‘Veel van de oudere hobo’s zijn Vietnamveteranen’Beeld Stephan Vanfleteren

hobo's

Treinzwervers Jan Hertoghs en Stephan Vanfleteren (slot): Hoe een Vietnamveteraan de jungle van de spoorwegen opzoekt

Lees ook deel 1deel 2deel 3 en deel 4.

‘s Avonds zitten we op de veranda van St Martin de Porres, een opvanghuis waar treinzwervers ook onderdak kunnen vinden. Daaronder de pezige Hawkshadow, een vijftiger die al achtentwintig jaar hobo is. Hij is een Vietnamveteraan, en als ik alleen maar onhandig kan vragen hoé Vietnam was voor hem, herhaalt hij die zin ijzig traag. ‘How was Vietnam?’ En dan wijzend op Stephan ‘It was like your buddy been blown up in 40 pieces. That was how it was.’  Ik zwijg, hij blijft me aankijken. ‘Op tien treinzwervers van boven de 45 hebben er àcht in Vietnam gezeten. Allemaal gasten die hun draai niet meer vinden in deze maatschappij. Ze leven nog wel, maar voor de maatschappij hebben ze zich afgeschreven. Zij beschouwen zich als ‘vermist’. Omdat ze weten dat ze nooit meer kunnen zijn wie ze vroeger waren. T’hey are alive but they are shot down, emotionally shot down.’

Hawkshadow was achttien toen hij vertrok. Hij heeft voor de intelligence gewerkt: ‘Ondervragen van gevangenen en zo. Ja we hebben die goons een hard lesje geleerd. Als ze niks wilden zeggen, namen we ze mee in de helicopter en dan vlogen we ermee tot op driehonderd voet en dan trokken we de deur open. Als ze dan nog niet wilden praten, dan pikten we d’r eentje uit en dan schopten we die de deur uit, dan wilden de anderen ineens wel praten. Je moést dat doen, als je zag wat zij deden, de genitaliën van je dooie makker afsnijden en die ballen en die penis in zijn mond stoppen.’ Hij kijkt naar de donkere spoorwegbrug: ‘Het kan je ineens overvallen, zo’n flashback, je hoeft maar op een onbekend terrein te komen en ineens het duister te voelen en wapp! je bent weer in Vietnam.’

Waarom wagen al die Vietnamveteranen zich dan in die verlaten en sombere rangeerstations waar wagons verraderlijk komen aangeslopen, het lijkt alsof ze zich niet aan 'de jungle' kunnen onttrekken en ze het gevaar blíjven opzoeken? Je zoekt het gevaar en de dood niet op, zegt Hawkshadow, je wil gewoon voelen dat je nog lééft nadat je zoveel dood hebt gezien. En dat gevoel vind je niet als arbeider in een dooie fabriek of als bediende achter een dooie computer. Dat gevoel vind je alleen op hàrde plaatsen waar je de kick van het overléven voelt. Vandaar dat je zoveel veteranen op de treinen en in de uitgestrekte wouden van de Rocky Mountains vindt. Dat zijn harde plaatsen. En het zijn ook plaatsen waar we ons niks meer moeten aantrekken van de regels van de maatschappij. Dat hebben we nodig, we moeten kunnen leven volgens onze éigen regels. Die maatschappij heeft ons naar de oorlog gestuurd, die maatschappij heeft onze kop ziek gemaakt met dood en met vernieling, wel, dan moeten wij nadien ergens kunnen leven waar de maatschappij geen greep meer op ons heeft en waar wij de omstandigheden zelf onder controle hebben.’

De trein die naar huisafval en zure melkkartons smaakt

Een trein vinden die uit Seattle rijdt, is geen sinecure. De spoorwegemplacementen zijn immens, met kilometers wagons, sommige met kostbare ladingen, zoals vliegtuigonderdelen van Boeing. Daarom zijn er zoveel jeeps met agenten die hun koplampen op de treinwagons richten, de hele trein wordt uitgelicht om te zien of er geen verstekelingen aan boord zitten. Het is overal wegduiken en dekking zoeken achter wagons, dan weer honderd meter gebukt lopen over duizenden scherpe stenen, en weer hijgend in dekking gaan, en weer lopen, hossend onder onze rugzakken. We zijn zo kapot dat we alleen nog maar in een greppel kunnen vallen en blijven liggen.

