''t Was een klein dorp in de Kempen, maar dan met zich op de Atlantische Oceaan’Beeld HUMO

Zomerverhalen

Opkomst en ondergang van Ten Bel, het Belgische vakantiepark op Tenerife

(Verschenen in Humo op 25 juli 2011)

In de verste verte: níéts. Tussen de vulkaan en de staalblauwe oceaan gaapt vooral leegte, in schakeringen van bruin en oker. In deze woestenij gedijt niets, op wat armetierige cactussen na. De enige tekens van menselijke beschaving: enkele met baksteen ommuurde plantages en Las Galletas, met één straat en een tiental krottige vissershuisjes meer kamp dan dorp. ‘I-de-aal!’ dacht Michel Huygen – schonkig van carrure, de vlinderdas zoals altijd keurig om de nek geknoopt – en hij plantte een vlag in deze bled in het zuidelijkste puntje van Tenerife.’

We spreken 1964: het startschot van een massatoeristisch experiment zonder voorgaande. Ten Bel, Tenerife-België, epicentrum van zomers vertier en onbekommerdheid, waar honderdduizenden landgenoten zich in de loop der jaren kwamen vermeien. Maar zou Huygen eraan begonnen zijn als hij geweten had dat hij het met zijn leven zou bekopen?

En zo komt het dat we op een snikhete zomerdag aanschuiven bij Michels zoon, Jan Huygen: zelf jarenlang aan de slag in de directie van Ten Bel, en nu – het bloed kruipt waar het niet gaan kan – eigenaar van Hostellerie Lafarque, in het lommerrijke Luikse ommeland. Huygen lanceert zijn vertelling in de vroege jaren 60, wanneer vader Michel Huygen nog aan het hoofd staat van het ouderlijke bedrijf.

Jan Huygen «Den AREL in Schoten: de grootste radio- en televisiefabriek van het land. Er werkten twee-, zelfs drieduizend mensen, tientallen op de boekhouding alleen al. Maar de jaren 60 waren een tijd van grote sociale problemen, met stakingen en woelige betogingen in Brussel, er vielen zelfs doden. Keer op keer legde het personeel van mijn vader het werk neer, en hij werd dat op den duur beu: ‘Ge hebt nu uw tweede week congé payé. Wat zal het volgend jaar zijn?’ De vakbonden: ‘Dan staken we voor een dérde week, mijnheer.’ Toen heeft hij beslist om de boel te verkopen: ‘Als jullie zoveel vakantie hebben, willen jullie zeker ook op reis. Ik stap in het toerisme.’»

In 1964 doet Huygen zijn fabriek van de hand, hij stapt de AREL-gebouwen buiten met – naar verluidt – vijftig miljoen frank op zak. Hij trekt de wereld rond, op zoek naar een plek om zijn toeristische aspiraties te botvieren. Hij overweegt Libanon, maar de politieke toestand maakt hem nerveus en die plannen laat hij varen.

Jan «Hij is uiteindelijk naar Tenerife gevlogen: toen nog het einde van de wereld, bij manier van spreken, maar hij had gehoord dat het weer daar zo goed was. Hij logeerde in Puerto de la Cruz: een havenstad in het noorden, waar toen al een beetje toerisme was. Maar het was er elke dag betrokken. Mijn vader, tegen zijn hotelier: ‘Wat doen jullie als de toeristen het op hun heupen krijgen?’ Die man, tevens burgemeester van Puerto: ‘Dan steken we ze in een bus en sturen we ze de Teide over, naar het zuiden. Daar is het áltijd goed weer.’

De Belgen komen!

Vier uur, misschien zelfs vijf, is Michel Huygen onderweg naar de andere kant van het eiland: eerst steil omhoog tegen de flank van de vulkaan Teide, dan kilometers door het eeuwenoude naaldbos dat als een kroon omheen de top ligt gedrapeerd, en ten slotte dwars door het spookachtige maanlandschap in de oude krater. De Teide, met zijn 3.718 meter, heeft één groot voordeel: de regenwolken van het noorden komen er niet voorbij.

