red Sonja, Sien Eggers, Humo, 2011, Johan Jacobs Beeld Johan jacobs/Humo
red Sonja, Sien Eggers, Humo, 2011, Johan JacobsBeeld Johan jacobs/Humo

70 jaarSien Eggers

Sien Eggers wordt 70: ‘Weet je wat ik het liefst wil? De mensen doen lachen’

Sien Eggers wordt vandaag 70. Ten tijde van ‘In de gloria’ sprak ze met Humo. Herlees dat interview hier:

(Verschenen in Humo op 14 maart 2000)

De actrice Sien Eggers klinkt met me. Terwijl onze glazen elkaar raken, zegt ze ernstig: ‘Als je met iemand klinkt, moet je die persoon recht in de ogen kijken, anders wacht je acht jaar slechte seks.’ Fuck!’ zeg ik enigszins van mijn apropos - acht jaar slechte seks is misschien beter dan acht jaar seksuele onthouding, maar toch. Mijn ‘Fuck!’ klinkt toepasselijker dan Ik ‘m ooit bedoeld kon hebben. Gelukkig zegt ze dat ik één keer een tweede kans krijg, volgens de ongeschreven wet. We klinken opnieuw, dit keer geheel reglementair.

Sien Eggers is geweldig in ‘In de gloria’, en daarop klinken we nog eens. Ik begin er, op het overmoedige af, goed in te worden. Maar zoals steeds moet er ook nu weer gewerkt worden.

HUMO Sien, er is je iets leuks te beurt gevallen in 1999. Weet je nog wat?

SIEN EGGERS «Iets leuks? (Lange stilte) Ik weet het! Dat we een prijs hebben gewonnen voor ons werk in ‘Le Cocu Magnifique’! Lucas Van den Eynde de Louis D’or en ik de Colombina voor de beste vrouwelijke bijrol. Tom Van Dijck was zo blij als een kind, en zo trots ook, want ‘Cocu Magnifique’ was zijn eerste regie.»

HUMO Jij was toch ook blij en trots, neem ik aan?

EGGERS «Natuurlijk, maar de vreugde zat toch meer in het saamhorigheidsgevoel: wij hebben een prijs. Dat samenhorigheidsgevoel vind ik het allerbelangrijkste: dat je het samen goed hebt. Alleen staan te prutsen stelt niks voor op het toneel, hoor, hoe psychologisch onderbouwd je rol ook mag zijn. Dat je je rol kent, betekent op zich ook nog niet veel. Ik ben altijd blij dat ik het allemaal eens tegen een tegenspeler kan zeggen, en dat ik ‘m bijvoorbeeld kwaad zie worden als ik ‘m kwaad maak. Als ik zulke wisselwerkingen niet voel, gaat het gewoonweg niet.

»Ik moet de mensen met wie ik samen speel, ook mogen: ik hou oprecht van het hele nest van ‘In de gloria.; ik was deze week nog eens op het productiebureau, want thuis zag ik dat ik m’n zendmicrofoon nog om had, en die zouden ze wel eens nodig kunnen hebben, dacht ik, Maar goed, daar flapte ik het er ineens uit: ‘Ik wou dat ik hier kon blijven. Ik voel me er zo op mijn gemak.»

HUMO Jij wordt volgend jaar vijftig, terwijl de rest van ‘In de gloria’ nog tot de jongere garde mag worden gerekend.

EGGERS «O, maar dat vind ik fantastisch, hoor. Ik vind de vooruitgang ook geweldig: hoe snel ze kunnen monteren tegenwoordig! En hoe snel ze beslissingen kunnen nemen! Die jonge gasten weten heel goed wat ze willen, en al evengoed wat ze niet willen. Toen ik als actrice begon, durfde ik niet eens iets te vragen, ook al verstond ik geen jota van het scenario. Dat is toch niet goed?

»Enfin, nu versta ik de dingen stukken beter, omdat ik ook betere uitleg krijg. Van bijvoorbeeld iemand als Jan Eelen, de regisseur van ‘In de gloria’. Toen ‘In de gloria’ nog maar een idee was, belde hij mij erover op: ‘Mag ik langskomen?’ vroeg hij, ‘want ik moet het je vertellen.’ Dat vertellen vond ik al een goed begin, en dat iemand tijd maakt om persoonlijk naar de acteurs toe te gaan, is toch heerlijk? Alles wordt gewoonlijk ijskoud per telefoon geregeld. En toen hij het mij verteld had, dacht ik meteen: ‘O ja. Dat is het.’

