'Het gebeurt weleens dat we allemaal samen in de ziekenwagen zitten te zingen’

Onze Manop de spoedafdeling

'Slachtoffer of dader: ik kijk niet naar de persoon, wel naar de kwetsuur. Pas achteraf denk ik: 'Klootzak''

Vanavond start een nieuwe realityreeks op VTM over de dienst Spoed van ZNA Stuivenberg. Onze Man liep in 2016 mee op de spoedafdeling van UZ Gent. Lees hier zijn relaas.

(Verschenen in Humo op 1 augustus 2016)

Onheil doet zelden een zomerslaapje. Ook in het landerige vacuüm tussen juni en september worden mensen ziek, voelen ze hun hart een wilde staking afkondigen, zien ze hun lichaam protesteren tegen te veel alcohol of raken ze betrokken bij een verkeersongeval. Op de spoedafdelingen van de ziekenhuizen wordt men dan ook niet krenteriger met hulp omdat 25 graden toevallig tot loomheid noopt: de levensreddende show must go on. Onze Man kampeerde op de spoedafdeling van het Universitair Ziekenhuis Gent, rukte mee uit met de MUG en ambulance, en praatte met de mensen die er dagelijks de dood een klein beetje verschalken.*

Daar klinkt het geluidssein dat het midden houdt tussen het getjilp van een krekel die wel erg graag wil copuleren en een wekker waarvan de batterijen aan palliatieve zorgen toe zijn. De bel: er is een noodoproep. Ik stap voor het eerst in de MUG-wagen van de Mobiele Urgentie Groep van het UZ en de avondspits splijt voor ons open.

Erwin Waelkens «Die eerste keren met de ambulance, dat gaf telkens een kick. Iedereen ging aan de kant! Mensen hebben die reflex nu veel minder. Ik geloof dat er een soort van gewenning is ontstaan: ‘Ach, zo dringend zal het wel niet zijn.’»

Waelkens (58), één van de 44 verpleegkundigen op de spoedafdeling, kan het weten: hij is een ancien. Hij begon in 1980 in het UZ, op ‘de oude spoed’. De huidige locatie, hoewel ook al enigszins uit de tijd, wordt nog steeds consequent als ‘de nieuwe spoed’ aangeduid.

Waelkens «In 1980 bestond de MUG nog niet. We hadden één ambulance, en een wagen voor secundaire transporten (vervoer van patiënten vanuit een ander ziekenhuis naar het UZ, red.). Het was de tijd van de brancards zonder wielen: we moesten patiënten soms honderden meters ver dragen. Dat was een heel zware belasting voor de rug. Geloof me: de man of vrouw die bedacht heeft dat er wieltjes onder een brancard kunnen, verdient een standbeeld.

»Ook op andere vlakken verliep het allemaal niet zo efficiënt als nu. Als we een patiënt naar één van de katholieke ziekenhuizen moesten brengen, stonden we vaak een hele tijd te wachten voor de poort. Dan was het een moeder-overste of een zuster die moest komen opendoen, en die mensen waren vaak op leeftijd.

»In het begin van de jaren 80 kwam de MUG – ik herinner me nog de eerste: een oranje Volvo. Verpleegkundigen konden zich opgeven als bestuurder. Dat leek me wel wat, en zo heb ik twee jaar aan het stuur van de MUG gezeten. Dat was heel stresserend, want ik woon niet in Gent, en moest dus echt studeren op het stratenplan. Elke chauffeur moest zijn boek maken: een stratenplan dat je opbouwde volgens je persoonlijke referentiepunten. ‘Blankenbergestraat: voorbij huis tante Agnes, tweede straat links’ – op die manier. De arts zat dan met de kaart op schoot mee te zoeken.»

'Ik had al mensen gezien met 5,4 promille in hun bloed. Hoe krijg je zoveel alcohol in je lichaam?’

Ook Hilde Bruggeman (56), één van de 23 huidige ambulanciers, herinnert zich die tijd nog.

Hilde Bruggeman «De wagens gingen almaar sneller en kregen steeds meer pk. Dat leidde weleens tot gevaarlijke toestanden. Nu is er een duidelijke richtlijn: maximaal twintig kilometer per uur boven de toegestane snelheid.»

Waelkens «In die beginperiode zijn drie MUG-wagens gewoon kapotgereden. Dat is de reden geweest om beroepschauffeurs aan te werven.»