Jan «Het zuiden is droog. Kurkdroog. Enfin: een woestijn. Maar mijn vader was een clevere gast, hij zag het potentieel. Meer dan driehonderd dagen zon per jaar: dat kon niet fout gaan, redeneerde hij.»

Tijdens een studiereis naar de Verenigde Staten bezocht Huygen gigantische vakantieresorts, en die hebben zijn ambities danig opgevijzeld.

Jan «Hij wilde het grootste hotel van Spanje. En dat wás Ten Bel op een gegeven moment ook. (Korte stilte) Misschien zelfs het grootste van Europa.»

Huygen laat zijn oog vallen op een lap grond en gaat aankloppen bij José-Antonio Tavio, een latifundista, een grootgrondbezitter met ‘de helft van Tenerife’ in zijn zak. Hij koopt 44 hectaren met rotsen bezaaide woestijngrond tegen 68 peseta’s per vierkante meter, omgerekend: 40 eurocent. Als hij tien jaar later grond bijkoopt, betaalt hij 1.500 peseta’s per vierkante meter. ‘Toen had hém buikpijn, zenne,’ gnuift Maggy Van Dam.

1964, Antwerpen. De zevenentwintigjarige Maggy scheurt een advertentie uit het dagblad. ‘Gezocht: marketingmanager voor project op de Canarische Eilanden.’ Ze toogt naar de Keizerstraat, waar Huygen haar onthaalt op een monkellachje: ‘Ik zoek een manager, met de klemtoon op mán.’ Maggy: ‘Ik – met mijn franke teut – zei hem dat ik dat ook kon.’ En ze mag mee naar Tenerife, voor een testreis met drie andere, mannelijke, kandidaten. Maggy: ‘Toen we terugkwamen, had ik de job.’

Maggy Van Dam «Omdat ik zo negatief was, heeft hij me achteraf verteld. Maar ik was ook objectief, hoor.

»Ik stond samen met hem bovenop een rots te kijken naar de braakgrond die hij gekocht had: ‘Ik ga dat hier volbouwen.’ Ik dacht: ‘Die mens is zot geworden.’ Ik heb hem dat ’s avonds ook gezegd: ‘Geslaagde joke, mijnheer Huygen. Maar dat bestáát niet.’ Kwaad, kwaad, kwaad! ‘Maak mij maar ’s eerst een deftig marketingplan,’ vloog hij uit. Een paar weken later is hij beginnen te bulldozeren.»

Vijfentwintig jaar lang staat Maggy Van Dam aan de zijde van Huygen, eerst als marketingmanager, later wordt ze vicepresident ‘van héél ’t spel’. Tussendoor schoolt ze zich bij: twee jaar Ufsia, drie jaar Columbia University. Al snel wordt ze vooruitgesneld door haar nom de plume: ‘De Schrik van Ten Bel’. Op een dag prikt een medewerker zelfs een cover van Time Magazine tegen de muur: een beeltenis van Margaret Thatcher, maar met het gezicht van Van Dam. Maggy – één en al Antwerps flegma – schokt laconiek met haar schouders: ‘Ik had een euhm... moeilijk karakter, ja. (Lacht) Maar anders houd je het ook niet zo lang vol aan de zijde van Michel Huygen.’

Met dat karakter blijkt het trouwens bijzonder goed mee te vallen wanneer we haar – minzaam, het vuur brandt nog altijd hevig in de ogen – spreken in haar huis in residentie Bellavista, één van de zeven vakantieparken die zij en Huygen in de loop der jaren uit de grond stampten. Het zicht op de oceaan is verblindend, de plakkerige, zilte zeelucht bedwelmend. Terwijl ze herinneringen ophaalt aan haar Ten Bel, vloeit de ijskoude rosé rijkelijk.

Maggy «Maanden aan een stuk heeft Huygen het terrein vereffend, met bulldozers en reusachtige werktuigen. Hij sleepte kilo’s dynamiet aan om gigantische rotsblokken op te blazen. Na een halfjaar kon hij beginnen te bouwen.»

