null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

jacht op seriemoordenaars

Special Agent Robert K. Ressler sprak met meer dan honderd seriemoordenaars: ‘Wie monsters bestrijdt, moet er voor waken al doende zelf geen monster te worden’

‘Monster: The Jeffrey Dahmer Story’, de reeks over de gelijknamige seriemoordenaar, breekt momenteel alle records op Netflix. True crime is populairder dan ooit, maar voor Robert K. Ressler was het gewoon zijn beroep. Hij werkte zeventien jaar als Special Agent en instructeur bij de Behavioral Science Unit, de Afdeling Gedragswetenschappen van de FBI-academie in Quantico. Zijn specialisme werd criminal profiling: het analyseren van zware geweldsmisdrijven en het opstellen van een profiel van de mogelijke dader aan de hand van politierapporten en aanwijzingen op de plaats van het misdrijf. Om die techniek te verfijnen startte hij halverwege de jaren zeventig met het Criminal Personality Research Project, een groots opgezet onderzoek naar het gedrag van zware criminelen. Lees hier een deel uit ‘De jacht op de seriemoordenaar’, het boek dat Ressler samen met Tom Shachtman schreef.

Robert K. Ressler

(Verschenen in Humo op 18 november 1993)

Ressler wilde vooral een inzicht verkrijgen in de geest, de handelwijze en de motieven van seriemoordenaars, en hun gedragspatronen in kaart brengen, opdat soortgelijke misdadigers in de toekomst sneller door de politie konden worden gevat. Hij besloot zijn informatie niet uit politieverslagen en boekjes te halen, maar ze dáár te zoeken waar nooit iemand eerder aan had gedacht: bij de seriemoordenaars zelf. In de loop der jaren interviewde Ressler meer dan honderd van de gevaarlijkste seriemoordenaars die in Amerikaanse gevangenissen opgesloten zitten; sommige meer dan één keer. Hij werd een expert op het gebied van seriemoord en raakte als FBI-adviseur de afgelopen twintig jaar bij vele geruchtmakende moordzaken betrokken. In zijn binnenzak hield hij een briefje met het motto dat hij steeds voor ogen hield: ‘Wie monsters bestrijdt, moet er voor waken al doende zelf geen monster te worden. En wanneer u in een afgrond kijkt, blikt die afgrond ook in u.’

Bij de FBI stond Russ Vorpagel, een boom van een kerel, bekend als een levende legende. Hij was voormalig rechercheur van Moordzaken in Milwaukee, en expert op het gebied van seksuele misdrijven en explosievenopruiming. Zijn taak in Sacramento als coordinator voor de ‘Behavioral Science Unit’ van de FBI voerde hem langs de hele Westkust, waar hij voor de plaatselijke politieautoriteiten lezingen over seksuele misdrijven hield. Zijn geloofwaardigheid was onaantastbaar, omdat sheriffs en andere politiemensen grote waardering voor zijn kennis van zaken hadden. Op maandagavond 23 januari 1978 werd dat vertrouwen in Russ vertaald in een telefoontje van een klein politiebureau ten noorden van Sacramento. Er was een gruwelijke moord gepleegd, en door de wijze waarop het slachtoffer verminkt was, verschilde dit misdrijf hemelsbreed van een gewone moordzaak. De vierentwintigjarige David Wallin, was de vorige avond rond zes uur van zijn werk thuisgekomen in zijn bescheiden huurwoning aan de rand van de stad en had daar zijn tweeëntwintigjarige, drie maanden zwangere vrouw Terry dood in de slaapkamer aangetroffen. Haar buik was opengesneden. Schreeuwend rende hij naar het huis van de buren, waar de politie werd gewaarschuwd. Wallin was zo volkomen van streek dat hij bij de komst van de politiemensen niet met hen kon praten.

De eerste agent die het huis inging, een hulp-sheriff, raakte eveneens ernstig van streek. Later vertelde hij dat hij door de aanblik van de slachting maandenlang nachtmerries had gehad. Zodra de politie de slachting had gezien, werd Russ’ hulp ingeroepen. Hij belde me bij het Opleidingsinstituut van de FBI in Quantico, waar ik werkte. Hoe verschrikkelijk ik de moord ook vond, mijn belangstelling werd er dadelijk door gewekt, aangezien deze zaak mij de gelegenheid zou kunnen bieden om de techniek van de zogenaamde psychological profiling (specifieke profielanalyse) voor de opsporing van een moordenaar te kunnen toepassen, vrijwel meteen nadat de moordenaar had toegeslagen. Gewoonlijk was het spoor al koud wanneer een zaak ter behandeling aan de BSU werd overgedragen.

In Sacramento was het spoor bij wijze van spreken nog ‘kokend heet’. De volgende dag meldden de kranten dat Terry Wallin kennelijk in de woonkamer was aangevallen toen ze op het punt stond het huisvuil buiten te zetten. Er waren aanwijzingen voor een worsteling van de voordeur tot aan de slaapkamer; daar werden twee patroonhulzen gevonden. De vermoorde vrouw droeg een sweater-achtige blouse en een lange broek; haar sweater, beha en broek waren haar van het lijf gerukt, waarna haar buik was opengesneden. De agenten op de plaats van liet misdrijf hadden de verslaggevers verteld dat roof als motief moest worden uitgesloten omdat er niets was meegenomen. In feite waren de details veel erger, maar Russ vertelde me dat de feiten het publiek werden onthouden om geen paniek te veroorzaken.

