Duttten in de pakwagenBeeld Stephan Vanfleteren

de hobo's

Treinzwervers Jan Hertoghs en Stephan Vanfleteren (4): In het spoor van Woody Guthrie en Jack Kerouac

Lees ook deel 1deel 2 en deel 3 

Vertrekkend uit Pasco zitten we samen met vier gasten die op terugreis zijn naar Missoula (Montana) en die terugkomen van een muziekfestival in Seattle. De vier zijn eco-warriors, geharde milieu-activisten. Ze organiseren zomerkampen waar je getraind wordt in het barricaderen van wegen en het bezetten van hoge bomen in bosgebieden die met kaalslag bedreigd worden. Ze nemen vaak de vrachttrein en hun beste trip was toen hun wagon bij een vuilstort stopte. Konden ze een sofa in hun pakwagen slepen en vanuit die driepersoonszetel naar het landschap kijken.

De vier milieumusketiers sluiten aan bij een ouwe traditie in de States: al honderd jaar beschouwen allerlei subversievelingen en dito anarchisten de vrachttreinen als hun bondgenoot en schuiloord. Neem Jack London, de schrijver/goudzoeker/socialist die zijn belevenissen als ‘Tramp Royal’ (in de jaren 1890-1895) onweerstaanbaar beschreef in ‘The Road’. Neem Joe Hill, de Zweedse emigrant die in de jaren 1902-1914 als hobo en vakbondsman rondtrok en later werd geëxecuteerd. Neem Woody Guthrie, de man die zijn stem gaf aan de honderdduizenden boxcar-zwervers van de jaren dertig. En neem Jack Kerouac, die in de jaren veertig en vijftig –toen de auto al heel populair was in de States- nog altijd méér van trainriding dan van liften hield.Kerouac was zelf ooit  brakeman bij de Southern Pacific en hij schreef een essay over de The Vanishing American Hobo.

Eco-riderBeeld Stephan Vanfleteren

Volgens de eco-activisten bezit de goederentrein nog altijd diezelfde aantrekkingskracht: ‘Als Amerikanen zich beknot voelen in hun job, of gewrongen zitten met zichzelf of met hun relatie, of op de loop zijn voor politie of gerecht, dan is daar altijd weer die instinctieve reflex om ‘on the road’ te gaan. Dat is een fascinatie die in ons zit. En zo zijn velen op de treinen beginnen te zwerven. En sommigen zijn op die manier helemaal onthecht geraakt van de ‘normale’ maatschappij. Die hebben zich teruggetrokken in die treinen zoals monniken zich terugtrekken in een klooster.’

De trein rijdt nu al enkele uren door The Palouse, glooiend land, prairievelden vol wilde salie, en mijlen van opschietend koren met lange snoeren van telefoonpalen daar waar een weg moet zijn. De zon zakt in een rode schijn achter een roodomrande boerderij en niemand kan me vertellen dat op die boerderij een man naar een lange trein kijkt, in de avond en in het voortrollende veld.

‘Sometimes I feel like a motherless child’

Van het maanverlichte platteland rijden we ineens door het rosse licht van de stad. De graffiti op de oude stapelhuizen, de grillige zigzagbrandtrappen maken Spokane a bit spooky, een indruk die later nog sterker zal worden. Maar op de plaats waar de trein stopt, geurt het gras naar onderhouden tuinen en gaan we in een stille berm liggen slapen. ’s Morgens worden we begroet door een man met een kind op de arm. ‘Hey you guys, you want some breakfast?!’, wat zéker welkom is. Zijn huis staat tweehonderd meter verderop, ‘en hier is de badkamer, hier zijn eieren en toast en meloen, en dit is mijn zoontje Matthew, en ik dacht vanmorgen, wie zijn die zwervers daar, en Jezus zei me dat ik jullie moest helpen, en ik was wel even bang, maar tegelijk wist ik dat Jezus mij altijd en overal zou beschermen. Hij heeft mij al eens gered, ik reed onlangs bijna in een canyon, en de duivel trok aan mijn stuur maar Hij draaide 180 graden terug en Hij heeft mij gered, en Jezus is op de wereld om ook jou, Stephan, en ook jou, Jan, te redden. 