Om zes uur ‘s morgens moeten we noodzakelijkerwijs opnieuw de bus naar downtown Seattle nemen, en zo verder naar de randstad Tacoma. Het zien van zoveel spitsuurverkeer in de vroege morgen is al misselijkmakend, maar dan begint die ouwe fokker tegenover mij ook nog eens te zeggen dat de slapende vrouw naast hem zijn nieuwe vrouw is, en dat zijn vorig huwelijksleven een ramp was, en zo voort en zo verder. Zes uur ‘s morgens en ze zijn daar al met hun ongevraagde talkshow! Dat ze Oprah Winfrey roepen maar dat ze mij gerust laten!

In Tacoma schrokken we haastig ons ontbijt op omdat we vanuit het eethuis heel de tijd locomotieven en wagons door het rangeerstation zien schuiven. We verstoppen ons in een leegstaande boxcar: vandaar zullen we de binnenkomende treinen goed kunnen zien en als ééntje de goeie richting uitrijdt, zijn we weg.

Uren kijken we door een kier naar iedere beweging op de spoorbaan tot onze ogen pijn doen en de hitte begint te draaien boven de rails, en we onszelf voelen verdorren in de hete wagon, alles is stof en droogte, de losse kalk op de vloer kruipt met iedere beweging in ons vel en in onze kleren. Na élf uur wachten zien we eindelijk één superlange trein die de yard UIT rijdt. Met veel moeite halen we ‘m in, gooien onze bagage op een lege boxcar, springen er zelf in en yeehaw, we zijn wég!, maar na honderd meter door Tacoma rijdt de trein achterwaarts terug. Ook dit was maar om te rangeren, sukkels! Tom Petty wist het al: the waiting is the hardest part!

Een uur later is het toch zover. Een trein met wel honderd wagons en dubbel gestapelde containers houdt stil voor het rode licht. De trein stinkt en dat is goed nieuws, want we moeten de ‘vuilnistrein’ naar Vancouver (Washington) hébben. Toch twijfelen we nog. Niet omwille van de stank, dan wel omdat de zitplaats er onveilig uitziet. Je zit op een benepen roostertrapje van de containerbak, meer plaats is er niet en er is geen leuning om je vast te houden. Maar we wagen het erop, vier à vijf uur op ‘de bok’ van zo’n container, dat moet lukken. En eindelijk, na negentien uur wachten zijn we nu toch wég!

De trein volgt de grillige inhammen van de Stille Oceaan met de besneeuwde Mount Rainier in de verte. Hij schuift langs kleine valleien met grasland waarop het nu zachtjes is beginnen regenen, en die geur van nat gras is om diep in te ademen, maar is doortrokken van de 3000 ton huisafval achter ons, een sleep van zure melkkartons en rotte etensresten. Bàng! Een steen knalt tegen de container voor ons, drie jongens die met stenen naar de voorbijschietende trein gooien. Er zijn al hobo’s doodgegooid door stenen die met de snelheid van de trein hun kop raakten. Maar de trein raast voort, de wielen malen onder ons, en, boven ons worden de sterren ontstoken en in de huizen naast de spoorweg branden lichten in de kamers van kinderen, een stapelbed en Mickey Mouse op een behang. Onze koppen knikkebollen, we zien ons al slapend van de trein vallen, en met een riem van de rugzak binden we ons vast aan een stang van de wagon. En zo zitten we te dommelen op deze trein, met gekruiste armen en de jaskappen diep over het hoofd, vermoeide voermannen van deze lange donkere stagecoach.