Wat het publiek niet wist waren de volgende bijzonderheden. De grootste meswond gaapte van de borst tot de navel; de moordenaar had bepaalde delen van de ingewanden eruit laten hangen, maar diverse organen waren uit de buikholte verwijderd en in stukken gesneden. Sommige lichaamsdelen ontbraken. Er zaten steekwonden in de linkerborst van het slachtoffer, en in die wonden was het mes enigszins heen en weer gewrikt. In de mond van het slachtoffer trof men ingepropte dierenuitwerpselen aan. Er waren ook aanwijzingen dat een deel van het bloed van de vrouw in een yoghurtbeker was opgevangen en opgedronken.

BLANK EN MAGER

De plaatselijke politie was niet alleen hevig ontsteld, maar stond ook voor een raadsel. Russ Vorpagel was bovendien de schrik om het hart geslagen, want met zijn kennis van seksuele moordzaken begreep hij dat we snel moesten handelen; het gevaar was groot dat de moordenaar van Terry Wallin opnieuw zou toeslaan. De hoge mate van geweld die zo duidelijk op de plaats van de afgrijselijke misdaad was waar te nemen, maakte dat zo goed als onvermijdelijk. Een dergelijke moordenaar zou zich niet met één moord tevreden stellen. Er kon een hele serie moorden volgen. Russ en ik waren echter zo overtuigd van de waarschijnlijkheid dat de moordenaar nogmaals zou toeslaan dat we elkaar een aantal telexen stuurden, en ik alvast een voorlopig profiel van de mogelijke dader samenstelde.

In die tijd was criminal profiling nog een betrekkelijk jonge wetenschap; het komt neer op een beschrijving van een onbekende misdadiger aan de hand van een nauwkeurige evaluatie van kleine details op de plaats van het misdrijf, van het slachtoffer zelf en van andere factoren die als bewijsmateriaal kunnen dienen. De oorspronkelijke aantekeningen die ik destijds maakte, geven aan hoe ik de vermoedelijke dader van dit verschrikkelijke misdrijf profileerde:

Blanke man, leeftijd 25-17 jaar, mager, ondervoed voorkomen. Verblijfplaats bijzonder slordig en verwaarloosd en aldaar aanwijzingen van door hem begane mis-drijf Onder psychiatrische behandeling geweest, heeft met drugsgebruik te maken gehad. Eenzame figuur die het gezelschap van zowel mannen als vrouwen mijdt, brengt waarschijnlijk veel tijd in zijn eigen huis door, waar hij alleen woont. Werkloos. Ontvangt mogelijk een of andere uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Mocht hij met iemand samenwonen, dan met zijn ouders, maar dat is niet waarschijnlijk. Niet in militaire dienst geweest; middelbare school niet afgemaakt. Lijdt vermoedelijk aan één of meerdere vormen van paranoïde psychose.

Hoewel profiling nog in de kinderschoenen stond, hadden we al voldoende moordzaken bestudeerd om te weten dat een seksuele moord - want dat is de categorie waarin deze moord thuishoorde, zelfs terwijl er geen enkel bewijs van een seksuele handeling ter plaatse kon worden aangetoond - gewoonlijk door mannen wordt gepleegd, en meestal intraraciaal is: blank tegen blank, zwart tegen zwart. Het grootste aantal seksuele moordenaars zijn blanke mannen tussen de twintig en veertig jaar. Dat de moord in een blanke woonwijk had plaatsgevonden, sterkte me in de overtuiging dat het om een blanke man ging.

GESTOORD

Daarna moest ik kiezen uit twee verschillende mogelijkheden die we op onze Behavioral Sciences-afdeling trachtten te formuleren, namelijk het onderscheid tussen moordenaars die een bepaalde logica tentoonspreiden in wat ze doen, en moordenaars in wier manier van denken volgens normale maatstaven geen aanwijsbare logica valt te bespeuren: ‘georganiseerde’ tegenover ‘gedesorganiseerde’ misdadigers. Bij het bekijken van de foto’s van de plaats van het misdrijf en het lezen van de politierapporten leek me dat het misdrijf niet was begaan door een ‘georganiseerd’ denkende moordenaar die zijn slachtoffers observeert, daarin methodisch te werk gaat en ervoor zorgt geen aanwijzingen omtrent zijn eigen identiteit achter te laten. Nee, met het oog op de plaats van het misdrijf was het me duidelijk dat we te maken hadden met iemand die leed aan een ernstige geestelijke ziekte.

Iemand wordt niet van de ene dag op de andere zó geestelijk gestoord als de man die het lichaam van Terry Wallin opensneed. Het duurt acht tot tien jaar om zo’n diepe psychose te ontwikkelen als die bij hem in deze kennelijk zinloze moord naar buiten trad. Paranoïde schizofrenie openbaart zich gewoonlijk het eerst in de tienerjaren. Telt men tien jaar op bij de leeftijd van vijftien waarop de geestesziekte begint, dan komt men op midden twintig als leeftijd van de moordenaar. Ik had twee redenen om aan te nemen dat hij niet veel ouder kon zijn. In de eerste plaats zijn de meeste seksuele moordenaars beneden de vijfendertig jaar. In de tweede plaats zou hij al dermate in de greep van zijn ziekte hebben verkeerd dat er al een hele serie bizarre en onopgeloste moorden zou hebben plaatsgevonden als hij ouder dan dertig zou zijn geweest.