The Zookeper (Spokane)Beeld Jan Hertoghs

Thomas Brosnan is een Born Again Christian. Hij gaat nog een uurtje door met zijn monoloog, geeft ons appels, koekjes en twee Nieuwe Testamenten ‘voor onderweg’. Deze gelovige Thomas is zonder twijfel een geschikte kerel, maar De Dienst Voor Toerisme Naar De Hemel zou haar reisagenten toch mogen leren dat er nog zoiets bestaat als gastvrijheid zonder preekstoel.

Thomas dropt ons in het keurige winkelcentrum van Spokane, maar wij willen naar de skid row waar de missions hun opvanghuizen hebben. Niet ver van het station waar het asfalt barst en de luizenwinkeltjes luizenradio’s en luizenkoelkasten verkopen, ligt Charity House. Vagebonden en drop outs slapen er op afgedankte kerkbanken, rollen morsige sigaretten op het tafelblad en kijken verweesd naar de tv hoog boven hun koppen.

Er is Tony, een Cheyenne-Indiaan die zijn vader hier van de drank komt afhouden. Die vader is onlangs nogal onbeholpen van een goederentrein gesprongen en daarmee zijn been kwijt. Er is Jimmy, die beweert dat hij de eigenaar is van een radiostation. Zijn zendvergunning komt uit de koopjeskrant en kostte zeventien dollar. En er is The Zookeeper, de eerste vrouwelijke tramp die we tegenkomen. Ze heeft zwartberoete vingers met paarse nagellak en neemt ons mee tot om de hoek. Daar zit een klad zuipers bij een caravan, mannen en vrouwen die dronken zijn, het bier gaat in ijskoude flessen naar de lippen, er wordt ruzie gemaakt wiens beurt het is om te betalen, en in dat gedaas en gezwaai met de fles zit één ouwe gehurkt op het voetpad en ik hoor hem heel duidelijk zeggen ‘Sometimes I feel like a motherless child!’ En op dat moment zou een engel moeten verschijnen en zou vioolmuziek alle verkeer moeten stilleggen, maar het gekrakeel van de twintigste eeuw gaat hier gewoon verder.

Drinkebroers nabij Charity HouseBeeld Stephan Vanfleteren

Binnen in Charity House kletst iedereen maar raak, hangt eindeloos sigaretten te bietsen en vraagt altijd weer iemand naar Harry’s en Jerry’s die er niet zijn en die er gisteren ook niet geweest zijn, en uiteraard wordt dit asiel gedreven door een Ierse katholiek, een mensensoort die van huis uit naar drankorgels en geschifte zielen heeft leren luisteren. En ja, zegt hij, wij weigeren niemand. Dronkaards, drugsgebruikers, daklozen, ze mogen allemaal binnen in dit huis van de Vader.

De vetzakken en het slapen in de pyama van een dode

Eén mijl verderop ligt de Union Gospel Mission, eigendom van de Born Again Christians. Een modern gebouw in propere baksteen en met een elektrisch verlicht kruis dat als een vlag uit de gevel steekt. Hier geven we onze rugzak af en schrijven we op een formulier dat we ‘trainrider’ zijn, genoeg bewijs om hier opvang te krijgen. Gelijk is het tijd voor het avondeten. Met de lange rij schuiven we naar het luik in de grote refter, voor een kwak puree, een gehaktbal met sla en een stuk gebak. Ik zeg ‘dank u’ en de man bekijkt me met een gezicht van: zwijgen en eten, de rest van die flauwekul moeten we hier niet.

In de rij was het al stil, aan de tafels wordt nauwelijks nog gesproken, luid is alleen het getik van vorken en messen op plastic borden. Er wordt ook haastig en met gebogen hoofd gegeten, niemand kijkt een ander aan, alsof er schaamte is om hier te moeten verblijven. Ik tel zo’n honderd gasten, oud en jong, naïeve boerenkerels en harde stadsgezichten, verschoten t-shirts en onafscheidelijke camouflagevesten, en tussen al die koppen slechts ééntje die het hoofd rechtop houdt, vrank rondkijkt en zich veerkrachtig door de zaal beweegt. Hij lijkt op James Dean, a rebel without a house.