Tienduizend bedden: dat is lange tijd het onwezenlijke streefdoel van Huygen, een reusachtige onderneming waarvoor hij grote legers bouwvakkers nodig heeft. Die rekruteert hij in de omgeving. Te beginnen bij de twaalf huizen – hij had ze zelf geteld – in een straal van vijfentwintig kilometer rond zijn gronden. In één van die huizen: boerenzoon José, nu eigenaar van Supermercado y Charcuteria José II (José I, een paar huizen verderop, heeft hij vijf jaar geleden van de hand gedaan). In zijn krappe, in neonlicht badende kantoortje, enkel bereikbaar via een smalle wenteltrap, geeft het enige raam uit op de bovenkant van zijn rayons. Een roestige ventilator draait op volle toeren.

José «Toen mijn familie hier kwam wonen, was hier níéts. Nada. Luttele tomaten- en bananenplantages, aan de zee woonden enkele vissers: veel stelde het niet voor.»

We leggen José een gerucht voor, een straf verhaal dat ons net ter ore is gekomen: de grond waarop Ten Bel gebouwd is, was ooit het oefenterrein van Franco, militair gouverneur op de Canarische eilanden vlak voor hij aan zijn staatsgreep zou beginnen. Hij zou de gronden later aan zijn goede vriend Tavio geschonken hebben.

José «Dat weet ik niet. Franco zat al lang in Madrid toen ik hier kwam wonen, maar het klopt dat hier twee keer per jaar militaire oefeningen plaatsvonden. Dan kwamen ze met hun kanonnen, en sloegen ze hier vlakbij hun tenten op. Voor de rest gebeurde er niets, hier. Tot het nieuws kwam dat er een société zou komen: ‘De Belgen komen! De Belgen komen!’ En dan kwam señor Huygen, met zoveel Belgen in zijn kielzog. Je zou kunnen zeggen dat hij het leven naar ons heeft gebracht: para nosotros Ten Bel fue la vida.»

Maggy «De Bellavista was het eerste park dat klaar was, een residentiële wijk met schone bungalows met één of twee slaapkamers. En in het midden restaurant El Kiosco, met twee gerechten op de kaart: kip en entrecote.»

Intussen heeft Huygen ook een aantal infrastructurele problemen uit de weg geruimd. Zoet water, bijvoorbeeld, is aan deze kant van het eiland schaars. Daar heeft de doortastende Antwerpenaar een mouw aan gepast door een berg te kopen.

Jan (fronst) «Volgens mij is het anders gegaan. De watervoorziening was in de tijd in handen van privémaatschappijen, en omdat mijn vader veel water nodig had, heeft hij zich in die maatschappijen ingekocht.»

Maggy «Ja, maar eerst heeft hij wel een waterberg gekocht: met kilometerslange pijpleidingen voerde hij smeltwater aan. De mensen dachten weer: ‘Hij is zot geworden.’ Maar die man was niet zomaar intelligent, hij was briljant. Nu had hij alle dagen vers water. Voor den hof. Want Ten Bel was voor 60 procent groene zone. Ook al was het omgeven door woestijn.»

Later zal Huygen trouwens nog verschillende finca’s – boerderijen – hoog in de bergen kopen, plantages en serres waar hij palmbomen, cactussen en planten gaat kweken, om die later in de weelderige parken van Ten Bel te planten.

Een ander logistiek probleem: elektriciteit. Geen enkele stroommaatschappij bevoorraadde dit onherbergzame zuiden.

Jan «Eerst heeft hij een dieselgenerator gezet, een gigantisch ding. Maar dat volstond al snel niet meer, en dus heeft hij er één bijgezet. En nog één. Op den duur waren het er vijf, die draaiden dag en nacht – ze voorzagen duizenden mensen van stroom. Dat werd later een heuse centrale. Vroeger was mazout de goedkoopste oplossing, hè. Maar na de oliecrisis was dat gedaan en gingen we stroom halen bij de lokale energiebedrijven.»

Het champagnevliegtuig

Huygen mag dan wel vijftig miljoen frank op zak hebben, zijn plannen zijn te ontzaglijk voor de portefeuille van één man. Daarom speelt hij voor zijn businessplan leentjebuur bij Franse skigebieden, waar al jaren wordt gewerkt met sale-and lease-backcontracten.