Rond de plaats van het misdrijf had de politie nog niet eerder met zo’n onbeheerst gepleegde moord te maken gehad, en de afwezigheid van andere opmerkelijke slachtingen vormde een aanwijzing dat dit de eerste moord van de man was. De overige details betreffende het voorkomen van de vermoedelijke moordenaar vloeiden logischerwijs voort uit mijn sterke vermoeden dat hij een paranoïde schizofreen was. Zo veronderstelde ik bijvoorbeeld dat de man mager was. Ik baseerde dit op het onderzoek van dr. Ernest Kretchmer in Duitsland en van dr. William Sheldon van de universiteit van Columbia over lichaams- of constitutietypen.

Kretchmer kwam tot de conclusie dat mannen met een tengere lichaamsbouw neigen naar introverte vormen van schizofrenie; Sheldons indeling in categorieën kwam op hetzelfde neer en daarom meende ik dat de moordenaar slank en weinig gespierd zou zijn. Deze theorieën over constitutietypen zijn bij de huidige psychologen uit de gratie geraakt - ze zijn al meer dan vijftig jaar oud. Maar ik heb menigmaal ondervonden dat ze nog aardig kloppen, althans dat ze bij de beeldvorming omtrent de vermoedelijke lichaamsbouw van een psychopatische seriemoordenaar een handje kunnen helpen. Dus meende ik dat het om een magere, tanige man ging. Naar binnen gekeerde schizofrenen eten slecht; ze denken niet of nauwelijks aan behoorlijke maaltijden en slaan ze ook over. Bovendien verwaarlozen ze hun uiterlijk en om hygiëne bekommeren ze zich niet. Niemand wil met zo iemand onder één dak leven, zodat ik aannam dat hij in zijn eentje woonde.

Volgens dezelfde redenering veronderstelde ik dat het bij hem thuis een grote rotzooi zou zijn, en ook dat hij niet in militaire dienst was geweest, aangezien hij geestelijk te onsamenhangend was om te worden goedgekeurd. Verder zou hij geen beroepsopleiding hebben gevolgd, hoewel het mogelijk was dat hij zijn middelbare school wel had afgemaakt voor hij te ver geestelijk achteruit ging. Als hij al werk had, was het een ondergeschikt baantje, conciërge misschien, of papiertjesprikker in een park. Het waarschijnlijkst was dat hij als kluizenaar van een uitkering leefde. Ik vermoedde dat deze moordenaar recentelijk, niet langer dan een jaar geleden, uit een psychiatrische kliniek was ontslagen, en dat hij in die tijd tot een dergelijk gewelddadig gedragsniveau was gegroeid. Russ verspreidde dit profiel bij de diverse politiekorpsen in het gebied, en de mensen gingen op pad om naar verdachte figuren die aan deze beschrijving beantwoordden te zoeken. De volgende achtenveertig uur kwamen er meer details boven water.

Terry Wallin was in overheidsdienst en had een vrije dag gehad. Op die maandagochtend had ze een cheque verzilverd in het winkelcentrum en het vermoeden bestond dat de moordenaar haar daarmee bezig had gezien, waarna hij haar naar huis had gevolgd. Terry’s moeder had haar dochter om half twee opgebeld, maar geen gehoor gekregen. Volgens het bureau van de gerechtelijke lijkschouwer was Terry vóór dat tijdstip vermoord. De leiders van het onderzoek ter plaatse lieten de media weten dat degenen die een man met bloed op zijn overhemd hadden gezien, een speciaal nummer konden bellen.

BLOED IN DE BOX

Op donderdag werd het noordelijk deel van Sacramento andermaal opgeschrikt door een melding van nog meer afgrijselijke moorden. Rond half een die middag had een buurman drie lijken aangetroffen in een huis dat op zestienhonderd meter van de Wallin-moord lag. Vermoord waren de zesendertig jarige Evelyn Miroth, haar zesjarige zoontje Jason en de tweeënvijftigjarige Daniël J. Meredith, een vriend van de familie. Het neefje van Mirtoh, de bijna tweejarige Michael Ferriera, werd vermist en men nam aan dat het kind door de moordenaar was ontvoerd. De drie slachtoffers waren doodgeschoten, maar Evelyn Miroth was op dezelfde wijze als Terry Wallin met een mes opengesneden. De moordenaar was kennelijk in de rode stationcar van Daniel Meredith gevlucht; de auto werd niet ver van de plaats van het misdrijf leeg teruggevonden. Opnieuw viel er geen duidelijk motief voor de moordpartij aan te wijzen. Er was niets uit het huis ontvreemd.

Evelyn Mirtoh was in de buurt kinderoppas geweest en veel kinderen en moeders hadden haar goed gekend. Niemand kon een reden bedenken waarom de moordenaar hen om het leven had gebracht. De mensen waren bang. Deuren gingen op slot en grendel, rolluiken werden gesloten. Er waren mensen die hun auto’s en kleine vrachtwagens vollaadden en de wijk naar elders namen.

Russ Vorpagel belde me op zodra hem het nieuws had bereikt. De tweede moordpartij bevatte nieuwe aanknopingspunten plus een bevestiging van wat we naar onze mening al van de moordenaar afwisten. Op deze tweede plaats van het misdrijf - en wederom werden deze details niet onmiddellijk openbaar gemaakt -waren de man en de jongen doodgeschoten, maar niet gemolesteerd. De moordenaar had Merediths autosleutels en portefeuille meegenomen.