In minder dan een halfuur tijd is er gegeten en afgeruimd. Overal hangen verbodsborden. Wie betrapt wordt op binnenshuis roken mag negentig dagen niet meer binnen. Wie betrapt wordt op drinken, loopt kans om nooit meer binnen te mogen. Nieuwkomers mogen zich “ten allen tijde” verwachten aan een ademtest en wie alcohol in het bloed heeft, komt er gewoon niet in.

In de ontspanningsruimte is er een tv en zijn er stichtende boeken met titels als If I don’t have Jesus, I am still homeless! Er is ook een folder How to get out of prison, waarin uitgelegd wordt dat je best uit de gevangenis kan blijven door er niet in te gaan. Blijkbaar heeft een donateur ook een stapel puzzels geschonken. Een boom van een vent, combat boots en legervest, zit verwoed The Golden Gate Bridge (12OO pieces) in elkaar te duwen. Puzzelen moet wel het geschikte tijdverdrijf zijn voor al wie zijn leven aan stukken heeft zien vallen.

De meeste gasten hier zijn down and out: werk kwijt, geld kwijt, vrouw kwijt. En dus ook, pas ontslagen uit de gevangenis, pas gestopt met drinken, pas opgehouden met drugs gebruiken.

Dutten in de pakwagenBeeld Jan Hertoghs

Er wordt geroepen dat het tijd is voor the chapel, het verplichte gospel-uurtje, in zwerverskringen the earbanger (=klap om de oren) genoemd. We betreden een sobere ruimte en nemen met honderd man plaats op de lichtmetalen zitjes voor het spreekgestoelte. Bij de ingang en bij de Amerikaanse vlag staan twee opzichters die straks met porren zullen voorkomen dat iemand knikkebolt. Twee gemeen kijkende vetzakken zijn het die kauwgum kauwend tegen de muur leunen, met een veel te groot horloge om hun pols en veel te dikke zaklamp aan hun broeksriem.

De voorganger vraagt om het hoofd te buigen voor een gebed en dankt God voor de dag ‘die voor sommigen onder ons ongetwijfeld moeilijk is geweest.’ Dan komen twee opgewekte mannen en vrouwen op de verhoging staan, het gospelkoor, blank en rozig als marsepein. Ze kénnen hun rabauwenpubliek want ze treden dagelijks op in missions en gaan weken aan een stuk op tournee langs de armoebarakken van de States. Uncle Roy, een fidele kerel met bretellen en ruitjeshemd is de singer-songwriter van vanavond en hij begeleidt op de gitaar songs als ‘Victory in Jesus’, ‘I am a fool for Jesus’ en ten slotte ‘Mama’s Bible’, een weemoedig lied over een mama die altijd is blijven bidden voor een weggelopen zoon, en aan de stilte in de zaal is te merken hoe Uncle Roy meer dan zes gevoelige snaren raakt. Ik kijk naar de lange rijen links en rechts van mij, de moede hoofden, de hoofden in handen, de handen vol rimpels, de vingers dik van ooit hard werken. En dan komt de onvermijdelijke ‘man van het woord’, een slijmjurk met een dunne snor die vraagt of iemand van ons ‘al eens verdwaald is?’ Je voelt ‘m als een overzetboot aankomen, dat wordt de parabel van De Verloren Zoon. En dan is het uur om, het koortje zingt nog een suikeren versie van ‘Amazing Grace’, wenst ons nog vriendelijk goeienacht, en dan moeten we weer voorbij de twee opzichters, en hoe frettig ze naar ons kijken. Walt Disney, dit zijn uw schurken.

