrade: ‘M’n broer en ik konden daar juist met zijn tweeën in en dat was onze hut, onze uitkijkpost, wij waren daar op ons eigen.’ Tien meter verderop is ‘de klimboom’, een vertakte beuk waarin de oudste op verschillende hoogtes een staanbalk had aangebracht. ‘Hij was toen twaalf, hij durfde tien meter hoog te klimmen.’ Tussen de boomhut en de lager staande klimboom hadden ze een zweefbaan: een dik touw met daaraan een anker ‘waaraan je kon gaan hangen’, in elkaar geknutseld met hout en spijkers, maar ‘dat ding brak al bij de eerste zweefvlucht.’

Twee spelende 'boskinderen' in NijlenBeeld Digital images

ZWEEFBAAN

Ik vraag aan de ouders of ze wisten wat de kinderen deden in het bos, en of ze niet ongerust waren. De vader: ‘Het is begonnen met kleine tochtjes met de crossfiets en naarmate ze ouder werden, gingen ze dieper het bos in. M’n vrouw en ik waren niet zo ongerust, ’t zijn gasten die wel uitkijken, maar toen ze met schoppen, touwen en planken begonnen te sleuren, zijn we wel enkele keren gaan kijken om te zien wát ze maakten en of alles solide genoeg was.’

Sinds de grotere broer zijn interesse verlegd heeft naar het skaten, komt Floris niet meer in het bos. ‘Maar toen ze elf en twaalf waren, gingen ze daar elke dag met hun kameraadjes spelen. In de grote vakantie zagen we ze alleen ’s middags: dan moesten ze van ons naar huis komen om te eten.’

Als we van het Crossbos weggaan, dringt de absurditeit van dit bezoek tot me door. Hier ben ik dus in een bos gestapt op zoek naar kinderspel! Meer nog, omdat buiten spelende kinderen zeldzaam worden, was ik al tevreden met het zien van de schaarse overblijfselen van dat kinderspel, restanten als een put in de grond, wat planken in een boom en wat paadjes in een bos. Er lacht een ekster, er krast een kraai, er kraken ook takken en een paar duizend jaar beschaving knapt af.

VETTE PROPPEN

De Duikbrug is een andere kant uit. Het is een brug over de Kleine Nete, op een kilometer vanwaar ze wonen. De rivier ligt hier tamelijk afgelegen tussen de koeien en de velden en is een biotoop voor witvis, katvis, muskusrat, meerkoet, reiger, aalscholver en ‘zelfs ijsvogels’. Tien meter breed is het water, met aardig wat debiet, en in dat roestbruine stromen kun je niet zien of het diep genoeg is. Wat dus geknipt is voor ongeruste ouders: stel dat ze op mekaar duiken en zich bezeren, er staat maar één huis in de buurt! En mogen ze daar wel zwemmen? En er rijden auto’s over die brug! En er is geen duikplank! En ze kruipen zomaar over de leuning en dan springen ze van de brugrand!

De vader «Ik zit er ook weleens aan te denken: wat als het water te ondiep is en ze hard tegen de bodem duiken. Je moet er maar op vertrouwen dat ze hun gezond verstand gebruiken. Veel kinderen mogen van hun ouders hier niet komen omdat het ‘gevaarlijk’ is en omdat er gene control is. Tja, het is het gemeentelijk zwembad niet, hè! Aan die brug komen vooral twaalf-, dertienjarigen uit Lichtaart en Kasterlee. Op warme dagen komen ze met de fiets, want het is niet alleen een zwemplek, het is ook een sociale plek: wat kletsen, wat rondhangen, wat naar de kanovaarders kijken, wat fikfakken.»