Zittend op de 'bok' van de garbage treinBeeld Stephan Vanfleteren

De jaren dertig: toen er 3 miljoen hobo’s waren

In de jaren dertig, de jaren van de Grote Depressie die volgden op de Wall Street crash van 1929 waren er naar schatting drie miljoen hobo’s. Meest mannen die werk zochten, maar ook hele families, vaders, moeders, kinderen die met hun hebben en houden een uitweg uit de armoede zochten. Mensen kropen met tientallen in lege boxcars, reden mee op de treeplanken, hielden zich staande op de buffers, lagen bovenop het dak of met hun buik op de rods (= de ijzeren ‘grid’ tussen de wielen van een goederenwagon). Een goederentrein met driehonderd hobo’s was geen zeldzaamheid in die tijd, en in elke plaats waar de trein stopte, liep men de straten in om eten te bedelen. De hobo jungles  (=kampementen in de buurt van stations) waren transitplaatsen voor al die gelukzoekers: er werd koffie en stew gedeeld, je kwam te weten waar werk was of waar soep werd bedeeld en je was er enigszins beschut tegen hardhandige spoorwegagenten (maar minder tegen stelende medezwervers). In Chicago was er een hele hobo-wijk met circa 50.000 ‘inwoners’ en met zelfs een hobo-college waar de ongeschoren studenten zowel les kregen in de geschiedenis van het oude Rome als in overlevingstechnieken op de ijzeren weg. Hobo’s waren in die jaren geen willekeurige drifters, vaak maakten ze deel uit van de radikaalrooie Industrial Workers of the World (de ‘Wobblies’), ze hadden een heel eigen woordenschat en eigen liederen.                 

Hobo gezin tijdens de recessie in de jaren '30 van de vorige eeuw.Beeld web

Getuigen uit die tijd vinden we in Vancouver, in een rusthuis dat gerund wordt door de US Army. Het home is van verre al herkenbaar aan het gemillimeterde gras en de kaarsrechte barakken. Een behulpzame vrouwelijke officier heeft binnen het half uur vijf ex-hobo’s uit hun kamer getrommeld. Met wandelstok, looprek en rolstoel komen ze aanharken: Dick (81), George (82) , Ernest (78), Ed (70) en Raymond (88).

Ed «Er was bijna geen eten en mijn vader kwam vaak dronken thuis en dan sloeg hij mijn moeder. Op een dag kon ik het niet meer aanzien en ben ik boven op hem gesprongen en heb ik hem geslagen. Van schrik dat ik dat gedaan heb, ben ik gaan lopen en ben ik op een trein gesprongen. Ik was nog maar dértien jaar. Ik had niks mee, alleen maar mijn kleren en een deken.»

Dick «Wij waren met twaalf kinderen thuis en in de winter is het gruwelijk koud in Minnesota. Daar wil je gewoon weg als het zo koud is. Ik was ook maar dertien jaar toen ik vertrok. In het westen kon ik op een boerderij erwten plukken. Verdiende 13 cent per dag. En ‘s nachts sliep ik in een hooischuur.»

Ed «Ik heb ook altijd in schuren, onder bruggen en in boxcars geslapen. En als ik kou kreeg, heb ik gedaan wat andere hobo’s deden, wij pikten kleren en dekens van de waslijnen. Eigenlijk was dat geen stelen, als je bijna dood ging van de kou. Zelf moest je ook al je kleren aanhouden als je sliep, want anders werden ze ook gejat.»

Dick «Mijn ouders vonden het niet erg dat ik weg was, ze hadden nog élf andere kinderen om voor te zorgen. Je liép ook niet weg van huis, nee, je ging gewoon een tijdje weg om het je ouders wat makkelijker te maken. Hadden ze een mond minder die ze eten moesten geven.»

Ed «En dan kwam je na een paar maanden terug thuis en dan vroegen je vader en je moeder, waar heb je gezeten, en dan zei je waar je geweest was, en dat was het dan.»

George «Ik pakte de trein meestal bij de watertoren, daar moesten alle stoomlocomotieven stoppen om water te nemen.»