Daarna is het tijd voor het stortbad. In groepen van dertig de zaal in, naar een loket, aanschuiven, nummer van je bed zeggen, 134, een gele plastic krat krijgen, je uitkleden, je hélemaal uitkleden, al je bezittingen in een krat stoppen, aanschuiven, krat afgeven, en dan een bundel in ontvangst nemen, één handdoek en één pyjama, in het stortbad gaan, met zijn twaalven in het grote stortbad gaan, zeep uit het bakje nemen en je wassen. En terwijl het water stoomt en stroomt, zie ik al dat arme bloot, de slechte voeten en kromme knieën, de aderspatten, de slappe buiken, de magere ribbenkasten, al die schamele kloten die ten slotte uit het bad stappen, zich afdrogen en een pyjama aantrekken. Mijn pyama heeft lichtblauwe strepen, mijn pyamabroek is van een ander blauw met een naam erin genaaid (Oise Rosinsky). M’n buurman grijnst: ‘Yeah, man! Wearing a dead man’s pyjamas!’ En zo voelt het ook.

In het halletje naast het stortbad zitten nog drie mannen te kijken naar een zwart-wit tv met een hoestend beeld. In hun sjofele pyjama’s lijken ze zo weggelopen uit ‘One flew over the cuckoo’s nest’, maar ik zie geen Jack Nicholson die hier drank binnensmokkelt en geen Indiaanse Broeder die hier de waterfontein door het raam keilt om te kunnen ontsnappen. Uiteindelijk heeft iedereen zélf gevraagd om hier te worden opgevangen in de elastieken broeken van de liefdadigheid.

Om kwart voor zes schiet het licht aan in de slaapzaal van de Union Gospel Mission... up you guys! Binnen de minuut is de slaapzaal uit de veren, iedereen rechtdoor naar de waszaal, iedereen zijn pyama uit, en zoals gisteren staan we hier opnieuw naakt en in een rij voor het loket. Nummer? 134! En dan pas krijg je de krat met je eigen kleren terug. Zogezegd uit voorzorg dat niemand luizen, messen of drugs in de slaapzaal binnenbrengt. Het is de stijl van het prison, alles moeten afgeven tot de laatste draad aan je lijf, dat is een stràf.

Na het ontbijt (havermout, stroop, toast en een beker koffie) is het vanaf kwart na zes check out time. We stappen de deur uit, en een logé vraagt grijnzend waarom we zo rap weg zijn. You fuckin’ Born To Run Christians!

Joleen is thuis weggelopen

Op vijfhonderd meter van de mission is de spoorweg en bij een paar geblakerde stenen roosteren drie Mexicanen een pot koffie. Ze kloppen op hun borstzak, hier zitten hun papiéren, ze zijn legaal in Amerika. Dus niemand mag hun alien noemen, integendeel, ze zijn born in the USA! De drie zijn onderweg naar de appelboomgaarden van Wenatchee waar ze de komende weken kilometers en kilometers bomen gaan ‘uitdunnen’. It’s The Big Apple lachen ze en het verdient vijf dollar per uur.  

De drie willen de nacht afwachten om een trein naar Seattle te nemen, ‘overdag patrouilleren er teveel bulls’. Wij willen zolang niet wachten en stappen nu richting rangeerstation. Daar zit Joleen, gehurkt onder een donkere brug. Ze is achttien en al drie jaar ‘on the road’. Het is haar beste dag niet vandaag. Ze komt van Seattle, ze gaat naar Minneapolis en ze is haar twee vrienden kwijtgespeeld bij het vertrek. Toen zij met haar hond op een rijdende boxcar was geklommen, zag ze de twee anderen niet meer, en ook in Spokane kwamen ze niet opdagen uit een andere wagon.  

JoleenBeeld Stephan Vanfleteren

Zoals ze op haar rugzak zit, ineengedoken onder haar te grote jas en United Parcels-petje, ziet ze er heel jong, a runaway kid. Toen ze twaalf was, liep ze een eerste keer weg van thuis. Haar moeder ‘wilde haar nooit meer zien’. Na een paar weken was ze teruggekeerd, maar op haar vijftiende is ze definitief weggelopen. De eerste weken had ze gelift, maar wegens ‘too many perverts’ is ze op de treinen beginnen rijden, doorheen de States. Ze vertelt hoe ze in El Paso in een grote dumpster van een supermarkt was gekropen om te slapen, en ‘s morgens werd ze wakker van geroep en van het gevoel dat ze werd opgetild: ‘had die man vanuit dat appartement niet keihard naar die bestuurder geroepen, dan had die vuilniswagen mij kapot gemalen.’ Ze lacht als ze het vertelt.