Maggy «Investeerders kochten hun appartement, bungalow of studio en lieten de exploitatie meteen over aan ons. Wij verhuurden de appartementen dan aan toeristen, zij kregen in ruil elk jaar een gegarandeerde opbrengst én twee weken vakantie op onze kosten. En hun vastgoed werd elk jaar meer waard, natuurlijk.»

Eén bezwaar: hoe krijg je investeerders naar ginder? Eind jaren 60 is Tenerife nog altijd het uiteinde van de wereld, lijnvluchten zijn schaars en duur. Huygen weet er opnieuw raad mee: hij koopt zijn eigen vliegtuig.

Maggy «Een Caravelle van Swiss Air: een knap machien met een staart in de vorm van een T en twee motoren achteraan op de romp. De Rolls-Royce van de lucht. We hebben het helemaal in eerste klasse gezet: 65 seats, beenruimte zat. Het eten – gastronomische gerechten! – werd opgediend met zilveren couverts, de drank in kristallen glazen. En als dessert kregen ze pralines van Godiva.»

Jan «Toen ze van het vliegtuig stapten, waren de kandidaat-investeerders zo onder de indruk dat ze vanzelf geld neerlegden voor een appartement, een studio of een bungalow. Of alle drie.»

Maggy (laconiek) «Ze waren niet alleen onder de indruk, maar ook vrolijk. Ah ja, we hadden ze opgegoten. Wat de transfer van de luchthaven naar Ten Bel draaglijker maakte. Want toen lag er in het zuiden nog altijd geen autosnelweg; de rit duurde vier uur.»

‘Aha, de champagne-Caravelle!’

Francis Laukens, Ten Bel-ganger van het eerste uur, wrijft zich in de handen. Hij ging in ’69 een eerste keer aan boord.

Francis «’t Was vijf uur vliegen – zes bij tegenwind – maar ik heb me nooit één seconde verveeld: de champagne vloeide à volonté. Eigenlijk begon de vakantie al in Zaventem. Zo’n demoreis kostte 5.000 frank, all-in: geen geld.»

Geen geld, maar Huygen richt zijn pijlen toch vooral op de gegoede burger.

Jan «Bakkers, beenhouwers, bloemkwekers uit Lochristi. Maar ook doktoors en advocaten. Die zagen dat als een goede investering, het is nooit kwaad om een pied-à-terre in het beste klimaat van de wereld te hebben. Zelfs in de winter heb je er geen chauffage nodig.»

Francis «Een bungalow kostte 400.000 frank, en je kreeg elk jaar een dividend van ongeveer 7 procent. Een droom van een investering.»

Strikjes en strikken

Oktober 1968, na een reis van een week, dwars door het Spaanse binnenland – in Cadiz was ze de maalboot opgereden – kart Denise de NSU Prinz van een vriendin, ‘een lief, oud modelleke’, door het karige verkeer van Santa Cruz de Tenerife. ‘Die vriendin werkte op Ten Bel, en ze had gevraagd of ik haar auto wilde overbrengen. Ik ben een paar maanden blijven plakken.’

Denise «Ik werd benaderd door iemand die voor José-Antonio Tavio werkte. Hij had zelf ook een verkaveling aangelegd. Hij was geen uil, hij zag ook dat die fruitboeren uit Haspengouw met koffers vol zwart geld van de Caravelle stapten. Sommigen kochten drie huizen tegelijk – cash. Ik moest wachten tot de kandidaat-investeerders van Ten Bel voorbijwandelden, ze bij de lurven vatten en in onze huisjes rondleiden. Het waren juweeltjes van modernisme: helemaal rond, met aan de buitenkant géén ramen – die zaten aan de binnenkant, rond de cirkelvormige binnenplaats, die een palmboom in het midden had. Prachtig. Als ze niet meteen overtuigd waren, haalden we ons ultieme argument boven: ‘Bij ons bent u zélf eigenaar van de grond waarop uw huisje is gebouwd.’ Ik heb dat nooit op papier gezien, maar men vertelde mij dat Huygen zijn grond nooit heeft gekocht: Tavio zou hem alleen in pacht gegeven hebben. Als hij van kwade wil was geweest, had Tavio de gronden elk moment weer kunnen opeisen.»