Dick «Wij kropen meestal op de tender achter de locomotief. Daar lag je tussen het vuil van de kolen, maar daar was het ook warm, zo vlak achter de hete adem van de locomotief. Als machinisten wisten dat je achter die berg kolen zat, dan lapten ze soms gemene dingen, ze tankten water aan de watertoren en terwijl het water nog uit de hoos stroomde vertrokken ze. Zodat wij een grote gulp water over ons kregen. In de winter was dat vreselijk.»

George «Het was ook gevaarlijk in de tunnels. Eén keer reden we door een tunnel van acht kilometer. In onze wagon zat een vent met astma, en maar hoesten en hoesten. Aan de andere kant van de tunnel was hij dood. De politie is zijn lijk van de trein komen halen.»

Ed «Qua eten leerde je je plan trekken. Je haalde bij de slager wat botten en restjes vlees, een ander bietste wat aardappelen of ajuinen bij een boer, je gooide het allemaal in een emmer met water en zout, je zette alles op het vuur en dan had je de beste hobo stew die er was.»

Dick «De grootste schrik was de spoorwegpolitie; Die bulls hadden grote zaklampen en ze schenen in de boxcars en zo sleurden ze iedereen eruit. Ze sloegen je met hun baseballknuppels. Of met hun ploertendoder. Ze sloegen op je knieën en op je billen, boy!, dat deed pijn.»

George «Of ze stampten je de trein af, dat was in november in Montana. We lagen met zijn achten in een boxcar te bibberen van de kou en de ‘bull’ stampte alleman eraf, gewoon, plof in de sneeuw. Je wist dat het altijd kon gebeuren. Als je ging slapen, deed je je schoenen uit, maar je bond ze altijd met de veters rond je nek.Als ze je dan ‘s nachts van de trein smeten, dan had je tenminste je schoenen nog.»

Dick «En schoenen moest je hebben, want mij hebben ze een keer in North Dakota van de trein gegooid. Tweeënhalve dag heb ik moeten stappen eer ik opnieuw aan een station kwam. Om te eten klopte ik aan bij boerderijen en dan mocht ik mee aan tafel. Niemand vond het vreemd dat er een kind van dertien aan de deur stond en dat het om eten vroeg. De mensen hadden er al zovéél gezien.»

SixpackBeeld Stephan Vanfleteren

De film met de Goeie en de Slechte

In de Southern Pacific yard van Portland zullen we vandaag een van onze laatste treinen nemen. De locatie is uniek want naast het rangeerstation ligt de felgroene pelouse van een golfterrein en daar slaan executieve Amerikanen en Japanners hun hagelwitte ballen. Pok! Pok! ... een perfecte soundtrack als je met je hoofd op je armen in het gras ligt. Tweehonderd meter verderop zitten nog twee zwervers op een trein te wachten, een blanke en een zwarte die luid discussiëren over wie nu bier moet gaan halen. We halen dan maar zelf een paar kouwe blikken en maken kennis met Sixpack en Good Time Charlie. Het zijn twee namen voor een film en ook twee koppen voor een film. 

SIXPACK (De Slechte): Heeft van zijn achttiende tot zijn eenendertigste in de gevangenis gezeten. Is nu al sinds een jaar on the run. Gebruikte vroeger heroine, nu amfetamines, hasj en alcohol. Biker en lid van de Bandido’s. Sterk en gespierd ('ik heb in de gevangenis elke morgen 400 push ups gedaan'.)