Evelyn Miroth daarentegen was nog vreselijker toegetakeld dan het eerste slachtoffer. Ze was naakt met één schot door het hoofd aan de zijkant van een bed aangetroffen; ze had twee gekruiste sneden in buik, waar lussen van haar ingewanden gedeeltelijk uitstaken. Inwendige organen waren doorgesneden en ze had over haar lichaam een heleboel steekwonden; ook het gezicht en de anale streek waren met een mes bewerkt. Een uitstrijkje van de anus toonde de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid sperma aan. In de box, waar de op bezoek zijnde baby gewoonlijk speelde, lagen een met bloed doordrenkt kussen en een afgevuurde kogel. In het bad met roodgekleurd water trof men hersenweefsel en faecaliën aan. Het leek erop dat ook bloed was gedronken. Van belang was bovendien dat de gestolen stationcar niet ver van het huis was aangetroffen, met halfgeopend portier en de sleutels nog in het contactslot. Van de baby geen spoor, maar afgaand op de hoeveelheid bloed in de box was de politie er zo goed als zeker van dat het kind niet meer leefde.

SLONZIG

Met deze nieuwe gegevens nuanceerde ik liet profiel dat ik een paar dagen eerder had gemaakt. Het werd steeds duidelijker dat er een seksueel verband bestond tussen deze moorden. Het aantal slachtoffers per misdrijf nam toe, evenals de mate van geweld. Ik raakte er steeds meer van overtuigd dat de moordenaar een ernstig gestoorde jongeman was die lopend naar de plaats van het misdrijf was gegaan en dat hij op het punt waar hij de auto had achtergelaten weer lopend was verdwenen nadat hij de auto had achtergelaten. Deze overtuigingen verwerkte ik in het profiel, namelijk dat de vermoedelijke dader ‘ongehuwd is en binnen een straal van één tot anderhalve kilometer van de achtergelaten auto alleen woont’.

Naar mijn mening was de moordenaar geestelijk zo in de war dat hij er niet aan had gedacht zijn spoor uit te wissen en de auto dus dicht in de buurt van zijn woning had achtergelaten. Ik legde meer nadruk op zijn onverzorgde, verwaarloosde uiterlijk en het feit dat men de sporen van zijn slonzig gedrag overal in het huis zou aantreffen. Bovendien vertelde ik Russ dat de man naar mijn mening vóór zijn moordpartijen waarschijnlijk in de buurt zogenaamde ‘fetisj’-inbraken had gepleegd, en dat we zijn misdrijven en problemen tot zijn kinderjaren zouden kunnen terugvoeren als we hem eenmaal te pakken hadden.

Met ‘fetisj’-inbraken bedoelen we diefstallen waarbij het de inbreker meer om dameskleding dan om sieraden of andere dingen van waarde gaat; meestal gebruikt de inbreker ze voor zelfbevredigingsdoeleinden. Met het nieuwe profiel in de hand gingen meer dan vijfenzestig politiemensen op pad en kamden de omgeving binnen de aangegeven straal van ongeveer een kilometer rond de achtergelaten stationcar uit. Het werd een enorme mensenjacht. De politie vond twee mensen die meenden dat ze de rode stationcar in de buurt hadden zien rijden, maar zelfs onder hypnose wisten deze mensen alleen te vertellen dat de bestuurder van de auto een blanke man was geweest.

De meest veelbelovende aanwijzing werd gegeven door een vrouw van achter in de twintig; ze had een jongeman, met wie ze op de middelbare school had gezeten, in het winkelcentrum dichtbij de plaats van de eerste moord gezien, en wel een paar uur voor de moord op Terry Wallin. Ze was onthutst geweest door de aanblik van haar vroegere klasgenoot: verwaarloosd, broodmager, met een bebloed sweatshirt aan, een gelige korst om zijn mond en in de kassen verzonken ogen. Toen hij geprobeerd had haar portier te openen met de bedoeling een praatje met haar aan te knopen, was ze gauw weggereden. Ze had contact met de politie opgenomen toen de mensen in de buurt dringend werd verzocht uit te kijken naar een man met een bebloed overhemd. Ze vertelde de politie dat de man Richard Trenton Chase heette, en dat hij in 1968 met haar in de hoogste klas had gezeten en zijn diploma had behaald. Het was inmiddels zaterdag.

Richard Trenton Chase woonde slechts één straat verwijderd van de achtergelaten stationcar. De politie vatte plaats bij het flatgebouw waar Chase woonde en wachtte tot hij te voorschijn kwam. Op dat moment was hij nog slechts één van zes in aanmerking komende verdachten. Hij nam zijn telefoon niet op als de politie hem belde en in de namiddag besloten de postende rechercheurs een list toe te passen om hem naar buiten te lokken. Ze wisten dat de man in het bezit was van een .22 revolver en dat hij niet bang zou zijn om een ander te doden, zodat ze heel voorzichtig te werk gingen. Eén van de rechercheurs ging zogenaamd opbellen, terwijl een ander goed zichtbaar voor Chase van de voorkant van het flatgebouw wegliep. Kort daarop verscheen Chase op straat met een doos onder zijn arm en wilde hij naar zijn bestelwagen rennen. Zodra hij het op een lopen zette, wisten de rechercheurs dat hij de gezochte man was. Ze renden hem achterna en overmeesterden hem.