»Weet je wat ik me nooit afvraag op de set van In de gloria’? ‘Kan ik het of kan ik het niet?’»

Bedje gespreid

HUMO En is dat iets wat je je anders vaak afvraagt?

EGGERS «O ja, en dat heb ik altijd al gedaan. Als een regisseur mij vroeger zei: ‘En nu gaan we eens improviseren’, kwam er op slag geen woord meer in me op. Bij ‘In de gloria’ valt het woord improvisatie nooit, terwijl we toch improviseren. De eerste vraag die Jan Eelen stelt, is: ‘Hoe ga je heten in die scène?’ En ik dan: ‘Sofie, misschien? Neen, dan liever Josée. Of Christiane? Ja, Christiane is oké.’ En het feit dat het personage Christiane heet, is voor mij een concreet vertrekpunt: de rest is daarna zó vanzelfsprekend kleren en pruiken uitproberen, net zolang tot je Christiane hébt.

»Ze proppen je vooraf ook niet vol met informatie. Ik word opgebeld: ‘Sien kun jij morgen? ‘t Is een scène snel Lucas (Van den Eynde) en met Tanja (Van der Sanden). Op de set krijg ik dan te horen: ‘Er belt een repo-ter aan. en de vrouw die open doet, is bang voor de televisieploeg.’ ‘Die gaat ervoor lopen.’ denk ik dan. En daarna rijden we met de bus naar de locatie, altijd bij mensen thuis, en we doen het. Hoe het moet eindigen. weten we zelf soms ook niet. Meer krijg ik niet te horen, maar toch weet ik dat mijn bedje gespreid is. Er is nooit sprake van dwang, want mocht iemand mij dwingen om te improviseren, dan zou ik liet nog steeds niet aandurven, denk ik. Ik ben ooit heel, heel bang geweest, op het panische af: ik zie me nog in de coulissen staan denken: ‘Wat ik doe, is niet goed. lk durf niet meer op. Ik stop ermee. NU.’ Nog niet zo lang geleden heb ik me voorgenomen: ‘En nu stop ik met die angst: ‘t Was een beslissing: niets meer of niets minder.

»Nu. ik heb anders wel de indruk dat ik ook in het leven buiten het theater en de televisieset banger word met de jaren: die grote, ontredderende angst heb ik nu misschien wel onder controle. maar toch ben ik én voorzichtiger geworden én onzekerder. Dat is langzaamaan in me geslopen. Toen ik jong was, gooide ik: mij erin, goed of niet goed. Dat gevoel van onzekerheid overvalt je ineens. ‘t Is iets zots.

»Maar ik moet in dit beroep blijven - ik moet ook leven, hè, en ik kan ook niet een, twee, drie iets anders gaan doen. Als ik ophou met acteren, dan is er niets meer, zoveel is zeker en op het einde van de maand komt er ook niets meer op mijn bankrekening.»

HUMO Kun je mij iets meer zeggen over je beslissing om niet meer bang te zijn?

EGGERS «De laatste keer dat ik bet zwaar te pakken had was bij ‘Recht op fatsoen’ het laatste stuk dat ik in de KVS heb gespeeld. We hadden dat bij elkaar geïmproviseerd, en Anne Vegter had op grond van onze improvisaties speeltekst geschreven.

»Ik herinner me dat ik toen heb gedacht: ‘Sien je hebt twee mogelijkheden: ofwel vlieg je, ofwel ben je openlijk bang, wat ongetwijfeld vervelend is voor het publiek, want het zal de zenuwen krijgen van dat onbehagen.’ Want zo gaat dat: ik ben al een paar keer gastdocent geweest in de toneelafdeling van het conservatorium in Brussel: de angst van die studenten sloeg meteen op mij over. Maar ten tijde van ‘Recht op fatsoen’ heb ik de knoop doorgehakt en voor vliegen gekozen, de hele zaak loslaten, zo van: benieuwd hoe ver ik kan gaan. Je kunt het vergelijken met een kind dat speelt en niet over dat spel hoeft na te denken. Dat kind is niet bang.»

HUMO Maar zou acteren nog veel te maken hebben met wat veertigers zich van hun kinderspel herinneren?