Jan Huygen wuift het verhaal van de gepachte gronden weg.

Jan «Misschien had mijn vader de statuten niet goed gelezen, of waren er geen statuten, of waren ze onvoldoende gedetailleerd. (Denkt na) Ach ja, die Spanjaarden zagen dat hij succes had en volgden in zijn voetsporen. Hun projecten waren niet van hetzelfde niveau.»

Denise «Ik vond de huisjes van Tavio van een andere klasse: hij had meer klasse en smaak dan den Huygen.»

De investeerders lusten wél pap van Huygens bouwnijver. Ze investeren fortuinen, eten uit de hand van de grote roerganger. Dat weet Lieve Smets, die op haar achttiende met haar ouders naar Ten Bel kwam afgezakt: haar vader ging er aan de slag als pr-man. Lieve – zo was het plan – zou gaan studeren aan de unief, in het noorden. (‘Dat is nooit gebeurd,’ zegt ze glimlachend. ‘Ik zou op kot gaan bij een notaris – tot de notarisvrouw mij zag: ik was achttien, blond en groot.’)

Lieve Smets «Mijn vader moest de relaties met de eigenaars verzorgen. Dat was niet zo moeilijk: die mensen verafgoodden Huygen. Als mijn moeder etentjes organiseerde vochten ze om de stoel naast die van hem, en dan hingen ze de hele avond aan zijn lippen. Ze zagen hem als een soort... goeroe. Ook al was hij omgeven door veel verhalen, ook negatieve. Zoals die historie in Fuerteventura.»

Fuerteventura: één van de andere zes Canarische eilanden. Huygen wil ook daar iets uit de grond stampen, maar mislukt jammerlijk omdat Ten Bel Fuerteventura grenst aan een luchtmachtbasis. Straaljagers zijn, dat is algemeen bekend, nefast voor de vakantievreugde. Eén van de weinige faux pas van de ondernemer Huygen.

Lieve «Voor mij was hij een oude man, maar hij was vriendelijk, had charisma en straalde autoriteit uit. Als hij naar Ten Bel kwam afgezakt, had je hem gezíén. Dan struinde hij – met zijn gevolg – gracieus langs de zwembaden.»

Maggy «Michel kwam één keer per week over, altijd met zijn onafscheidelijke kleine valieske, en hij bleef nooit langer dan drie dagen. Altijd piekfijn gekleed, mét strikje. Hij had het uitgerekend: een vlinderdas knopen kostte hem één minuut, een gewone das anderhalve minuut. Efficiëntie boven alles, maar ’t is waar: hij hield ook van enige honneurs.»

Grote dagen

De tweede helft van de jaren 60 en de eerste helft van de jaren 70 voor u samengevat: de verkoop loopt als een trein, de champagne-Caravelle voert ladingen kandidaat-kopers aan. Er is werk aan de winkel voor Maggy Van Dam: zij moet de appartementen vullen met vakantiegangers.

Maggy «Gemakkelijker gezegd dan gedaan: Michel moest elk appartement maar één keer verkopen, ik moest ervoor zorgen dat ze allemaal elke week opnieuw verhuurd werden. In ’68 heb ik Ten Bel Touring opgericht, onze eigen touroperator. Vanaf dan vlogen we toeristen over en weer. In het weekend in first class, door de week in economy. Later hebben we een akkoord gesloten met de Spaanse chartermaatschappij Spantax: bij hen huurden we elke week een vliegtuig waarmee we honderden toeristen aanvlogen. Dat was zo’n succes dat Sabena gewoon gestopt is met zijn Tenerife-vluchten.»

En nog komt er geen einde aan de bouwzucht van vader Huygen. Hij legt straten aan, parken, nieuwe complexen, meer zwembaden, kinderzwembaden, restaurants en nog meer parken. Ten Bel woekert, vele hectaren grondgebied worden aangehecht; op den duur moet de Ten Bel-trein de toeristen van de ene uithoek naar de andere voeren.