Bruggeman «Nogal wat taxichauffeurs stapten toen over naar de ambulance en de MUG. Die waren er makkelijk uit te pikken: de referentiepunten in hun boek waren vooral cafés (lacht)

Waelkens «Maar dé grote revolutie was natuurlijk de MUG die uitrukt met een arts. Tevoren gingen alleen verpleegkundigen ter plaatse. Onze verantwoordelijkheid was groot: als een patiënt slecht was, moesten wij de levensreddende ingrepen doen. Enfin, in principe moesten we dan een huisarts opvorderen. Maar het duurde vaak lang voor die ter plaatse was, en soms wisten wij beter wat er moest gebeuren. Vaak gaf zo’n huisarts dat zelf aan: ‘Doe maar, doe maar.’ Reanimeren, infusen prikken, medicatie geven: wij waren goed opgeleid, dus wij kónden dat.»

Mijn MUG-carrière is pas begonnen, en ik moet het toegeven: mijn hartslag is een dubstepbeat. ‘Dat is het blauweknipperlichtsyndroom,’ zegt professor Peter De Paepe (45), het hoofd van de spoedgevallendienst. Ook Lieven Desmedt (28), urgentiearts in opleiding, herkent de roerige opwinding van zo’n snelle, door een krachtige sirene aangekondigde interventie.

Lieven Desmedt «De eerste honderd keren dat ik in de MUG zat, was dat met een smile. Alles is plots stress en opwinding. Maar dat went, en algauw besefte ik dat het daar allemaal niet om draait.»

Bruggeman «Meer nog: wie het louter doet om met 170 kilometer per uur door rode lichten te knallen, valt er snel tussenuit.»

We komen aan in het industriepark waar de chauffeur van een pakjesdienst onwel is geworden. Er is even voor zijn leven gevreesd, maar intussen is de man weer bij zijn positieven, en vertelt hij kwiek wat hem precies is overkomen. Er is zelfs plaats voor situatiehumor: terwijl de arts en de verpleegkundige van de MUG de chauffeur onderzoeken, proberen omstanders met zijn gsm z’n familie te bellen. Dat blijkt nog niet zo simpel: er wordt telkens opgenomen, maar er is niemand te horen aan de andere kant van de lijn. Tot blijkt dat de chauffeur z’n Bluetooth-oortje nog aan heeft, en het ‘Hallo? Hállo?’ van z’n vrouw dáár dus terechtkomt.

'Die eerste keren met de ambulance, dat gaf telkens een kick. Iedereen ging aan de kant!’

Overpoortblues

De spoedafdeling is onderverdeeld in een aantal zones. Er is de fast track, waar kleinere pathologieën – snijwonden, rugpijn, bescheiden breuken – behandeld worden. Er is de acute zorgzone, met zeven boxen (straks zijn er renovatiewerken, en zal dat aantal verdubbeld worden), en de kritieke zorgzone, met drie boxen. Er is de gipskamer, de wondhechtingskamer, de pediatrische box, de box waar oog-, oor-, neus- en keelproblemen behandeld worden en de isolatiebox (veelal ‘ebolabox’ genoemd, voor patiënten met een erg besmettelijke aandoening). En er zijn de zeven observatieposities, voor patiënten die vermoedelijk binnen de 24 uur ontslagen zullen worden. De hele dag al worden hier drie bedden bezet door jongeren die vannacht binnengebracht werden met een ethylintoxicatie – een alcoholvergiftiging. Het is een aanzienlijk deel van het werk hier: mensen de nacht uit en de ambulance in helpen wanneer met alcohol bespatte uren geleid hebben tot een nogal particuliere relatie met de zwaartekracht.

Bruggeman «De plezanten vallen wel mee: het gebeurt weleens dat we samen in de ziekenwagen zitten te zingen. Maar je gaat beter niet in discussie met wie een kwaaie dronk heeft.»

Waelkens «Vroeger zagen we het alleen maar in het weekend, nu elke dag.»

Verpleegkundige Erik Christiaens-Leysen (38) ziet nog een andere evolutie: bij dronkenschap komt steeds vaker agressie kijken.

Erik Christiaens-Leysen «Zo’n jonge gast die met snijwonden in het gezicht binnenkomt: dat is echt diep- en dieptreurig.