EGGERS «Zeker met de ernst en de overgave waarmee kinderen spelen. Ik vind een kind dat helemaal in z’n spel opgaat alles-behalve kinderachtig, omdat het dan de ernst zelf is. Sla maar eens een kind gade dat niet een pop speelt: (ernstig fluisterend) ‘Je hebt weer je jas niet aangetrokken, hè? En nu ben je ziek. Zie je wel? Ik zal je een spuitje moeten geven. Dat vind jij niet leuk, hè, een spuitje?’ Het genoegen van acteren is net als bij kinderen: alles loslaten, helemaal in liet spel opgaan. Natuurlijk: een kind dat aanvoelt dat het bekeken wordt, houdt meteen op met spelen, en een acteur moet zich voorbereiden, er moet een zekere beheersing in het spel zijn, maar als hij goed speelt, durft hij ook zijn voorbereiding los te laten, in de zekerheid dat die er hoe dan ook is.»

Jas aan de kapstok

HUMO Ik vind de naturel van de acteurs van ‘In de gloria’ nog steeds iets nieuws. Het lijkt wel alsof er inmiddels een hele generatie is opgestaan die zich al op de diploma-uitreiking geheel van de toneelschool bevrijd heeft.

EGGERS «Ja, maar toch leer je wel iets bij op de toneelschool. Alleen moet je ervan uitgaan dat een school iets helemaal anders is dan het beroep zelf. Je moet nu eenmaal een aantal vaardigheden leren: zo moet je goed Nederlands leren spreken, je moét je daarin trainen. Wat een acteur denkt. moet hij in de eerste plaats gezegd kunnen krijgen.

»Pas op, zelf vond ik de toneelschool heel erg moeilijk, hoor: ik had nooit het gevoel dat ik iets deed dat geslaagd was, al had ik leraren die zegden: ‘Later zal je het wel snappen, láter.’ Je moet op de toneelschool veel leren, maar je moet het nog niet kunnen, vind ik. Je moet er ook zoveel vaardigheden opdoen, en bovendien kunnen ze je buitengooien, hé, desnoods midden in het schooljaar. Je bent er dus nooit op je gemak. Je wil zo graag acteur worden, maar je hebt er geen idee van hoe dat in z’n werk gaat. Je wil zo graag, maar je durft niet.

»Dat geldt nog steeds voor toneelstudenten, heb ik al gemerkt. Ik heb me toen ik nog docent was, meer dan eens wanhopig afgevraagd: ‘Waarom hebben wij toch geen criteria om mensen te beoordelen? Geef mij iets tastbaars!’ Maar telkens weer moet ik er mij hij neerleggen dat er geen criteria zijn. Het is best mogelijk dat iemand die niet goed is op de toneelschool zich vijf jaar later ais een prachtig acteur ontpopt. Ik ging liefdevol met die studenten om, maar er is ook wel eens moordlust in me opgekomen (lacht). Zo van: ‘Doe het nu! Geen uitleg meer, maar doe het, zeg het Walter!’ Op de duur drong het tot me door dat ik aan het schreeuwen was: ‘Doe wat ik zeg!’ De hoogste tijd om er voor een paar jaar mee op te houden, zag ik in, want ik blijf vooral een moederkloek voor die gasten.

»Vroeger gingen wij het personage dat we moesten spelen buiten onszelf zoeken - we zochten iemand anders; nu zoeken acteurs in zichzelf, ze zoeken een persoonlijke kern van waaruit ze allerlei verbindingen met de werkelijkheid kunnen maken, en dat vind ik beter. lk heb in ‘WYSIWYG’ van Paul Mennes gestaan.,geregisseerd door Peter Van den Eede. Die zei dingen als: ‘Vertel het maar aan de mensen’.»

HUMO ‘t Klinkt zo simpel dat ik haast zou uitroepen: ‘Natuurlijk! Vertel me wat!’ Waarna de scepsis komt aangesloft.

EGGERS « ‘t Is juist niet simpel, want de situatie waarin je ‘het aan de mensen moet vertellen’ blijft de onnatuurlijkheid zelf: jij staat op het toneel en een publiek kijkt je aan.