GOOD TIME CHARLIE (De Goeie): Ex-para-commando. Houdt van treinen. Houdt van vogels. Houdt van mensen. Eerder timide. Drinkt. Drinkt veel. Om te vergeten. Ze heet Renée zegt hij, mijn dochter, mijn enig kind, ze is zeventien en ze is knap, blond haar, bruine ogen,  I love her, I miss her. Honderd keer zal hij het nog zeggen. Op steeds diezelfde zachte verdrietige toon. I miss her, I miss her so much! En dat hij haar vijf jaar niet meer gezien heeft, en dat hij haar zo graag ziet, en dat hij haar nu niet meer ziet, en tranen in zijn ogen, van het vele drinken en van die vijf jaar verdriet. En Good Time Charlie zegt dat hij elke avond bidt. Jezus, bescherm mijn dochter. Jezus, bescherm mijn dochter. En dat hij op de treinen rijdt omdat hij zoveel vragen heeft. Eerste vraag. Wat Is Liefde? Tweede vraag. Waarom gaan mensen die van mekaar houden toch van mekaar weg ? Derde vraag...Sixpack arriveert met een sixpack, haakt een blik los, zet het aan de lippen, boert los door Charlie’s monoloog en zegt dat het tijd is om op te stappen, hij heeft een boxcar voor ons. Wij pakken onze bagage. Good Time Charlie komt niet overeind. Sixpack zegt: opschieten. Good Time Charlie zingt zachtjes ‘My brown-eyed girl’ . Sixpack zegt, we gaan. Maar Charlie gaat niet. En in de wagon en na een half uur wachten is Charlie er nog niet. ‘I’m gonna rescue him,’ zegt Sixpack. Na een kwartier komen beide aangestapt. De Goeie en de Slechte. De Sixpack van de bandana en de tatouages, dé Sixpack van de gevangenissen en de motorbendes en de drugs, dé Sixpack die ‘Shut up!’ snauwt als Charlie over zijn dochter begint, dié Sixpack drààgt de bagage van Charlie. Alle vodden, alle zakken, alle plastic rommel van goedzak Charlie die schaapachtig achter hem aan loopt.  The brotherhood of the road is het, en dat is niet de vriendschap van jaren, maar de kameraadschap zolang het duurt. Want morgen zal Sixpack hem misschien uit de wagon schoppen omdat hij dat gezever over die dochter beu is, maar nu is het nog ‘He ain’t heavy, he’s my brother’. En Sixpack is kwààd omdat het zijn manier is om ongerust te zijn.’ ‘Die rotzak lag daar op de spoorwegberm. Met zijn stomme kop op een halve meter van de spoorstaven. Klaar om in spijs gereden te worden, die dwaze kloot was bijna dood!’ Charlie schudt heftig van nee, dat hij geen dommekloot is, dat hij gewoon aan het kijken was op welk spoor onze trein kwam. In de pakwagen zal Charlie blijven rondscharrelen, dat hij nog een deken heeft voor Sixpack, hier is het Sixpack, en je bent mijn vriend Sixpack, en Sixpack zit op zijn gat en rookt een sigaret en zegt’ ‘Shut up, Charlie. I am not listening, Charlie’ En zo zijn die twee met mekaar ‘in gesprek’ gewikkeld tot ze in slaap vallen, ieder in zijn uithoek van de boxcar. 

HaroldBeeld Stephan Vanfleteren

Harold de zalmvisser, en het afscheid aan de trein

En in plaats van vier uur doet deze trein der traagheid er acht uur over om ter bestemming te geraken en dan moeten we nog één keer overstappen. En omdat we de trein naar het zuiden  al klaar zien staan, springen we uit de trager rijdende trein, het is tussen springen en vallen op de scherpe stenen van het ballast, en de rugzakken liggen twintig meter terug, die hadden we eerst gegooid en dan is het rennen naar de nieuwe trein en een lege pakwagen is snel gevonden, en in een andere trein op een ander spoor heb ik gewatteerde kartons zien liggen waarop je heerlijk kan slapen, en ik waag het erop, maar ik geraak er niet, ik moet terug, want ik hoor de remmen loskomen op onze trein, téken dat hij vertrekt, en Stephan roept, ik hoor hem in de donkere runway tussen de twee treinen, ik moet nog twintig wagons lopen, dat is driehonderd meter, en vanaf het vertrek van de trein heb je nog één minuut om erop te springen, daarna rijdt hij te snel, en dan zie ik hoe Stephan ergens zijn arm uit een wagon steekt, sprintje tot bij zijn wagon, deurgrendel vastgrijpen, benen in de lucht zwaaien en met een fijne swing land ik in de rijdende pakwagen, geheel volgens het avonturenboekje. 