Tijdens de worsteling kwam de .22 uit zijn schouderholster te voorschijn. In hun greep probeerde hij weg te moffelen wat hij in zijn achterzak had: de portefeuille van Daniel Meredith. De doos zal vol met bloed besmeurde lappen. De twaalf jaar oude bestelwagen van de verdachte stond bij het flatgebouw en verkeerde in slechte staat; de wagen lag vol oude kranten, bierblikjes, lege melkpakken en vodden. Verder vond men een groot slagersmes, een gesloten gereedschapskist en een paar rubberlaarzen waarop, naar het zich liet aanzien, bloed zat. In zijn flat - één grote rotzooi - vond de politie halsbanden van huisdieren, drie blenders met bloed erin en kranteartikelen over de eerste moord. Op borden in de koelkast lange lichaamsdelen en in een bak zat menselijk hersenweefsel. In een keukenla vonden de agenten verschillende messen die van de vermoorde Terry Wallin waren geweest. Op een kalender aan de muur stond ‘Vandaag’ geschreven, en wel bij de data, eind januari, waarop de moorden op Wallin en Miroth-Meredith waren bedreven.

Op vierenveertig toekomstige dagen van de kalender van 1978 was eveneens ‘Vandaag’ genoteerd. Wilde dat zeggen dat hij in dat jaar nóg vierenveertig moorden wilde plegen? Er kon geen twijfel aan bestaan dat de aangehouden man de gezochte verdachte was. Het feit dat het signalement van Chase zo nauwkeurig overeenkwam met het profiel dat ik samen met Russ Vorpagel had gemaakt, was op twee punten heel bevredigend voor me. Als eerste en belangrijkste punt had het bijgedragen tot de arrestatie van een moordenaar die erg veel geweld gebruikte en zonder twijfel met zijn slachtingen zou zijn doorgegaan indien hij niet zo snel gegrepen was. Ten tweede: aangezien het signalement van de moordenaar zo nauwkeurig met het profiel over-een kwam, bood het ons van de BSU informatie voor de beoordeling van volgende moordzaken en voor het herkennen van de karakteristieke sporen die moordenaars op de plaats van het misdrijf achterlaten.

EEN AARDIGE JONGEN

In de periode na de aanhouding van Chase volgde ik zorgvuldig de nieuwe gegevens die omtrent deze vreemde jongeman aan het licht waren gekomen. Vrijwel onmiddellijk na zijn arrestatie kon men hem met een onopgeloste moord in verband brengen die in december, niet ver van de plaatsen van de twee andere moordpartijen, was gepleegd. Het bleek dat ik me had vergist in de veronderstelling dat Terry Wallin zijn eerste slachtoffer zou zijn geweest. Terry was zijn tweede slachtoffer.

Op 28 december 1977 waren Ambrose Griffin en diens vrouw thuisgekomen van een bezoek aan het winkelcentrum. Ze droegen levensmiddelen van hun auto naar hun woning toen Chase in zijn bestelwagen passeerde. Hij had twee schoten afgevuurd, waarvan er één Griffin dodelijk in de borst trof. Chase voldeed eveneens aan de beschrijving van de onbekend gebleven dader van eerdere ‘fetisj’-inbraken in de buurt, en hij kon als de waarschijnlijke ontvoerder van veel honden en katten worden aangewezen.

In zijn flat werden diverse halsbanden en riemen aangetroffen die overeenkwamen met aangiften van vermissing van aangelijnde honden in de buurt. Naspeuringen met behulp van de politiecomputer leverden nog een voorval op dat medio 1977 in het district Lake Tahoe had plaatsgevonden. Een politieman werkzaam in een reservaat, arresteerde er een man wiens kleren doordrenkt waren met bloed; in de bestelwagen van de man werden vuurwapens aangetroffen, evenals een emmer bloed. De man was Chase. Ze hadden hem toen losgelaten, omda t het om runderbloed ging. Hij had een boete betaald en zich eruit gepraat door te beweren dat hij op konijnen had gejaagd en dat er bloed van de dieren op zijn overhemd was gekomen.

DRACULA

Chase was in 1950 geboren uit ouders die in niet al te beste financiële omstandigheden verkeerden. Chase was altijd een aardig en gewillig kind geweest. Op zijn achtste plaste hij nog in bed, maar daarna ging het beter. Rond zijn twaalfde jaar schenen zijn problemen te zijn begonnen, in de tijd toen zijn ouders thuis voortdurend ruzie hadden. Zijn moeder beschuldigde haar man van ontrouw en drugsgebruik en zei dat hij haar wilde vergiftigen.

Bij latere evaluatie door een groep psychologen en psychiaters van het gezin Chase werd vastgesteld dat de vrouw een typisch voorbeeld was van de moeder van een schizofreen. ‘In hoge mate agressief... vijandig... provocerend.’ De ruzies tussen de ouders gingen wel zo’n tien jaar door, waarna echtscheiding volgde en de vader hertrouwde. Chase had een normaal intelligentiequotiënt - rond de 95 - en in het midden van de jaren zestig was hij op de middelbare school een doorsneeleerling. Hij had vriendinnetjes, maar de relatie met hen werd altijd verbroken als het op meer dan zoenen aankwam en het hem niet mogelijk bleek een erectie te houden.