Eén keer zijn ze bij Floris en Joren thuis ongerust geweest. Hun moeder kwam hen bezoeken in het Crossbos en ze waren nergens te vinden, ook niet aan de Duikbrug (‘ik heb een uur ongerust rondgefietst, want nergens had iemand ze gezien!’) Wat bleek: de beide broers waren net die middag ‘op verkenning’ gegaan en hadden de Holle-Weg-Hinderlaag ontdekt. We gaan ter plaatse kijken: de holle weg is een betonbaantje in een smalle kom tussen een bos en een akker. ‘In de zomer staan er hoge maïsstengels op die akker en dat is ideaal als schuilplaats. We hebben dan klakkebuizen (blaaspijpen gemaakt van elektriciteitsbuizen, red.) bij ons en we schieten papieren pijlen naar de vele toeristen die voorbij komen fietsen. Soms zaten we hier een hele middag, we hadden dan twee rollen wc-papier mee, daarmee kun je van die vette, natte proppen kauwen. En dat vloog dan kléts op een arm, of páf op een kettingkast. Als iemand dan afstapt en kwaad staat te kijken, niet wetend waar je zit, dat is keiplezant! En als we honger hadden, dan aten we zo’n kolf maïs op.’

KINDERKRIBBE KATTENKWAAD

We laten de zomer in Lichtaart en zetten onze zoektocht voort, deze keer in de kranten. Op de knipseldatabank Gopress tik ik het trefwoord ‘spelende kinderen’ in. Dat levert bijna zesduizend hits op in twaalf jaar krantenknipsels, maar haast altijd staan spelende kinderen gelijk met schade: van ‘glasraam ingegooid’ tot brandjes in lege garageboxen, zolders, schuren en zo meer. Ja, spelende kinderen hadden ook eens ‘een loslopende pony’ gevangen en aan de rechtmatige eigenaar bezorgd, maar voor de rest is het één litanie van overlast.

Andere vreemde vaststelling: als je het trefwoord ‘kattenkwaad’ intikt, kom je terecht bij boekbesprekingen, filmrecensies en theatervoorstellingen voor kinderen. Kattenkwaad blijkt dus vooral nog in fictie te bestaan. Of in interviews met Bekende Vlamingen die over hun kinderjaren vertellen.

En wat te denken van het trefwoord ‘boomhut’! 1.365 hits op Gopress, maar bij nader toezien gaat het vooral om namen voor basisscholen, kinderdagverblijven en andere buitenschoolse opvang. En ja, er is ook een kinderprogramma ‘Boomhut’ geweest op de BRT, en er waren de protestboomhutten in het Lappersfortbos en tegen de boomkap bij de luchthaven van Deurne. Voorts lijken boomhutten steeds meer in handen van volwassenen te komen. Ik ontdek dat logeren in boomhutten ‘een nieuwe toerismetrend’ is in Frankrijk, Nederland, Oostenrijk en ‘enkele Afrikaanse landen’. En dan is er nog die groeiende reeks firma’s die boomhutten komen bouwen in de tuin (‘voor kinderen, maar evengoed voor volwassenen die een rustige plek zoeken om te lezen of te schrijven’). De hutten zijn desgewenst voorzien van verwarming, licht en kabel voor computeraansluiting. Ik zag zelfs modellen voor op de kinderslaapkamer (‘uiteraard in een trendy design’), met als topper een ‘hoog en avontuurlijk model met loopplank en touw’. De bijbehorende tekst zegt genoeg: ‘Een boomhut spreekt tot de verbeelding van ieder kind, zeker als die dan nog in de slaapkamer mag staan.’ Richtprijs voor zo’n knusse hut: 1.200 euro (‘matras en montage niet inbegrepen’).

DE BRAKKERS VAN WEBBEKOM

Maar ik heb ook nog échte boomhutkinderen gevonden. Ze zijn intussen wel iets ouder geworden, ze zitten nu op versleten kussens in een zelf getimmerd ‘tuinhuis’ en – respect! – ze laten zich Webbekom Side noemen, een schuilnaam voor alle homies van de Diesterse deelgemeente Webbekom. Maar geen twee jaar geleden heetten ze nog De Brakkers en hadden ze hun uitvalsbasis in een kinderlijk vrolijke boomhut. Brent, Lennart, Yorben en Jorn vertellen over de wonderjaren 2005 en 2006, toen ze elf en twaalf waren.