»Peter Van den Eede vindt dat toneelspelen geen kwestie van een rol opbouwen is. Hij heeft het liever over ‘jezelf ontmantelen’. Mooi, hè? Laagje na laagje afpellen, tot die kern overblijft van waaruit je verbindingen kunt leggen. Muriel, het personage dat ik moest spelen, wordt voortdurend door haar man uitgekafferd, en dan kreeg ik van Peter te horen: jij moet gelukkig zijn. Ik, Sien; bedoelde hij, maar zo had ik het eerst niet begrepen: ik speelde dan maar iemand die ondanks die man probeerde gelukkig te zijn en ondertussen veel lachte.

»Drie dagen voor de première zag ik dat Peter het kwaad begon te krijgen: heel liefdevol zei hij me toen: ‘Sientje, je bent niet gelukkig.’ Toen wist ik het ook niet meer: ‘Maar, Peter, ik lach toch veel?’ En hij weer: ‘Maar gelukkig ben je niet.’ Op de première had ik het gevoel dat ik geen enkel houvast meer had, en kort voor we eraan moesten beginnen herhaalde Frank Focketyn de woorden van Peter: ‘Vertel het maar aan de mensen.’ En ineens wist ik het, ineens was de connectie gemaakt, en Muriel vergat dat ze een première aan het spelen was, en Sien dus ook. En toen ik klaar was met spelen, was ik uitgerust, terwijl ik toch van alles had meegemaakt.

»Peter heeft me ook geleerd de mensen echt aan te kijken; een vriendin was samen met haar man naar die voorstelling gekomen, en wat ik erin deed, de manier waarop ik keek, leek haar zo vertrouwd dat ze zich extra aangesproken voelde: ‘Straks moet ik nog meespelen,’ dacht ze. Er ontstond tijdens die voorstelling een merkwaardige relatie niet het publiek: sommige mensen hingen hun jas op aan de kapstok in het decor (lacht).

»Maar wat ik eigenlijk wil zeggen: Peter is fantastisch. Als hij zelf speelt, hang ik altijd aan z’n lippen: ik vergeet dat hij toneel aan het spelen is. Je krijgt al snel de indruk dat je bij hem aan tafel zit, alsof hij de afstand tussen het publiek en de acteur verkleint, zonder dat je hem daar moeite voor ziet doen.»

Zelfstandige brokken

HUMO Weet je waarom je actrice bent geworden?

EGGERS « Neen. (Lange stilte) Als kind blijf je hangen waar je het goed hebt. We hadden bij mij thuis allemaal aanleg voor muziek en dus gingen we naar de muziekschool, maar ik ben ermee opgehouden: de solfeigelerares had namelijk helemaal geen aandacht voor mij; ze keek mij nooit aan, die madame, en ik maar denken: ‘Hier wil ik weg, weg’, en ondertussen was mijn liefde voor muziek aan het afnemen: op de duur haalde ik nog achtentwintig percent.

»Mijn oudere zus nam me dan maar mee naar de dictieles - ik wist niet eens wat dat eigenlijk te betekenen had, maar die lerares was dan weer een schat van een madame. Telkens ais ik de klas binnenkwam, gaf ze me een hand, en toen ik, als zovelen, ‘De spin Sebastiaan’ van Annie M.G. Schmidt ging doen, vroeg ze me met warme belangstelling: ‘En ben jij bang voor spinnen, Sien?’ Ik werd haast ongemakkelijk van weelde en geluk, ik werd er zo stil als een muis van, terwijl ik op school gewoonlijk een belhamel was die aldoor te horen kreeg: ‘Zwijg! En zit stil! Zit stil, zeg ik je! En zwijg eindelijk!’

»lk hoorde mijn dictielerares natuurlijk ook heel graag praten - zo mooi, er ging een wereld voor me open maar belangrijker was dat ze niet mij sprak als niet een volwassene, hoe klein ik ook was, en ik dacht dan ook geen moment: ‘Die vindt mij maar niks.’ Ik trok ook mijn beste kleren aan om naar de dictie te gaan, en als ik op in’n gewone school weer eens strafstudie had, ging ik niet: ‘Juf, ik kan niet naar de strafstudie gaan, want ik moet naar de dicties.’ Daarvoor kreeg ik dan extra straf, bijvoorbeeld als de anderen naar de bioscoop mochten.