Psychologen en psychiaters die hem later aan een onderzoek onderwierpen, waren van mening dat de achteruitgang van zijn geestelijke toestand al tijdens zijn tweede leerjaar op de middelbare school was begonnen. Hij was toen ‘opstandig en dwars, zonder enige ambitie en zijn kamer verkeerde altijd in grote wanorde. Hij rookte marihuana en dronk zwaar’. Een vriendin die hem goed had gekend zei dat hij zich met de acidhead types begon op te houden.

In 1965 werd hij wegens het bezit van marihuana aangehouden en moest hij van de kinderrechter een tijdlang als straatveger voor de gemeente werken. Ondanks zijn geestelijke aftakeling slaagde Chase voor zijn eindexamen en in 1969 had hij zelfs enkele maanden achtereen een baantje; het was het enige werk dat hij langer dan een paar dagen heeft gehad. Hij bezocht een junior college, maar kon het leertempo niet volhou.den, of hij was - zoals schoolvrienden later vertelden - niet bestand tegen de stress van het schoolleven. In 1972 werd hij wegens rijden onder invloed in Utah aangehouden. Het schijnt dat dit veel indruk op hem heeft gemaakt, want later vertelde dat hij daarna helemaal met drinken was opgehouden. Maar hij zat al in de neerwaartse spiraal.

In 1973 werd hij aangehouden wegens illegaal wapenbezit, waarbij hij verzet bood tegen zijn arrestatie. Hij was op een feestje van leeftijdgenoten in een flat geweest en terwijl die party in volle gang was, had hij een meisje bij haar borsten gegrepen. Ze hadden hem de deur uitgegooid, maar hij kwam terug en in de daaropvolgende worsteling met een paar jongens om hem aan de politie over te dragen viel er een .22 pistool uit zijn broekband. Het proces-verbaal hield het coulant op ‘wangedrag’, en nadat hij vijftig dollar boete had betaald kwam hij weer op vrije voeten. Het lukte hem niet een vaste baan te krijgen.

In 1976, nadat Chase geprobeerd had konijnebloed in zijn aderen te spuiten, werd hij naar een verpleeghuis gestuurd. In het verpleeghuis was Chase volgens enkele leden van het verplegend personeel een ‘angstaanjagende’ patiënt. Hij beet vogels die hij in het struikgewas ving, levend de kop af en diverse malen werd hij met bloed op zijn gezicht en bovenkleding aangetroffen. In een dagboek beschreef hij het doden van kleine dieren en de smaak van hun bloed. Twee verpleegsters namen vanwege hem ontslag. Onder het personeel stond hij bekend onder de naam Dracula. De medische staf droeg een verpleger op om Chase samen met een andere patiënt op één kamer te plaatsen, maar de verpleger weigerde de opdracht.

Medicijnen schenen Chase wel tot het punt van stabiliteit onder controle te houden, en een psychiater wilde hem als ambulante patiënt de in-richting uit hebben, om ruimte voor andere, ernstiger zieke patiënten te maken. De verpleger herinnerde zich later: ‘Toen we hoorden dat hij (Chase) zou worden ontslagen, hebben we ons daar enorm tegen verzet, maar dat hielp niks.’ Chase werd in 1977 onder de hoede van zijn moeder geplaatst; zij huurde de flat voor hem waar hij uiteindelijk werd gearresteerd. Chase werd ambulant behandeld en ontving een uitkering volgens de arbeidsongeschiktheidswet. Het voorval bij Lake Tahoe vond in augustus 1977 plaats.

De handelingen van Richard Chase vertonen vanaf dat moment tot aan zijn eerste ontdekte moord zo’n duidelijk beeld van een aftakelende geest en een escalerend crimineel gedragspatroon dat we ze wat gedetailleerder zullen beschrijven. In september vermoord-de hij na een ruzie met zijn moeder haar kat. In november pikte hij een hond van de straat op, pakte een paar dagen later de telefoon en sarde de familie die een advertentie had geplaatst met de vraag of iemand de hond ergens had gezien. De politie kreeg nog meer meldingen van verdwenen huisdieren in dezelfde buurt. Op 7 december ging Chase naar een wapenhandel om het .22 pistool te kopen. Hij moest een formulier invullen met de vraag of de koper ooit in een inrichting voor geestesziekten had gezeten en hij bezwoer de verkoper dat dat niet het geval was. Hij kon zijn wapen op 18 december komen halen.

In die tijd liet hij zijn bestelwagen opnieuw registreren en deed nog andere dingen waartoe alleen een normaal denkend iemand in staat is. Uit diverse kranten knipte hij artikelen over een wurger in Los Angeles, en hij kruiste advertenties aan waarin gratis honden werden aangebo-den. Nadat hij op 18 december zijn vuurwapen in de winkel had afge-haald en er een paar dozen munitie bij had gekocht, begon hij zijn wapen te gebruiken. Eerst loste hij een schot op een blinde muur van een huis waar een zekere familie Phares woonde. Een paar dagen later schoot hij door het keukenraam van de familie Polenske; de kogel ging rakelings over het hoofd van mevrouw Polenske die over het aanrecht gebogen stond. Korte tijd later schoot hij tweemaal op meneer Ambrose Griffin, waarbij één kogel de man dodelijk trof. Op 5 januari 1978 kocht Chase een exemplaar van de Sacramento Bee, waarin een redactioneel commentaar stond over de moord op Griffin.