De eerste goederentrein komt eraan, een hotshot, een express voor lange afstanden, die wil ze hebben. De trein heeft alleen maar platte wagens met opliggers van trucks en Joleen loopt de berm af, te snel voor de hond die zich schrap zet en op zijn stijve poten trekt ze hem de berm af, ze loopt naast de trein, die vaart mindert, ze heeft haar hond op de arm en met haar andere hand grijpt ze naar een ladder, twee-drie keer grijpt ze ernaast, de trein rijdt te snel, we zien de angst in haar ogen, ze moét die trein hebben, en we pakken de hond over, en dan remt de trein af en kan ze op een ladder klimmen, we geven de hond in haar armen, en ze rijdt weg, verstopt achter de brede wielen van een vrachtwagen, dat goeie kind in haar veel te grote jas.

Tussen het lange buntgras liggen we nu, en de krekels moeten sjirpen van ons, vanwege de halm tussen onze lippen en omdat we hier zo heerlijk in een hinderlaag liggen: de trein zien we vanop één kilometer aankomen en hier moet hij voor rood stoppen, dat is instappen en wegwezen. Maar als we uiteindelijk een geschikte westbound zien en de berm afrennen, stopt er ineens een jeep op het pad, ‘Hi, you guys! Zinnens om op die trein te springen? Dan eerst de papieren graag! Railroad police!

Naam, adres, lichaamslengte, gewicht, kleur van de ogen wordt genoteerd en onze verklaring dat we echt niet wisten dat zulke treinreizen verboden zijn. De agenten knikken en zeggen dat het gevaarlijk is, en dat ze ons geen tweede keer willen zien, want dan arresteren ze ons. Gemaakt teleurgesteld druipen we af, om het een uurtje later weer te proberen, en shit!, de politie staat er opnieuw en die ene agent steekt twee vingers op (tweede keer!), en om niet gearresteerd te worden (met 325 dollar boete!) lopen we snel de andere kant uit. Dat wordt dus de nacht afwachten en een omtrekkende beweging van vier kilometer maken langs loodsen en magazijnen, langs lege fabrieksterreinen en doodlopende grintwegen die ons nog meer omweg doen maken.

De ‘wachtzaal’ voor een westbound trainBeeld Jan Hertoghs

De grote controletoren steekt dan ook nog eens zijn schijnwerpers aan, dat licht valt vlakbij, we moeten opnieuw achteruit. Tot waar we in donker gras kunnen liggen, met de rugzak op de rug en de handen klaar in de handschoenen, maar er komt geen trein.

Als we naar een berm met hoger gras sluipen, horen we links van ons zacht fluiten, vier keer na mekaar, dat moet al bijna Winnetou zijn, maar het zijn de Mexicanen van vanmorgen. Hi, brothers zeggen ze en er volgt een hartelijk maar gedempt weerzien in hun schuilplaats, een kuil achter een berg zand. Daar zitten we nu met zijn vijven, nabij de sissende wolken van de stationair draaiende rangeerlocomotieven. De volle maan komt op en in dat licht knielen de silhouetten van de drie latino’s, hun hand op hun bagage, klaar om overeind te springen naar de rails. Guy Clark zong het al: like desperados waiting for a train.

Het is wachten op de koplamp in de nacht, en anderhalf uur later zwenkt hij op onze baan. De trein stopt voor het sein en blokkeert met zijn vijf meter hoge wagons het licht van de controletoren; het is een hotshot, die blijft hier hoogstens drie minuten staan! Alle wagons hebben containers, we klimmen op een forty-eighter, een wagon voor een 48-voet container, maar slechts geladen met een 40-voeter, dus is er aan beide kanten een ‘kuip’ van vier voet breed voor een verstekeling. We leggen onze slaapzak en hopen dat die container goed vergrendeld zit op zijn stalen ankers, als dat ding gaat shiften zijn we corned beef.  

VOLGENDE WEEK: Een Vietnamveteraan zoekt de jungle van de spoorwegen op

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234