»Ik heb al mensen zien rondlopen met 5,4 promille in hun bloed. Dat kan dodelijk zijn, hè. Het is haast onwezenlijk: hoe krijg je zoveel alcohol in je lichaam?»

Hoofdverpleegkundige Steve D’hoker (42) suggereert een mogelijke verklaring voor de toename: het soort alcohol dat jongeren drinken.

Steve D’hoker «In mijn studentenjaren dronk ik bier. Daar word je ook behoorlijk dronken van, maar doorgaans ben je al flink misselijk lang voor het risico op bewustzijnsverlies opdoemt, en hou je er dus tijdig mee op. Maar in het uitgaansleven wordt nu veel meer sterkedrank geconsumeerd, en dat is gevaarlijk: in een kwartier tijd kun je geen tien pinten binnengieten, maar wél vijf shots van iets sterks achteroverslaan. Vijftien jaar geleden zouden die jongeren de volgende dag wakker worden met een monster van een kater, en mogelijk allerlei onsmakelijke sporen terugvinden in hun kamer. Nu eindigen ze comateus op de spoed.»

Christiaens-Leysen «Eigenlijk zouden we moeten filmen hoe die jongeren hier binnenkomen, en ze dan de tape meegeven. Want meestal hebben ze een black-out, en beseffen ze dus maar half hoe vernederend het is, zo’n lichaam dat alleen nog luistert naar de alcohol, en hoe gevaarlijk.»

Desmedt «En als je dan merkt dat het niet hun eerste opname is... Ik maak me daar echt zorgen over.»

De Paepe «Uit studies weten we dat jongeren die opgenomen worden met een ethylintoxicatie diegenen zijn die op latere leeftijd problemen zullen hebben met alcohol – die ongevallen veroorzaken in dronken toestand, of verslaafd raken aan de drank. Een dagje spoed na een nachtje in de Overpoortstraat (Gentse uitgaansbuurt van studenten, red.): je mag dat echt niet bagatelliseren.»

Waelkens «Ik kan niet meer door de Overpoortstraat rijden en gecharmeerd denken: ‘Laat ze zich maar eens goed amuseren, onze studenten.’ Omdat ik weet dat het niet onschuldig is.»

'Lieven Desmedt (stagiair-spoedarts): 'Als kind werd ik verliefd op die typische ziekenhuisgeur.’

Het miltverdict

Slechts een paar uur later – de avond is dan al aan het voetjevrijen met de nacht – sta ik oog in oog met een uit alcohol geboren stilleven. Het heet ‘Bestelwagen geparkeerd in gevel’, en het is geen fraai werk. Een man verloor de controle over zijn stuur, boorde zijn voertuig in de woonkamer van een alleenstaand huis, en zag zijn leven gered door de airbag. De bewoners – gelukkig ongedeerd – kijken onthutst naar de robuuste indringer-op-vier-wielen. Het lijkt alsof de bestelwagen centimeters voor het salontafeltje tot inkeer is gekomen. In de ogen van de bestuurder vechten knullige verbazing en dronkenschap om het licht. De man is lichtgewond en moet dus mee met de ambulance. Tijdens de rit naar het ziekenhuis voel ik een merkwaardige spanning de lucht dik en zwaar maken: we vervoeren een patiënt, maar ook een dader.

'Erwin Waelkens (verpleegkundige): 'In 2001 ben ik hier zelf met mijn gezin binnengebracht, na een frontale botsing.’

Waelkens «Als een dronken chauffeur een ravage heeft aangericht, kook ik vanbinnen. Maar: ik laat het nooit zien.»

D’hoker «Het puur technische van de verzorging lukt altijd probleemloos – óók als je weet dat de patiënt net dronken een dodelijk ongeval heeft veroorzaakt. Maar het wordt dan wel moeilijk om dat tikkeltje extra – hartelijk en zorgzaam zijn – op te brengen.»

Bruggeman «Ik kijk niet naar de persoon, wel naar de kwetsuur. Pas achteraf denk ik: ‘Klootzak.’»

'Hilde Bruggeman (ambulancier): 'Je gaat beter niet in discussie met wie een kwaaie dronk heeft.’

Christiaens-Leysen «Bij mij wringt het soms. Bizar genoeg is een dronken bestuurder vaak minder erg gewond dan de tegenpartij. Ik doe dan m’n job, dat spreekt voor zich, maar van harte is het toch allemaal niet.»