Yorben «Het is begonnen in de grote vakantie van 2005. We kennen mekaar van de chiro, we doen heel veel samen, en zo hadden we weer eens een nachtje geslapen bij Lennart thuis, in een tent op het gazon. En ’s morgens lieten Brent en Lennart hun zogezegde boomhut zien, dat was op een kleine honderd meter van hun huis, en jong, daar hing amper een plank en een touw in die knotwilg, dat was zo belachelijk dat we gezegd hebben: komaan, dat kunnen we beter.»

Jorn «We zijn begonnen met een pallet voor de vloer en dan hebben we zo verder getimmerd met planken en balken. Twee maanden hebben we gewerkt voor het helemaal af was.»

Yorben «Dat was elke morgen om negen uur opstaan en om tien uur bij de hut. Ik zie ons daar nog staan met onze flessen drank en thermoskes, precies bouwvakkers!»

Brent «We hebben niet alles zelf gedaan, hè. We hebben ook hulp gehad van de buren, Rudi en Lorette.»

Yorben «Maar de ongelukken waren allemaal op onze kosten! We hebben allemaal wel een stuk hout op onze kop gekregen en we zijn allemaal wel in een plank met nagels getrapt. Brent heeft eens zo hard in zijn duim gezaagd dat zijn vingernagel eraf was. En Lennart heeft per ongeluk in de arm van Jorn gezaagd toen die te dichtbij stond.»

Lennart «We hadden op den duur twee verdiepingen, maar de tweede lag lager dan de eerste. En je kon naar die tweede verdieping met een kleine schuifaf.» 

Yorben «We hadden ook een groot raam in de hut, dat was een betonrooster. En het gordijn, dat was een oude deken. En als wc hadden we een pisbakje in een apart kamertje.»

Lennart «De trechter was de flacon van een wasverzachter die we doormidden hadden gesneden. Daaraan hadden we de darm van een tuinslang vastgemaakt en die kwam beneden uit in de beek.»

Brent «We hadden ook een bureau, zo’n oud ijzeren ding. Niet voor onze administratie of zo, gewoon, onze hut móést een bureau hebben! Er was ook een zonnebank, een klein platform aan de zuidkant, daar kon je gaan liggen in je bloot bovenlijf. En voor Jorn hadden we een uitkijkpost gemaakt. Jorn is onze bosmens. Hij is altijd dieren aan het observeren met zijn verrekijker, maar hij is ook zo’n natuurvriend dat hij al met een katapult op een roodborstje heeft geschoten. Hé Jokke, laat je boskostuum eens zien? En vertel eens welke beesten hier allemaal rondlopen! Witte spechten! Bizons! Giraffen! (wild gelach, Jorn deelt een paar porren en stampen uit)»

Lennart «Er hing ook een kleine koebel aan de deur, zodat bezoekers konden aanbellen. En als we weg waren, deden we het hangslot op de deur en hingen we een plakkaat Keep Out! Dangerous! De hut was omheind met prikkeldraad: we wilden niet dat iemand erin kwam, want ’s nachts bleef alles daar liggen, gereedschap, verf, en ook ons speelgoed en zo. Onze legermannekes bijvoorbeeld.»

Brent «Die we het jaar daarop in brand hebben gestoken. Mwa jong, dat stonk toen dat plastic begon te roken en te smelten.

»We hebben ons nooit verveeld in die hut, we hadden altijd iets te doen. Pissijn repareren, mieren verdelgen, met de kaarten spelen of buiten wat skaten of wortelschieten.»

Yorben «Dat hebben we in de chiro geleerd. Je hangt een dik touw over de hoogste tak van een boom. Aan de ene kant is een lus-met-kussen bevestigd waaraan eentje zich vastklemt, en aan het andere einde sta je met zijn drieën en snok je heel hevig dat touw omlaag, en dan schiet die ene hoog de lucht in.» Brent «Jorn en ik zijn ook een nacht in de hut blijven ‘slapen’, op kussenslopen gevuld met stro. Maar we zijn de hele nacht wakker gebleven: we hebben naar de sterren gekeken, naar onze mp3 geluisterd en véél gelachen.»

Jorn «En ’s morgens hadden we chips als ontbijt! En we hebben ook een loopgraaf aangelegd bij de hut.»