Chase bewaarde het artikel waarin men zijn afschuw over deze zinloze moord uitsprak. Op 10 januari kocht hij nog drie dozen munitie. Zes dagen later stichtte hij brand in een garage om een paar jongelui uit de buurt te verjagen die er naar zijn zin te hard muziek hadden gespeeld. Op 23 januari, de dag van de moord op Terry Wallin, kon de politie het doen en laten van Chase van minuut to minuut reconstrueren. Vroeg in de morgen probeer-de hij een huis in de buurt binnen te dringen, maar hij ging ervandoor toen hij door het keukenraam recht in het gezicht van de bewoonster keek. Hij ging enige tijd op haar patio zitten zonder zich te verroeren, waarop de vrouw de politie belde, maar bij de komst van de politie was hij al weg. Niet lang daarna betrapte een andere huiseigenaar hem op insluiping. Chase nam de benen en de eigenaar rende hem achterna, maar moest het opgeven, waarna hij terugging om te kijken wat de inbreker had gedaan. Chase had een paar waardevolle voorwerpen ontvreemd, op een kinderbed zijn behoefte gedaan en op kleren in een la gepist.

Een uur daarna bevond Chase zich op de parkeerplaats van het winkelcentrum, waar hij de vrouw zag met wie hij op de middelbare school was geweest. Ze herkende hem pas toen hij haar vroeg of ze bij een vroegere vriend van haar, een jongeman die bij een verkeersongeval om het leven was omgekomen, achterop diens motor had gezeten. Ze zei nee en vroeg hem wie hij was. Nadat hij zijn naam had genoemd, probeerde ze hem te ontwijken. Ze zei dat ze naar de bank moest. Hij bleef op haar wachten, volgde haar naar de auto en probeerde aan de passagierskant in te stappen, maar ze sloot het portier van binnen af en reed snel weg. Enkele minuten later liep hij onder de overdekte veranda van het huis bij het winkelcentrum; toen de bewoner hem toeriep dat hij dat beter kon laten, zei Chase dat hij alleen maar een kortere weg wilde nemen naar de straat. Vanaf dat huis drong hij het vrijwel aangrenzende pand van Wallins binnen. Media 1978 werd het lijkje van het vermiste kind gevonden, ook niet ver van de flat waar Chase had gewoond.

SLUW EN SCHULDIG

Het proces begon in januari 1979. De verdediging had willen aanvoeren dat Chase geesteziek was en derhalve niet voor een recht-bank mocht verschijnen, maar de aanklager had gesteld dat Chase ten tijde van zijn misdrijven over genoeg ‘welbewuste sluwheid’ had beschikt, waardoor hij voor zijn daden verantwoordelijk gesteld kon worden. Met andere woorden: men hield hem voor toerekeningsvatbaar. De aanklacht behelsde zes keer moord met voorbedachten rade. De jury had maar enkele uren beraad nodig om Chase op alle zes punten schuldig te bevinden. De rechter stuurde hem naar de dodencel van de San Quentin-gevangenis, in afwachting van de elektrische stoel. lk was het niet eens met deze uitspraak. Chase was heel duidelijk geestelijk gestoord en had de rest van zijn leven behoren door te brengen in een psychiatrische inrichting. In 1979, toen Chase in San Quentin gevangen zat, gingen John Conway en ik hem in zijn dodencel opzoeken.

Conway was in Californië de contactman tussen de FBI en het gevangeniswezen. Het bezoek aan Chase was één van de vreemdste ervaringen die ik ooit heb meegemaakt. Met diverse liften gingen we naar boven en de laatste bracht ons naar death row. Ik hoorde vreemde geluiden, gekreun, en ander bijna onmenselijk lawaai uit de dodencellen komen. We zaten in een kamertje op Chase te wachten en hoorden hem door de gang aankomen. Hij droeg ijzeren enkelboeien die onder het lopen rammelden en had handboeien om die aan een riem om zijn middel vastzaten. Hij kon alleen maar voortschuifelen. Ook zijn voorkomen gaf me een schok. Daar stond een magere, vreemd uitziende jongeman met lang zwart haar, maar vooral zijn ogen joegen me angst aan. Ze leken op de ogen van de haai uit Jaws. Geen pupillen, maar alleen zwarte vlekken. Die boosaardige ogen zouden me nog lang na het onderhoud bijblijven. Hij toonde geen tekenen van agressie, maar ging gewoon passief zitten. In zijn handen hield hij een plastic kopje, waar hij aanvankelijk niets over zei.

Zijn geestestoestand in aanmerking genomen, spraken Chase en ik betrekkelijk ongedwongen met elkaar. Hij gaf zijn moorden toe, maar hij zei dat hij ze had begaan om zijn eigen leven te redden. Hij bereidde hoger beroep voor, vertelde hij, en dat beroep zou gebaseerd zijn op zijn idee dat hij stervende was en moest doden om het bloed te verkrijgen dat hem in leven diende te houden. De bedreiging van zijn leven was vergiftiging via een zeepbakje. Toen ik zei dat ik nog nooit van zeepbakjesvergiftiging had gehoord, lichtte hij me daarover in. Iedereen heeft een zeepbakje, zei hij. Als je het stuk zeep omkeert en de onderkant is droog, dan is er niets aan de hand, maar als de onderkant kleffig is, betekent dat dat je zeepbakjesvergiftiging hebt. Ik vroeg hem wat het gif hem had veroorzaakt, en hij zei dat het je bloed in poeder veranderde; het poeder vreet je lichaam en je energie aan. Hij vertelde me ook dat hij Joodse ouders had, al wist ik dat het niet zo was.