»Ik denk dat andere mensen je meer bepalen dan dat je dat zelf ooit kunt. De aandacht die ik toen kreeg, is achteraf bekeken bepalend voor me geweest. lk wil nu ook niet jammeren over het gebrek aan aandacht thuis: wij waren allemaal nogal zelfstandige brokken, ieder voor zich. Ik neem dat niemand kwalijk, want hoe moet je anders overeind blijven in een groot gezin? Mijn vader was een thuiswerkende diamantslijper, die meer dan eens riep: ‘Wat is dat hier net die snotneuzen?!’ Ik heb maar één ding van die man gezien: dat hij moest werken, dag in dag uit. Nu is het leven toch wel wat comfortabeler geworden.

»Maar goed: door die ene dictielerares, ging ik denken: ‘Voor haar ga ik mijn best doen, nu gaan we eens werken.’ Al sprak ik in die tijd als een hottentot, en moet ik nog altijd oefenen (lacht). Ik wil niet gekunsteld spreken. Wel zo goed als ik kan, maar nooit ten koste van het acteren zelf. Als mensen zich gedragen zoals ze zijn, wordt het voor mij meteen bijzaak hoé ze spreken, en daarmee wil ik niet zeggen dat de aandacht voor het goede Nederlands voor mijn part verloren mag gaan.»

HUMO Even terug naar ‘In de gloria’: het is me al opgevallen hoe katholiek het referentiekader van dat programma wel is. Velen zullen daar niks meer in zien, maar ik herken het nog allemaal, hoe lang het inmiddels ook achter me mag liggen.

EGGERS « We denken dat we er-an bevrijd zijn. Onlangs hield de rijkswacht me staande in Grimbergen: ik had twee Koninckjes gedronken, dus ik riskeerde niks, maar toch: die schrik! Goed, ik ging tegenover die rijkswachters meteen tot volledige bekentenissen over: ‘Ik heb er twee op.’ En dan zij weer: ‘Niet méér?’ ‘Neenee, echt waar. Daarna lieten ze eerst een daverende stilte vallen, waarna ik toch nog ongehinderd mocht doorrijden. En ik meteen: blik ten hemel en: ‘dankuwel Heer.’

»Je bent erin grootgebracht, al dacht ik vroeger, in de kerk, al heel snel: ‘Jullie show steekt niet goed in elkaar.’ Toen mijn moeder stierf, daalde er weer iets religieus’ over me neer. De dood is veel te groot voor de mensen, hè? Als ik iemand verlies, of ik ben heel erg bang, dan refereer ik altijd aan iets waarvan ik denk dat het boven me staat, iets waaraan ik me kan optrekken.»

HUMO En lukt dat een beetje?

EGGERS «Als je het hardst om hulp roept, dient er zich wel een moment van troost aan, heb ik al mogen ervaren. Gelukkig maar, want bij grote momenten in mijn leven, stond ik er meestal alleen voor. Niet dat ik dan vanzelf ga bidden, want wat is bidden nog voor me? Een vage herinnering? Ooit hebben ze het ons aangeleerd, dat wel.»

Rokende fistel

HUMO Tijdens de sterke euthanasieseine in ‘In de gloria’ hebben veel kijkers afgehaakt. Wat voor bedenkingen maak jij bij dat feit?

EGGERS «Dat sommige mensen zo’n scène niet aankunnen, dat ze er de humor maar niet van willen inzien en veel liever in de tragiek ervan meegaan. Dat grensgebied tussen humor en tragiek is natuurlijk juist het mooie van ‘In de gloria’…. Nu ja, sommige toneelstukken kan ik ook niet aan, hoor: vorig jaar vroegen ze me mee te spelen in ‘Nachtasiel’ van Maxim Gorki, maar ik wou dat niet: ik wou niet afdalen in de marge, in de goot, in het niks-meer-zijn. ‘t Is misschien vreemd voor een actrice, maar sommige situaties verbeeld ik me liever niet. lk weet wel dat liet maar toneel is, ik vind het zelfs onnozel dat ik dit hier zeg, maar toch...