De Paepe «Ik blijf erop hameren dat iedereen als een patiënt moet worden gezien. Het morele en het juridische oordeel, dat is voor anderen.»

In het ziekenhuis krijgt de bestuurder de nodige zorgen, en een bed om zijn roes uit te slapen. Ik vraag me af wanneer het besef komt van de ravage die hij aangericht heeft, en de ramp die hij heeft kunnen ontlopen. Bij het personeel hier weet iedereen wat een verkeersongeval kan aanrichten – Erwin Waelkens nog het meest.

'Erik Christiaens-Leysen (verpleegkundige): 'Praten met ­patiënten: ik doe dat graag.’

Waelkens «In 2001 ben ik met mijn hele gezin hier binnengebracht. Twee auto’s waren aan het racen, één daarvan begon te slippen en botste frontaal op de mijne. De bestuurder – onder invloed van drank en drugs, bleek later – was op slag dood.»

Iedereen in het gezin Waelkens was er erg aan toe.

Waelkens «Mijn schoonmoeder werd binnengebracht met een hersenbloeding, een leverscheur, een darmscheur en bloed in de longen. Ze hebben haar urenlang geopereerd, en uiteindelijk heeft ze een jaar in het ziekenhuis gelegen – sindsdien zit ze in een rolstoel. Het borstbeen en al de ribben van mijn vrouw waren gebroken, en ze is een jaar arbeidsongeschikt geweest. Mijn dochter had een gescheurde milt en lag lang op intensieve zorgen. Mijn zoon kreeg plastische heelkunde. We hebben allemaal ontzettend veel geluk gehad.»

'Steve D'hoker (hoofdverpleegkundige): 'Het ergste voor een patiënt: iemand aan zijn bed krijgen die niet geïnteresseerd is.’

Zelf lag Waelkens ook een week in het UZ – zijn UZ.

Waelkens «Collega’s die ervan gehoord hadden, kwamen spontaan naar het ziekenhuis. Het was heel ontroerend om al die bezorgdheid te voelen. Ik ben toen al vrij snel weer gaan werken – misschien een beetje té snel. Maar ik werd goed opgevangen door mijn collega’s.»

Het UZ heeft een dienst patiëntenbegeleiding die dag en nacht beschikbaar is.

Waelkens «In 2001 stond die nog in z’n kinderschoenen, maar ik herinner me dat ik heel veel had aan de steun van Jenny, onze sociale verpleegkundige in die tijd. Vroeger hadden we op de spoedafdeling zélf meer tijd om een patiënt ook psychologisch te begeleiden. Door de verhoogde werkdruk is dat moeilijker geworden. Soms moet ik tegen een patiënt zeggen dat ik graag nog wat met hem zou willen praten, maar dat dat niet lukt omdat er te veel ander werk roept.»

'Peter De Paepe (diensthoofd spoedgevallen): 'Het moeilijkste? Wanneer iemand het niet redt, en je dat aan de familie moet gaan vertellen.’

Christiaens-Leysen «Soms, als het rustig is, kan het nog wel. Dan praat ik met patiënten over het voetbal, de Ronde van Frankrijk, hun leven. Gesprekken die, zonder grote therapeutische pretentie te hebben, deugd doen. Ik doe dat graag.»

D’hoker «Het is belangrijk dat je dat graag doet. Dat je van nature warm en hartelijk bent. Het ergste wat een patiënt kan overkomen, is dat hij iemand aan zijn bed krijgt die de schijn hoog houdt, maar in wezen niet geïnteresseerd is. Je kan iemand op een technisch perfecte manier een medicijn geven, maar eigenlijk níéts geven – omdat de warmte ontbreekt.»

De Paepe «Het moeilijkst is het natuurlijk wanneer iemand het niet redt, en je dat aan de familie moet gaan vertellen. Wanneer iemand overlijdt na een interventie van de MUG, krijgen de nabestaanden ook een brief waarin staat dat ze de mogelijkheid hebben om met het MUG-team te praten. Nog niet zo lang geleden verloor een vader zijn tienerzoon door een stom fietsongeval. Uiteraard kon die man dat geen plaats geven. Voor hem was het echt cruciaal dat hij kon praten met onze mensen die ter plaatse waren geweest. Al was het maar om te horen dat zijn zoon geen pijn had geleden.»