Yorben «Dat was geen loopgraaf, dat was een ondergrondse mijn! Met aan de ingang van die ouwe scheve deurkes zoals in de Far West. En we hadden een mijnschacht, die we aan de zijkant en de bovenkant gestut hadden met palletten. En één pallet aan de zijkant hadden we vervangen door een plexiplaat: dan kon je zo de wormen en de kevers zien kruipen in de grond. En één keer zat er een kikker!»

Lennart «Je kon ook ons afval zien liggen, al de blikskes van de fake Red Bull uit de Lidl. Wij waren niet zo milieuvriendelijk. We begroeven ons afval of we staken het in brand. Soms met een spuitbus erbij, dat gaf nogal een knal.»

Brent «Op de allerlaatste dag van de vakantie hebben we de hut ingehuldigd. Op de computer thuis hadden we een uitnodiging gemaakt en die zijn we dan gaan bussen bij ouders, grootouders, buren, familie en vrienden. En we hadden de hut met vlaggetjes versierd en een e-mail gestuurd naar een paar kranten. En toen zijn Het Nieuwsblad, Het Belang Van Limburg en Het Laatste Nieuws komen kijken. We hadden fruitsap en cola, en ik had hapjes gemaakt!»

Lennart «D’r is veel volk op afgekomen. En er was een speech, waarbij ieder van ons om de beurt het woord voerde. En in de avond hebben we vuurwerk afgestoken, in feite waren het maar van die kerststerretjes.»

Brent «Maar we hebben wel veel cadeaus gekregen: bloemen en snoep en drank en geld. En ook veel nagels en heel veel hout.»

WINTERSLOEFEN

Yorben «Bij de ingang hadden we een betonplaat liggen met onze vier handafdrukken erin en we hadden ook een echte brievenbus: DE BRAKKERS stond erop. De facteur stak er soms reclamefolders in, dat was wel plezant. En de juf bij wie we in de kleuterschool hadden gezeten, heeft er zelfs een brief in gestopt!»

Brent «We zijn nog van plan geweest om ons ‘adres’ officieel te laten registreren bij de gemeente maar dat is er niet van gekomen. Yorben! Uw klas is hier ook op schoolreis geweest!»

Yorben «Ja, toen zat ik al in het middelbaar en ik had erover verteld en de meester vond dat interessant en toen is de hele klas met achttien man komen kijken. Tijdens de lesuren! Eerst drie kilometer te voet en iedereen maar zagen, maar toen ze de hut zagen, vonden ze het toch de moeite en de meester vond het ook knap!»

Brent «Eigenlijk zaten wij elke dag in die hut, ook toen de school weer begonnen was, en dus ook in de winter.»

Lennart «Zaten we daar in onze jas te bibberen, en het plexiraam helemaal aangedampt. Maar wij gingen dóór. Een dag niet in de hut zijn, dat kon gewoon niet!»

Jorn «Al een geluk dat er dat oud vrouwke was dat geregeld karamellen kwam brengen. En dat Lorette ons af en toe naar binnen riep om iets warms te komen drinken.»

Brent «Yorben heeft toen ook wintersloefen uitgevonden!»

Yorben «Ik had dikke stukken mousse, en naargelang de maat van de schoenen maakte ik daarin een sleuf en zo kon je in die ‘sloefen’ stappen en zo klosten wij door die hut! Die eerste winter had het ook gesneeuwd. We hadden toen een kerstboom met slingers, en die zag helemaal wit.»

Lennart «Van die hut is nu niks meer te zien. Dezelfde buren die ons bij de bouw geholpen hadden, konden al de rommel niet meer zien en zijn gaan klagen bij onze ouders.»

Brent «Verder geen kwaad woord over die mensen. En dat van die rommel was waar: iedereen sleepte maar aan, maar alles wat we niet konden gebruiken, bleef op een hoop bij de hut liggen.»

Yorben «En toen moesten we ze afbreken en daarna hebben we een nieuwe hut willen bouwen, met hoge steunpalen en een lichtgevende koepel en luikjes voor de vensters. Maar dat was té groots opgezet, dat is nooit afgeraakt.»

Brent «Toch spijtig dat we die eerste hut niet meer hebben. Dat was een plek apart, dat was daar ons eigen domein.»