»Ik heb ooit een stuk gespeeld met Ann Petersen, over een moeder-dochterverhouding. Die dochter, die altijd voor haar moeder heeft gezorgd, zegt op een avond: ‘Ik ga zelfmoord plegen.’ Tot dat moment laad ze werkelijk alles voor die moeder gedaan, ze was er volledig verantwoordelijk voor geweest: die moeder wist bijvoorbeeld niks liggen. Tijdens dat stuk zegt de dochter in welke kast de moeder dit of dat kan vinden, ze maakt haar wegwijs in haar eigen huis. Ik speelde het tijdens de repetities sentimenteel, tot de regisseur me zei: ‘Sien, jij bent iemand aan wie ik graag een pistool zou geven, met de mededeling: ‘Schiet je in godsnaam zo snel mogelijk door de kop.’ En daarna zei hij iets anders dat me diep trof: ‘Sien, jij bent al dood. Je bent in gedachten dood, je moet alleen nog enkele praktische zaken afwikkelen.’ Dat beeld, die gedachte alleen al, vond ik niet minder dan een kwelling.

»Nu schiet er mij ook iets anders te binnen: Ann Petersen vond dat ze mooi kon groeten, en dat kón ze ook: aan het publiek de indruk geven dat het geweldig was die avond. Ik kon dat niet, ik stond altijd weer te schutteren als het zover was, en dus vroeg ik of ze het mij wou leren. ‘Sientje,’ zei ze, ‘ik pik er altijd iemand uit, en ik geef die persoon de indruk dat ik de hele avond alleen voor hem heb gespeeld.’ ‘Zo heb ik ook al eens touche gehad,’ voegde ze er al lachend aan toe.

»Goed, we waren klaar met een voorstelling over die moeder-dochterverhouding, en ik dacht: ‘Nu ga ik doen wat Ann Petersen me geleerd heeft.’ Ik liep naar voren, en keek iemand aan: een madame die, helemaal in tranen, in haar handtas naar een zakdoek aan het graaien was. Op dat moment had ik mijn brede, minzame glimlach al geplaatst, en ik zag dat die me vol afschuw aankeek, ik zag haar denken: ‘Hoe durft u! Wat voor mens bent u eigenlijk?’

»De mensen hellen liever naar de tragiek over, en dat geldt zeker ook voor die euthanasiescene, waarin ik overigens niks heb gezegd waar ik niet achter sta. Iets niet aankunnen is iets zots: ‘t is subjectief, er wordt niet bij nagedacht. Ik kan alleen maar zeggen dat wij met ‘In de gloria’ iets waardevols willen maken. En weet je wat ik het liefst wil? De mensen doen lachen. Ze mogen me. als ik speel, een kieken vinden, ze mogen vinden dat ze beter zijn dan het personage dat ik speel. Ondertussen zijn ze voor de duur van een toneelstuk uit hun eigen leven weg, maar ze zijn dan wel bij mij.»

HUMO Over de scène waarin je met je uit zijn krachten gegroeide zoon, gespeeld door Wim Opbrouck, op Batibouw bent, en daar als zoveelste bezoekers een toiletpot wint, dacht ik meteen: ‘Die vrouw, een ogenschijnlijk bedremmeld type, dat zich aan haar handtas vastklampt maar als het erop aankomt zo assertief is als de neten, speelt ze dolgraag.’

EGGERS «Dat is ook zo. Ze kan aan haar zoon niet zien dat hij het zeer vervelend vindt als zij in het openbaar zegt dat hij een fistel heeft (lacht). Pas op, ik sprak dat woord wel uit, maar ik had er op dat moment geen idee van wat een fistel eigenlijk is (lacht). Mijn verbeelding gaf me ineens die fistel in.

»En dat soort vrouwtjes: ik ken ze zo goed, de wereld loopt er vol van. Als je zulke mensen speelt, riskeer je nogal snel over the top te gaan, maar dan grijpt Jan Eelen in. Ik merk dat hij steeds minder moet ingrijpen. Wij zijn een stel acteurs dat het niet van het toneelmatige ronken moet hebben, wij zoeken liever de waarheid, en daar mislukken we wel eens in.»

Bang voor de goot

HUMO Je hebt heel lang in de KVS gespeeld - van 1979 tot 1996. Je hebt zowel onder Nand Buyl als onder Franz Marijnen gediend.