Maggy «Omdat de verhuur de verkoop moest volgen, richtte ik extra kantoren op, te beginnen in Deurne. En dan ging ik samenwerken met reisagenten uit Frankrijk, Noorwegen, de UK... Die werkten exclusief voor ons. Helemaal op het einde liet ik zelfs charters uit New York en Boston overvliegen.»

En intussen dobbert het vissersdorpje Las Galletas mee op de deining die Ten Bel veroorzaakt. Een goede zaak, bezweert José van Supermercado José I & II.

José «Op den duur werkte iedereen bij Ten Bel: vaders, moeders, zoons en dochters. In de bars, aan de receptie, of als poetsvrouw. Ik ben begonnen als commis de salle, hulpober, en later ben ik ober geworden, dan chef de bar en uiteindelijk zelfs supervisor. Ik heb het restaurant Frontera opgestart: op één avond bedienden we achthonderd man. (Recht het hoofd) De Grote Dagen.»

Jan «Vader heeft rijkdom gebracht naar het zuiden, dat is zeker. Ze hadden niets, tot hij kwam, en ze konden niets: de mensen kregen een opleiding. In de bouw, maar ook in de hotellerie: we vlogen professionele eersteklas koks aan om les te geven. (Meesmuilend) En als ze de stiel geleerd hadden, werden ze weggekocht door de concurrentie.»

HUMO Ik hoor dat er nadien wrevel is ontstaan omdat de Belgen – met hun onuitputtelijke vakantiebudgetten – de levensduurte de hoogte injoegen.

Jan (deemoedig) «Natuurlijk kwam er inflatie. En ja, die mensen zagen ook dat de toeristen met geld gooiden, dure flessen champagne kochten, mooi aangekleed waren.»

José «Maar dat was niet erg, want we verdienden ook veel meer. Ik zal mijn allereerste loon nooit vergeten: 6.000 peseta’s, een gigantisch bedrag in die tijd.»

Maggy «Ze hebben goed verdiend; na vijf jaar reden veel van die garçons met een chique auto en bezaten ze een eigen appartement. Eén probleem: veel Spanjaarden konden niet goed overweg met die nieuw verworven rijkdom. Ze gooiden het geld door ramen en deuren. En ze kregen kinderen: niet één, twee of drie, maar zes, zeven of acht. En dan zaten ze weer krap bij kas, en moesten ze bij de bank gaan lenen. Ik zei dan: ‘Kunt ge geen préservatif gebruiken?’ Oelalala! Zoiets durven zeggen in het Spanje van die jaren: des duivels.»

Viva Franco

Een boeking bij Ten Bel ging gepaard met een waterdichte garantie: ‘Eén dag zonder zon: geld terug’. Maggy: ‘Het Laatste Nieuws lachte mij ermee uit, maar ’t was de beste zet die ik ooit gedaan heb.

Maggy «Als het dan al eens regende, gingen al die toeristen aanschuiven aan de receptie en kregen ze 500 peseta’s terug. Die gingen ze vervolgens opdrinken in onze bars, maar natuurlijk kwamen ze niet toe met 500 peseta’s en gaven ze dubbel zoveel uit. Onze kassa’s rinkelden!»

Niet dat die garantie zo vaak werd ingeroepen: het weer is aan gene kant van de Teide even stabiel als in de Kalahari. Er valt nauwelijks regen, en zelfs in de winter duikt het kwik er zelden onder de twintig graden. Ook tof: onstuimige passaatwinden en sirocco’s blazen alle uitlaatgassen weg. Dat, bezweren amateurs, maakt Ten Bel zo onweerstaanbaar.

Maggy «Dat klimaat en die zuivere lucht waren ideaal voor mensen met botontkalking. Of artrose. Sinusitis. Nierziekten. Michel was in verregaande onderhandelingen met een kliniek uit Brugge om een dialysecentrum te openen. Het is niet doorgegaan omdat zij niet met geld over de brug wouden komen.»