OORLOG IN HET BOS

En dan vind ik toch nog de eerste (vrij jonge) kinderen die niet terug moeten naar één of twee jaar geleden, maar die nú het bos ingaan. ‘Ze hebben op u zitten wachten,’ zegt de jonge moeder in de buitenwijk van Herenthout. En haar vier kinderen gaan me voor, in een fiere stoet naar ‘hun’ bos. Ze heten Niels (13), Dries (10), Charlotte (7) en Lars (5) en eerst volgen we het crossparcours dat ze met de fietsjes doen. Dat gaat een flink eind het bos in: er zijn putten en bergjes met de schop gemaakt en er is een ramp, een omgevallen dennenstam waar je kunt ‘jumpen’ en waar een schansje van zand is voor een goeie aanloop. De deelnemende kameraadjes doen meestal één ronde, maar er zijn ook rittenkoersen: dan doen ze de omloop vijf of tien keer na mekaar om te zien wie die uithoudingsproef kan winnen. Hij speelt graag buiten, zegt Niels, want hier heeft hij meer vrienden: ‘Soms zijn we buiten met zeven kinderen aan het crossen, en als ik dan weer thuiskom, zijn we maar met vier.’

In het bos spelen ze de klassiekers tikkertje en verstoppertje ‘en soms ook legerke.’ Dan verdelen ze zich in twee groepjes van drie: de ene groep verdedigt ‘zijn’ kamp, de andere probeert binnen te vallen en dan gooien ze met van alles: stukken van stokken, eikels, dennenappels, ‘en wie geraakt is, die moet tien seconden dood blijven liggen en dan is hij weer levend.’ Heel soms komen er kinderen meespelen die thuis een bb-gun hebben, ‘dan is het schieten met van die gele plastic bollekes; dat is precies echt omdat die geweren er ook echt uitzien.’

We vinden een dooie eekhoorn, er zitten vliegen op het kale velletje en ze schoppen er zachtjes tegenaan, nieuwsgierig, hoe-zou-die-zijn doodgegaan? Aan de rand van het bos ligt een sjotplein: daar laten ze hun vlieger op in de zomer en daar maken ze een sneeuwman in de winter. Of ze houden een sneeuwballengevecht, ‘dan bouwen we eerst een muurtje en vanachter dat fort gooien we dan de ballen.’ En met Halloween mochten ze ’s avonds naar de wei áchter het bos, daar liggen boomstammen en daar mochten de drie oudsten en twee neefjes zich verstoppen en dan is ‘vake ons komen zoeken met een fákkel!’

En dan komen we bij het kamp, het ligt binnen gezichtsveld van thuis, het is maar een vierkante wal van dennentakken en wilgenhout, maar het is Hun Kamp waar ze trots op zijn. Op de grond ligt een koord die rond vier dikke takken zit. Dries spant zich in het touw en doet voor hoe hij de takken naar het kamp sleept. ‘Ik ben het sterkste paard,’ zegt-ie. Het zal wel, zegt Niels. Ooit zijn we wel geschrokken, zegt de moeder. Toen hadden ze een kamp gemaakt met alles wat ze aan sluikstort hadden gevonden in het bos: twee stoelen, een deur, een raamkozijn, een paar autobanden, ‘ze hadden veel moeite moeten doen om dat naar hier te slepen. Maar toen had iemand de politie gebeld en toen kwamen die vragen wat al die rommel daar deed in het bos.’ En toen moesten ze alles afbreken en is een camion van de gemeente ‘hun kamp’ komen opladen, ‘dat vonden ze wel heel erg. Ja, dat kamp, daar zijn ze nogal mee bezig! Dan komen ze hier ’s middags eten, en dan zitten ze aan tafel met hun ogen naar het bos. Stél! Stél dat er íémand zou komen om hun kamp af te breken!’

Ik zou met stokken en eikels beginnen te gooien. En de oorlog afkondigen. En roepen dat er versterking moet komen, dat de jongens met de bb-guns moeten komen. En als de vijand dan verslagen is, dan ’s avonds een touw spannen tussen twee bomen. Voor als ze nog eens komen! Zodat ze op hun stomme gezicht vallen! Ja, dát doen we.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234