Hij zei dat hij zijn hele leven al door nazi’s was achtervolgd, omdat hij een davidster op zijn voorhoofd had. Hij wilde dat ik goed naar die ster keek. Op zijn voorhoofd was geen spoor van een davidster te bekennen, maar het was niet ondenkbaar dat Chase probeerde me erin te laten lopen, om te kijken hoezeer ik bereid was zijn uitleg te accepteren. Ik zei dat ik mijn bril niet bij me had, maar dat ik hem op zijn woord geloofde dat hij er een op zijn voorhoofd had. De nazi’s, zo vervolgde hij, hadden te maken met UFO’s die voortdurend boven de aarde zweven en van daaruit hadden ze hem langs telepathische weg bevel gegeven om voor de vervanging van zijn bloed te doden. Hij vatte zijn uitleg als volgt samen: ‘Het moet u dus wel heel duidelijk zijn, meneer Ressler, dat ik die moorden uit zelfverdediging heb moeten plegen.’

NIET WELKOM

De belangrijkste mededeling die ik tijdens ons gesprek uit hem loskreeg was misschien wel zijn antwoord op mijn vraag hoe Chase juist de mensen had uitgekozen die hij om het leven had gebracht. Hij had stemmen gehoord die hem hadden bevolen te doden, zodat hij gewoon langs de huizen was gegaan en aan deurknoppen had gevoeld. Als een deur was afgesloten was hij doorgelopen, maar als een deur niet op slot zat, was hij naar binnen gegaan. Ik vroeg hem waarom hij een deur niet geforceerd had wanneer hij ergens binnen wilde. ‘O,’ verklaarde hij, ‘als een deur op slot zit betekent het dat je er niet welkom bent.’

Stelt u zich voor hoe smal de marge is tussen degenen die aan een afgrijselijke moord ontsnapt zijn, en de mensen die onder de handen van Chase een gruwelijke dood moesten sterven. Ten slotte vroeg ik hem waarom hij dat plastic kopje in zijn handen hield. Hij vertelde me dat dit nu juist het bewijs was dat ze hem in de gevangenis wilden vergiftigen. Hij schoof het me toe en ik zag dat er een gelige blubber inzat die ik later kon thuisbrengen als een restje van een macaroni-met-kaas maaltijd uit een pakje. Hij wilde dat ik het meenam om het op het lab van de FBI in Quantico voor hem te laten analyseren. De gegevens die ik uit ons gesprek kon afleiden waren van nut om het standaard-profiel dat we bij de BSU van de ‘gedesorgani-seerde’ moordenaar al aan het samenstellen waren, nader te verifiëren. Dit portret wijkt sterk af van het profiel van wat we de ‘georganiseerde’ moordenaar noemen, iemand die volgens logisch redeneren te werk gaat.

Chase paste in het eerste ‘gedesorganiseerde’ patroon, en wel in veel sterkere mate dan we ooit waren tegengekomen. In dat opzicht was hij een klassiek geval. In San Quentin werd Chase door medegevangenen gepest. Als hij te dicht bij hen in de buurt kwam, zo dreigden ze, zouden ze hem vermoorden, en ze raadden hem aan maar de hand aan zichzelf te slaan. De psychologen en psychiaters van de gevangenis die Chase onder behandeling hadden, brachtten het advies uit dat Chase, aangezien hij ‘chronisch psychotisch, krankzinnig en incompetent’ was, beter naar de gevangenis van Vacaville in Californië kon worden overgeplaatst. Deze gevangenis, bekend als de California Medical Facility van het Amerikaanse gevangeniswezen, biedt onderdak aan crimineel zwaar gestoorden. Met dat oordeel was ik het volkomen eens. Aansluitend bij zijn vraag dat de FBI zou analyseren wat hij in de gevangenis te eten kreeg, schreef Chase inmiddels brieven aan Conway en mij, waarin hij er op aandrong dat hij naar Washington DC werd overgeplaatst om in hoger beroep meer kans te maken. Hij was er zeker van dat de FBI wel zou willen weten dat de UFO’s direct te maken hadden met vliegtuigongelukken en met luchtafweergeschut van het type dat de Iraniërs tegen de Verenigde Staten gebruikten. ‘De FBI kan de UFO’s gemakkelijk per radar opsporen,’ schreef hij me, ‘en dan zullen ze ontdekken dat de UFO’s mij in de gaten houden en sterren zijn die ‘s nachts via een of ander bestuurd soort machine voor fusiereactie oplichten.’

Het was de laatste keer dat ik iets van Chase vernam. Kort na de kerstdagen van 1980 werd Chase dood in zijn cel in Vacaville aangetroffen. Hij had een heleboel kalmerende pillen opgespaard die hij had gekregen om zijn hallucinaties te onderdrukken en die hem tot een handelbare gevangene moesten maken, waarna hij ze allemaal in één keer had ingenomen. Sommige mensen noemden zijn dood zelfmoord, anderen bleven er geloof aan hechten dat Richard Trenton Chase al die pillen had geslikt in een poging de innerlijke stemmen tot zwijgen te brengen die hem tot moord hadden aangezet, en die hem tot zijn dood waren blijven kwellen.

Uit: Robert K. Ressler & Tom Shachtman: ‘De jacht op de seriemoordenaar’, Meulenhoff, 1993.

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234