Eigenlijk heeft het iets macho, dat op de treinen springen en klimmen, dat optrekken aan die ijzeren grepen, die grip te voelen met je leren handschoenen, die ladder te voelen met je hoge stugge schoenen en die ijzeren vloer te voelen onder je ruwe spijkerbroek. En tegelijk is er dat gevoel kwetsbaar te zijn, je hebt wel greep op die trein, maar één onverhoedse schok van die machine en je ligt onder de wielen. Je bent maar een flinter mensenvlees tegenover die stalen reus van vijftienhonderd meter lang en vierduizend ton zwaar.

Maar eens je in die boxcar zit en de trein zijn kboem kboem ritme heeft gevonden, is het alsof je thuis zit, en je zou bijna een haardvuur gaan ontsteken in die wagon met alle verhalen die dan beginnen los te komen. Zoals met Harold die we in Klamath Falls tegenkwamen. Hij was vijfentwintig, had nooit eerder op een vrachttrein gereden, had nauwelijks bagage bij zich, een jas en twee dekens, maar hij had wel duizenden kilometers achter de rug, want hij kwam van Texas en hij was helemaal onderweg naar Alaska, een ‘killer trip’ van 8300 km. Voor de kust van Alaska ging hij drie maand op de zalmschepen werken. Harold wist hoegenaamd niks van zalm en zalmvissen, hij had gewoon de foto’s gezien in een magazine, en die waren fantastisch, en hij was vertrokken om 5OOO dollar per maand te verdienen en zestien uren per dag te werken, en hij had de blinkende pagina’s nog bij waarop het allemaal stond. En ik had die zwarte Harold van het gloeiende zuiden wel eens willen zien in het ijskoude tempeesten van de Bering Zee, maar hij zei dat het best wel zou lukken, daar bij de noordpool. 

Jumping a boxcarBeeld Stephan Vanfleteren

Zo leggen we onze laatste tweehonderd kilometer af. Om alles nog één keer diep in ons op te nemen blijven we in de deur van de pakwagen staan tot het buiten helemaal donker is. Als afscheid steek ik mijn handschoenhand op naar de rood-rinkelende overwegen, naar de donkere dennen die je haast kan aanraken, naar de heldere sneeuw op een berg verweg en naar de sterren in de koude lucht die een trein zien rammelen over een ijzeren weg, en eigenlijk kan ik niet beter afscheid nemen dan met dit vrij vertaalde stuk Jack Kerouac uit ‘The Lonesome Traveler’:- Hoe vaak ik nog terugdenk aan het kriepen en piepen van de boxcars en de flatcars en de gondola’s, dat hele overweldigende kraken en klikken en klakken van staal over staal op staal, dat schudden en beven van dat hele stalen gedoe, één pakwagen heeft zijn rem nog op, dat schuren en slijpen dat zich in heel dat trage monster voortzet- (...) Onderweg de kleine huizen als het avond wordt, met mensen die nog een glas drinken met de vensters open en kinderen die in hun bed liggen en naar buiten kijken en een ster zien boven de spoorweg en een trein horen fluiten, en oh, ik wou dat ik een kind in een bedje was in zo’n huis, met mijn ouders die beneden nog iets zitten te drinken en met het open raam naar de tuin waar nog tuinstoelen staan en waar de geteerde omheining is en daarboven de sterren en dan die pure gulden geur van de avond die valt en achterin die tuin een stapel hout en nog wat autobanden en dan de rails van die ouwe Southern Pacific en de trein die in een flits van licht en schaduw voorbij komt, toem tboem, die grote klap van de zwarte locomotief, en dan die lange slang van wagons en al die witte cijfers en al wat nog voorbijflitst in die krakende donder die op dat flitsen volgt en alles de hele wereld gaat voorbij tot aan de laatste wagon waar de ouwe conducteur bij een donker lichtje over papieren gebogen zit en dan het rooie licht op het eind, en alles dat in een bocht verdwijnt en de sterren die meedraaien en meebuigen en heel de wereld die wordt meegezogen in de vlucht van de trein en wow, er komt gewoon geen einde aan dat lange langgerekte janken en fluiten.'

Zelfportret (Oregon 1996)Beeld Jan Hertoghs
Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234