EGGERS «Dat had niet mijn angst te maken, en met de eeuwige vraag: ‘Wie zit er nog op Sien Eggers te wachten’?’ De wereld loopt vol acteurs, en in Vlaanderen alleen al komen er elk jaar twintig bij. Ik ben bang voor de goot. lk leef alleen. hè, en het leven is duur. Maar ik heb wel gewerkt in de KVS. hoor. ik was bezig met mijn vak, zodat ik niet het gevoel had dat ik aan her vastroesten was. Enfin, vastroesten doe je toch na verloop van tijd, alleen: je beseft het niet. Als je lang vast verbonden bent aan een gezelschap, zien ze je op de duur niet meer staan: je bent er gewoon, zoals een stuk meubilair er is. En ik kreeg liever méér aandacht.

»Aan het eind was ik een kwaaie spin geworden voort durend: ‘Dit is niet goed en dat deugt ook niet.’ Kortom: ik was een lastig mens - ik had frisse lucht nodig, maar ik heb dat lang niet geweten. Franz zei me op een dag: ‘Blijf jij maar eens een jaartje weg,’ ‘t Was eerst alsof er een blok beton op me neerstortte, maar door in de wind te gaan staan, voelde ik me bevrijd. In de KVS zag ik ook geen jonge mensen meer, hé. Ik ben echt content nu, en lang niet meer zo bang. Ik durf.»

HUMO Kun je goed alleen zijn?

EGGERS «Ja. Misschien komt er ooit wel eens iemand aangewandeld... Maar ze hebben me gezegd dat je nooit naar zo iemand mag verlangen, want als je dit doet, ben je ondertussen toch maar ongelukkig. Je moet beseffen wat je wel hebt. Maar toegegeven: daar doe je lang over.

»Ik heb daar aan moeten werken, en ik heb daar niet alleen aan gewerkt. Op een bepaald moment had ik zoveel rommel in mijn hoofd - muizenissen, kwalijke hersenspinsels dat ik de behoefte had regelmatig niet iemand te gaan praten: in mijn geval een dokter die er ook counseling bij deed. Acteurs zijn altijd bezig niet hun verbeelding: ‘t lijkt soms wel alsof ze rommel in hun hoofd willen. Maar goed, die dokter heeft we ontward, zal ik maar zeggen. Alleen had ik dat nooit gekund. ‘t Heeft mij moeite gekost, want toen ik voor het eerst naar die counselor, een vrouw, toeging, dacht ik: ‘Wat doè ik hier?’ ‘t Was zoiets als tandpijn die ophoudt zodra je in de tandartsstoel zit. Gelukkig ben ik toen gebleven.

»Wat ik nog maar onlangs heb geleerd, is dat ik het heel goed kan hebben op mijn werk, tussen m’n medespelers, maar dat zo’n aangenaam groepsgevoel meer met het werk dan met vriendschap te maken heeft. Het zijn mijn makkers, maar dan: op het werk. Vroeger dacht ik dat ik door samen met mensen in een toneelstuk te staan vrienden voor het leven had gemaakt. Nu vind ik het niet meer erg dat ik ex-collega’s soms een jaar niet zie. Ik denk af en toe nog wel eens: ‘Niemand kijkt naar me om. lk zou hier kunnen doodliggen, en niemand maar dan ook niemand... Maar dat is natuurlijk niet waar. Stilaan zie ik die dingen in een juist perspectief. Mensen mogen nu kwaad zijn op mij. Vroeger begreep ik dat niet.

»Niets is rechtlijnig, en chaos is overal: dat heb ik ook moeten leren accepteren. Mijn counselor heeft me ook geleerd neen te durven zeggen, Ik vroeg eens een bepaald brood bij de bakker, en de verkoopster gaf me een ander soort brood. Ik zei: ‘Excuseer, ik had eigenlijk dat ándere brood gewild,’ Je had het g-zicht van die verkoopster moeten zien, zo’n uitdrukking van: ‘Gaan we een beetje moeiilijk doen, ja?’ En voor zulke reacties was ik doodsbang. Vroeger (lacht)

HUMO Ik weet dat je een liefhebster van katten bent. Die zijn vast goed tegen muizenissen.

EGGERS « Ach, mijn Brom en mijn Piep. Het zijn schatjes. En ik leer veel van die poezen. Als ik thuis m’n speeltekst aan het instuderen ben, merk ik aan mijn katten wanneer ik overdrijf, of wanneer mijn intensiteit te groot is.»

HUMO Stuiven ze weg?

EGGERS «Neen. ze kijken me aan met zo’n blik van ‘Gaat het een beetje?’ En ik trek daar mijn conclusies uit (lacht)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234