Lieve «Daarnaast is het gewoon ook een fantastische plek, punt. En betaalbaar op de koop toe, in tegenstelling tot de Côte d’Azur. De zee was er even turquoise, het zonlicht even briljant en het gevoel van vrijheid even zinderend. Later is Ten Bel volkser geworden, en sinds de jaren 90 spreek je er beter niet meer hardop over, maar in de jaren 70 had Ten Bel cachet. Huygen spiegelde zich aan Club Med.»

Zullen in de loop der jaren dan ook gespot worden aan de zwembaden van Ten Bel: topcoureur Herman Van Springel, ministers Leo Tindemans en Willy Claes, maar ook José Miguel Galván Bello, president van de Canarische eilanden.

HUMO Galván Bello was een functionaris van het Franco-bewind, dat elke oppositie hardhandig de kop indrukte. Was dat geen bezwaar?

Maggy «Ik had hen nodig: dat was het enige wat mij interesseerde. Maar de samenwerking was niet evident: water en bloed heb ik gezweet. Voor kleine prutsen ging ik naar de gemeente, in Arona, en als dat niet voldoende was, trok ik naar Santa Cruz, of zelfs naar Madrid. Dat deed ik als de aanleg van de autosnelweg weer ’s stil lag. Ik had op den duur een goeie band met Fraga Iribarne (minister van Propaganda en Toerisme onder Franco; hij wordt beschouwd als de architect van het Spaanse toerisme, red.): ik ging geregeld met hem op restaurant, en hij is ook een keer hier geweest met zijn vrouw. Toen ik tegen Michel ging zeggen dat Fraga naar hier zou afzakken, lachte hij mij uit: ‘Tarara.’ Maar Fraga is wel gekomen. Een jaar of tien geleden ben ik hem nog ’s tegengekomen op de luchthaven van Madrid. Hij keek naar mij, ik naar hem. Ik ben op hem afgestapt – noblesse oblige, ik ben de jongste – en hij herkende mij: ‘Señora Maggy?’»

Ten Bel-veteraan Francis Laukens ziet ook al weinig graten in de vrijwel rimpelloze verstandhouding met het regime: ‘Toen was er ten minste nog respect voor de overheid.’

HUMO Dat wil ik geloven: onder Franco was Spanje een meedogenloze politiestaat, met de hondsbrutale Guardia Civil als speerpunt.

Francis Laukens «Ja, dat waren geen gewone mannen.»

Francis had zich intussen definitief gevestigd op Tenerife, en er achtereenvolgens Fabiola 1, Fabiola 2 en Club Fabiola uit de grond gestampt. (‘Maar schrijf misschien Pub Fabiola, anders gaan de mensen denken dat het een afzuipkot was, en dat is het nooit geweest. Het was een klassezaak naar Engels voorbeeld.’)

Francis «Alleen over mijn werkvergunning deden ze ambetant. Ik moest twee keer per jaar helemaal naar Santa Cruz voor een medisch onderzoek: x-rays, bloedonderzoek, broek laten zakken... En dan moest ik nog uren aanschuiven aan een loket van de gobierno civil, voor zegels. Wanneer ik aan de beurt was, ging dat loket dicht: ‘Tomar café!’ (zucht) De Duitsers moesten dat maar één keer om de vijf jaar doen, maar ja: dat waren hun vriendjes, hè.»

En de toeristen, die lieten het al helemaal niet aan hun hart komen. Zoals mensen die er in de jaren 60, 70 en 80 bij waren zeggen: ‘Op Ten Bel was het alle dagen feest.’

Jan «In elk park was er animatie, en in onze grote centrale dancing, La Ballena, kregen de mensen ’s avonds topentertainment voorgeschoteld. Elke dag speelde wel een Belgische artiest ten dans. Wie? (blaast) Vraag liever: wie níét? Eddy Wally. Ann Christy. Nicole & Hugo. Willy Sommers. Jimmy Frey... Alle stars van de jaren 70 en 80 zijn de revue gepasseerd.

»Maar je kon ook gewoon goed eten op Ten Bel.»