Medisch mijnenveld

De volgende ochtend woon ik om 8 uur ‘de overdracht’ bij: De Paepe overloopt samen met de artsen die die nacht gewerkt hebben de dossiers. Nergens zeurt routine: De Paepe doet het punctueel, met bezorgde bijvragen en helder advies.

De Paepe «We nemen dat moment heel ernstig: alle dossiers worden gelezen, de foto’s opnieuw bekeken, de resultaten van labtests bestudeerd. In de hectiek van een drukke nacht wordt al eens iets over het hoofd gezien, en dat sturen we dan bij. We zijn bovendien een universitair ziekenhuis, en dus een opleidingscentrum: voor urgentieartsen in opleiding is de overdracht ook een belangrijk leermoment.»

Wat me enigszins verbaast: een specifieke opleiding tot urgentiearts bestaat nog maar een tiental jaar.

De Paepe «Vroeger studeerde je eerst zeven jaar geneeskunde, specialiseerde je je daarna, en voegde je daar een ‘bijzondere beroepsbekwaamheid urgentiegeneeskunde’ aan toe. Ik kom nog uit dat oude systeem. In principe kan het nog altijd zo, maar er zijn nu twee betere opties. Sinds een tiental jaar bestaat er een aparte opleiding urgentiegeneeskunde. Er is er eentje van drie jaar – dan ben je specialist acute geneeskunde – en eentje van zes jaar – dan ben je specialist urgentiegeneeskunde. We zien dat als een volwaardig specialisme, en dus is het belangrijk dat we ons op gelijke hoogte kunnen zetten van de andere specialismen waarvoor ook een vijf- of zesjarige opleiding nodig is. Ook voor de hiërarchie binnen een ziekenhuis: een urgentiearts moet náást een specialist interne geneeskunde staan. Met die driejarige opleiding riskeer je hiërarchisch onder de specialisten te belanden, en dat kan niet de bedoeling zijn. Dat die zesjarige opleiding nu bestaat, is echt een uitstekende zaak. Je bent dan beter – want: breder – opgeleid dan mijn generatie. Ik merk dat ook effectief aan de ouderejaars die hier als stagearts komen: die kunnen al heel autonoom werken. Vroeger moest ik ze als supervisor véél dichter op de huid zitten.»

Lieven Desmedt is zo’n stagiair-spoedarts die de zesjarige opleiding volgt.

Desmedt «Als kind ben ik vaak in ziekenhuizen geweest omdat mijn moeder suikerziekte had. Ik ben toen een beetje verliefd geworden op die typische ziekenhuisgeur. In het vierde middelbaar wist ik het zeker: ik zou arts worden. Tot enkele maanden voor ik m’n specialisatie moest kiezen, was ik er rotsvast van overtuigd dat ik voor huisartsengeneeskunde zou gaan. Een fantastisch mooi specialisme vind ik dat. Maar door een stage op de spoedafdeling is de liefde helemaal opengebloeid. Ik keek met heel veel ontzag naar de artsen daar, en dacht: ‘Ja, dat wil ik ook kunnen!’

»Ik vind het boeiend om met mensen met heel verschillende achtergronden samen te werken – en dan heb ik het zowel over patiënten als over collega’s. Dat je in een team moet werken.»

De Paepe «Dat is echt belangrijk, want het gevaar bestaat dat je als urgentiearts in je eentje gaat werken. Dat kan echt niet: je moet je eigen beperkingen kennen, en snel in overleg gaan met andere specialisten.

»Niet iedereen is voor dit werk geschikt. Je moet heel stressbestendig zijn, en kunnen multitasken. Niet elke arts kan meerdere patiënten tegelijkertijd opvolgen. Bovendien is de spoedafdeling soms een medisch mijnenveld. Je moet opletten dat je iemand met buikpijn niet achteloos naar huis stuurt, waar die buikpijn vervolgens een symptoom blijkt van iets ernstigs. Het is vaak zoeken en tasten, je moet heel veel klinische en diagnostische vaardigheden hebben. Daar houden we in de selectie van onze artsen ook echt rekening mee: wie de focus alleen op het hyperacute legt, maken we meteen duidelijk dat hij of zij hier allicht niet past. De acute pathologie waar het over leven of dood gaat, dat is misschien maar 5 procent van het werk.»

Christiaens-Leysen «Dat geldt ook voor de verpleegkundigen. Wie alleen maar levens wil redden, houdt het hier niet lang uit. Je moet ook voldoening kunnen halen uit de kleine dingen waarmee je iemand helpt.»

D’hoker «Achteraf gezien heb ik vanuit onrealistische beweegredenen voor de spoedafdeling gekozen. Ik wilde op het scherp van de snee balanceren. De split-second decisions: die moest ik hebben. Maar die vormen slechts een klein stukje van het werk.

»Toch was het de juiste keuze. Omdat die mix van intens patiëntencontact, intensiteit en techniciteit me heel erg ligt. Voor ik hier begon, heb ik nog kort op een afdeling nefrologie (de behandeling van nieraandoeningen, red.) gewerkt – ik wilde mijn blik wat verruimen. Maar de voorspelbaarheid van de dagindeling en het verloop op die afdeling bleek niet compatibel te zijn met wie ik ben. Daar heb ik ook ontdekt dat ik moeilijk overweg kan met chronische patiënten. Iemand aan de dialyse die drie keer per week naar het ziekenhuis komt, dat geeft een heel andere patiëntenrelatie dan op de spoedafdeling. Daar zijn de contacten kort en intens. En vooral onverwacht: zonder aankondiging vooraf wordt er ingebroken in het leven van iemand. De patiënt wist ’s ochtends niet dat hij die dag patiënt zou worden, de dokter of verpleegkundige niet dat hij hem zou behandelen. Dat vind ik aantrekkelijk.»

Desmedt «Je moet er wel mee kunnen leven dat je geen eigen patiënten hebt. Je geeft de eerste zorgen, en dan verdwijnt de patiënt – naar huis, of, in een derde van de gevallen, naar een andere afdeling in het ziekenhuis. Artsen knappen daar soms op af: je doet iets, maar je weet niet of het effect heeft. Zelf heb ik daar geen probleem mee. Ik hou enorm van het diagnostische. Heel vreemde klachten tot een juiste diagnose herleiden: ik vind dat echt heel bevredigend.»

Christiaens-Leysen «Ik bel nog weleens naar de afdeling of het ziekenhuis waar een patiënt beland is, maar persoonlijk contact is er niet meer. Dat vind ik soms jammer, ja.»

Dat patiënten er maar kort verblijven, heeft nóg een gevolg.

Waelkens «We krijgen hier weinig pralines. Hoewel de eerste zorgen vaak de belangrijkste zijn, vergeten mensen ons bij hun bedankjes. Maar dat is niet erg: ik haal de voldoening uit mezelf. Iets goeds doen: dat geeft zó’n geweldig gevoel. En mijn dochter en mijn zoon zeggen het me dikwijls: ‘Papa, ik waardeer ontzettend wat je doet.’ Dat raakt me, want ze hebben toch veel offers moeten brengen: ik was er vaak niet in de weekends, of op het kerstdiner.»

Bruggeman «Ik heb een keer, met één vinger, de reanimatie van een prematuurtje gedaan. Samen met mijn collega haalde ik het kindje erdoor, en later kreeg ik van de ouders een doos Mercikes. Je snapt wel dat dat de lekkerste chocolaatjes waren die ik ooit gegeten heb.»

Wrede ijsregens

Alle spulletjes in de kamer suggereren honger naar het leven – het krokante optimisme van wie z’n jeugd gedag zoent, en het volwassen leven hallo zegt. Het contrast met het meisje in de sofa, opgekruld in een plas bloed, schroeft me de keel dicht. We zijn halsoverkop hierheen gereden met de ambulance: het meisje heeft zich over haar hele lichaam gesneden. Vandaag is ze afgestudeerd, en dat zou gevierd worden. Maar haar vriendje heeft haar in de sofa gevonden, terwijl ze de krassen op haar huid parallel probeerde te laten lopen met die op haar ziel.

Ze heeft dit al eerder gedaan, zegt haar vriendje, maar sinds een poos ging het beter. Medicatie had de ijsregens in haar hoofd minder wreed gemaakt. Hij vertelt het rustig en helder, maar dan wordt zijn meisje weggedragen door de ambulanciers, en schiet hij vol. Wanhoop en liefde dicteren hun duet, en ik wou dat ik het nooit had moeten horen.

Het meisje wordt naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gevoerd, en ik begrijp plots waarom Erik Christiaens-Leysen soms nog naar nieuws over een patiënt op zoek gaat, lang nadat die van de spoedafdeling verdwenen is.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle verhalen van de Humo rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234