Michel Huygen, zo wil de Ten Belcanon, is ook de uitvinder van het selfservicerestaurant. Een kwestie van moeten: de Spaanse obers spraken in de beginjaren geen gebenedijd woord Nederlands, met alle spraakverwarring van dien.

Jan «De meeste toeristen boekten volpension, maar op den duur wilden ze ook wel ’s à la carte eten. Natuurlijk doken er snel Vlamingen op die geld hadden geroken en een restaurantje naast Ten Bel openden. (Snuift) ‘De parasieten’ noemde mijn vader ze. Hij wou barelen zetten om de toeristen binnen te houden, maar dat plan heeft veel kabaal veroorzaakt, met manifestaties van de omwonenden. En dan heeft hij maar de put gebouwd.»

‘De put van Ten Bel’: een gat in de grond van enkele tientallen vierkante meters; via één van de twee betonnen trappen daal je af naar de cafés, winkels en restaurants onderin. Naast de put, pontificaal naar de blauwe lucht reikend: ‘de toren van Ten Bel’ – bovenin had je een prachtig zicht op heel Ten Bel. ’t Is hier dat Francis Laukens zijn Club Fabiola runde. Intussen neemt zoon Mark de honneurs waar, maar met z’n tweeëndertig jaar blijft de Fabiola het oudste Vlaamse café van Ten Bel, een trekpleister voor landgenoten die dorsten naar een Belgisch biertje. Hier stromen Jupiler, Stella en Leffe uit de kraan.

Rest één vraag: vanwaar komt die niet te bedaren neiging van de homo touristicus Belgicus om, na een verplaatsing van meer dan drieduizend kilometer, op de plek van bestemming meteen landgenoten op te zoeken?

Jan «Wat doen Belgen op vakantie? Aan de toog hangen en een klapke doen. Krek hetzelfde als thuis, maar dan duizenden kilometers van huis. Maar die clangeest, die saamhorigheid, maakte Ten Bel net zo bijzonder.»

Zoals één reisagent het omschrijft: ‘Ten Bel was als een klein dorp in de Kempen. Maar dan met zicht op de Atlantische Oceaan.’

Lieve «Heelder generaties hebben hier hun vakanties gesleten. Grootouders kochten een appartement, gaven het door aan de kinderen, die op hun beurt hun kinderen naar hier meebrachten: die mensen groeiden samen op. Op den duur ontstaat zo een sterk sociaal weefsel. Ten Bel is enorm belangrijk voor tienduizenden, misschien zelfs honderdduizenden Belgen. Ook voor mij zal ’t altijd een magische plek blijven – terwijl het dat eigenlijk niet meer is. Dat heb ik beseft toen ik er een paar jaar geleden nog ’s kwam met mijn ex-man: ‘Wat is dát hier?’

Betonrot

Zeg dat wel: ‘Wat is dát hier?’ De woorden resoneren na wanneer we de Plaza Mayor oversteken, in illo tempore omgedoopt tot de Plaza Jhon (sic) Huygen, een eerbetoon aan Jan – ‘John’ voor de Spanjaarden. Ooit het kloppende hart van Ten Bel, vandaag een schrale vlakte: hier en daar staat een speeltuig sluikafval te vergaren. In het midden van het plein stond ooit een standbeeld van de grote roerganger Michel, maar op een dag was het weg: ‘Met sokkel en al. We hebben het nooit meer teruggezien.’ Vroeger weerklonk hier extatisch gejoel en getater van vakantiegangers die een jaar zorgen van zich afschudden, vandaag alleen het geritsel van een paar verfomfaaide palmen, begeleid door de basso continuo van aanvliegende charters. Het gros van de passagiers van die charters zal de afrit naar Ten Bel op de Autopista del Sur links laten liggen, en koers zetten naar andere vakantieoorden. Geef ze ’s ongelijk, want van de grandeur van weleer schiet niets meer over. Wat rest: betonrot, woekerend onkruid en leegstand. Het resultaat van een sluipende teloorgang die al lang aan de gang is, maar vooral de laatste jaren wild om zich heen grijpt.

Lees ook deel 2: De minder fraaie episodes uit de Ten Bel-geschiedenis 

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234